Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19580

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
327209 / HA ZA 08-4264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemverontreiniging onder nieuwe woonwijk door vroegere zilverfabriek. Is de huidige eigenaar van de grond aansprakelijk voor schade? Onrechtmatigheid gelet op bestemming van destijds? Onderzoeksplicht projectontwikkelaar van de nieuwe woonwijk. Zorgplicht van de huidige eigenaar. Deskundigenbericht. Is de rechtbank in een van de tussenvonnissen buiten de rechtsstrijd getreden? Rapport deskundige wordt uiteindelijk niet gevolgd.

Zie voor de tussenvonnissen de volgende ECLI-nummers:

- ECLI:NL:RBSGR:2011:34196

- ECLI:NL:RBSGR:2011:34859

- ECLI:NL:RBSGR:2011:7823

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/327209 / HA ZA 08-4264

Vonnis van 29 mei 2013

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

ONTWIKKELINGSCOMBINATIE PARK ALLEMANSGEEST C.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. E.C. van Lent te Leiden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMEX PROPERTY B.V.,

gevestigd te Voorschoten,

gedaagde,

advocaat mr. V.H. Affourtit te Amsterdam.

Partijen worden hierna opnieuw Allemansgeest en Amex genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenvonnissen van 5 januari 2011 en van 22 juni 2011, in welk laatste vonnis de rechtbank een deskundige heeft benoemd;

- het op 8 februari 2012 ter griffie van de rechtbank gedeponeerde rapport (gedateerd 26 januari 2012) van de deskundige;

- de brief van 15 februari 2012 van de griffier van de rechtbank aan de advocaten, met betrekking tot het verdere procesverloop;

- de akte uitlaten deskundigenbericht (met één productie) van Allemansgeest;

- de akte na deskundigenbericht van de zijde van Amex;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen (met de deskundige) van 21 september 2012, met het daarin vermelde nadere processtuk;

- de akte na tweede comparitie (met de producties 1-3) van Allemansgeest;

- de antwoordakte na tweede comparitie van de zijde van Amex.

1.2.

Ten slotte hebben partijen opnieuw vonnis gevraagd.

2 De eerdere tussenvonnissen

2.1.

De rechtbank neemt datgene wat zij heeft overwogen in de tussenvonnissen van 5 januari 2011 en van 22 juni 2011, hier over. Zij volhardt daarbij, met dien verstande dat zij aandacht zal geven aan de stelling van Amex dat de rechtbank in het tussenvonnis van 5 januari 2011 op enkele punten buiten de rechtsstrijd is getreden en (in elk geval) een zogeheten verrassingsbeslissing heeft gegeven.

2.2.

Dit is volgens Amex in drie opzichten het geval, te weten:

a. met het oordeel van de rechtbank dat zij, Amex, Allemansgeest had dienen te waarschuwen voor de verontreiniging, haar daarover had moeten informeren en met haar had moeten overleggen over de mogelijke schadelijke gevolgen van een activiteit (onderdeel 4.11, slot, van dat tussenvonnis);

b. met het oordeel dat sinds de invoering van de wijziging van de Wbb per 1 januari 2006, op haar, Amex, een saneringsplicht rust op grond van artikel 55b Wbb (onderdeel 4.19);

c. met het oordeel dat Allemansgeest voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, Allemansgeest, schade heeft geleden doordat Amex (i) de verspreiding van de pluim niet heeft voorkomen, dan wel (ii) haar, Allemansgeest, op geen enkele wijze heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van verspreiding van de verontreiniging, dan wel (iii) de kosten van onderzoek niet voor eigen rekening heeft genomen (onderdeel 4.20).

2.3.

Allemansgeest is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Zij heeft de onder

2.2

samengevatte stellingen van Amex betwist. Volgens haar ligt in de – door haar aangevoerde – schending van de zorgplicht van Amex besloten dat Amex de schade voor haar, Allemansgeest, diende te beperken en haar had moeten waarschuwen en informeren en met haar had moeten overleggen. Nu zij vergoeding vordert van de schade die zij door de desbetreffende onrechtmatige daad heeft geleden, weerspreekt zij ook de stelling van Amex dat de rechtbank in onderdeel 4.20 van het vonnis buiten de rechtsstrijd is getreden. De vordering inzake de (proces)kosten omvat in haar visie ook de in dat onderdeel bedoelde kosten van onderzoek. Allemansgeest acht voorts het oordeel van de rechtbank over de saneringsplicht van Amex juist. Zij betoogt dat dit oordeel binnen het raam van haar stellingen over Amex’ handelen in strijd met de wet viel, en voegt daaraan toe dat het inhoudelijk strookt met de uitspraak van 24 maart 2010 van de Afdeling, waarover zij in haar laatste akte de rechtbank heeft geïnformeerd.

2.4.

De rechtbank verwerpt het hier weergegeven betoog van Amex. Zij heeft in onderdeel 3.2 van het hier bedoelde tussenvonnis, op basis van de gewisselde stukken, een korte samenvatting gegeven van de stellingen van Allemansgeest. Deze stellingen hielden in dat Amex jegens haar onrechtmatig handelt door de vervuiling te laten voortbestaan en uitbreiding niet te voorkomen en geen maatregelen te nemen ter beperking van de schade voor haar, Allemansgeest. Tot die schade behoorde volgens Allemansgeest ook de kosten van milieutechnisch advies. In onderdeel 4.4, bij de verdere weergave van de stellingen van Allemansgeest, heeft de rechtbank opgenomen dat deze stellingen (ook) inhouden dat Amex een op haar rustende saneringsplicht schendt doordat zij, Amex, de bodem niet heeft gesaneerd op grond van het GS-besluit van 11 oktober 2002, en – voor zover dat besluit haar daartoe niet zou verplichten – heeft gehandeld in strijd met de sinds 1 januari 2006 op haar rustende verplichting tot sanering op grond van artikel 55b Wbb. In dit samenstel van stellingen liggen alle aspecten besloten liggen die Amex thans noemt als buiten de rechtsstrijd liggend. Hiermee is gegeven dat er geen “verrassingsbeslissing” is geweest. Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat onderdeel 4.20 van het tussenvonnis van 5 januari 2011 in zijn geheel een terughoudend karakter heeft. Daar is slechts, gelet op de vordering tot verwijzing naar een schadestaatprocedure, vastgesteld dat Allemansgeest haar schade, op de daar besproken punten, “voldoende aannemelijk heeft gemaakt”.

2.5.

De stellingen van Amex in haar antwoordakte na de tweede comparitie vinden hierin hun weerlegging.

2.6.

Amex heeft ook een kanttekening gemaakt bij de vermelding (in onderdeel 4.15, slot, van dat tussenvonnis) dat de rechtbank “te zijner tijd” de kosten van de deskundige(n) ten laste van beide partijen, ieder voor een gelijk deel, zal brengen. Hiermee had de rechtbank het oog op de beslissing die zij, met betrekking tot het te vragen voorschot, zou moeten nemen in het daarop volgende tussenvonnis met de benoeming van de deskundige. Zij heeft aan deze aankondiging uitvoering gegeven in het tussenvonnis van 22 juni 2011, waarin is bepaald dat de kosten van de deskundige voorlopig voor rekening van beide partijen dienen te komen, ieder voor de helft. Met deze aankondiging en uitvoering daarvan, heeft de rechtbank uiteraard geen oordeel gegeven over de vraag wie uiteindelijk de kosten van het deskundigenbericht moet dragen.

2.7.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Amex dat in de tussenvonnissen van 5 januari 2011 en van 22 juni 2011 een onjuist criterium is gekozen voor de bepaling van het tijdstip met ingang waarvan sprake kan zijn van onrechtmatigheid jegens Allemansgeest. In deze vonnissen heeft de rechtbank, zonder voorbehoud, geoordeeld dat dit tijdstip moet worden bepaald op het moment waarop Allemansgeest het eerste perceel in het plangebied in kwestie heeft verworven. Het staat de rechtbank niet vrij hiervan terug te komen. Zij ziet daarvoor overigens ook geen grond. Amex betoogt dat deze beslissing haar in feite dwingt om van dag tot dag te onderzoeken hoe de eigendomssituatie van de nabije percelen is. Aldus beziet Amex deze kwestie niet vanuit het juiste perspectief. Uitgangspunt is dat op een eigenaar zoals Amex de verplichting rust om verontreiniging van andere percelen vanuit het eigen perceel te voorkomen. Als een derde, zoals Allemansgeest, geen eigenaar van een dergelijk ander perceel is, bestaat die verplichting niet tegenover deze derde. Dit wordt anders zodra de derde eigenaar is geworden.

2.8.

Aan de orde komt dus nu de beoordeling van het deskundigenbericht, dat betrekking heeft op – kort gezegd – de contouren van de “verontreinigingspluim” in 2002 en in 2006 en op de aard en de kosten van de maatregelen die toen mogelijk zouden zijn geweest om (verdere) verontreiniging van de percelen van Allemansgeest te voorkomen.

3 Het deskundigenbericht en de reacties van partijen daarop

3.1.

De vragen van de rechtbank aan de deskundige, drs. ing. J. Wernsing van Grontmij Nederland BV, zijn hierna, in cursieve tekst, herhaald. De antwoorden van de deskundige, met inbegrip van diens verdere rapportage en toelichting daarop tijdens de tweede comparitie, gelden als hier overgenomen. Een beknopte samenvatting van deze antwoorden is telkens, in niet cursieve tekst, opgenomen na de weergave van de desbetreffende vraag van de rechtbank.

(1) Kunt u een beschrijving geven van de verontreinigingssituatie in 2002 en in 2006 van de percelen van Amex en Allemansgeest, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de verontreiniging tussen ondiep, middeldiep en diep grondwater?

Het antwoord op deze vraag is nauwelijks te baseren op feiten die zijn verzameld op locatie. Op de tijdstippen 2002 en 2006 hebben geen volledige en met elkaar vergelijkbare bepalingen van de omvang van de verontreiniging plaatsgevonden. Voor het middeldiepe grondwater is geen onderzoek verricht naar CIS/VC ten zuiden van de Leidseweg. Voor het diepe grondwater is maar op één punt (L2) onderzoek verricht. Hier wordt een hoog gehalte aan VC teruggevonden. De contour zoals getekend in de rapportage van De Straat (1997) is zo onzeker dat daaraan geen waarde ontleend moet worden. Het staat wel vast dat De Straat in 1997 in het diepe grondwater uit peilbuis L2, net voorbij de Krimkade, een concentratie van 910 ug/l aan VC heeft aangetroffen. PER en TRI waren niet aantoonbaar, CIS is niet onderzocht. Dit resultaat impliceert vrijwel zeker dat het pluimfront met VC in 1997 al lang en breed op de toekomstige percelen van Allemansgeest was gearriveerd.

De informatie van De Ruiter (2007) is zonder aanvullende gegevens (sondeerstaten en analysecertificaten) niet op waarde te schatten.

De resultaten van peilbuis L2 (1997) en de peilbuizen ERM1a-c en ERM2a-c (2006) stellen eenduidig vast dat de pluim met grondwaterverontreiniging met CIS/VC in het diepe grondwater op beide bemonsteringsmomenten zich al op de percelen van Allemansgeest bevond. Het beeld voor het middeldiepe grondwater is op het eerste gezicht minder eenduidig. In 2006 wordt in peilbuis ERM3b nabij de grens van de percelen van Allemansgeest geen VOCl aangetoond. In 2007 wordt in peilbuis 4, vrij centraal op de percelen van Allemansgeest wel VOCl aangetoond. Deze resultaten lijken niet met elkaar te stroken. De meest logische verklaring voor de aanwezigheid van VOCl in peilbuis 4 is dat deze niet afkomstig is van (de plaats van) peilbuis ERM, maar (van) een andere plaats. Ruwweg gezegd is VC in het middeldiepe grondwater een paar decennia onderweg geweest van de perceelsgrens van Allemansgeest naar peilbuis 4, vrij centraal op haar percelen. Hoe lang dit exact heeft geduurd is niet te berekenen, maar deze schatting toont wel aan dat de verontreiniging in het middeldiepe grondwater niet alleen in 2007, maar ook al in 2006 en 2002 op de percelen van Allemansgeest aanwezig is geweest.

Uit de beschikbare onderzoeken kan worden achterhaald dat de pluimen met VC in zowel middeldiep als diep grondwater reeds in 2002 op de percelen van Allemansgeest aanwezig moeten zijn geweest.

Tijdens de tweede comparitie heeft de deskundige, desgevraagd, nog het volgende verklaard over de door hem aangenomen lokalisering van de pluim in het middeldiepe grondwater. Hij beschikte over heel weinig gegevens en is in het bijzonder afgegaan op de gegevens van peilbuis 4. Hij heeft aangenomen dat deze peilbuis in het middeldiepe grondwater was geplaatst en heeft zijn conclusie dan ook daarop gebaseerd. In theorie is denkbaar dat de verontreiniging zich verticaal heeft bewogen (van beneden naar boven), en dus van het diepe naar het middeldiepe grondwater, maar de kans daarop is in een natuurlijke situatie heel klein. Als peilbuis 4, anders dan hij heeft aangenomen, in het diepe grondwater zou zijn geplaatst, zou de waarneming passen in het beeld van het diepe grondwater zoals dit op basis van overigens ook beperkte gegevens is te reconstrueren.

(2) Had Amex vanaf 2002 maatregelen kunnen treffen die hadden kunnen voorkomen dat de pluim van verontreiniging zich uitbreidde tot de percelen in Krimwijk II?

a. Kunt u ten aanzien van de in het antwoord op deze vraag genoemde

maatregelen toelichten wat de effecten van die maatregelen zouden zijn geweest op de pluim van verontreiniging?

b. Had één van deze maatregelen of een samenstel van die maatregelen de schade die Allemansgeest stelt te lijden door de eisen waaraan zij bij de grondwateronttrekking dient te voldoen (zoals het monitoren en zo nodig zuiveren van het grondwater), kunnen voorkomen?

Amex had vanaf 2002 mogelijk sanerende maatregelen kunnen treffen, en wel

multifunctioneel saneren en een IBC-variant op basis van locatiespecifieke

omstandigheden. De eerste mogelijkheid zou toen bij een theoretische

mogelijkheid zijn gebleven. De tweede mogelijkheid zou hebben kunnen leiden tot

een combinatie van maatregelen, te weten ontgraving van de zaklaag ondiep,

tweefasenextractie van de zaklaag middeldiep en grondwateronttrekking van de

pluim middeldiep en diep, over de gehele pluim met concentratie ter hoogte van het

pluimfront.

Ad a: De maatregelen in het brongebied zouden op langere termijn hebben kunnen

leiden tot een pluim die vanaf het brongebied in het ondiepe en middeldiepe

grondwater niet of nauwelijks meer gevoed wordt. Mede door te beperkte kennis

over de verontreinigingssituatie in specifieke zin zou de pluim toch aanmerkelijk

gevoed blijven worden.

Ad b: Nee.

(3) Voor zover maatregelen genomen hadden kunnen worden:

a. Waren dit maatregelen in het kader van een multifunctioneel saneren of maatregelen die leiden tot het isoleren en beheersen van de verontreiniging en tot het controleren van de effecten van het isoleren en beheersen (IBC-maatregelen)?

b. Wat zijn de kosten van de maatregelen die Amex dusdoende sinds 2002 had kunnen nemen?

c. Hoe verhouden zich de kosten van deze maatregelen tot de effecten daarvan?

Ad a: Multifunctioneel saneren zou, gegeven de buitenproportionele kosten en de

waarschijnlijke onhaalbaarheid, als mogelijkheid zijn afgevallen. De keus zou dus

zijn gevallen op IBC-maatregelen op basis van locatiespecifieke omstandigheden.

Ad b: Een robuuste IBC-variant, gebaseerd op het bodemsaneringsbeleid in 2002,

de destijds gangbare technieken en een instandhoudingsduur van vijf jaar, zou € 4

miljoen (exclusief btw, prijspeil 2011) hebben gekost.

Ad c: Het saneren van het brongebied in het ondiepe grondwater door ontgraven is

kosteneffectief. Sanering met puur product aan VOCl met grondwateronttrekking/

tweefasenextractie is niet bijzonder kosteneffectief. Het saneren/beheersen van een

pluim met VOCl met behulp van grondwateronttrekking is weinig kosteneffectief.

De conclusie is dat de kosten van IBC-maatregelen zich ongunstig hadden

verhouden tot de effecten daarvan.

(4) Had Amex vanaf 2006 maatregelen kunnen treffen die hadden kunnen voorkomen dat de pluim van verontreiniging zich uitbreidde tot de percelen Krimwijk II?

a. Kunt u ten aanzien van de in het antwoord op deze vraag genoemde

maatregelen toelichten wat de effecten van die maatregelen zouden zijn geweest op de pluim van verontreiniging?

b. Had één van deze maatregelen of een samenstel van die maatregelen de schade die Allemansgeest stelt te lijden door de eisen waaraan zij bij de grondwateronttrekking dient te voldoen (zoals het monitoren en zo nodig zuiveren van het grondwater), kunnen voorkomen?

Gelet op de resultaten van peilbuis L2 (De Straat, 2007) zou Amex al in 1997 hoogst waarschijnlijk te laat zijn geweest om te voorkomen dat de pluim zich uitbreidde tot de percelen van Allemansgeest. Het pluimfront met VC bevond zich toen immers al vrijwel zeker op deze percelen. Dit geldt ook voor het middeldiepe grondwater (peilbuizen 3 en 4, 2007).

Ook in 2006 zou men zijn uitgekomen op een kosteneffectieve saneringsvariant voor het bereiken van een stabiele eindsituatie. Voor de hand ligt een combinatie van maatregelen.

Ad a: De maatregelen in het brongebied zouden op afzienbare termijn hebben kunnen leiden tot een pluim die vanaf het brongebied in het ondiepe en middeldiepe grondwater niet of nauwelijks meer gevoed wordt. De maatregelen in de pluim zouden slechts hebben geleid tot afname van de concentraties in de pluim, maar niet zodanig dat zij in het overgrote deel van de pluim zouden hebben geleid tot waarden beneden de interventiewaarde.

Ad b: Nee.

(5) Voor zover maatregelen genomen hadden kunnen worden: wat zijn de kosten van de maatregelen die Amex dusdoende sinds 2006 had kunnen nemen?

Een robuuste kosteneffectieve variant voor het bereiken van een stabiele eindsituatie, gebaseerd op het bodemsaneringsbeleid in 2006, de destijds gangbare technieken en een instandhoudingsduur van tien jaren, zou € 2 miljoen (exclusief btw, prijspeil 20011) hebben gekost.

(6) Hebt u overigens nog opmerkingen die voor deze kwestie van belang kunnen zijn?

Rode draad in alle adviezen en rapporten is dat er allerlei vlekken en contouren worden ingetekend, al dan niet met vraagtekens, die de illusie wekken dat op enig moment de omvang van de verontreiniging met VOCl geheel of voor een deel bekend was. De contouren uit het rapport van De Straat (1997) zijn speculatief.

Uit het deskundigenonderzoek blijkt dat de pluim met VC zeer waarschijnlijk vóór 2002 al tot op de percelen van Allemansgeest verspreid is geweest. Dit heeft als consequentie dat een pakket saneringsmaatregelen dat uitsluitend bedoeld zou zijn om in 2002 of 2006 de schade voor Allemansgeest teniet te doen, niet beperkt had kunnen blijven tot een scherm op de perceelsgrens. Met een scherm wordt enkel een barrière geschapen die verdere verspreiding tegengaat.

3.2.

Allemansgeest bestrijdt in het bijzonder de juistheid van een van de hoofdbevindingen van de deskundige, te weten diens constatering dat de pluim al in 1997 de percelen van haar, Allemansgeest, zou hebben bereikt. Tijdens de tweede comparitie heeft zij verklaard dat de door de deskundige genoemde peilbuis 4 niet tot het middeldiepe grondwater reikte, maar tot het diepe grondwater. Zij beroept zich hiervoor op rapportage van ERM en op een nog niet eerder in het geding gebracht (maar haars inziens wel aan de deskundige en in het kader van diens onderzoek aan Amex bekendgemaakt) rapport van De Ruiter uit juni 2007, dat zij bij haar tweede akte na comparitie alsnog heeft overgelegd. Bij deze laatste akte heeft zij ook nog een tweede productie in het geding gebracht, te weten een brief (met bijlagen) van 18 oktober 2012 van Fugro GeoServices BV (hierna: Fugro), een door haar geraadpleegde externe partij. Al deze gegevens wijzen er volgens Allemansgeest op dat de deskundige zich op dit kernpunt op onjuiste gegevens baseert. Als wordt aangenomen dat de verontreiniging in de jaren 2002 en 2006 het middeldiepe grondwater nog niet had bereikt, waren in haar visie andere oplossingen denkbaar en redelijkerwijs uitvoerbaar dan volledige sanering.

3.3.

Amex stelt dat de overlegging van de rapporten van De Ruiter en Fugro in strijd is met de goede procesorde. Deze stukken dienen haars inziens buiten beschouwing te blijven. Amex acht het ook bezwaarlijk dat Allemansgeest pas tijdens de tweede comparitie haar opmerkingen over peilbuis 4 heeft gemaakt. Inhoudelijk concludeert Amex, mede met verwijzing naar diverse passages in het rapport van De Ruiter en bevindingen van Tauw (in 2010), dat het niet zeker maar wel waarschijnlijk is dat het filter van de bedoelde peilbuis 4 in het middeldiepe grondwater stond. Zij wijst er daarbij op dat de deskundige heeft vermeld dat het antwoord op vraag 1 nauwelijks is te baseren op feiten die op de locatie in kwestie zijn verzameld. Samengevat onderschrijft Amex de bevindingen van de deskundige. Dit betekent volgens haar dat de vorderingen van Allemansgeest moeten worden afgewezen.

4 De nadere beoordeling

4.1.

De rechtbank honoreert het bezwaar van Amex tegen de overlegging van de brief van Fugro. In deze fase van de procedure, en gegeven de nauwkeurige omschrijving van de toegelaten inhoud van de nadere akten na de tweede comparitie, is voor het overleggen van nieuwe onderzoeksresultaten geen plaats. De brief van Fugro blijft dus buiten beschouwing. Voor zover Amex ook bezwaar heeft gemaakt tegen het in het geding brengen van het rapport van juni 2007 van De Ruiter – volkomen duidelijk is dit niet –, wijst de rechtbank het bezwaar af. Tijdens de tweede comparitie heeft Allemansgeest de overlegging van dit rapport, dat zoals gezegd wel aan de deskundige (en in de fase van diens onderzoek ook aan Amex zelf) bekend was, met zoveel woorden aangekondigd. Dat heeft toen niet geleid tot bezwaar van Amex of van de rechtbank. Integendeel: Amex heeft aangekondigd te reageren op de conclusies die Allemansgeest daaruit trekt. Dit rapport behoort dus tot de processtukken.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat in het rapport van de deskundige, en ook in diens conclusies, de plaatsing van peilbuis 4 (in het middeldiepe of in het diepe grondwater?) van wezenlijk belang is. Het is aannemelijk dat de schade voor Allemansgeest in het bijzonder is ontstaan door de verontreiniging van het middeldiepe grondwater. Daarom komt het vooral aan op de localisering van de verontreinigingspluim in het middeldiepe grondwater in 2002 en 2006. De deskundige heeft zijn conclusie dat de pluim in die beide jaren ook al het middeldiepe grondwater van de percelen van Allemansgeest had bereikt, in de kern gebaseerd op de gegevens van peilbuis 4.

4.3.

Op basis van de thans beschikbare gegevens acht de rechtbank zich nog niet in staat te beslissen of zij de hier samengevatte conclusie van de deskundige overneemt dan wel verwerpt. Het ziet ernaar uit dat – afgezien van enkele andere kwesties waarover partijen verdeeld zijn – de vordering van Allemansgeest staat of valt met het antwoord op de vraag of peilbuis 4 zich in het middeldiepe of het diepe grondwater heeft bevonden. Hierbij verdient opmerking dat als hierover in de kern onzekerheid blijft bestaan, de vordering dient te worden afgewezen. Dan is immers niet voldaan aan een voorwaarde die blijkens het tussenvonnis van 5 januari 2011 essentieel is voor toewijzing, te weten dat de pluim in 2002 en 2006 de percelen van Allemansgeest nog niet had bereikt; een voorwaarde die thans in deze zin kan worden gepreciseerd dat het hierbij gaat om de localisering van de pluim in het middeldiepe grondwater. Het risico van onzekerheid ten aanzien van dit belangrijke aspect ligt immers bij Allemansgeest, als de partij op wie de last rust om het bewijs te leveren van de feiten waarvan toewijzing van haar aanspraak afhankelijk is.

4.4.

Partijen krijgen de gelegenheid om (i) zo nodig hun stellingen inzake deze kwestie gedocumenteerd aan te vullen en (ii) de rechtbank te doen weten hoe meerdere duidelijkheid kan worden verkregen over de plaatsing van peilbuis 4. Ten aanzien van dit eerste aspect kan Allemansgeest zich alsnog op de brief van 18 oktober 2012 van Fugro beroepen. Bij het tweede hier genoemde aspect gaat het onder meer over de mogelijkheid van (nadere) bewijslevering, door getuigen of deskundigen dan wel op andere wijze. Als bij een van partijen of bij beide partijen voorkeur bestaat voor het benoemen van een nieuwe deskundige, geeft de rechtbank hun in overweging zich hierover met elkaar te verstaan. Zij kunnen suggesties doen voor de vraagstelling aan een nieuwe deskundige (voor het geval dat de rechtbank daartoe zal overgaan) en voor de persoon van de deskundige. Gelet op deze mogelijkheid van nader overleg en op de vakantieperiode zullen de termijnen voor de nadere akten worden bepaald op zes weken in plaats van de gebruikelijke vier weken.

4.5.

Thans wordt derhalve beslist als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 10 juli 2013 voor akte na tussenvonnis aan de zijde

van Allemansgeest, ter voldoening aan hetgeen in onderdeel 4.4 van dit vonnis is vermeld;

5.2.

bepaalt dat Amex daarop kan reageren bij antwoordakte na tussenvonnis, en wel op de rol van 21 augustus 2013;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op

29 mei 2013.

type: 1099