Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19446

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
2013/45
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2013/45

rekestnummer: 449917 / KG RK 13-1701

rolnummer: 1262470 CV EXPL 13-2263

datum beslissing: 30 september 2013

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verzoeker (hierna: [eiser]),

strekkende tot wraking van:

[de kantonrechter],

kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de kantonrechter).

Belanghebbende:

de stichting

[stichting],

gevestigd te [vestigingsplaats].

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Op 16 april 2013 heeft [stichting] [eiser] gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank, sector kanton, waarbij zij onder meer ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en een verbod voor [eiser] tot het maken van opnames in de gezamenlijke ruimten van het studentenhuis vordert. Op 22 juli 2013 is de kantonrechter overgegaan tot een comparitie van partijen. Op 21 augustus 2013 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. [eiser] heeft de kantonrechter bij schriftelijk verzoek van 28 augustus 2013 gewraakt. Van de kantonrechter is op 5 september 2013 een reactie op het wrakingsverzoek ontvangen. Daarop heeft [eiser] bij brief van 9 september 2013 gereageerd.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1.

Op 16 september 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. [eiser] is verschenen. De kantonrechter is – zoals vooraf gemeld – niet verschenen.

3. Het standpunt van [eiser]

3.1.

Aan het wrakingsverzoek is – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. De kantonrechter heeft ter comparitie te kennen gegeven dat zij zich iets kan voorstellen bij het door de wederpartij gestelde intimiderende gedrag van [eiser]. Voorts bevat het vonnis van 21 augustus 2013 onjuistheden en onvolledigheden in de weergave van het verweer van [eiser]. Daarnaast is in het vonnis niets vermeld over het door [eiser] ter comparitie kenbaar gemaakte bezwaar tegen een productie (productie 12) van de wederpartij. Ook is aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op de provisionele vordering van de wederpartij.

Bij brief van 9 september 2013 heeft [eiser] tevens naar voren gebracht dat uit de reactie van de kantonrechter blijkt dat productie 12 van de wederpartij is meegenomen in de beoordeling. Volgens [eiser] heeft de kantonrechter daarbij nagelaten om hem in de gelegenheid te stellen een antwoordakte te nemen en zijn daarmee procesrechtelijke beginselen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, geschonden.

4 Het standpunt van de kantonrechter

4.1.

De kantonrechter heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek te laat is gedaan voor zover dat ziet op haar uitlatingen of handelwijze tijdens de comparitie. Voorts bevat de dagvaarding van [stichting] – in tegenstelling tot wat [eiser] stelt – geen provisionele vordering. Van fouten en/of een onvolledige opsomming van het verweer van verzoeker in het vonnis van 21 augustus 2013 is geen sprake. Het vonnis bevat een korte en zakelijke weergave van het door [eiser] gevoerde verweer en pretendeert niet hem letterlijk te citeren. De beslissing om productie 12 mee te nemen in de beoordeling valt af te leiden uit het vonnis en betreft een processuele beslissing die in beginsel geen grond oplevert voor wraking. Feiten of omstandigheden die grond geven te vrezen dat het de kantonrechter aan onpartijdigheid ontbreekt of dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt, zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv wordt een verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De comparitie van partijen heeft op 22 juli 2013 plaatsgevonden, terwijl het wrakingsverzoek op 28 augustus 2013 is ontvangen. Voor zover [eiser] aan zijn verzoek uitlatingen van de kantonrechter ter comparitie ten grondslag heeft gelegd, is het verzoek te laat ingediend. Gelet op voormeld criterium had [eiser] zijn verzoek op die grond immers tijdens of direct na de comparitie moeten doen. Nu [eiser] dat heeft nagelaten, brengt dat mee dat het verzoek op dit punt niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

5.2.

Ten aanzien van de overige wrakingsgronden overweegt de wrakingskamer het volgende. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.4.

De wrakingsgronden zien op het tussenvonnis van 21 augustus 2013. In dit kader wordt vooropgesteld dat het niet aan de wrakingskamer is om dat vonnis op inhoudelijke juistheid te beoordelen. De vraag is of het vonnis feiten en omstandigheden oplevert die blijk geven van vooringenomenheid of die de vrees voor onpartijdigheid objectief rechtvaardigen.

5.5.

De wrakingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Uit de weergave van het verweer van [eiser] blijkt geen vooringenomenheid, aangezien het vonnis slechts een verkorte, zakelijke weergave van het verweer van [eiser] behelst voor zover dat relevant is voor de beoordeling van het voorliggende geschil. Het betrekken van een productie bij de beoordeling en een partij al dan niet in de gelegenheid stellen om een antwoordakte te nemen, zijn processuele beslissingen. In het algemeen levert (onvrede over) een processuele beslissing geen grond voor wraking op, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn die grond geven te vrezen dat het een rechter aan onpartijdigheid ontbreekt of waardoor de schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker is gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn dergelijke omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden.

5.6.

Ook het betoog van [eiser] dat de partijdigheid en/of vooringenomenheid van de kantonrechter voortvloeit uit de omstandigheid dat zij in haar tussenvonnis niet op een vordering heeft beslist, wordt niet gevolgd. Het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [stichting] niet als provisionele vordering dient te worden aangemerkt, is immers eveneens een processuele beslissing die zich niet leent voor beoordeling door de wrakingskamer. [eiser] heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd voor het oordeel dat de kantonrechter partijdig is dan wel jegens [eiser] een vooringenomenheid koestert. Uit het enkele feit dat de kantonrechter de vordering anders beoordeelt dan [eiser], kan de rechtbank dat niet afleiden. De juistheid van de beslissing kan niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Die vraag dient in een eventueel hoger beroep aan de orde te komen. Een en ander leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn verzoek, voor zover het verzoek gebaseerd is op uitlatingen van de kantonrechter ter comparitie;

- wijst het wrakingsverzoek voor het overige af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, Rv wordt toegezonden aan:

• [eiser];

• de belanghebbende [stichting];

• de kantonrechter.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Verbeek, T.F. Hesselink en R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.A. van Dijk-Verheij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2013.