Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
AWB 12/30508 & 12/30517
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uit het arrest Sedef van het Hof van Justitie van 10 januari 2006 en de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO2088) leidt de rechtbank af dat een werknemer zijn eerder opgebouwde rechten op grond van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80 verliest, als hij heeft opgehouden te werken bij de werkgever waar hij zijn rechten heeft opgebouwd en dat als peilmoment voor de toetsing van de door de vreemdeling opgebouwde rechten geldt het moment van beëindiging van zijn verblijfsrecht. Afgezien van de vraag of eiser bij zijn werkgever .. B.V. reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat eiser op het moment van zijn verblijfsbeëindiging, te weten op 24 juni 2006, geen verblijfsrecht kon ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80 op grond van zijn werkzaamheden bij ..B.V. in de periode van 6 oktober 2003 tot en met 31 december 2005. Eiser is immers opgehouden te werken bij ..B.V. en gesteld, noch gebleken, is dat zich een situatie voordoet zoals genoemd in het tweede lid van artikel 6, van Besluit 1/80 op grond waarvan de door eiser opgebouwde rechten op grond van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, gedurende zijn werkzaamheden bij ... B.V. van 6 oktober 2003 tot 31 december 2005 na beëindiging van zijn werkzaamheden bij deze werkgever behouden zijn gebleven. Verweerder heeft derhalve terecht ter beoordeling van de vraag of de aan eiser verleende verblijfsvergunning kon worden ingetrokken niet het unierechtelijke openbare orde-criterium gehanteerd, inhoudende dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De overige door eiser aangevoerde gronden die zijn gebaseerd op de toepasselijkheid van Besluit 1/80, behoeven daarom geen bespreking meer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/30508 (beroep inzake inreisverbod en intrekking)

AWB 12/30517 (beroep inzake aanvraag onbepaalde tijd)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 november 2013in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag], van Turkse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage).

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 6 januari 2011 de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 24 juni 2006 en eiser tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 februari 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 13 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Bij schrijven van 18 mei 2011 is de beslissing op bezwaar van 13 mei 2011 ingetrokken.

Bij besluit van 25 april 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover dit was gericht tegen de ongewenstverklaring en de ongewenstverklaring opgeheven met ingang van 31 december 2011. Voorts heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard voor zover dit was gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd. Op 25 september 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen (AWB 12/30508).

Bij besluit van 11 september 2012 is het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond verklaard. Op 25 september 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen (AWB 12/30517).

Verweerder heeft op 8 januari 2013 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de geplande zitting van 17 januari 2013 op 10 januari 2013 verdaagd en de behandelingen van de beroepen, naar de meervoudige kamer van deze rechtbank verwezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is op of rond 20 september 2002 Nederland ingereisd. Verweerder heeft eiser op 12 november 2002 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote’. Deze vergunning is meermalen verlengd tot 13 januari 2011. Eiser is begin 2010 gescheiden van zijn (ex)-echtgenote. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 5 januari 2011 blijkt dat het Gerechtshof Arnhem eiser op 23 oktober 2008, onherroepelijk op 16 februari 2010, heeft veroordeeld wegens het medeplegen van moord, gijzeling, diefstal en poging tot diefstal, gepleegd in de periode 24 juni 2006 tot en met 10 augustus 2006. Eiser is veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf.

2.

Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op de volgende standpunten gesteld. De verblijfsvergunning van eiser is met terugwerkende kracht tot 24 juni 2006 ingetrokken omdat eiser onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaar. Eiser vormt gelet hierop een gevaar voor de openbare orde.
Op 30 december 2011 is de Richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) in de Vreemdelingenwet geïmplementeerd en op 31 december 2011 in werking getreden. Vanaf deze datum kan eiser niet meer ongewenst worden verklaard. De in het besluit van 6 januari 2011 opgelegde ongewenstverklaring wordt ongedaan gemaakt vanaf de implementatie van de Terugkeerrichtlijn op 31 december 2011.
Nu eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare veiligheid, omdat hij is veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf voor onder andere het medeplegen van moord, wordt een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren. Eiser kan geen rechten ontlenen aan het Besluit 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije
(Besluit 1/80). Daarom hoeft niet getoetst te worden of het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor het fundamenteel belang van de samenleving.
Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging is voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Eiser komt niet voor de gevraagde vergunning voor onbepaalde tijd in aanmerking, omdat hij niet gedurende vijf jaar ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad.

3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder tegen eiser een inreisverbod heeft uitgevaardigd met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser kan, gelet daarop, geen rechtmatig verblijf hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) volgt dat eiser, zolang voornoemd inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of de afwijzing van de door eiser aangevraagde verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Die beroepen kunnen immers niet leiden tot de door eiser beoogde ongedaanmaking van de intrekking van de hem verleende verblijfsvergunning of verlening van de vergunning voor onbepaalde tijd, nu eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang het inreisverbod voortduurt. Of de aan eiser verleende verblijfsvergunning terecht is ingetrokken en de aanvraag voor een vergunning voor onbepaalde tijd terecht is afgewezen, kan ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld.
De rechtbank zal hetgeen eiser aanvoert tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning en de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd daarom beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod.

4.

Eiser voert aan, zoals ter zitting nader toegelicht, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80 en dat daarom het unierechtelijke openbare orde-criterium, inhoudende dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, niet op eiser van toepassing is. Eiser heeft de status van Turkse werknemer verworven omdat hij in ieder geval onder de eerste gedachtestreep van artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 valt. Uit het zich in het dossier bevindende overzicht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 25 oktober 2011 blijkt in ieder geval dat eiser gedurende twee jaar en twee maanden bij [bedrijf] B.V. heeft gewerkt. Eiser ontleent zijn recht op verblijf rechtstreeks aan Besluit 1/80 en heeft dit recht ook na beëindiging van zijn dienstverband behouden, zodat ook bij beëindiging van het verblijfsrecht van eiser rekening dient te worden gehouden met Besluit 1/80. Dat eiser op het moment van het plegen van het strafbaar feit geen arbeid meer verrichtte, is op zich geen reden om zijn verblijfsrecht in te trekken. Hij was immers wel beschikbaar voor de arbeidsmarkt.

4.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat uit het overzicht van het Uwv van 25 oktober 2011 blijkt dat eiser ten tijde van het plegen van het misdrijf niet werkte. Voorts blijkt uit het overzicht dat eiser nooit drie jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt. Reeds daarom kan eiser niet als Turkse werknemer worden aangemerkt in de zin van Besluit 1/80, zodat geen rechten kunnen worden ontleend aan Besluit 1/80 en niet getoetst wordt of het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Ter zitting heeft verweerder aanvullend gesteld dat zich in het dossier onvoldoende gegevens bevinden om te beoordelen of eiser bij zijn werkgever [bedrijf] B.V. reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, zodat eiser om die reden niet voldoet aan de eerste streepje van artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80.

4.2

Op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80, behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-staat behoort:
- na een jaar legale arbeid in die Lid-staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemer uit de Lid-staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;
- na vier jaar legale arbeid in die Lid-staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

Op grond van artikel 6, tweede lid, Besluit 1/80 worden jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekten gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaand tijdvak van arbeid.

4.3

De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 27 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:
BO2088) in rechtsoverweging 2.1.4. als volgt overwogen:
In het arrest Sedef [de rechtbank: het arrest van het Hof van Justitie (het Hof) van 10 januari 2006, C-230/03 (ECLI:NL:XX:2006:AV6308)], voor zover thans van belang, heeft het Hof onder punt 39 overwogen dat het in de punten 13 tot en met 15 van het arrest van 5 oktober 1994, C-355/93, Eroglu, heeft verklaard dat artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 alleen de continuïteit van de tewerkstelling bij dezelfde werkgever beoogt te garanderen, en dus niet van toepassing is op een Turkse werknemer die na een jaar legale arbeid van werkgever is veranderd en om verlenging van zijn arbeidsvergunning verzoekt om weer in het bedrijf van zijn eerste werkgever arbeid in loondienst te gaan verrichten.
Uit de tekst van artikel 6, eerste lid, eerste streepje van besluit nr. 1/80, bezien in samenhang met voorgaande overweging, volgt dat een Turkse werknemer daaraan slechts rechten kan ontlenen, indien deze na een jaar legale arbeid bij een werkgever te hebben verricht zijn werkzaamheden bij diezelfde werkgever heeft voortgezet. Hoewel de vreemdeling van 11 september 2003 tot 11 september 2004 alsmede van 1 februari 2005 tot 1 februari 2007 legale arbeid voor Simsek Bv heeft verricht, heeft de vreemdeling in de periode daartussen gedurende ruim vier maanden niet voor Simsek Bv gewerkt, waardoor hij aldus niet ononderbroken werkzaamheden bij dezelfde werkgever heeft verricht. Gelet hierop, voldeed de vreemdeling ten tijde van de beëindiging van zijn verblijfsrecht op 14 juli 2005 niet aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje van besluit nr. 1/80 en kon hij daaraan geen verblijfsrecht ontlenen. Het unierechtelijke openbare orde-criterium is derhalve niet van toepassing.”

4.4

Uit voornoemd arrest van het Hof van 10 januari 2006 en voornoemde uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2010 leidt de rechtbank af dat een werknemer zijn eerder opgebouwde rechten op grond van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80 verliest, als hij heeft opgehouden te werken bij de werkgever waar hij zijn rechten heeft opgebouwd en dat als peilmoment voor de toetsing van de door de vreemdeling opgebouwde rechten geldt het moment van beëindiging van zijn verblijfsrecht. Afgezien van de vraag of eiser bij zijn werkgever [bedrijf] B.V. reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat eiser op het moment van zijn verblijfsbeëindiging, te weten op 24 juni 2006, geen verblijfsrecht kon ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80 op grond van zijn werkzaamheden bij [bedrijf] B.V. in de periode van 6 oktober 2003 tot en met 31 december 2005. Eiser is immers opgehouden te werken bij [bedrijf] B.V. en gesteld, noch gebleken, is dat zich een situatie voordoet zoals genoemd in het tweede lid van artikel 6, van Besluit 1/80 op grond waarvan de door eiser opgebouwde rechten op grond van artikel 6, eerste lid,eerste streepje, gedurende zijn werkzaamheden bij [bedrijf] B.V. van 6 oktober 2003 tot 31 december 2005 na beëindiging van zijn werkzaamheden bij deze werkgever behouden zijn gebleven. Verweerder heeft derhalve terecht, zoals primair betoogd, ter beoordeling van de vraag of de aan eiser verleende verblijfsvergunning kon worden ingetrokken niet het unierechtelijke openbare orde-criterium gehanteerd, inhoudende dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De overige door eiser aangevoerde gronden die zijn gebaseerd op de toepasselijkheid van Besluit 1/80, behoeven daarom geen bespreking meer.

5.

Eiser voert voorts aan dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is immers voldoende concreet door eiser toegelicht. Het betreft een zaak van een medeverdachte die evenals eiser geen rechtmatig verblijf had en een even hoge straf als eiser heeft gekregen voor hetzelfde delict. Deze verdachte blijkt inmiddels rechtmatig verblijf te hebben gekregen. Eiser heeft in dit verband ter zitting nog aangevoerd dat verweerder, ter onderbouwing van zijn standpunt dat aan de medeverdachte niet een verblijfsvergunning is verleend, dit besluit ten aanzien van de medeverdachte, zo nodig geanonimiseerd, in de procedure had moeten overleggen.

5.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat uit het dossier van de vreemdeling waarop eiser doelt, is gebleken dat deze geen verblijfsvergunning heeft gekregen, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De ter zitting zijdens eiser naar voren gebrachte constatering dat de medeverdachte niet in dezelfde penitentiaire inrichting voor illegale vreemdelingen als hij verblijft en dus in het bezit moet zijn van een verblijfsvergunning, is daartoe onvoldoende. Verweerder was dan ook niet gehouden om het besluit van de medeverdachte aan eiser te overleggen. Deze grond faalt.

6.

Eiser voert aan dat hij, in weerwil van hetgeen verweerder in het bestreden besluit stelt, niet op de hoogte was van het feit dat naast zijn ongewenstverklaring ook zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht zou worden ingetrokken. Uit niets blijkt dat eiser had kunnen of moeten weten dat de gevolgen van een ongewenstverklaring mede omvatten het intrekken van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op goede gronden ervan is uitgegaan dat eiser op de hoogte was van het feit dat naast de ongewenstverklaring, zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht zou worden ingetrokken. Uit de processen-verbaal van 21 december 2007 en 22 juli 2009 blijkt immers dat eiser tijdens de gehoren van 21 december 2007 en 20 juli 2009 in verband met het voornemen om hem ongewenst te verklaren, onder andere heeft aangegeven dat hij op de hoogte is van de gevolgen van een ongewenstverklaring, te weten het intrekken van de verblijfsvergunning.

7.

Eiser voert voorts aan dat sprake is van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verband met het gezinsleven dat eiser heeft met zijn stiefkinderen en het in Nederland opgebouwde privéleven. Verweerder heeft in het bestreden besluit hetgeen eiser hieromtrent in bezwaar heeft aangevoerd, onvoldoende gemotiveerd verworpen. In het kader van de belangen-
afweging stelt eiser voorts dat in het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 31 januari 2006 inzake Sezen (ECLI:NL:XX:2006:AV3567) de periode dat de vreemdeling zijn gezinsleven nog verder kon opbouwen mede door toedoen van de overheid werd betrokken. Uit het arrest van het EHRM inzake Omojudi van 24 november 2009 (ECLI:NL:XX:2009:BL1770) blijkt dat het Hof in de belangenafweging gewicht toekende aan de pogingen die de vreemdeling gedurende de jaren ondernam om zijn verblijf te legaliseren. In casu is sprake van een tijdsverloop van bijna 6 jaar sinds de strafrechtelijke gedraging van eiser. Eiser verwijst in dit kader ook naar het arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 (ECLI:CL:ECHR:2001:AD3516) inzake Boultif waarin de omstandigheid dat de vreemdeling na het plegen van het strafbaar feit tot zijn vertrek uit Zwitserland geen andere strafbare feiten heeft gepleegd, eveneens in de belangenafweging werd meegewogen.
Ook verwijst eiser naar het arrest van het EHRM inzake Maslov van 23 juni 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BD8475). Verweerder heeft ten onrechte in de belangenafweging niet getoetst aan voornoemde criteria. Daarbij acht eiser van belang dat hij in de periode dat hij in Nederland verbleef altijd heeft gewerkt en dat hij nog een studie wil volgen om zijn chauffeursdiploma te behalen. Verweerder heeft in de belangenafweging de actuele persoonlijke omstandigheden van eiser en het sociale vangnet in Nederland onvoldoende betrokken.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiser en zijn twee stiefkinderen omdat van een juridische dan wel biologische band tussen eiser en deze kinderen niet is gebleken. Van een schending van artikel 8 EVRM kan onder deze omstandigheden dan ook geen sprake zijn. Hetgeen eiser in beroep omtrent gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM en de belangenafweging ten aanzien hiervan heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.

7.2

Ten aanzien van eisers betoog dat hij vanaf 2001 privéleven in Nederland heeft opgebouwd, overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM voor beschermenswaardig privéleven sprake moet zijn van een “settled migrant”, die gedurende een aanzienlijke periode verblijf heeft gehad in het gastland en gedurende dat verblijf persoonlijke, sociale en economische relaties heeft opgebouwd en op grond daarvan sociaal geïntegreerd is. Uit de enkele stelling van eiser dat hij gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gewerkt heeft verweerder niet hoeven afleiden dat eiser een ”settled migrant” is, zodat verweerder zich reeds daarom terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van privéleven dat op grond van artikel 8 EVRM beschermd dient te worden.

8.

Eiser voert aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel omdat eiser in 2006 is veroordeeld en verweerder pas op 19 juli 2010 een voorstel heeft ingediend om het verblijfsrecht van eiser in te trekken. Eiser mocht erop vertrouwen dat hij geen bedreiging voor de openbare orde vormt, als vier jaar over een dergelijk besluit wordt gedaan. In de feitelijke situatie is niets veranderd, zodat onduidelijk is waarom na vier jaar zijn verblijfsvergunning alsnog dient te worden ingetrokken.

8.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008: BG5360 (http://pi.ro.minjus/ljn.asp?ljn=BG5360)) geldt voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel als maatstaf dat jegens eiser, aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Nu niet is gesteld, noch is gebleken dat in casu sprake is van een dusdanige aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging, kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

8.2

Voor zover eiser met voornoemde beroepsgrond een beroep heeft willen doen op het rechtszekerheidbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat dit evenmin kan slagen. De strafrechtelijke veroordeling van eiser is immers pas op 16 februari 2010 onherroepelijk geworden en reeds op 19 juli 2010 heeft verweerder het voorstel tot intrekking van eisers verblijfsrecht kenbaar gemaakt, zodat reeds daarom geen sprake kan zijn van schending van het rechtszekerheidbeginsel, in die zin dat verweerder te lang zou hebben gewacht met het aan eiser kenbaar maken van het voornemen zijn verblijfsvergunning in te trekken.

9.

Eiser voert aan dat Richtlijn 2004/38/EG van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Richtlijn 2004/38) op hem van toepassing is. In artikel 16 Richtlijn 2004/38 wordt aangegeven dat sprake is van een duurzaam verblijfsrecht wanneer een burger van de Unie gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven. Aangezien eiser al acht jaar rechtmatig in Nederland verblijft, is deze richtlijn op hem van toepassing. Onder verwijzing naar artikel 27 Richtlijn 2004/38 stelt eiser dat het nationale openbare orde-criterium hem niet kan worden tegengeworpen.

9.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt heeft gesteld dat Richtlijn 2004/38 niet op eiser van toepassing is omdat hij van Turkse nationaliteit is en daarom onderdaan van een derde land en geen Unieburger is. Voorts heeft eiser ook niet beargumenteerd waarom Richtlijn 2004/38 wel op hem van toepassing zou zijn. Deze grond faalt.

10.

Voor zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat verweerder hem in het bestreden besluit ten onrechte het middelenvereiste en het inburgeringsvereiste heeft tegengeworpen, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 4.4, 5.2, 6.1, 7.2 en 8.2 van deze uitspraak geoordeeld dat de beroepsgronden gericht tegen de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 24 juni 2006 niet slagen. Gelet daarop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet gedurende vijf jaar ononderbroken en direct voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad. Reeds daarom heeft verweerder terecht de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen. Hetgeen eiser omtrent het middelenvereiste en inburgeringsvereiste heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.

11.

Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte ervan heeft afgezien hem te horen naar aanleiding van het bezwaarschrift gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag om en verblijfvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

11.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, zodat van het horen van eiser kon worden afgezien.

11.2

Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het ingevolge artikel 7:2, eerste lid, Awb belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Het bezwaar is kennelijk ongegrond indien naar objectieve maatstaven bezien op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. De beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar is afhankelijk van de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn.

11.3

Eiser heeft – samengevat – in bezwaar aangevoerd dat de aan hem verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ten onrechte door verweerder is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 24 juni 2006. De intrekking is in strijd met Besluit 1/80, het internationaal recht en het nationaal recht. Er bestaat een gerede kans dat het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning gegrond zal worden verklaard, zodat eiser dan meer dan vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad en hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

11.4

Gelet op dit bezwaar, waarin wordt verwezen naar hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd in het kader van de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, was niet op voorhand uitgesloten dat het bezwaar tot een ander besluit had kunnen leiden. Verweerder heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en ten onrechte afgezien van het horen van eiser in de procedure gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag om en verblijfvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

11.5

De rechtbank ziet, ondanks schending door verweerder van de hoorplicht, aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb), het inreisverbod in stand te laten, omdat eiser door het niet horen in bezwaar niet is benadeeld. De door eiser aangevoerde gronden van bezwaar ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zien immers enkel op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd tegen de intrekking van de verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en het uitgevaardigde inreisverbod. In de procedure ten aanzien van de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning en het uitvaardigen van het inreisverbod is eiser wel gehoord, te weten op 11 oktober 2011 en 18 juni 2012.

12.

Uit het voorgaande volgt dat eisers gronden gericht tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet leiden tot vernietiging van het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod.

13.

Eiser voert aan dat het inreisverbod ten onrechte aan hem is opgelegd, gelet op het verbod van discriminatie van Turkse onderdanen die een verblijfsrecht ontlenen aan Besluit 1/10 ten opzichte van Unieburgers. Evenals op Unieburgers is de Terugkeerrichtlijn daarom niet van toepassing op Turkse werknemers/onderdanen. Eiser verzoekt de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, te weten: is de Terugkeerrichtlijn van toepassing op Turkse werknemers en diens gezinsleden?

13.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat dat het feit dat, net als bij Unieburgers, in het bestreden besluit subsidiair getoetst is of eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving is, niet maakt dat hij dezelfde status heeft als een Unieburger, zodat aan hem wel een inreisverbod opgelegd kan worden. In het verweerschrift wordt ten aanzien van de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 21 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY8238), gesteld dat een ongewenstverklaring naar doel en strekking grotendeels met een inreisverbod overeenstemt, zodat een ongewenstverklaring onder de definitie van een inreisverbod in artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn valt. Gezien het feit dat eiser geen Unieburger is, verzet de Terugkeerrichtlijn zich tegen de oplegging van een ongewenstverklaring van onbepaalde duur.

13.2

Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 heeft geoordeeld, kan eiser geen verblijfsrecht ontlenen aan Besluit 1/80. Dit betekent dat op grond van artikel 1 van de Terugkeerrichtlijn deze richtlijn op eiser, zijnde een derdelander en geen Unieburger, van toepassing is en dat het beroep van eiser op het non-discriminatieverbod van Turkse onderdanen die een verblijfsrecht ontlenen aan Besluit 1/10 ten opzichte van Unieburgers in dit geval niet opgaat. Er bestaat daarom geen aanleiding hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Verweerder was op grond van de Terugkeerrichtlijn 2008/115 bevoegd om tegen aan eiser een inreisverbod uit te vaardigen.

14.

Eiser voert voorts aan dat zijn recht op leven (in de zin van artikel 2 EVRM) niet wordt geëerbiedigd, indien het inreisverbod wordt gehandhaafd. Eiser loopt bij uitzetting naar Turkije het risico op bloedwraak. Dat eiser wel degelijk gevaar loopt, blijkt uit het strafdossier van eiser waarin staat dat de moeder van eiser bezoek heeft gehad van familie van het slachtoffer, met de mededeling dat wraak zal worden genomen op het moment dat eiser terugkeert naar Turkije. Eisers moeder heeft hiervan aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie in Turkije. Op grond van het arrest van het EHRM inzake Opuz vs Turkije van 9 juni 2009 (nr. 33401/02, RJ&D ECHR 2009) kan vastgesteld worden dat Turkije eiser geen bescherming, dan wel onvoldoende bescherming kan bieden.

14.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op geen enkele wijze is aangetoond dat eiser concreet gevaar loopt slachtoffer te worden van bloedwraak. Verder is dit een asielgerelateerde omstandigheid. Vanwege de strikte scheiding tussen asiel- en reguliere zaken wordt deze omstandigheid niet meegenomen in de beoordeling.

14.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser, met een enkele verwijzing naar een arrest van het EHRM uit 2009 en eisers strafdossier, onvoldoende heeft onderbouwd dat eiser thans concreet gevaar loopt om bij terugkeer naar Turkije het slachtoffer te worden van bloedwraak en dat de autoriteiten in Turkije hem daartegen niet kunnen beschermen. Deze grond faalt.

15.

Eiser stelt dat hij op grond van artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (Besluit 3/80) als Turkse werknemer dezelfde rechten geniet als een Unieburger. Aangezien het niet mogelijk is om een inreisverbod op te leggen aan een Unieburger, kan hieruit geconcludeerd worden dat verweerder geen inreisverbod mag opleggen aan eiser.

15.1

Blijkens artikel 4 van Besluit 3/80 betreft de materiële werkingssfeer van dit besluit een aantal wettelijke regelingen betreffende sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld uitkering bij ouderdom, uitkeringen bij overlijden en uitkeringen bij werkloosheid. Aangezien eiser niet heeft toegelicht waarom Besluit 3/80 ook vreemdelingrechtelijke consequenties voor eiser zou kunnen hebben, treft deze beroepsgrond geen doel.

16.

Ten slotte voert eiser aan dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM. Aan eiser is in 2010 een voornemen uitgebracht om zijn verblijfsrecht te beëindigen. Niet kan worden gevolgd waarom verweerder twee jaar nodig heeft gehad om de bestreden beschikking te slaan. Deze onredelijk lange duur van de procedure is in strijd met het rechtszekerheidbeginsel. Eiser heeft onredelijk lang in onzekerheid geleefd ten aanzien van zijn verblijfsstatus. Eiser stelt dat verweerder aansprakelijk is voor de ontstane schade in de vorm van een schadevergoeding, te weten een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

16.1

Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2283), kan een verzoek tot vergoeding van immateriële schade in een zaak die betrekking heeft op een verblijfsrechtelijke procedure niet op artikel 6 EVRM worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan dat artikel mede ten grondslag ligt, geldt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008: BG5913) echter ook binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt er toe dat een dergelijk verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste als neergelegd in artikel 6 EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt door de Afdeling aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM over de uitleg van deze verdragsbepaling. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008: BG8294), vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt, in casu op 15 februari 2011. Voorts is in die uitspraak overwogen dat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Uit voornoemde uitspraak volgt voorts dat, zoals ook volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking genomen moet worden en niet slechts of het (uiteindelijke) besluit op bezwaar is genomen binnen een redelijke termijn.

16.2

Bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden, neemt de rechtbank in aanmerking dat sinds de ontvangst door verweerder op 15 februari 2011 van het bezwaarschrift tegen het besluit van 6 januari 2011, ten tijde van deze uitspraak nog geen drie jaar zijn verstreken. Uitgaande van de door de Afdeling gehanteerde criteria voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze, is de redelijke termijn in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan drie jaar in beslag heeft genomen. Gesteld, noch gebleken dat in deze zaak niet van dat uitgangspunt kan worden uitgegaan. De redelijke termijn is in dit geval daarom niet overschreden.

17.

Het beroep inzake AWB 12/30508, voor zover het zich richt tegen de uitvaardiging van het inreisverbod, is gelet op het voorgaande ongegrond.

18.

Het voorgaande brengt met zich mee dat het beroep inzake AWB 12/30508, voor zover het zich richt tegen de intrekking van de verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en het beroep inzake AWB 12/30517, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, niet-ontvankelijk zijn.

19.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep inzake AWB 12/30508, voor zover het zich richt tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep inzake AWB 12/30517 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep inzake AWB 12/30508, voor zover het zich richt tegen de uitvaardiging van het inreisverbod, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzitter en mrs. E.B. de Vries-van den Heuvel en J. van der Kluit, rechters, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.