Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19627

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_22828
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ook in andere gevallen dan in de situatie dat de burger van de Unie en zijn of haar ongehuwde partner ten minste zes maanden hebben samengewoond en gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding voerden, kan er sprake zijn van een deugdelijk bewezen duurzame relatie, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2004/38.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/22828

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 december 2013 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum], van Canadese nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. R. Wolters),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. D.S. Asarfi).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 5 juni 2013 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 - waaruit het rechtmatig verblijf als partner van een gemeenschapsonderdaan blijkt - afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 augustus 2013 ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Op 30 augustus 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig de partner van eiser, Julia Wieser. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn) vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft. Het gastland onderzoekt de persoonlijke situatie nauwkeurig en motiveert een eventuele weigering van toegang of verblijf.


1.2. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder e, sub 2, en artikel 8, onder e, van de Vw 2000, verschaft verweerder aan een familielid van een gemeenschapsonderdaan die rechtmatig verblijf heeft een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

1.3. Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

1.4. Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 - voor zover van belang - is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met de vreemdeling heeft.

1.5. In paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is het volgende vermeld:

‘In aanvulling op artikel 8.7, vierde lid, van het Vb neemt de IND aan dat een duurzame relatie bestaat als de burger van de Unie en de ongehuwde partner:
- voorafgaand aan het moment van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht of het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden; of
- gezamenlijk een kind hebben.
In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.’


2.1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een zogeheten ‘artikel 9 document’, afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij en zijn partner [naam] (van Zwitserse nationaliteit, hierna: referente) gedurende zes maanden samen hebben gewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Er is om die reden volgens verweerder geen sprake van een duurzame relatie tussen eiser en referente. Verweerder twijfelt niet aan het bestaan van de relatie tussen eiser referente.

2.2. De gemachtigde van verweerder heeft het beleid, zoals neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000, ter zitting zo uitgelegd dat alleen sprake kan zijn van een duurzame relatie - zoals bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 - als de partners minimaal zes maanden hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dat er zes maanden is samengewoond kan worden aangetoond met een inschrijving in de Gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres, maar ook met andere bewijsstukken.
Als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan van het beleid worden afgeweken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een bijzondere omstandigheid kan zijn dat een vreemdeling met zijn partner zes maanden in het buitenland heeft samengewoond. Van het vereiste dat sprake moet zijn van zes maanden samenwonen, kan niet worden afgeweken (tenzij de partners samen een kind hebben). Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BS1678).
Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

3.1. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn blijkt dat, om voor een verblijfsstatus in aanmerking te komen, sprake moet zijn van een deugdelijk bewezen duurzame relatie tussen de EU burger - die gebruikt maakt van zijn recht op vrij verkeer - en zijn partner. Uit de bewoordingen van het artikel volgt niet dat alleen sprake kan zijn van een duurzame relatie als betrokkenen zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en gedurende deze periode hebben samengewoond. In het gemeenschapsrecht wordt het begrip ‘duurzame relatie’ niet nader omschreven. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) dat de communautaire regelgeving van afgeleid recht op het gebied van verplaatsing en verblijf niet restrictief mag worden uitgelegd (zie met name de arresten van het Hof van 13 februari 1985, [Aissatou Diatta/Deelstaat Berlijn], 267/83, punten 16 en 17, en 17 september 2002, [Baumbast en R./Secretary of State for the Home Department], C-413/99, punt 74). Een restrictieve uitleg zou ook ingaan tegen de bedoeling van de gemeenschapswetgever, die het belang van bescherming van het gezinsleven van personen met de nationaliteit van de lidstaten voor de verwijdering van belemmeringen voor de gebruikmaking van de door het Verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheden, heeft erkend (arresten van 11 juli 2002, [Mary Carpenter/Secretary of State for the Home Department], C-60/00, punt 38, en 25 juli 2002, [BRAX/Belgische Staat.], C-459/99, punt 53). Daarom is, teneinde aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn niet zijn effectiviteit te ontnemen, geen plaats voor een restrictieve uitleg van het begrip ‘duurzame relatie’.

3.2. De rechtbank stelt voorts vast dat - anders dan verweerder heeft betoogd - ook uit voornoemd beleid niet volgt dat alleen sprake kan zijn van een duurzame relatie als belanghebbenden minimaal zes maanden hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Uit de tekst van het beleid blijkt dat verweerder een duurzame relatie aanneemt indien belanghebbenden zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en gedurende die termijn feitelijk hebben samengewoond of als zij gezamenlijk een kind hebben. Uit de tekst van het beleid blijkt echter niet dat alleen onder die omstandigheden sprake kan zijn van een duurzame relatie.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder er bovendien op gewezen dat met de nieuwe Vc - die van kracht is sinds april 2013 - niet is beoogd het beleid inhoudelijk te wijzigen ten opzichte van het beleid zoals dat daarvoor gold. In het beleid van voor april 2013 (zoals destijds neergelegd in paragraaf B10/1.7 van de Vc 2000) was bepaald dat een duurzame relatie in ieder geval wordt aangenomen indien er gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding is gevoerd.

Uit de woorden ‘in ieder geval’ volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook in andere gevallen dan bij samenwonen en een gezamenlijke huishouding sprake kan zijn van een duurzame relatie.

3.3. In voornoemde uitspraak van de Afdeling van 6 september 2011 overweegt de Afdeling ten aanzien van het begrip ‘duurzame relatie’ het volgende:
“De Richtlijn staat er naar het oordeel van de Afdeling niet aan in de weg dat een duurzame relatie pas wordt aangenomen indien wordt aangetoond dat de ongehuwde partner en de burger van de Unie, die gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer, ten minste zes maanden een relatie hebben. De richtlijn staat er naar het oordeel van de Afdeling evenmin aan in de weg dat een duurzame relatie in beginsel pas wordt aangenomen wanneer de partners gedurende deze termijn een gezamenlijke huishouding voeren.”
Nu de Afdeling spreekt van ‘in beginsel’ volgt uit deze uitspraak – anders dan verweerder heeft betoogd – evenmin dat een duurzame relatie enkel kan worden aangenomen, indien de partners gedurende minimaal zes maanden feitelijk samen hebben gewoond.

3.4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de voorwaarden van zes maanden gezamenlijke huishouding en samenwonen worden gehanteerd omdat een objectief toetsbaar criterium noodzakelijk is om vast te stellen of sprake is van een duurzame relatie. De rechtbank volgt verweerder hier in zoverre in, dat bedoeld criterium in algemene zin een goed uitgangspunt vormt om aanvragen als hier aan de orde te beoordelen. Dat neemt echter niet weg dat uit zowel de Richtlijn, als uit het beleid en voornoemde uitspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat ook in andere gevallen sprake kan zijn van een duurzame relatie. Dat betekent dat verweerder door in alle gevallen een gezamenlijke huishouding en samenwoning gedurende zes maanden te verlangen het begrip ‘duurzame relatie’ te restrictief heeft uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder, indien de door de betrokkene aangedragen en deugdelijk onderbouwde feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, te beoordelen of sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie, ook indien betrokkene niet voorafgaand aan de aanvraag of het moment van beslissen gedurende zes maanden een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en gedurende die periode heeft samengewoond.

3.5. Uit voornoemde Afdelingsuitspraak blijkt tevens dat wanneer een partner zijn verklaring dat hij een duurzame relatie onderhoudt met een burger van de Unie - die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer - onderbouwt met bewijs, verweerder dit bewijs dient te beoordelen en in voorkomend geval dient te motiveren waarom het bestaan van een duurzame relatie niet is aangetoond. In de onderhavige zaak heeft verweerder naar aanleiding van de door eiser overgelegde bewijsstukken aangaande zijn duurzame relatie enkel geconcludeerd dat met de bewijsstukken niet is aangetoond dat eiser en referente zes maanden hebben samengewoond. Dat is gelet op het voorgaande een te beperkte toets en niet in overeenstemming met verweerders beleid. Nu verweerder niet heeft beoordeeld of de overgelegde bewijsstukken op een andere wijze aantonen dat sprake is van een duurzame relatie tussen eiser en referente, is het besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

4.1. De rechtbank ziet in het kader van de finale geschillenbeslechting aanleiding op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder niet twijfelt aan de relatie tussen eiser en referente. Verweerder heeft ook niet bestreden dat eiser en referente al sinds 2007 een relatie onderhouden. Eiser heeft bij de aanvraag een groot aantal bewijsstukken overgelegd om aan te tonen dat hij en referente sinds maart 2007 een relatie hebben. Eiser heeft onder andere foto’s van hem en referente en aan elkaar verstuurde ansichtkaartjes overgelegd over verschillende jaren. Daarnaast bevat het dossier een verklaring van de ouders van referente, van haar zus en zwager, van de vader van eiser, van zijn voormalige supervisor in ‘The Royal Westminister Regiment’ en van zijn voormalige collega daar. Uit deze verklaringen - opgemaakt door notarissen in Zuid-Afrika of Canada - blijkt dat eiser en referente sinds 2007 een relatie hebben en samen veel hebben gereisd. Tevens blijkt uit de verklaring van de ouders, zus en zwager van referente dat zij van 12 december 2011 tot 28 februari 2012 samen hebben gewoond in Zwitserland. Voorts heeft eiser een aantal vliegtickets over de periode van 2007 tot en met 2013 overgelegd, waaruit blijkt dat eiser en referente elkaar in die periode hebben opgezocht en stukken waaruit blijkt dat ze elkaars vliegtickets hebben betaald. Daarnaast heeft eiser nog een aantal stukken overige overgelegd, waaronder overlijdensberichten van de oma’s van referente van 21 januari 2012 en 8 februari 2013, waarop zowel referente als eiser vermeld staan.

4.2. Gezien voornoemde bewijsstukken is de rechtbank van oordeel dat tussen eiser en referente sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie, zoals bedoel in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn en artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000. Gelet hierop en nu referente de Zwitserse nationaliteit heeft en gebruikt maakt van haar recht op vrij verkeer door in Nederland te wonen, dient aan eiser een artikel 9 document te worden verleend. De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primaire besluit en bepaalt dat verweerder aan eiser per 5 juni 2013 een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 verleent, waaruit zijn rechtmatig verblijf als partner van gemeenschapsonderdaan J. Wieser blijkt. De rechtbank zal verder bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5.1. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 1). De proceskosten in bezwaar worden begroot op € 472,-- (1 punt voor het bezwaarschrift).

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser per 5 juni 2013 een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 verleent, waaruit zijn rechtmatig verblijf als partner van gemeenschapsonderdaan J. Wieser blijkt.

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 160,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1.416,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.V.A. Teggelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 december 2013.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:AT

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.