Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19521

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/21546, 13/23254, 13/21548
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

B9, toerekenen gedrag moeder aan dochter.

Aanvraag van moeder voor wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking “als genoemd in B (Vc oud” in “voortgezet verblijf” en aanvraag van de dochter tot verlenging van de aan haar verleende verblijfsvergunning voor verblijf bij moeder. Verwijzing naar uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2069). Ook in het onderhavige geval is sprake van een situatie waarbij de keuze van de dochter om naar Nederland te komen en hier te verblijven zonder verblijfsrecht, niet de keuze van de dochter zelf maar van haar moeder is geweest. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit bij de belangenafweging in het kader van 8 EVRM heeft onderkend. Evenmin heeft verweerder daarbij betrokken dat vaststaat dat de moeder van eiseres 2 voor haar verblijfsrecht niet afhankelijk was van het verblijfsrecht van eiseres 2 en derhalve geen risico op misbruik bestond (of bestaat). De in beginsel aan eiseres 2 toe te rekenen keuze van haar moeder mag in dit geval dan ook geen doorslaggevend element in de te verrichten belangenafweging vormen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder bij de belangenafweging heeft betrokken dat eiseres 2 - gelet op het feit dat zij slechts een half jaar oud was toen zij in 1998 naar Nederland kwam en sindsdien altijd in Nederland heeft verbleven en ook haar schoolopleiding hier volgt - geacht moet worden zeer sterke banden met Nederland te hebben, terwijl de banden met Nigeria vrijwel nihil zijn en slechts zijn afgeleid van haar moeder, die daar tot haar achttiende jaar heeft verbleven. De omstandigheid dat eiseres 2 de Nigeriaanse nationaliteit bezit en met haar moeder Pidgin engels spreekt, betekent niet automatisch dat zij daarmee een (culturele) band met Nigeria heeft, noch dat dit opweegt tegen de sterke banden die zij met Nederland heeft.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-05-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/21546 (beroep [eiseres 1])
AWB 13/23254 (beroep [eiseres 2])

AWB 13/21548 (voorlopige voorziening [eiseres 1])

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 31 december 2013 in de zaken tussen

[eiseres 1],

geboren op [geboortedatum 1],

eiseres 1 / verzoekster,

mede namens haar minderjarige dochter,

[eiseres 2],

geboren op [geboortedatum 1],

eiseres 2,

beiden van Nigeriaanse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. E.M.M. Wantenaar, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. C. Prins, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiseres 1 tot het wijzigen van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “als genoemd in de Vreemdelingencirculaire B9 (oud)” in een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “voortgezet verblijf” afgewezen en de aan eiseres 1 verleende verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 29 november 2011.

Bij besluit van 17 april 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag tot verlenging van de aan eiseres 2 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinshereniging met ouder [eiseres 1]” afgewezen en de aan eiseres 2 verleende verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 29 november 2011.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 augustus 2013 (de bestreden besluiten 1 en 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 en eiseres 2 ongegrond verklaard.

Eiseres 1 en 2 hebben tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Eiseres 1 heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 11 november 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Ten aanzien van het beroep van eiseres 2 (AWB 13/23254)

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres 2 is op[geboortedatum 1] 1997 geboren in Italië. In 1998 is zij met haar moeder (eiseres 1) naar Nederland gekomen. Op 27 december 2010 is zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinshereniging bij ouder [eiseres 1]”, geldig vanaf 20 oktober 2010 tot 23 september 2011. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is verlengd tot 23 september 2012. Op 5 juli 2012 heeft eiseres 2 de in geding zijnde aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning. Deze aanvraag is bij het primaire besluit 2 afgewezen. Tevens is daarbij de aan eiseres 2 verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 29 november 2011. Bij het bestreden besluit 2 zijn deze beslissingen gehandhaafd. Eiseres 2 volgt in Nederland haar schoolopleiding.

2.

Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag van eiseres 2 tot verlenging van de aan haar verleende verblijfsvergunning en de intrekking van die vergunning gehandhaafd, omdat bij het bestreden besluit 1 de intrekking van de aan eiseres 1 verleende verblijfsvergunning is gehandhaafd, zodat eiseres 2 niet meer aan de beperking “gezinshereniging bij ouder [eiseres 1]” kan voldoen. Met betrekking tot het beroep van eiseres 2 op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt verweerder dat geen sprake is van inmenging op het gezinsleven tussen eiseres 2 en eiseres 1, omdat zij het gezinsleven samen in Nigeria ten uitvoer kunnen brengen. Met betrekking tot het beroep van eiseres 2 op het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op respect voor het (in Nederland) opgebouwde privéleven stelt verweerder dat de omstandigheid dat eiseres 2 op de leeftijd van ongeveer een half jaar samen met haar moeder naar Nederland is gekomen en zij hier is getogen, naar school gaat en hier haar leven heeft opgebouwd, op zichzelf onvoldoende is om een schending van het privéleven aan te nemen. Hierbij is meegewogen dat eiseres 2 bijna haar gehele leven illegaal in Nederland heeft verbleven. Bovendien heeft zij, nu zij met haar moeder naar Nigeria kan gaan, hier te lande geen familieleden wonen. In Nigeria heeft eiseres 2 wel familiaire banden, nu niet aannemelijk wordt geacht dat zij en haar moeder in Nigeria geen directe familieleden meer hebben wonen dan wel dat deze niet te traceren zijn. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eiseres 2 en haar moeder in Nigeria in een situatie terecht zullen komen waarbij sprake is van schade aan welzijn en ontwikkeling. Evenmin is gebleken dat eiseres 2 met hulp en steun van haar moeder niet zal kunnen integreren of dat zij in Nigeria geen toekomstmogelijkheden heeft. Indien eiseres 2 van mening is dat haar in Nigeria vanwege besnijdenis en schending van artikel 3 EVRM te wachten staat, kan zij daartoe een verblijfsvergunning asiel aanvragen.

3.

Eiseres 2 heeft in beroep en ter zitting aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van het beroep op artikel 8 EVRM een onvolledige belangenafweging heeft gehanteerd. Eiseres 2 spreekt Nederlands, gaat hier naar school, loopt stage en zij heeft haar privéleven volledig in Nederland ontwikkeld. Het feit dat zij jarenlang illegaal door het leven is gegaan, neemt niet weg dat de laatste jaren wel degelijk sprake is geweest van rechtmatig verblijf dat haar tot het ontwikkelen van het privéleven in staat stelde. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van het kind zoals beschermd door artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Dit artikel bevat weliswaar geen direct toepasbare norm, maar verweerder dient zich voldoende rekenschap te geven van de belangen van het kind. Dit is niet gebeurd, nu verweerder het individuele belang van het kind om in Nederland te blijven niet heeft afgezet tegen het belang dat het kind heeft bij terugkeer naar het land van herkomst. Verschillende elementen spelen daarbij een rol, zoals het aantal jaren dat het kind in Nederland en in het land van herkomst heeft verbleven, de sociale en culturele banden die het kind heeft met Nederland en met het land van herkomst, eventuele medische en psychische problematiek en de ontwikkelingsschade die het kind zou kunnen oplopen wanneer het terugkeert naar het land van herkomst. Bij eiseres 2 speelt voorts mee dat dat zij uitgezet zal worden naar Nigeria, waar zij het risico loopt te worden besneden. Eiseres heeft zich, wat betreft het recht op respect voor het privéleven, onder meer, beroepen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013: 2069).

3.1

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3.2

In de uitspraak van 13 november 2013 heeft de Afdeling, onder meer, het volgende overwogen:

“3.2. (…) De staatssecretaris erkent dat de vreemdeling niet zelf de keuze heeft gemaakt om naar Nederland te komen en hier te verblijven zonder verblijfsrecht of zelfs aanmelding bij overheidsdiensten, maar dit betekent volgens hem niet dat de voor de vreemdeling door zijn vader gemaakte keuze niet ten nadele van de vreemdeling mag uitpakken. Bij de vader van de vreemdeling was bekend dat de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verbleef. Hoewel de vreemdeling sterke banden heeft met Nederland, betekent dit volgens de staatssecretaris niet dat niet van hem zou kunnen worden gevergd dat hij terugkeert naar een van de landen van eerder verblijf. Omdat de vreemdeling al acht jaar oud was toen hij naar Nederland kwam, mag worden verwacht dat hij nog banden heeft met deze landen, aldus de staatssecretaris.

Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat alleen bijzondere feiten en omstandigheden tot de conclusie leiden dat uit het recht op respect voor privéleven de verplichting voortvloeit aan vreemdelingen die op jeugdige leeftijd naar Nederland zijn gekomen en hier al geruime tijd zonder verblijfsrecht verblijven, verblijf hier te lande toe te staan. Desgevraagd heeft hij zich op het standpunt gesteld dat geen van de door de vreemdeling in de procedure naar voren gebrachte omstandigheden als zodanig kunnen worden aangemerkt. Nu de vreemdeling kon - althans had moeten - weten dat zijn verblijf in Nederland onzeker was, kan aan de banden die hij tijdens dit verblijf heeft opgebouwd volgens de staatssecretaris geen doorslaggevende betekenis worden gehecht.

3.3.

Uit de jurisprudentie van het EHRM - onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09, (hierna: het arrest Butt) (www.echr.coe.int) - en de jurisprudentie van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2 - volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

Uit het arrest Butt kan voorts worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders de positie van hun kinderen misbruiken om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

De staatssecretaris heeft bij de belangenafweging onderkend dat de keuze om naar Nederland te komen en hier te verblijven zonder verblijfsrecht, niet de keuze van de vreemdeling zelf maar die van zijn vader is geweest. Daarbij heeft de staatssecretaris echter niet betrokken dat, nu naar onbestreden is de vader van de vreemdeling voor zijn verblijfsrecht niet afhankelijk is van het verblijfsrecht van de vreemdeling en er derhalve geen risico op misbruik bestaat, deze in beginsel aan de vreemdeling toe te rekenen keuze van zijn vader in dit geval geen doorslaggevend element in de te verrichten belangenafweging vormt.

Omdat uit de eerder genoemde jurisprudentie van het EHRM niet volgt dat voor het aannemen van schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven in alle gevallen een verblijfsduur van rond de dertig jaar is vereist, hetgeen de staatssecretaris ter zitting desgevraagd heeft erkend, heeft de staatssecretaris ten onrechte slechts beoordeeld of sprake is van een zodanige verblijfsduur. Hij heeft nagelaten in het bijzonder de omstandigheid dat de vreemdeling
- gelet op de jeugdige leeftijd waarop hij naar Nederland is gekomen en zijn verblijfsduur sindsdien - moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben, bij de door hem te verrichten belangenafweging te betrekken. Nu de staatssecretaris gezien het voorgaande niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat verblijfsweigering aan de vreemdeling geen schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven betekent, heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten het besluit van 25 maart 2011 te vernietigen. Reeds hierom slaagt de grief.”

3.3

De rechtbank is van oordeel dat ook in het geval van eiseres 2 sprake is van de situatie waarbij de keuze om naar Nederland te komen en hier te blijven zonder verblijfsrecht, niet een keuze van eiseres 2 is geweest, maar die van haar moeder. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit bij de in het kader van het beroep op artikel 8 EVRM te verrichten belangenafweging heeft onderkend. Evenmin heeft verweerder daarbij betrokken dat vaststaat dat de moeder van eiseres 2 voor haar verblijfsrecht niet afhankelijk was van het verblijfsrecht van eiseres 2 en derhalve geen risico op misbruik bestond (of bestaat). De in beginsel aan eiseres 2 toe te rekenen keuze van haar moeder mag in dit geval dan ook geen doorslaggevend element in de te verrichten belangenafweging vormen. Voorts is de rechtbank met eiseres 2 van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging ten onrechte de nadruk heeft gelegd op de situatie in Nigeria, zoals het bestaan van familiaire banden met de directe familieleden van haar moeder aldaar, de mogelijkheid om daar te integreren en het bestaan van toekomstmogelijkheden in Nigeria. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder bij de belangenafweging heeft betrokken dat eiseres 2
- gelet op het feit dat zij slechts een half jaar oud was toen zij in 1998 naar Nederland kwam en sindsdien altijd in Nederland heeft verbleven en ook haar schoolopleiding hier volgt - geacht moet worden zeer sterke banden met Nederland te hebben, terwijl de banden met Nigeria vrijwel nihil zijn en slechts zijn afgeleid van haar moeder, die daar tot haar achttiende jaar heeft verbleven. De omstandigheid dat eiseres 2 de Nigeriaanse nationaliteit bezit en met haar moeder Pidgin engels spreekt, betekent niet automatisch dat zij daarmee een (culturele) band met Nigeria heeft, noch dat dit opweegt tegen de sterke banden die zij met Nederland heeft. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank verweerder dan ook niet volgen in het - niet nader gemotiveerde - standpunt dat een uitzetting naar Nigeria voor eiseres 2 geen schade aan haar welzijn en ontwikkeling tot gevolg zal hebben, aangezien hierbij de sterke banden met Nederland evenmin kenbaar zijn betrokken. Verweerder heeft voorts ten onrechte nagelaten in de belangenafweging te betrekken de gemotiveerde stelling van eiseres 2 dat zij in Nigeria de kans loopt om te worden besneden omdat de daar aanwezige familieleden daarop zal aansturen en daartegen geen afdoende bescherming mogelijk is. Door het standpunt in te nemen dat eiseres 2 een asielaanvraag kan indienen, heeft verweerder miskend dat de mogelijkheid besneden te worden, een element is dat in de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM mede dient te worden betrokken. Daarbij geldt ook dat verweerder zich in het kader van artikel 3 IVRK rekenschap dient te geven van de belangen van het kind. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit ten aanzien van het aspect besnijdenis, noch de omstandigheid dat eiseres 2 zeer sterke banden met Nederland heeft, heeft gedaan.

3.4

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het bestreden besluit op het punt van de beoordeling van het beroep op het in artikel 8 EVRM vervatte recht op respect van het privéleven niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen en evenmin op een deugdelijke motivering berust. Het bestreden besluit is in dit opzicht in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van eiseres 2 is reeds om deze reden gegrond, zodat de overige beroepsgronden geen bespreking meer behoeven.

4.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht (€ 160,-) zal vergoeden.

5.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres 2 heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Ten aanzien van het beroep van eiseres 1 (AWB 13/21546)

6.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres 1 is in 1998 met haar dochter (eiseres 2) naar Nederland gekomen. Zij heeft op 23 september 2010 aangifte gedaan van mensenhandel en zij is op die datum in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9”, geldig vanaf 23 september 2010 tot 23 september 2011. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is verlengd tot 23 september 2012. Op 27 oktober 2010 is haar aangifte van mensenhandel geseponeerd. Op 19 september 2012 heeft eiseres 1 de in geding zijnde aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning in “voorgezet verblijf”. Deze aanvraag is bij het primaire besluit 1 afgewezen. Tevens is daarbij de aan eiseres 1 verleende verblijfs-vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 29 november 2011. Bij het bestreden besluit 1 zijn deze beslissingen gehandhaafd.

7.

Verweerder heeft in het bestreden besluit 1 primair het standpunt ingenomen dat aanleiding bestaat om aan de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas te twijfelen omdat eiseres 1 op essentiële onderdelen verklaringen heeft afgelegd, die niet met elkaar overeen-komen, zodat zij reeds daarom niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf.
Subsidiair neemt verweerder - kort samengevat - het standpunt in dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres 1 bij terugkeer naar Nigeria represailles te wachten staan. Evenmin is aannemelijk dat er in Nigeria geen mogelijkheden tot sociale en maatschappelijke herintegratie zijn. Wat betreft de beleidsfactor “de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen dien in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen” geldt dat dat eiseres 1 en haar dochter - die ook de Nigeriaanse nationaliteit heeft - samen naar Nigeria kunnen reizen. De medische problematiek van eiseres 1 is meegewogen, maar leidt niet tot de conclusie dat aan eiseres 1 verblijf dient te worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Ook overigens is niet gebleken van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan eiseres voortgezet verblijf dient te worden toegestaan, zoals vermeld in paragraaf B16/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Er is evenmin gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, in afwijking van het beleid, de aanvraag moet worden ingewilligd. De weigering om eiseres 1 voortgezet verblijf te verlenen, levert geen schending van het tussen eiseres 1 en eiseres 2 bestaande gezinsleven op, nu beiden geen rechtmatig verblijf meer hebben en het bestreden besluit 1 geen scheiding van eiseres 1 en haar dochter tot gevolg heeft. Evenmin is sprake van een schending van het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Voor het aannemen van privéleven dient sprake te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur (circa dertig jaar), eventueel in combinatie met onzekerheid over de verblijfsstatus. In de belangenafweging is betrokken dat eiseres 1 van 1998 tot 2010 illegaal in Nederland heeft verbleven. Voorts heeft zij vanaf haar geboorte in 1972 tot haar achttiende levensjaar in Nigeria gewoond. Dit veronderstelt dat de banden met Nigeria nog steeds aanwezig zijn en dat er mogelijkheden zijn om in Nigeria weer een bestaan op te bouwen. Voorts is niet gebleken dat eiseres 1 hier te lande werkzaam is.

8.

Met betrekking tot de beroepsgrond van eiseres 1 dat het primaire standpunt van verweerder op een ondeugdelijke motivering berust, overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank kan verweerder niet volgen in het standpunt dat eiseres 1 op essentiële onderdelen van haar mensenhandelrelaas tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat daarom het gehele relaas niet aannemelijk is. Kort samengevat houdt het relaas van eiseres 1 in dat zij in 1990 door ene[naam] onder valse voorwendselen naar Italië is gelokt. Daar is zij gedwongen tot prostitutie, met name door een vrouw genaamd [naam 2]. Eiseres 1 is ook een jaar gedwongen zich te prostitueren in Zuid-Afrika. Toen eiseres 1 daarna terugkeerde naar Italië, is haar de toegang geweigerd en moest zij terugkeren naar Nigeria. Daar heeft zij enige tijd verbleven. Toen zij vervolgens weer terugkeerde naar Italië, is zij wederom gedwongen zich te prostitueren. In 1998, enige maanden nadat haar dochter was geboren, is eiseres 1 naar Nederland gekomen. In 2001 heeft zij [naam 2] in Amsterdam gezien. Eiseres is toen verhuisd om aan haar te ontkomen.
Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de vermeende tegenstrijdigheid met betrekking tot de ontmoeting met [naam 2] in 2001 niet langer wordt tegengeworpen. De tegenstrijdigheden die verweerder eiseres 1 (nog wel) tegenwerpt, zien slechts op een deel van het relaas, te weten de periode waarin eiseres 1 naar eigen zeggen in Nigeria heeft verbleven en de terugkeer naar Italië. Ten aanzien van de daaraan voorafgaande periode, waarin eiseres 1
naar eigen zeggen onder valse voorwendselen naar Italië is gelokt en daar is gedwongen tot prostitutie, waarna in Zuid-Afrika hetzelfde gebeurde, heeft verweerder geen tegenstrijdig-heden geconstateerd. De rechtbank kan verweerder niet volgen in het standpunt dat de in het bestreden besluit genoemde tegenstrijdigheden de essentie van het relaas betreffen, te weten dat eiseres sub 1 is gedwongen tot prostitutie. Zelfs indien verweerder gevolgd zou worden in het standpunt dat eiseres 1 tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat daarmee het gehele mensenhandelrelaas - dus ook de verklaringen die zien op de perioden waarover eiseres sub1 niet tegenstrijdig heeft verklaard - niet aannemelijk is. Daarbij heeft de rechtbank mede betrokken de omstandigheid dat de gebeurtenissen die eiseres 1 in haar aangifte uit 2010 heeft beschreven, destijds twintig jaar daarvoor hadden plaatsgevonden. Eiseres 1 wordt gevolgd in het standpunt dat van haar om die reden niet kan worden verwacht dat zij op detailniveau volledig consistent verklaart. De rechtbank kan verweerder voorts niet volgen in het standpunt dat aan de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas verder afbreuk doet het feit dat eiseres 1 pas in 2010 aangifte heeft gedaan en dat hieruit volgt dat zij haar situatie blijkbaar niet als urgent dan wel als niet serieus genoeg heeft ingeschat. Immers, eiseres 1 heeft daarvoor een plausibele verklaring gegeven, te weten dat zij angst had, dat zij veel tijd nodig had om de moed bijeen te rapen om te praten over haar verleden en dat zij uiteindelijk met hulp van de kerk en haar advocaat de stap naar de politie heeft weten te zetten. Aangezien deze beroepsgrond doel treft, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of het subsidiaire standpunt van verweerder het bestreden besluit 2 kan dragen.


9. Niet in geschil is dat eiseres niet valt onder de categorieën slachtoffers zoals aangeduid onder a en b in paragraaf B16/4.5 van de Vc (hierna: het beleid). Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres valt onder de in het beleid genoemde restcategorie van de vreemdeling wiens aangifte niet tot een strafzaak heeft geleid, van wie naar het oordeel van verweerder wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. Bij de beoordeling van deze vraag kunnen op grond van het beleid de volgende factoren een belangrijke rol spelen:

– risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

– risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie;

– de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst, rekening houdend met specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid ter zake.

De hiervoor genoemde factoren zijn, op grond van het beleid, niet de enige factoren die van belang zijn voor de beoordeling of aan het slachtoffer of de getuige- aangever, op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, verblijf dient te worden toegestaan. Buiten de reeds genoemde factoren kan bijvoorbeeld gedacht worden aan psychische problemen waarvoor de vreemdeling in Nederland in behandeling is, de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen en de positie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst. Hierbij is nog van belang dat, indien psychische of andere medische omstandigheden worden aangevoerd, dit slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Indien alleen een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden dan ligt beoordeling in het kader van het beleid medische behandeling meer in de rede. (…) Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de Staat.

9.1

Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of verweerder de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in Nigeria terecht afdoende heeft geacht en of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de omstandigheden die eiseres 1 heeft aangevoerd, tezamen niet leiden tot de conclusie dat van haar niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat.

9.2

De rechtbank overweegt allereerst dat zij eiseres 1 niet kan volgen in het standpunt dat verweerder bij een negatieve beoordeling van het in het beleid neergelegde criterium of de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf toe te staan, vervolgens moet beoordelen of er reden is voor toepassing van artikel 4:84 Awb op grond van bijzondere omstandigheden. Hoewel het in zijn algemeenheid juist is dat een bestuursorgaan bij de toepassing van beleidsregels in een concreet geval, moet onderzoeken of sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het beleid, heeft het bepaalde in artikel 4:84 Awb ten aanzien van beleid dat in deze zaak aan de orde is (paragraaf B16/4.5 van de Vc) praktisch geen betekenis. Immers, het beleidscriterium “bijzondere individuele omstandigheden ” biedt - zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht - ruimte om rekening te houden met allerlei omstandigheden die de vreemdeling betreffen, evenals het begrip “klemmende redenen van humanitaire aard”. In het navolgende zal de rechtbank dan ook beoordelen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van eiseres 1 geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat niet van haar gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat.

9.3

Met betrekking tot de beoordelingsfactor “mogelijkheden van sociale en maatschap-pelijke herintegratie in het land van herkomst” is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat eiseres 1 op achttienjarige leeftijd haar land van herkomst heeft verlaten, niet leidt tot de conclusie dat zij daarom niet meer in dat land zou kunnen herintegreren. Daarbij is mede van belang dat eiseres 1 - naar eigen zeggen - familie heeft wonen in Nigeria, zoals haar moeder en haar jongere broers en zussen. Voorts heeft verweerder gewezen op de aanwezigheid van verschillende hulporganisaties die een ondersteunende rol kunnen spelen bij een herintegratie, zoals de Real Woman Foundation, Project Alert on Violence Against Women en NAPTIP. Verweerder heeft in dit verband, onder verwijzing naar de ambtsberichten inzake de algehele situatie in Nigeria van 5 april 2011 en 17 oktober 2012, aangegeven dat NAPTIP beschikt over een aantal opvangtehuizen (shelters), verspreid over het land. Hoewel deze shelters in principe tijdelijke opvang bieden, worden slachtoffers van mensenhandel nooit zomaar op straat gezet. Hoewel het de voorkeur van NAPTIP is om slachtoffers te laten terugkeren naar familie, kan deze organisatie ook zorgdragen voor ondersteuning bij hervestiging en reïntegratie, zoals training van beroeps-vaardigheden en verstrekken van microkredieten. Daarnaast heeft verweerder ook gewezen op de mogelijkheid van ondersteuning door de stichting Maatwerk bij Terugkeer bij herintegratie en de toegang tot gespecialiseerde instellingen op het gebied van gezondheids-zorg in Nigeria. Een ambtsbericht kan worden aangemerkt als een deskundigenbericht. In hetgeen eiseres 1 in beroep met betrekking tot de opvangmogelijkheden in Nigeria heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen concrete aanknopingspunten gevonden die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de door verweerder aangehaalde informatie uit de ambtsberichten, zodat verweerder die ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn besluitvorming.

9.4

De rechtbank kan eiseres 1 voorts niet volgen in het standpunt dat haar medische problemen onvoldoende door verweerder zijn meegewogen. Ter motivering van het standpunt dat de medische problematiek niet leidt tot de conclusie dat aan eiseres 1 verblijf dient te worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, heeft verweerder kunnen verwijzen naar de bestaande terugkeer- en herintegratie-programma’s van IOM en de stichting Maatwerk bij Terugkeer, waarbij speciale aandacht is voor mensen met psychische aandoeningen. Hetgeen eiseres 1 in beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te oordelen dat de door verweerder genoemde instellingen geen of onvoldoende adequate hulp kunnen verlenen, in het bijzonder bij het verschaffen van toegang tot gespecialiseerde gezondheidszorg in Nigeria.

9.5

Met betrekking tot de eveneens in het beleid genoemde beoordelingsfactor “de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen” heeft verweerder in het bestreden besluit 1 het standpunt ingenomen dat deze factor onvoldoende wordt geacht om op basis daarvan het bezwaar gegrond te verklaren. Hiertoe heeft verweerder verwezen naar al hetgeen eerder in het besluit is overwogen. Voorts heeft verweerder er op gewezen dat het bezwaarschrift van eiseres 2 eveneens ongegrond is beoordeeld en dat in het bestreden besluit 2 is overwogen dat eiseres 1 en haar dochter samen naar Nigeria kunnen reizen.

9.6

De rechtbank is met eiseres 1 van oordeel dat deze motivering het standpunt van verweerder dat er geen klemmende redenen van humanitaire aard zijn op grond waarvan verblijf moet worden toegestaan, niet kan dragen. In de eerste plaats is met de enkele verwijzing naar “al het vorenstaand overwogene” niet duidelijk welke concrete feiten en omstandigheden door verweerder bij deze beoordelingsfactor van belang zijn geacht. Voorts gaat de stelling van verweerder dat eiseres 1 samen met haar dochter naar Nigeria kan reizen, voorbij aan het feit dat bij deze beoordelingsfactor rekening moet worden gehouden met het aspect dat de vreemdeling de zorg voor een kind heeft die in Nederland een opleiding volgt. Zoals uit rechtsoverwegingen 1 en 3.3 van deze uitspraak al is gebleken, volgt de dochter van eiseres 1 haar schoolopleiding in Nederland en moet de dochter worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben. Verweerder heeft deze feiten en omstandigheden ten onrechte niet (kenbaar) betrokken bij de beoordeling van het in geding zijnde beleidsaspect, zodat het bestreden besluit 1 in dit opzicht niet op een deugdelijke motivering berust.

10.

Tot hetzelfde oordeel komt de rechtbank ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de weigering om eiseres sub 1 voortgezet verblijf toe te staan, geen schending van het recht op respect van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM oplevert. Gelet op hetgeen hiervoor in de zaak van eiseres 2 is overwogen met betrekking tot het in artikel 8 EVRM vervatte recht op respect van het privéleven en de gegrondverklaring van het beroep van eiseres 2, is niet uit te sluiten dat eiseres 2 verblijf hier te lande zal moeten worden toegestaan. De motivering van verweerder dat er geen sprake is van schending van het tussen eiseres 1 en haar dochter bestaande gezinsleven omdat het bestreden besluit 1 geen scheiding van beiden tot gevolg heeft, kan daarom geen stand houden.

11.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit 1 op de in rechtsoverwegingen 9.6 en 10. genoemde onderdelen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van eiseres 1 is daarom gegrond.

12.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht (€ 160,-) zal vergoeden.

13.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres 1 heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 472,- (1 punt voor het beroepschrift; wegingsfactor 1). Omdat de beroepen van eiseres 1 en 2 gelijktijdig zijn behandeld en voor het verschijnen ter zitting reeds 1 punt is toegekend bij de proceskostenveroordeling ten behoeve van eiseres 2, zal de rechtbank die proceshandeling hier niet meenemen.

Verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 13/21548)

14.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

15.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

16.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht (€ 160,-) aan verzoekster zal vergoeden.

17.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 472,- (1 punt voor het verzoek om een voorlopige voorziening, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan eiseres 1 en € 160,- aan eiseres 2 als vergoeding voor de betaalde griffierechten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 472,- te betalen aan eiseres 1 en € 944,- aan eiseres 2.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan verzoekster als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 472,- te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.