Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19636

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
AWB 12/30225
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de ongewenstverklaring van eiser opgeheven en aan hem een inreisverbod van 10 jaar opgelegd, omdat hij een gevaar is voor de openbare orde. Met de uitspraak van de rechtbank van 8 april 2004 is in rechte vast komen te staan dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. De door eiser ingebrachte documenten zijn geen nova die een hernieuwde beoordeling daarvan rechtvaardigen. De inwerkingtreding van artikel 12 Definitierichtlijn en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU zijn geen relevante wijziging van het recht. De oplegging van het inreisverbod is voorts niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn. Hoewel artikel 3 EVRM zich tegen uitzetting naar Afghanistan verzet en eiser daarom niet wordt uitgezet, wordt niet voldaan aan het in het beleid van verweerder opgenomen duurzaamheidsvereiste. Het inreisverbod is evenmin in strijd met artikel 8 van het EVRM. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om van het inreisverbod af te zien dan wel de duur ervan te verkorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/30225 (beroep inreisverbod)

V-nr: 913.014.0388

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[naam],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. G.J. Dijkman, advocaat te Utrecht,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Asarfi, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 27 september 1998 voor de tweede maal afgewezen. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Tegelijkertijd heeft verweerder eiser tot ongewenst vreemdeling verklaard. Eiser heeft op 31 maart 2006 beroep ingesteld tegen de afwijzing van de asielaanvraag en op 19 april 2006 bezwaar gemaakt tegen de ongewenstverklaring.

Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is op 26 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring is bij besluit van 12 februari 2008 ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser op 22 februari 2008 beroep ingesteld. Bij besluit van 28 augustus 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het voormelde besluit op bezwaar ingetrokken, de ongewenstverklaring opgeheven en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Op 21 september 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser daartegen ontvangen (AWB 12/30225). Het eerdere beroep heeft eiser ingetrokken. Eiser handhaaft wel de beroepsgronden die hij in die procedure op 25 maart 2008 en 19 september 2012 heeft ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 26 juli 2001 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser voor de eerste maal afgewezen. In voormeld besluit heeft verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing geacht. Bij uitspraak van 8 april 2004 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen. De rechtbank heeft daarbij - kort samengevat - in aanmerking genomen dat eiser in de periode 1987-1992 als officier werkzaam is geweest voor de Khadimat e Atal’at e Dowlati/Wazarat e Amaniat e Dowlati (de KhAD/WAD) in Afghanistan. Eiser is in 1987 in de rang van derde luitenant gaan werken in de functie van plaatsvervangend hoofd politieke zaken. Na een tweetal bevorderingen had hij de rang van eerste luitenant. Eiser werkte van 1989 tot 1992 als officier bij het Garnizoen van Kabul, een eliteonderdeel van de KhAD dat was belast met het bewaken van de algemene veiligheid en van de stad. Eiser was verantwoordelijk voor de politieke zaken van zijn eenheid. De rechtbank is uitgegaan van de juistheid van het algemeen ambtsbericht over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan van 29 februari 2000 (hierna: het ambtsbericht) en heeft geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van de misdrijven begaan door de KhAD/WAD (knowing participation) en dat hij op enige wijze daaraan persoonlijk heeft bijgedragen (personal participation).

Echter, omdat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te toetsen of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich tegen eisers uitzetting naar Afghanistan verzet, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

2.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de ongewenstverklaring van eiser herroepen, omdat per 31 december 2011 de Vreemdelingenwet is gewijzigd en eiser thans onder het toepassingsbereik valt van de regeling van het inreisverbod, zoals neergelegd in artikel 66a van de Vw 2000. Het bestreden besluit is door verweerder tevens als terugkeerbesluit aangemerkt. Aan het thans bestreden besluit om eiser op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000, een inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen, ligt het volgende ten grondslag. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en dit reeds in rechte vast staat. De door eiser overgelegde verklaringen nopen volgens verweerder niet tot een heroverweging van de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Hoewel eiser sinds de aanvulling van zijn asielrelaas op 10 december 2007 aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen eisers uitzetting naar Afghanistan, is geen sprake van een duurzaam beletsel. Tot slot betekent het inreisverbod volgens verweerder geen schending van het recht op eerbiediging van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

3.1

Eiser voert ten eerste aan dat nieuwe landeninformatie en artikel 12 van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn) nieuwe feiten en omstandigheden zijn, die een nieuwe beoordeling van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag rechtvaardigen. Eiser wijst daartoe op de overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) van 9 november 2010 inzake B. en D. tegen Duitsland (ECLI:NL:XX:2010:BO5518), dat ziet op artikel 12 van de Definitierichtlijn. Hieruit vloeit een strengere bewijslast voor verweerder voort. Het baseren van de 1(F)-tegenwerping op een enkel ambtsbericht, dat geldt ten aanzien van een gehele groep, is niet te verenigen met dit arrest. Het gebruik van het ambtsbericht is bovendien in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU en de algemeen aanvaarde rechtsbeginselen van ‘equality of arms’ en ‘adversarial trial’, nu het is gebaseerd op (oude en) anonieme bronnen. Bij de uitleg en toepassing daarvan zal aansluiting moeten worden gezocht bij de jurisprudentie inzake artikel 6 van het EVRM. Volgens eiser is de uitleg daarover van de Afdeling in zijn uitspraak van 19 april 2012 (zaaknr. 201109067/1/V1) niet evident in overeenstemming met de bedoeling van de communautaire wetgever. Eiser verwijst naar de conclusie van Advocaat-Generaal Y. Bot van 12 september 2012 in zaaknummer C-300/11, en meent dat daaruit volgt dat eiser compensatie dient te krijgen als de overheid bepaalde informatie niet wil vrijgeven. Artikel 6 van het EVRM staat in de weg aan het gebruik van een enkele anonieme bron als doorslaggevend bewijs. Dat eiser geen beschikking heeft over de relevante achtergrondinformatie bij het ambtsbericht, is een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, heeft destijds geen enkel onderzoek verricht naar de bronnen van het ambtsbericht. In het licht van nieuwe Unierechtelijke bepalingen en nieuwe landeninformatie, kan daarom niet meer van haar oordeel worden uitgegaan. Eiser betwist bovendien de inhoud en de conclusies van het individuele ambtsbericht dat aan de 1(F)-vaststelling ten grondslag is gelegd. Eiser verwijst voorts naar de paragrafen 56, 57, 59 en 61 van de ‘Background Note on the Application of the Exclusion Clauses’, die gaan over de verantwoordelijkheid van mensen in leidinggevende posities. Verweerder heeft verder geen beoordeling gemaakt van eisers relevante individuele omstandigheden en verklaringen. Niet is aannemelijk gemaakt dat de eenheid waaraan eiser leiding gaf zich schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen.

3.2

De rechtbank overweegt thans het volgende. De rechtbank is van oordeel dat met de uitspraak van 8 april 2004 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in rechte vast is komen te staan dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Dat de rechtbank het besluit van verweerder van 26 juli 2001 heeft vernietigd, omdat het besluit er geen blijk van gaf dat is onderzocht of artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen de uitzetting van eiser naar Afghanistan, laat onverlet dat de rechtbank ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag uitdrukkelijk een bindend rechtsoordeel heeft gegeven dat onherroepelijk is geworden. Gelet op het voorgaande kunnen enkel nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dan wel een voor eiser relevante wijziging van het recht, een hernieuwde beoordeling van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag rechtvaardigen.

3.3

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4286) is de rechtbank van oordeel dat met de inwerkingtreding van artikel 12 van de Definitierichtlijn geen sprake is van een dergelijke relevante wijziging van het recht. De verwijzing van eiser daarnaar en naar het arrest van het Hof inzake B. en D. tegen Duitsland kan hem daarom niet baten.

3.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU evenmin een relevante wijziging van het recht is en ziet daarom geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Deze bepaling bevat gelijkluidende normen voor een eerlijk proces en toegang tot de rechter als de artikelen 6 en 13 van het EVRM bevatten, waar eiser zich reeds ten tijde van de beoordeling van artikel (1F) van het Vluchtelingenverdrag bij de rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, op had kunnen en moeten beroepen. Hoewel procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen niet binnen het bereik van artikel 6 van het EVRM vallen, gelden de in deze bepalingen vervatte waarborgen, zoals het recht op een eerlijk proces, waaronder begrepen het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het recht op een procedure op tegenspraak (adversarial proceedings), wel degelijk binnen de nationale rechtsorde. De rechtbank verwijst naar de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 april 2012. De rechtbank volgt dan ook niet het betoog dat artikel 47 van het Handvest een bredere toepassing kent, omdat het niet - zoals artikel 6 EVRM - is beperkt tot ‘criminal proceedings’ en ‘civil rights and obligations’. De beperking zoals die geldt voor artikel 6 EVRM geldt niet voor artikel 13 EVRM zodat deze bepaling en de wijze waarop de bepaling wordt uitgelegd door het EHRM volledig op procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen van toepassing is.

Dat de rechtbank destijds geen aanleiding heeft gezien nader onderzoek te doen naar de bronnen die aan het ambtsbericht ten grondslag lagen, maakt niet dat eiser daar thans opnieuw - zonder nova - een beoordeling over kan krijgen. Eiser had tegen de uitspraak in hoger beroep kunnen gaan. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat in procedures betreffende andere vreemdelingen al in rechte aan de orde is geweest of het onthouden van de bronnen die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen gerechtvaardigd is en of de conclusies in het ambtsbericht door deze bronnen kunnen worden gedragen (uitspraken van de Afdeling van 30 november 2004 (ECLI:NL:RVS:2004: AR7346) en 24 september 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ8654)), welke vragen de Afdeling bevestigend heeft beantwoord. De rechtbank ziet daarom ook anderszins niet in dat het recht op een eerlijk proces en/of het beginsel van equality of arms zouden zijn geschonden.

3.5

Voor zover eiser met zijn verwijzing naar de Background Note on the Application of the Exclusion Clauses beoogt te betogen dat de eerdere vaststelling van artikel 1(F) op grond daarvan moet worden heroverwogen, geldt evenzeer dat eiser daar reeds ten tijde van de beoordeling van artikel (1F) van het Vluchtelingenverdrag door de rechtbank te Haarlem een beroep op had kunnen doen. Voormelde Background Note dateert immers van 4 september 2003 en kan dus niet als novum worden aangemerkt.

3.6

De rechtbank is verder van oordeel, wederom onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4286), dat het rapport van dr. A. Giustozzi van 6 maart 2006 ook geen novum is. Het rapport kan immers niet afdoen aan het eerdere besluit, nu het volgens voormelde uitspraak van de Afdeling geen concrete aanknopingspunten bevat voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht.

3.7

Gelet op het voorgaande is geen sprake van een voor eiser relevante wijziging van het recht of van nova, die een hernieuwde beoordeling van de vaststelling van 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en het daaraan ten grondslag liggende ambtsbericht rechtvaardigen.

4.

In geschil is voorts of verweerder aan eiser een inreisverbod kon opleggen.

5.1

Eiser voert aan dat het inreisverbod in strijd is met Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Ten eerste heeft verweerder niet gemotiveerd waarom is afgezien van toekenning van een termijn voor vrijwillig vertrek, gedurende welke termijn geen inreisverbod kan worden opgelegd. Voor zover daarvan zou zijn afgezien omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, voert eiser aan dat in zijn geval van terugkeer geen sprake is en dat verweerder wel rekening moet houden met de verblijfsduur, schoolgaande kinderen en gezinsbanden, zoals vermeld in artikel 7, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Verder voert eiser aan dat het in strijd is met de Terugkeerrichtlijn om een maatregel op te leggen die leidt tot strafbaarstelling van illegaal verblijf, terwijl de terugkeerprocedure nog niet is doorlopen. Het terugkeerbesluit verplicht eiser terug te keren en de lidstaat is verplicht te zorgen dat, middels (dwang)maatregelen, eiser wordt verwijderd. In het geval van eiser is de terugkeerprocedure niet toegepast en is sprake van geldige redenen om niet terug te keren, gelet op artikel 3 van het EVRM. Er kan geen inreisverbod worden opgelegd, zonder dat er sprake is van een verplichting tot terugkeer, dan wel uitzetting en verwijdering. Eiser verwijst ook de naar artikelen 5 en 9 van de Terugkeerrichtlijn, waarin het refoulementverbod expliciet wordt genoemd. Eiser voert verder aan dat hij tot op heden nog geen in rechte vaststaand terugkeerbesluit heeft ontvangen en dat er nooit een effectief rechtsmiddel is geweest tegen het terugkeerbesluit, vervat in de afwijzing van de asielaanvraag op 28 maart 2006.

5.2

De rechtbank overweegt dat, gelet op vaste Afdelingsjurisprudentie, voor de uitvaardiging van een inreisverbod een terugkeerbesluit is vereist. Partijen stellen zich op het standpunt dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag van 28 maart 2006 een - nog geldend - terugkeerbesluit inhoudt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2013 (zaaknr. 201208588/1/V1, www.raadvanstate.nl), volgt de rechtbank partijen hier in. De rechtbank is echter van oordeel dat het betoog van eiser dat hij nooit een effectief rechtsmiddel tegen dit terugkeerbesluit heeft gehad, slaagt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling had eiser destijds immers vanwege zijn ongewenstverklaring geen procesbelang bij een beoordeling van dat asielbesluit. De vaststelling in dat besluit dat eiser niet meer legaal in Nederland verbleef en Nederland onmiddellijk moest verlaten had voorts niet het gevolg dat dit de (een rechtens vereiste) basis kon vormen voor een inreisverbod, zodat moet worden aangenomen daaruit evenmin procesbelang had voortgevloeid. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit niet kan leiden tot de conclusie dat geen inreisverbod had mogen worden opgelegd, nu verweerder in het bestreden besluit van 28 augustus 2012 een nieuw terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd, waar de rechtbank thans een volledig oordeel over kan geven. De rechtbank overweegt hieromtrent dat, anders dan eiser betoogt, verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd heeft overwogen waarom aan eiser geen termijn voor vrijwillig vertrek is gegeven. Verweerder heeft hieraan immers gemotiveerd ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.

Op eiser rust derhalve van rechtswege een vertrekplicht, ook al is uitzetting naar Afghanistan momenteel niet mogelijk. Voor eiser bestaat nog steeds de plicht de EU te verlaten en vertrek - naar een derde land - kan nog steeds plaatsvinden. Dat eiser Nederland niet wil verlaten, maakt niet dat vrijwillig vertrek naar een derde land niet mogelijk is. De rechtbank volgt derhalve niet het betoog dat geen sprake kan zijn van terugkeer als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Verder volgt niet uit de Terugkeerrichtlijn dat pas een inreisverbod kan worden opgelegd nádat de vreemdeling de EU heeft verlaten en de terugkeerprocedure is doorlopen. Artikel 6, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn vermeldt immers juist dat een inreisverbod tegelijkertijd met (de beëindiging van legaal verblijf en) een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Dat het beginsel van non-refoulement moet worden geëerbiedigd en de lidstaten de verwijdering moeten uitstellen in geval van strijd met dit beginsel, betekent evenmin dat verweerder geen terugkeerbesluit en inreisverbod kon opleggen.

6.1

Eiser ziet voorts niet in dat de internationale betrekkingen vergen dat aan hem, naast het onthouden van bescherming, ook nog een inreisverbod (voorheen ongewenstverklaring) wordt opgelegd. Geen van de Schengenlanden kent een vergelijkbaar beleid en uit de verscheidenheid van de Schengenregelgeving volgt evenmin dat verweerder ertoe gehouden zou zijn ‘1F-ers’ een inreisverbod (voorheen ongewenstverklaring) op te leggen. Het automatisme van het opleggen van een inreisverbod vindt eiser bovendien kennelijk onredelijk, omdat er geen geïndividualiseerde belangenafweging plaatsvindt. Eiser persisteert ook in zijn betoog dat niet kan worden gesteld dat hij een gevaar is voor de openbare orde in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Het Unierecht geeft aanknopingspunten voor een andere uitleg dan verweerder eraan geeft. Het belang van de internationale betrekkingen leidt dan ook niet zonder meer tot de uitleg dat eiser een gevaar is voor de openbare orde in Unierechtelijke zin.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het begrip ‘ernstige bedreiging van de openbare orde’ uit de Terugkeerrichtlijn op een andere wijze dient te worden uitgelegd, dan verweerder heeft gedaan. Voor zover eiser erop doelt dat voormeld begrip op vergelijkbare wijze voorkomt in de Verblijfsrichtlijn (2004/38/EG), betekent dat niet dat voormeld criterium in het onderhavige geval op dezelfde wijze moet worden toegepast. De Verblijfsrichtlijn is immers van toepassing op Unieburgers en hun familieleden, terwijl de Terugkeerrichtlijn van toepassing is op illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Verder betekent het gegeven dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is verklaard reeds dat eiser door de internationale gemeenschap wordt aangemerkt als een gevaar voor de - internationale - openbare orde en veiligheid. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 31 oktober 2008 (ECLI:NL:RVS:2008: BG3842) en 16 april 2012 (zaaknr. 201104103/1/V3). Gelet hierop en op de artikelen 66a, eerste lid, juncto 66a, zevende lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000, was verweerder bevoegd aan eiser een inreisverbod op te leggen.

7.1

Eiser voert verder aan dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Afghanistan. Eiser heeft consequent aangevoerd dat hij vervolgd is door de Taliban. Ten onrechte is van deze vrees geen beoordeling gemaakt, zoals die gold ten tijde van eisers asielaanvraag. Ten tijde van zijn aanvraag had elke ex-communist te vrezen voor vervolging. Deze vrees blijkt uit de vervolging van eiser zelf, van zijn (inmiddels overleden) vrouw die in Afghanistan nergens veilig kon verblijven, de hoge functies van zijn directe familieleden en de vervolging van zijn vader. Dat verweerder dat pas vanaf 2004 is gaan beoordelen kan niet voor rekening van eiser komen. Verder loopt eiser een risico op een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM, omdat hij het islamitisch geloof heeft afgezworen. Uit de aard van de geloofsafvalligheid volgt dat sprake is van een duurzame uitzetbelemmering.

7.2

Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn houden de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening met: a) het belang van het kind; b) het familie- en gezinsleven; c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.

7.3

Volgens paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, voor zover van belang, kan zich de situatie voordoen dat aan de vreemdeling op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning wordt verleend, maar dat tegelijkertijd aannemelijk is dat hij bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:

a. of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

b. of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

Ad a.

De term duurzaam houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.

Ad b.

Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt.

7.5

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiser niet slaagt. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zich (pas) sinds 10 december 2007, toen in Afghanistan bekend is geraakt dat hij het islamitische geloof had afgezworen, in de situatie bevindt dat hij wegens het risico van schending van artikel 3 van het EVRM niet naar Afghanistan kan worden uitgezet. Daarnaast is in het bestreden besluit verwezen naar het besluit in primo van 28 maart 2006 en naar het ingetrokken besluit op bezwaar van 12 februari 2008. In het besluit in primo en het daaraan ten grondslag liggende voornemen heeft verweerder gemotiveerd overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat van de kant van de Taliban een bijzondere, negatieve belangstelling voor de persoon van eiser bestaat. Eiser is na zijn aanhouding in Jalalabad na drie dagen door een Talib vrijgelaten en heeft dus op vrij eenvoudige wijze kunnen vrijkomen. Evenmin is volgens verweerder aannemelijk geworden dat eiser vanwege zijn werkzaamheden als beroepsmilitair voor de KhAD/WAD en zijn lidmaatschap van de DVPA persoonlijk problemen heeft ondervonden van de kant van de Mujahedin. Dat de reden van de confiscatie van de ouderlijke woning van eiser door derden zou zijn gelegen in de omstandigheid dat eiser en zijn familie met het communistisch regime worden geïdentificeerd, is slechts gebaseerd op vermoedens. Er is volgens verweerder geen reden om hierom bij terugkeer een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Verweerder heeft derhalve wel eisers gestelde vrees voor de Taliban beoordeeld. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze motivering van verweerder ontoereikend is.

Dat uit de aard van de geloofsafvalligheid voortvloeit dat sprake is van een duurzaam artikel 3 EVRM-risico, volgt de rechtbank evenmin. Eiser heeft verklaard dat hij het islamitisch geloof sinds februari/maart 2006 heeft afgezworen en dat dat in Afghanistan bekend is geraakt in 2007. Eiser heeft dat voorts pas tijdens de hoorzitting op 10 december 2007 voldoende aannemelijk gemaakt. Nu pas sinds 10 december 2007 aannemelijk is dat artikel 3 van het EVRM zich tegen eisers uitzetting verzet, wordt niet voldaan aan het duurzaamheidsvereiste, in de zin dat eiser zich reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank tevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven om van het inreisverbod af te zien dan wel de duur ervan te verkorten.

8.1

Eiser voert tot slot aan dat oplegging van het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De inmenging in het gezinsleven dat hij in Nederland uitoefent met zijn vrouw en dochter is volgens hem niet gerechtvaardigd. Eiser verwijst naar de ‘guiding principles’ uit het arrest van het EHRM inzake Boultif tegen Zwitserland (ECLI:NL:XX:2001:AD3516) en voert aan dat er geen sprake van een gepleegd misdrijf, dat de wettelijke grondslag niet voorzienbaar is nu het begrip ‘internationale betrekkingen’ niet nader in het beleid is ingevuld, dat hij (inmiddels) al meer dan 14 jaar in Nederland verblijft en sinds de verweten gedragingen al meer dan 21 jaar is verstreken, dat zijn gezinsleden de Nederlandse nationaliteit hebben en dat het voor hen moeilijk zal zijn eiser te volgen naar een derde land. Eisers vrouw heeft medische klachten en hun dochter heeft ontwikkelingsproblemen. Gedurende de vier jaren sinds het besluit van 12 februari 2008, waarnaar verweerder verwezen heeft, heeft het gezinsleven in Nederland zich verder ontwikkeld en zijn de banden met Nederland sterker geworden. De duur van de procedure en de periode van onzekerheid is niet te wijten aan eiser. Verder is het belang van eisers dochter onvoldoende meegewogen. Zij is inmiddels zes jaar oud, heeft de Nederlandse nationaliteit en enkel binding met Nederland en heeft, zoals gezegd, ontwikkelingsproblemen. De mate van worteling dient ook te worden beoordeeld. Indien wordt aangenomen dat kan worden tegengeworpen dat een gezin mogelijk (hypothetisch) in een derde land buiten de EU kan gaan wonen, wordt deze beoordeling een dode letter. Eiser verwijst ook naar de artikelen 5 en 7 van de Terugkeerrichtlijn, waarin het recht op gezinsleven en de belangen van het kind expliciet worden genoemd.

8.2

Naar de rechtbank begrijpt, betoogt eiser dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om op grond van het achtste lid van artikel 66a van de Vw 2000 om van het uitvaardigen van een inreisverbod af te zien, gelet op eisers gezinsleven hier te lande. De rechtbank is van oordeel dat het betoog niet slaagt en dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat eisers beroep op uitoefening van zijn gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM geen individuele omstandigheid oplevert die aanleiding moet geven om van het inreisverbod af te zien. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser zijn gezinsleven met zijn vrouw en dochter hier te lande zal kunnen continueren, nu hij vanwege een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM niet zal worden uitgezet.

9.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10.

De rechtbank buigt zich tot slot over de vraag of het verzoek van eiser om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een geschil dient te worden beslecht, aanleiding geeft om het onderzoek op dit punt − met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb − te heropenen.

10.1

Eiser heeft aangevoerd dat voormelde redelijke termijn is overschreden. Eiser heeft in 1998 zijn asielaanvraag ingediend. Op 26 juli 2001 is de eerste beslissing daarop genomen, welke in 2004 is vernietigd. Op 30 maart 2006 is weer een besluit genomen, maar dat is ingetrokken. Thans ligt het besluit van 28 augustus 2012 voor. De procedure duurt reeds circa 14 jaren en dat is onredelijk lang. Aan eiser komt daarom schadevergoeding toe.

10.2

De rechtbank overweegt als volgt. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, LJN: AN6601, en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, LJN: AX7382).

10.3

De rechtbank stelt ten eerste vast dat, anders dan eiser betoogt, verweerder het besluit van 30 maart 2006 niet heeft ingetrokken, doch enkel het besluit op bezwaar in de ongewenstverklaringsprocedure van 12 februari 2008. Echter, nog afgezien van de vraag of in onderhavige procedure aan de orde kan komen of de redelijke termijn om finaal te beslissen op de asielaanvraag is overschreden, is de rechtbank van oordeel dat niet is uit te sluiten dat ook ten aanzien van de ongewenstverklaringsprocedure de redelijke termijn is overschreden. In die procedure is eiser aanvankelijk tot ongewenst vreemdeling is verklaard en is later aan hem in plaats daarvan een inreisverbod is opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5127) geldt dat de behandeling van het bezwaar niet meer dan één jaar en de behandeling van het beroep niet meer dan twee jaar mag duren, tezamen dus niet meer dan drie jaar, en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. Deze termijn vangt aan met het instellen van bezwaar tegen de oplegging van de ongewenstverklaring.

10.4

Eiser heeft op 19 april 2006 bezwaar aangetekend tegen de ongewenstverklaring. De termijn van - in totaal - drie jaar is dan ook ruimschoots overschreden. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat deze procedure is geëindigd met het besluit op bezwaar van 12 februari 2008, dat verweerder op 28 augustus 2012 weer heeft ingetrokken. Wel is het de vraag of de periode van 12 februari 2008 tot 28 augustus 2012 − toen nog altijd niet op het door eiser ingestelde beroep was beslist en de wetgeving ten aanzien van ongewenstverklaringen inmiddels was gewijzigd − voor rekening van verweerder dient te komen. Gelet op het voorgaande valt niet uit te sluiten dat zowel in de besluitvormingsfase als in de rechterlijke fase de redelijke termijn is overschreden, waarbinnen een dergelijke procedure dient te zijn beslecht.

10.5

De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in de onderhavige procedure, met – voor zover nodig – overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van eiser om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn. Deze gevolgtrekking vormt op haar beurt aanleiding om het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb te heropenen, voor zover het betreft het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt dat in die procedure ook de vraag aan de orde kan komen vanaf welk moment vorenbedoelde redelijke termijn aanvangt. Op de voet van artikel 8:26 van de Awb merkt de rechtbank, naast verweerder, de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: 12/30225,

- verklaart het beroep ongegrond,

- bepaalt dat het onderzoek onder een nieuw registratienummer wordt heropend ter voorbereiding van een uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, voorzitter, en mrs. A.H. van Zutphen en H.T. Masmeyer, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.