Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19439

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
AWB 12-40033 en 13-6945
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2430, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een uit de DRC afkomstige getuige bij het Internationale Strafhof (ICC) die in detentie zit bij het ICC.

Verweerder heeft bij de afwijzing van de asielaanvraag de artikelen 45 en 82 van de Vw 2000 (deels) buiten toepassing gelaten omdat eiser nimmer rechtmatig verblijf in Nederland kan krijgen, noch door Nederland kan worden uitgezet, nu hij zich in de rechtsmacht van het ICC bevindt. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat dat de rechtsgevolgen van artikel 45 en 82 van de Vw 2000 de taakuitoefening van het ICC zouden doorkruisen. Al om die reden is het beroep gegrond. De rechtbank beoordeelt in het kader van de finale geschillenbeslechting ook de overige beroepsgronden.

De rechtbank volgt de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet op alle punten, maar komt toch tot de conclusie dat verweerder terecht dat asielvergunning in verband met artikel 1(F) heeft geweigerd. De rechtbank oordeelt daarbij dat voor misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven niet relevant is of deze hebben plaatsgevonden in het kader van een nationaal of een internationaal conflict.

Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank in de zaken geregistreerd onder AWB 12/40033 en AWB 12/37371 geoordeeld dat vanwege de lange periode van onrechtmatige detentie, in die zaken sprake is van een flagrant denial of justice en daarmee van strijd met artikel 6 van het EVRM. Gelet op het feit dat een fair trial in de DRC niet kan worden gegarandeerd, is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de doodstraf niet zal worden uitgevoerd geen stand kan houden. De aanvulling van verweerder in het verweerschrift dat de Congolese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om in samenwerking met het ICC een standaardprocedure op te stellen met specifieke bepalingen over aanvullende waarborgen kan dit gebrek niet helen, nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat dit diplomatieke overleg nog altijd gaande is, zonder voorlopige uitkomst. In zoverre is het bestreden besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/40033 (beroep asiel)

AWB 13/6945 (beroep niet tijdig beslissen)

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1974, burger van de Democratische Republiek Congo (DRC), eiser,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigden: mr. E.C. Pietermaat en mr. M.M. van Asperen, advocaten te Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 12 mei 2011 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 21 december 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Op 12 maart 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een (meeromvattende) beslissing op zijn asielaanvraag conform de Vw 2000.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden, mr. A.M. van Eijk en mr. G. Sluiter. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig drs. [A], tolk Frans. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij brief van 12 juni 2013 heeft eiser een nader stuk overgelegd met het verzoek het onderzoek te heropenen. Op 17 juni 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om op het stuk van eiser te reageren. Bij brief van 25 juni 2013 heeft verweerder gereageerd. Partijen hebben toestemming verleend om de zaak zonder nadere zitting af te doen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder acht artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag) van toepassing. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser als leidinggevende dan wel commandant van het Front Nationaliste et Intégrationniste (FNI) en als voorzitter van het Front Populaire pour la Justice au Congo (FPJC) in verband kan worden gebracht met het voorbereiden en uitvoeren van aanvallen op burgers, daaronder begrepen het doden van burgers, seksueel misbruik van vrouwen, het houden van vrouwen en meisjes als slaaf, het rekruteren en inzetten van kindsoldaten, het tewerkstellen van personen onder erbarmelijke omstandigheden (in de mijnen), schending van het VN(wapen)embargo, het uitspreken van straffen en uitvoeren van executies zonder berechting, en plundering. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar de DRC geen reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het besluit heeft verweerder voorts opgenomen dat het besluit niet de rechtsgevolgen heeft als opgesomd in artikel 45 van de Vw 2000, nu eiser zich in de rechtsmacht van het International Criminal Court (ICC) bevindt. In de huidige situatie kan geen sprake zijn van rechtmatig verblijf in Nederland en/of uitzetting. Een tegen dit besluit ingesteld beroep heeft, gelet op het vorenstaande dan ook niet de in artikel 82 van de Vw 2000 genoemde opschortende werking.

Ten aanzien van de feiten

2.1

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende door partijen niet betwiste feiten. Eiser is geboren in Aru, in de provincie Oriental in de DRC en behoort tot de bevolkingsgroep van de Lendu. Eiser heeft in 2002 en 2003 werkzaamheden verricht voor de EMOI (Etat-Major Opérationnel Intégré) en hij was sinds de oprichting in 2007 de voorzitter van het FPJC. Eiser is op 2 september 2010 aangehouden en heeft vervolgens tot zijn vertrek naar Nederland in de DRC in de gevangenis gezeten.

2.2

Eiser is op 27 maart 2011, als getuige voor het ICC te Den Haag, onder de verantwoordelijkheid van de Victims and Witness Unit (VWU) van het ICC, Nederland binnengekomen. Eiser heeft bij het ICC getuigenverklaringen afgelegd op verzoek van de verdediging in de zaak van ‘The Prosecutor v. [B] and [C]’. Eiser heeft vervolgens op 12 mei 2011 een asielaanvraag ingediend.

2.3

De minister van Buitenlandse Zaken heeft op verzoek van verweerder een individueel ambtsbericht betreffende eiser uitgebracht, gedateerd 9 november 2012 (kenmerk DCM/MA-U120504.0039) (hierna: individueel ambtsbericht).

Het wettelijk kader

3.1

Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft deze van rechtswege tot gevolg dat:

  1. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;

  2. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;

  3. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;

  4. e ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten;

  5. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn na ommekomst van de termijn als bedoeld in onderdeel c een onroerende zaak gedwongen te ontruimen teneinde het onderdak of het verblijf in de woonruimte als verstrekking geboden, bedoeld in onderdeel c, te beëindigen.

Op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

3.2

Op grond van artikel 3.107, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 wordt, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

3.3

Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

  1. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

  2. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

  3. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties (VN).

3.4

Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover van belang, heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

3.5

Volgens paragraaf C4/3.11.3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 - ten tijde van belang - worden oorlogsmisdrijven gedefinieerd in artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Daarnaast zijn er nog andere - oudere - internationale instrumenten waarin oorlogsmisdrijven worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (b)). Voorbeelden van oorlogsmisdrijven zijn de handelingen zoals onder meer weergegeven in Neurenberg-Handvest van 1945 (artikel 6 (b)), het Genocide Verdrag van 1948 (artikel 1 tot en met 4), de vier Rode Kruisverdragen van Genève van 1949, de Aanvullende Protocollen I en II bij deze Verdragen van 1977, het Cultuurgoederenverdrag van Den Haag van 1954 (artikel 18 en 19), het Bupo (artikel 6 (recht op leven), 7 (verbod van foltering) en 8 (verbod van slavernij), het Antifolterverdrag, verschillende wapenverdragen zoals het Verdrag van Parijs inzake chemische wapens van 1993, en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 1998 (artikel 8).

Schendingen van internationaal humanitair recht gedurende een gewapend conflict constitueren oorlogsmisdrijven, ongeacht of het gewapend conflict een internationaal of een intern karakter draagt. Voorts is van belang dat schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de verdragen van Genève van 1949, begaan gedurende een intern gewapend conflict, alsmede andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden ingeval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van internationaal recht, krachtens artikel 8, tweede lid, onder c en e, van het Statuut van Rome, oorlogsmisdrijven constitueren.

Volgens voormelde paragraaf worden misdrijven tegen de menselijkheid gedefinieerd in artikel 7 Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Het gaat om handelingen die zijn gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval. Deze handelingen kunnen ook in vredestijd gepleegd worden. Daarnaast zijn er nog andere - oudere - internationale instrumenten waarin misdrijven tegen de menselijkheid worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (c)).

Volgens voormelde paragraaf moeten de volgende misdrijven voorts worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1(F) (b), ook indien de pleger zich beroept op de politieke aard van het delict:

  • -

    moord, doodslag of terroristische activiteiten zoals omschreven in het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977. […];

  • -

    oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, verkrachting, foltering (inclusief het besnijden van vrouwen, zie ook C2/3), genocide, slavernij en slavenhandel. […]

Voormelde paragraaf vermeldt tot slot - voor zover van belang - het volgende. De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest.

Artikel 1(F) (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.

[..]

De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1(F) (c):

  • -

    handelingen die expliciet zijn genoemd door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN; hieronder valt onder meer internationaal terrorisme, zoals bijvoorbeeld is verklaard in resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001; en

  • -

    misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het internationaal recht en waarvoor universele jurisdictie geldt, zoals oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en misdrijven tegen de vrede; dergelijke misdrijven zijn evident in strijd met één of meerdere doelstellingen en/of beginselen van de VN.

Volgens paragraaf 3.11.3.3 van de Vc 2000 is de bewijslast voor het aantonen van artikel 1(F een bijzondere. De Minister moet aantonen dat er 'ernstige redenen' zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd.

Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt, dient betrokkene, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1(F) van toepassing zal worden verklaard, één en ander gemotiveerd te weerleggen. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven ('knowing participation') én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation'). Indien hiervan sprake is kan aan betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de 'personal and knowing participation test' (artikel 25 en 27 tot en met 33 Statuut van Rome). Er is ondermeer sprake van 'personal participation' wanneer betrokkene een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

Volgens paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000, voor zover van belang, kan zich de situatie voordoen dat aan de vreemdeling op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning wordt verleend, maar dat tegelijkertijd aannemelijk is dat hij bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:

a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

b. of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

3.6

In artikel 2 van het op 7 juni 2007 gesloten Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Zetelverdag) is het volgende bepaald:

This Agreement shall regulate matters relating to or arising out of the establishment and the proper functioning of the Court in the host State. It shall, inter alia, provide for the long-term stability and independence of the Court and facilitate its smooth and efficient functioning, including, in particular, its needs with regard to all persons required by the Court to be present at its seat and with regard to the transfer of information, potential evidence and evidence into and out of the host State. This Agreement shall also regulate matters relating to or arising out of the establishment and proper functioning of the Secretariat in the host State, and its provisions shall apply, mutatis mutandis, to the Secretariat. This Agreement shall, as appropriate, regulate matters relating to the Assembly, including its Bureau and subsidiary bodies.

3.7

Artikel 8 van het Zetelverdrag luidt, voor zover van belang, als volgt:

1.

The premises of the Court shall be under the control and authority of the Court, as provided under this Agreement.

2.

Except as otherwise provided in this Agreement, the laws and regulations of the host State shall apply on the premises of the Court.

3.

The Court shall have the power to make rules, operative within its premises, as are necessary for the carrying out of its functions. The Court shall promptly inform the competent authorities upon the adoption of such rules. No laws or regulations of the host State which are inconsistent with rules of the Court under this paragraph shall, to the extent of such inconsistency, be enforceable within the premises of the Court.

[…]

7.

Any dispute between the Court and the host State as to whether rules of the Court come within the ambit of this provision or as to whether laws or regulations of the host State are inconsistent with rules of the Court under this provision shall promptly be settled by the procedure set out in article 55 of this Agreement. Pending such settlement, the rule of the Court shall apply and the law and/or regulation of the host State shall be inapplicable on the premises of the Court to the extent that the Court claims it to be inconsistent with its rules.

3.8

Op grond van Artikel 88 van de Rijkswet van 20 juni 2002 tot uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen (Uitvoeringswet) is de Nederlandse wet niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten.

Beoordeling door de rechtbank

Bevoegdheid en het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit

4.1 De rechtbank zal allereerst het betoog van eiser behandelen dat, gelet op het feit dat verweerder in het besluit de rechtsgevolgen als genoemd in artikel 45 van de Vw 2000 heeft uitgezonderd, geen sprake is van een beschikking omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Deze beroepsgrond is van belang voor de beoordeling van de vraag of de rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Indien geen sprake is van een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 dient de rechtbank het beroep immers naar verweerder door te zenden als bezwaar. Voorts is deze vraag van belang voor het beroep met nummer AWB 13/6945, dat ziet op de stelling dat verweerder nog niet (tijdig) heeft beslist op de asielaanvraag.

4.2 Eiser voert aan dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de Vw 2000 alleen de meeromvattende beschikking kent met de rechtsgevolgen als weergegeven in artikel 45 van de Vw 2000. Nu die rechtsgevolgen zijn uitgezonderd dient het voorliggende besluit daarom te worden aangemerkt als een besluit op de grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dient het beroep als bezwaar te worden doorgezonden. Daaruit volgt ook dat het besluit niet kan worden aangemerkt als terugkeerbesluit in de zin van de Vw 2000. Een en ander betekent dat nog niet op de asielaanvraag van eiser op grond van de Vw 2000 is beslist.

4.3 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de inhoud van het besluit, de wijze waarop de asielaanvraag is getoetst en de daaraan voorafgegane procedure blijkt dat de Vw 2000 en de daarop gebaseerde wetgeving en beleid zijn toegepast. Dat verweerder aan het besluit niet de rechtsgevolgen heeft verbonden als genoemd in artikel 45 Vw 2000 doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een besluit op de asielaanvraag van eiser op grond van de Vw 2000. De rechtbank is dus bevoegd van het beroep kennis te nemen en zal bij de beoordeling daarvan mede ingaan op de vraag of verweerder bevoegd was de artikelen 45 en 82 van de Vw 2000 (deels) buiten toepassing te laten. Uit het voorgaande volgt tevens dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag (AWB 13/6945) niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Buiten toepassing laten artikel 45 en 82 van de Vw 2000

5.1 Voor de beoordeling van de beroepsgrond van eiser dat verweerder niet bevoegd was de artikelen 45 en 82 van de Vw 2000 (deels) buiten toepassing te laten, acht de rechtbank het volgende van belang. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 december 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9492) heeft de rechtbank – samengevat en voor zover van belang – overwogen dat noch in het nationale recht, noch in de regelgeving betreffende het ICC een grondslag is te vinden om de gehele Vw 2000 en de daarop gebaseerde (beleids)regels buiten toepassing te laten ten aanzien van de behandeling en beoordeling van asielaanvragen. Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat het gerechtvaardigd zou kunnen zijn onderdelen van de Vw 2000 buiten toepassing te laten, voor zover toepassing van die onderdelen tot doorkruising van de taakuitoefening van het ICC leiden. Nu partijen tegen deze uitspraak geen hoger beroep hebben ingesteld en nadien geen nieuwe nationale of internationale regelgeving tot stand is gebracht, vormt dit oordeel het uitgangspunt van de beoordeling.

5.2 De door eiser opgeworpen stelling dat de rechtsgevolgen van artikel 45 van de Vw 2000 nimmer kunnen worden uitgezonderd, nu dat volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot de meeromvattende beschikking, volgt de rechtbank niet. Op het moment dat vast komt te staan dat die rechtsgevolgen de taakuitoefening van het internationaal Strafhof zouden doorkruisen, zou die nationale jurisprudentie immers door het internationale recht kunnen worden doorbroken.

5.3.1 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat weliswaar de Vw 2000 moet worden toegepast voor zover het betreft de behandeling en beoordeling van de asielaanvraag van eiser, maar dat eiser nimmer rechtmatig verblijf in Nederland kan krijgen, noch door Nederland kan worden uitgezet, nu hij zich in de rechtsmacht van het ICC bevindt en dus niet in de rechtsmacht van Nederland. Om die reden zijn de rechtsgevolgen van artikel 45 van de Vw 2000 en artikel 82 van de Vw 2000 (deels) uitgezonderd. Dat eiser zich niet in de Nederlandse rechtsmacht bevindt volgt volgens verweerder uit artikel 88 van de Uitvoeringswet. Verweerder verwijst verder naar het feit dat eiser op grond van artikel 93, zevende lid, van het Statuut van het Internationaal Strafhof (het Statuut) vanuit detentie in de DRC door de autoriteiten van de DRC is overgedragen aan het ICC om als getuige verklaringen af te leggen en dat het ICC op grond van artikel 192 van het Reglement “without delay” zorg moet dragen voor het terugbrengen van eiser naar de DRC op het moment dat eiser die verklaringen heeft afgelegd. Verweerder ziet zijn standpunt bevestigd in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:XX:2012:BY2306) (de Longa zaak) en het arrest van het Gerechtshof Den Haag (Hof Den Haag) van 18 december 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6075).

5.3.2 Eiser heeft dit gemotiveerd betwist en daarbij allereerst verwezen naar de genoemde uitspraak van deze rechtbank van 28 december 2012, die in rechte vaststaat. Voorts verwijst eiser naar de uitspraak van het ICC van 9 juni 2011 waarbij Nederland is opgedragen te voldoen aan het verbod van refoulement mocht een 3 EVRM schending komen vast te staan. Dat de afspraken met de DRC daarbij worden doorkruist is door het ICC al onderkend.

5.4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat artikel 45 van de Vw 2000 noch enig ander artikel uit de Vw 2000 een verplichting voor verweerder kent om eiser, bij afwijzing van zijn asielaanvraag, uit te zetten. Mocht de asielaanvraag van eiser worden afgewezen, dan staat artikel 45 van de Vw 2000 derhalve niet aan uitzetting door het ICC ter nakoming van de ten aanzien van de DRC aangegane verplichtingen in de weg. De rechtbank beperkt zich hierna dan ook tot beoordeling van de vraag of verweerder, zoals wordt gesteld, niet bevoegd is rechtmatig verblijf toe te kennen.

5.5. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat de rechtsmacht van het ICC aan het toekennen van rechtmatig verblijf aan eiser in de weg staat, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat eiser zich gezien zijn detentie bij het ICC in de rechtsmacht van het ICC bevindt, betekent op zichzelf nog niet dat verweerder eiser op grond van de Vw 2000 nimmer rechtmatig verblijf zou kunnen toekennen na vaststelling van een refoulemenverbod. Naar het oordeel van de rechtbank staat de rechtsmacht die het ICC op grond van artikel 88 van de Uitvoeringswet ten aanzien van eiser heeft daar op zichzelf niet aan in de weg, nu de daarin aan het ICC toebedeelde rechtsmacht beperkt is tot de vrijheidsontneming zelf. Een verdergaande rechtsmacht van het ICC (en daarmee beperking van de rechtsmacht van Nederland) is uit dit artikel, zoals reeds overwogen in de uitspraak van 28 december 2012, niet af te leiden. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van het ICC van 9 juni 2011, kernmerk ICC-01/04-01/07, in de zaak [B] en [C], waarin het ICC Nederland opdraagt in het kader van het refoulementverbod mogelijke risico’s bij terugkeer naar de DRC te onderzoeken. Het ICC overweegt te dien aanzien in overweging 64 allereerst dat dat niet aan het ICC is, nu het ICC niet over een eigen grondgebied beschikt zodat het ook niet daadwerkelijk het refoulementverbod kan toepassen en evenmin een staat kan dwingen iemand die het refoulement verbod inroept op zijn grondgebied te ontvangen. Voorts overweegt het ICC aan het slot van die overweging als volgt: “In this case, it is therefore incumbent upon the Dutch authorities, and them alone, to assess the extent of their (onderstreping rechtbank) obligations under the non refoulement principle, should the need arise”. De rechtbank leidt hieruit af dat het ICC van oordeel is dat Nederland op haar grondgebied aan een refoulementverbod uitvoering zal moeten geven

5.6.1 Anders dan door verweerder gesteld is naar het oordeel van de rechtbank in de aangehaalde arresten van het EHRM en Hof Den Haag geen ondersteuning te vinden voor het standpunt van verweerder dat alleen het ICC rechtsmacht over eiser heeft en Nederland daarom nimmer rechtmatig verblijf aan eiser zou kunnen toekennen.

5.6.2 Het EHRM verwoordt (overweging 69) allereerst het algemene beginsel dat rechtsmacht in de zin van artikel 1 van het EVRM primair territoriaal is, in die zin dat het zich uitstrekt over individuen die fysiek op het grondgebied van een staat aanwezig zijn, zodat ook Longa in die zin onder de rechtsmacht van Nederland valt. Uit het arrest volgt dat die rechtsmacht van Nederland met betrekking tot de detentie van Longa is beperkt, omdat Nederland te dien aanzien bevoegdheden heeft overgedragen aan het ICC en deze op grond van afspraken met de DRC en dus op grond van internationaal recht Longa in detentie houdt. Het EHRM concludeert dat er te dien aanzien geen juridisch vacuüm is gezien het feit dat de detentie zijn grondslag vindt in de detentie opgelegd door de DRC. Voorts acht het EHRM van belang dat mede gezien de getroffen ‘protective measures’ er geen aanwijzing is dat het ICC zich wat betreft de detentie niet houdt aan de in het EVRM beschermde fundamentele rechten. Dat Nederland de asielaanvraag in behandeling heeft genomen, betekent volgens het EHRM nog niet dat ook de rechtmatigheid van de detentie door Nederland zou moeten worden beoordeeld.

5.6.3 Naar het oordeel van de rechtbank beperkt het EHRM zich uitdrukkelijk tot beoordeling van vragen rondom de rechtmatigheid van de detentie en de aan het ICC daartoe overgedragen bevoegdheden. Voor een verdergaande beperking van de rechtsmacht van Nederland ten aanzien van de bij het ICC gedetineerde getuigen, zoals eiser, biedt de tekst van het arrest geen grondslag.

5.6.4 Dat geldt evenzeer voor het arrest van het Hof Den Haag, dat grotendeels verwijst naar de overwegingen van het EHRM en zich eveneens beperkt tot vragen rondom de rechtmatigheid van de detentie. Het feit dat het Hof Den Haag de vordering tot overname van de getuigen van het ICC door Nederland heeft afgewezen, maakt dit niet anders, nu het Hof Den Haag dit baseert op het feit dat noch uit het nationale recht, noch uit het EVRM volgt dat asielzoekers de uitkomst van hun asielprocedure in Nederland mogen afwachten. Het Hof Den Haag heeft zich niet uitgelaten over toekenning of ontzegging van rechtmatig verblijf na afronding van de asielprocedure.

5.7 Verweerder heeft subsidiair ter zitting het standpunt ingenomen dat de rechtsgevolgen van artikel 45 en 82 van de Vw 2000 de taakuitoefening van het ICC zouden doorkruisen. Indien de procedure bij het ICC nog aanhangig is en het horen van de getuige nog niet is afgerond, zou het toekennen van rechtmatig verblijf de werkwijze en taak van het ICC doorkruisen. Voorts zou dat, ook in het geval de procedure bij het ICC is afgerond, strijdig zijn met de op grond van het Statuut gemaakte afspraken van het ICC met de DRC over de terugkeer van de getuigen en daarmee de werkwijze van het ICC doorkruisen.

5.8 De rechtbank acht in dit verband allereerst van belang vast te stellen dat eiser ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag zijn getuigenverklaringen bij het ICC reeds had afgelegd en die procedure was afgerond. Van een doorkruising van de taakuitoefening van het ICC in die zin is dan ook geen sprake geweest.

5.9 Ten aanzien van de schending van de afspraken van het ICC met de DRC voorvloeiend uit artikel 93, zevende lid, van het Statuut verwijst de rechtbank naar hetgeen het ICC in de genoemde uitspraak van 9 juni 2011 heeft overwogen:

“70. As provided in article 21(3) of the Statute, the Chamber must apply all of the relevant statutory or regulatory provisions in such a way as to ensure full exercise of the right to effective remedy, which is clearly derived from internationally recognised human rights.

71.

In the matter at hand, the three detained witnesses were transferred to the Court pursuant to article 93(7) of the Statute for the purposes of giving testimony. Article 93(7) further provides that the transferred person shall remain in custody and that when the purposes of the transfer have been fulfilled, the Court shall return the person without delay to the requested State – in this case, the DRC.

72.

The witnesses completed their testimony on Tuesday, 3 May 2011. At this juncture, the Chamber considers that it must settle only the issue of whether an immediate application of article 93(7) of the Statute would not constitute a violation of the detained witnesses’ rights to apply for asylum.

73.

As matters stand, the Chamber is unable to apply article 93(7) of the Statute in conditions which are consistent with internationally recognised human rights, as required by article 21(3) of the Statute. If the witnesses were to be returned to the DRC immediately, it would become impossible for them to exercise their right to apply for asylum and they would be deprived of the fundamental right to effective remedy. Furthermore, were the Chamber to decide to oblige the Host State to cooperate with the Court in order to return the witnesses to the DRC immediately by transporting them to the airport, it would be constraining the Netherlands to violate the witnesses’ rights to invoke the non refoulement principle.”

5.10

Zoals uit de geciteerde overwegingen volgt, is het ICC van oordeel dat onmiddellijke uitvoering van de op artikel 93, zevende lid, van het Statuut gebaseerde afspraken met de DRC in afwachting van de vaststelling van de verplichtingen van Nederland op grond van het refoulement verbod reeds in strijd komt met de verplichtingen van het ICC op grond van artikel 21, derde lid, van het Statuut en de verplichtingen van Nederland op grond van het refoulementverbod. Indien in de asielprocedure vast komt te staan dat het terugsturen van eiser naar de DRC schending van het refoulementverbod oplevert, is dat des te meer het geval. Bovendien volgt uit de geciteerde overwegingen – zoals ook in de praktijk is gebleken – dat het ICC geen uitvoering geeft aan de afspraken met de DRC zolang de asielprocedure van eiser daaraan in de weg staat.

5.11

De conclusie is dan ook dat weliswaar van doorkruising van de afspraken van het ICC met de DRC sprake is indien aan eiser op grond van artikel 45 van de Vw 2000 rechtmatig verblijf zou worden toegekend en bij het toepassen van artikel 82 van de Vw 2000, maar dat deze doorkruising gerechtvaardigd is op grond van artikel 21, derde lid, van het Statuut en het refoulementverbod.

Overigens sluit dit ook aan bij de overwegingen van het EHRM in rechtsoverweging 76 van het hiervoor aangehaalde arrest in de Longa zaak, waar het EHRM zijn vaste jurisprudentie citeert dat ook indien een staat een deel van zijn bevoegdheden heeft overgedragen aan een internationale organisatie, de staat verantwoordelijk blijft indien die organisatie geen gelijkwaardige bescherming van EVRM-rechten biedt. Daarvan zou sprake zijn indien het ICC zich zou houden aan de afspraak eiser naar de DRC terug te sturen, terwijl tegelijkertijd is vastgesteld dat sprake is van een refoulementverbod. Op grond van de jurisprudentie van het EHRM is dat in strijd met het EVRM en is Nederland daarvoor verantwoordelijk. Doorkruising van de afspraken van het ICC met de DRC zou in zo’n geval daarom gerechtvaardigd zijn.

5.12

Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte de rechtsgevolgen van artikel 45 en 82 van de VW 2000 heeft uitgesloten. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is al hierom gegrond wegens strijd met het motiveringsvereiste. In het kader van finaliteit zal de rechtbank ook de overige beroepsgronden beoordelen.

Beperkte kennisname van de aan het individueel ambtsbericht ten grondslag gelegde stukken

6.

De rechtbank heeft de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht opgevraagd bij de minister van Buitenlandse Zaken. Bij brief van 18 april 2013 de minister een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb en de rechtbank meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende vertrouwelijke stukken. De rechtbank acht de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke delen van de stukken gerechtvaardigd vanwege de bescherming van de bronnen. Nu beide partijen ter zitting daartoe toestemming hebben gegeven, zal de rechtbank mede op grond van de vertrouwelijke onderliggende stukken uitspraak doen.

De bewijswaarde van de door verweerder gebruikte bronnen

7.1.

Eiser betwist de bewijswaarde van een groot aantal van de bronnen die verweerder heeft gebruikt om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan hem tegen te werpen. De rapporten, van onder meer het US State Department, UK Home Office, de VN en UNHCR en Amnesty International, zijn niet voldoende gedetailleerd om op basis daarvan aan te nemen dat door het RCD-K/ML dan wel het FNI en in het bijzonder eiser mensenrechten zijn geschonden. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de door hem aan het besluit ten grondslag gelegde bronnen. Voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van bronnen dient volgens eiser te worden aangesloten bij de Common EU Guidelines for processing Country of Origin Information en Judicial criteria for assessing country of origin information (COI): A checklist, Paper for 7th Biennial IARLJ World Conference, Mexico City, 6-9 November 2006 by members of the COI-CG Working Party de International Association of Refugee Law Judges. Eiser verwijst voorts naar de uitspraak van het ICC (Trial Chamber II) van 17 december 2010 in de zaken tegen Germain Katanga en Mathieu Ngudjolo Chui. Uit die beslissing volgt dat een groot deel van de door verweerder gebruikte documenten door het ICC al zijn afgekeurd om als bewijs te kunnen dienen. De omstandigheid dat minder bewijs hoeft te worden geleverd om toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vast te stellen dan om iemand strafrechtelijk aansprakelijk te houden betekent volgens eiser niet dat daarom de criteria die voor bewijs gelden anders moeten zijn. Zeker nu de bewijsmaatstaf voor het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag relatief laag is, moet volgens eiser bij de strafrechtelijke bewijscriteria worden aangesloten. De beslissing van het ICC zou ook in deze zaak het uitgangspunt moeten zijn.

7.2

De rechtbank overweegt het volgende. Zoals volgt uit paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van belang, behoeft de veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf. Daarom betekent de omstandigheid dat het ICC bepaalde bronnen uitsluit in een strafzaak niet bij voorbaat dat verweerder deze bronnen niet bij zijn beoordeling had mogen betrekken. Het beroep op de Common EU Guidelines en de checklist kan er evenmin bij voorbaat toe leiden dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De Common EU Guidelines zijn gericht tot degene die landeninformatie ten behoeve van een asielprocedure opstelt. Beoogd wordt dat deze landeninformatie op een zorgvuldige wijze tot stand komt. De checklist is bedoeld als handvat voor rechters bij de beoordeling van landeninformatie. Uit het voorgaande volgt dat niet is vereist dat verweerder de door hem gehanteerde bronnen steeds afzonderlijk toetst aan de Common EU Guidelines en de checklist.

7.3

Het vorenstaande neemt niet weg dat de rechtbank, daar waar eiser de betrouwbaarheid van de door verweerder gebruikte bronnen heeft betwist en deze naar het oordeel van de rechtbank ten nadele van eiser als bewijs kunnen dienen, de betrouwbaarheid daarvan dient te beoordelen. De rechtbank zal daarover een oordeel geven bij de gronden die zien op de inhoudelijke beoordeling van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser. Bij dat oordeel kunnen de Common EU Guidelines en de checklist als richtsnoer dienen om te beoordelen of de bronnen met de daartoe vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen.

Tijdsaanduiding

8.1

Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder een duidelijke tijdsaanduiding en een chronologisch overzicht had moeten verschaffen van de gebeurtenissen waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden. Door dit na te laten is het besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

8.2

Met betrekking tot de tijdslijn overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen omdat hij eiser verantwoordelijk acht voor misdrijven die hebben plaatsgevonden over de periode 2002 tot 2010. De rechtbank volgt eiser niet dat in algemene zin in het bestreden besluit een tijdslijn ontbreekt. Wel volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat informatie die betrekking heeft op een specifieke periode niet zomaar kan worden betrokken op een andere periode. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de beoordeling of verweerder eiser voor een concrete periode terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen en zo ja, welke misdrijven dat betreft.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

9.1

Eiser voert aan dat hij niet op grond van zijn werkzaamheden voor het FNI verantwoordelijk kan worden gehouden voor de misdrijven die verweerder hem tegenwerpt. Kort samengevat voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte aanmerkt als commandant bij het FNI. Eiser is geen leidinggevende binnen het FNI geweest. Eiser meent verder dat hij evenmin verantwoordelijk kan worden gehouden voor de misdrijven die verweerder in het bestreden besluit aan het FPJC heeft toegeschreven. Verder blijkt uit eisers verklaringen noch uit andere bronnen dat eiser, zoals verweerder tegenwerpt, betrokken is geweest bij wapenleveranties. Ook heeft hij erop gewezen dat zijn werkzaamheden bij de EMOI onder dwang waren. Verweerder heeft nagelaten daarop in te gaan. Ten aanzien van zijn werkzaamheden bij het FPJC verwijst eiser naar zijn zienswijze. Daarin is opgenomen dat eiser heeft verklaard dat het FPJC tot aan eisers arrestatie in 2010 niet betrokken is geweest bij gevechten. Het FPJC heeft twee aanvallen gekend vanuit de regering, in Logo en bij Lake Albert, maar er zijn geen zelfstandige aanvallen uitgevoerd. Het FPJC heeft zich louter verdedigd. De beweging was nog niet in het stadium om zelf wapens aan te schaffen. Verder heeft eiser wel geprobeerd de Forces de Résistance Patriotique en Ituri (FRPI) en het FPJC te laten samenwerken, maar dat is niet gelukt. Het FPJC en de FRPI kunnen dus niet als één organisatie worden beschouwd. Daar komt bij dat de ambtsberichten inzake de DRC van juni 2009 en januari 2010 waar verweerder zich op beroept elkaar tegenspreken wat de aantallen rebellen betreft die onder het FPJC en de FRPI zouden vallen. Eiser voert verder aan dat de overige bronnen waarop verweerder zich baseert elkaar tegenspreken dan wel twijfelachtige objectieve waarde hebben. Niet is nader gemotiveerd op welke wijze eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor de misdrijven die aan het FPJC zijn toegeschreven.

Volgens eiser is voorts geen sprake geweest van moord en vervolging op basis van etniciteit, enkel omdat - mede door de bredere oorlog in de DRC en de externe actoren ((groepen uit) Oeganda en Rwanda) - de verschillende politieke groeperingen zich op basis van etnische loyaliteiten hebben gegroepeerd. Het conflict in Ituri was namelijk geconcentreerd op gebiedscontrole, waarbij de rijkdom van Ituri aan grondstoffen een belangrijke rol speelde. Herovering van grondgebied is voorts op zich niet in strijd met artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, aldus eiser. De stelling dat sprake zou zijn van misdrijven tegen de menselijkheid vanwege moord/vervolging op basis van etniciteit ontbeert daarom een deugdelijke motivering.

Eiser voert verder onder meer aan dat, gelet op de ondeugdelijke motivering of in Ituri sprake was van een nationaal of internationaal gewapend conflict, de kwalificatie van de misdrijven als oorlogsmisdrijven ook niet deugdelijk is gemotiveerd. Dat sprake zou zijn van handelingen in strijd met de beginselen en doelstellingen van de VN, ontbeert volgens eiser ook een deugdelijke motivering. Er moet dan immers sprake zijn van onder meer implicaties voor de internationale vrede en veiligheid. In dit geval kan dat zonder nadere motivering niet worden gezegd. De loutere verwijzing naar de verschillende VN-resoluties betekent niet dat daaruit zou volgen dat in strijd is gehandeld met de beginselen en doelstellingen van de VN.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in verband met eisers positie bij het FNI

9.2.1

In geschil is allereerst in hoeverre eiser als leidinggevende van het FNI in de periode van 2002 tot 2003 verantwoordelijk kan worden gehouden voor een groot aantal misdrijven die door verweerder worden toegeschreven aan het FNI, zoals vermeld in overweging 1.

9.2.2

De rechtbank is van oordeel, dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser een leider of commandant was van het FNI. Reeds daarom kan hem niet worden tegengeworpen dat hij in die hoedanigheid verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor de misdaden die zijn begaan door (strijders en milities van) het FNI. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder zijn standpunt dat eiser een hooggeplaatste commandant was bij het FNI, heeft gebaseerd op een uitgelekt bericht van de ambassade van de Verenigde Staten van 13 november 2008 (een zogenaamd wikileaks-bericht op http://www.cablegatesearch.net/) en een nieuwsartikel van 15 april 2011 van de Open Society Justice Initiative, dat verslag doet van de rechtszaak tegen [B] en [C]. Verder vermeldt het individueel ambtsbericht dat eiser volgens één bron heeft gewerkt als legerofficier aan de zijde van [D] bij het FNI. Hij hield toezicht op de strijdkrachten van het FNI. De rechtbank overweegt dat eiser in het bericht van wikileaks weliswaar wordt genoemd als ex-FNI commander, maar niet blijkt waar deze informatie op is gebaseerd en wie de opsteller is van het bericht. Daarom kan dit bericht niet als bewijs dienen. Het bericht van de Open Society Justice Initiative acht de rechtbank voorts onvoldoende objectief om als onderbouwing te kunnen dienen. De rechtbank overweegt dat in het individueel ambtsbericht slechts is verwezen naar één bron. Gezien de onderliggende stukken kan het individueel ambtsbericht daar niet op worden gebaseerd. Daarom mocht verweerder op dit punt niet uitgaan van het individueel ambtsbericht.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in verband met eisers eigen werkzaamheden in de periode 2002-2004

9.3.1

Vervolgens is aan de orde of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen omdat hij in de periode 2002-2004 betrokken was bij de planning van aanvallen, het gidsen van troepen en leveringen van wapens en munitie aan troepen van de FRPI en het FNI. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar eisers verklaringen bij het ICC op 2 en 3 mei 2011 en het eerste gehoor van 30 mei en 1 juni 2012 en het aanvullende 1F-gehoor van 26 juli 2012.

9.3.2

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van eiser bij het ICC op 2 en 3 mei 2011 blijkt dat hij eind 2002 vergaderingen heeft bijgewoond waar aanvallen werden besproken onder leiding van [functie] [E] uit Kinshasa. Deze kolonel was aangesteld om de missie van de EMOI op te zetten. Eiser verklaarde op 3 mei 2011 bij het ICC het volgende:

We took weapons to the children who were with us and a little money was given to the children, so that was the second meeting that I can recall. This took place in December 2002. This was just before Christmas.”

“I believe that they were combatants military of the FRPI. These are the people I am calling children. I don’t know what their precise age was. They were aged over 20. They were recruited because the younger children were in the refugee camps. It was adult children who were in the casino camps.”

Ook verklaarde eiser op 2 mei 2011 bij het ICC:

I do not have details about the Bogoro battle. What I know is this: In Beni, they were preparing themselves to go and fight in Bunia and not in Bogoro, but they had to pass through Bogoro to arrive where they were going. The preparation of the battle done in Beni was to attack Bunia and not Bogoro.”

en

“When [E] assembled the displaced people in Bunia and the umbrella of the organisation in situ, I was responsible for keeping the kitty, the money that was given to me to buy food, I was responsible for buying food.”

In het eerste gehoor bij verweerder op 30 mei en 1 juni 2012 heeft eiser voorts verklaard dat hij in Beni werd benaderd door een commandant van de EMOI om zich daar te melden en zich bij hen aan te sluiten. Hij heeft daar gewerkt vanaf 2002 tot in ieder geval 2003. Hij wees onder meer de route naar de gevechtsplaatsen omdat hij het gebied goed kende. Hij gaf inlichtingen en wanneer de EMOI hun soldaten in het veld wilde bewapenen ging eiser mee om wapens te brengen.

In het aanvullend 1F-gehoor bij verweerder op 26 juli 2012 heeft eiser de vraag of hij betrokken was bij de oprichting van de FRPI bevestigend beantwoord. Hij moest zijn handtekening zetten op de oprichtingspapieren. Dat was eind 2002, begin 2003. Eiser heeft verklaard dat zijn functie in de periode tussen eind 2002 en begin 2003 bestond uit het begeleiden van de mensen van de FRPI naar de plekken in Ituri waar de militairen zaten. Zij wisten namelijk niet de weg in Ituri. Eiser leidde ze de weg; hij kende het gebied en daardoor wisten ze hoe de vijand te ontwijken. Eiser verklaarde verder dat hij aanwezig was bij de vergadering voorafgaande aan de aanval op Bogoro, omdat hij dat moest, om de weg te laten zien. De mensen van de EMOI wisten niet waar Bogoro lag en de militairen van de FRPI zaten daar en die moesten eten krijgen.

9.3.3

Uit de door verweerder genoemde bronnen ten aanzien van de situatie in Ituri blijkt voorts het volgende.

Het ‘Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’ van de Verenigde Naties (VN) van 16 juli 2004 vermeldt:

35.

All of the armed groups have committed war crimes, crimes against humanity and violations of human rights law on a massive scale in Ituri. Unarmed civilians have been deliberately killed, contrary to article 3 common to the Geneva Conventions, often solely on the basis of their ethnicity. Attacks on villages have been accompanied by the killing of several thousands of civilians, widespread looting and destruction of housing and social structures, abduction of civilians, including women for sexual slavery, rape and torture (see section A below)

36.

Lendu combatants engaged in inhumane acts such as mutilation and cannibalism, often under the effect of drugs prepared by their traditional healers. They abducted children and women for forced labour and sexual slavery. According to two eyewitnesses who were released, Lendu combatants told them that they were not killing Hema children but giving drugs to “transform them into Lendu”. Hundreds of Hema women were sexually abused and forced into working for the combatants. Many children and women of Hema origin were never released (see section A).

[..]

39.

All of the armed groups have recruited and trained children to turn them into combatants. According to some estimates, 40 per cent of each militia force could be composed of children under 18 years of age. Given the uncertain figures for the total strength of the armed groups, it is impossible to give accurate figures for children. Current estimates suggest 6,000 children in armed groups, with several thousand others possibly involved in local defence groups.

[..]

95.

Both Hema and Lendu combatants attacked territories belonging to other ethnic communities for different reasons: in some cases to punish them for having hosted enemy combatants, in others, because they took one side or the other in the conflict. Some towns, such as Mongbwalu, Mahagi and Aru, were attacked for control of their natural or financial resources. Regardless of the reasons for the attack, both Lendu and Hema militia parties committed similar types of exactions: mass killing of civilians, destruction of social infrastructures, looting of goods, abduction of women for sexual slavery and forced labour.

In de uitspraak van het ICC van 14 maart 2012, kenmerk ICC-01/04-01/06, inzake [F] (hierna: de zaak [F]), staat onder de feiten ondermeer het volgende opgenomen:

543. The evidence in the case demonstrates beyond reasonable doubt that during the entirety of the period covered by the charges there were a number of simultaneous armed conflicts in Ituri and in surrounding areas within the DRC, involving various different groups.

[..]

546. From March 2003, at the latest, the FRPI was an organised armed group as it had a sufficient leadership and command structure, participated in the Ituri Pacification Commission, carried out basic training of soldiers and engaged in prolonged hostilities, including the battles in Bogoro and Bunia (between March and May 2003).

547. Extensive evidence has been given during the trial concerning the UPC/FPLC’s involvement in the fighting involving rebel militias (namely the RCD-ML and Lendu militias, including the FRPI) that took place in Ituri between September 2002 and August 2003. The Chamber heard evidence that the UPC/FPLC, assisted by the UPDF, fought the RCD-ML in Bunia in August 2002. In November 2002, the UPC/FPLC fought Lendu combatants and the APC in Mongbwalu. The UPC/FPLC fought the APC and Lendu militias in Bogoro (March 2003), and it was in conflict with Lendu militias in Lipri, Bambu and Kobu (in February and March 2003), Mandro (March 2003), and Mahagi, among other areas. In early March 2003, fighting between the UPC/FPLC and the UPDF and several Lendu militias, including the FRPI, ended in the withdrawal of the UPC/FPLC from Bunia. However, in May 2003 the UPC/FPLC army returned to Bunia where it clashed with Lendu militias, again including the FRPI, resulting in a number of casualties.

Verweerder verwijst ten aanzien van seksueel geweld tegen vrouwen onder andere naar het rapport van augustus 2010 van de UNHCR: ‘Democratic Republic of the Congo, 1993-2003, Report of the Mapping Exercise documenting the most serious violations of human rights and international humanitarian law committed within the territory of the Democratic Republic of the Congo between March 1993 and June 2003’, dat vermeldt:

605. Numerous rapes were thus reportedly committed by the Lendu militia, which

subsequently became the FNI and the FRPI, and by the Hema of the UPC, over the course of successive battles to capture Bunia. Women and girls were abducted and taken to military quarters or private houses to be raped by elements of the UPC. At Songolo and at Nyakunde, women and girls were systematically raped and hundreds more forced into slavery by the assailants during violent attacks conducted by the UPC and the Ngiti and Lendu militias respectively in these areas. In May 2003, Lendu militia, supported by the APC (the RCD-ML’s army) apparently engaged in mutilation and sexual torture during their offensive against the UPC for control of Bunia. Cases of female mutilation are said to have been common during attacks carried out by both camps. [..]

606. [..] In March 2003, in the mining region of Kilo and Mongbawbu, members of the FNI allegedly raped and forced Hema women into slavery. They apparently cut off the breasts and genitalia of Hema and Nyali women who were too exhausted to carry their loads any further. Between May and December 2003, the Médecins sans frontières health post in Bunia treated 822 rape victims aged between 13 and 25.”

[..]

641. [..] Women abducted from Bogoro following the attack of the Lendu and

Ngitis militia of the FNI and FRPI reported that some of them were thrown into waterfilled

holes from which they were regularly removed to be raped by soldiers and their

commanding officers. The female prisoners were sometimes also raped by other

prisoners.

9.3.4 Met betrekking tot de bewijswaarde van de in 9.3.3 genoemde rapporten van de VN en de UNHCR overweegt de rechtbank als volgt.

Het Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’ van de Verenigde Naties (VN) van 16 juli 2004 is door het ICC in zijn uitspraak van 14 maart 2012 inzake [F] geaccepteerd als bewijs (bewijsstuk EVD-OTP-00623). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan deze bron.

In het rapport van augustus 2010 van de VN ‘Democratic Republic of the Congo, 1993-2003, Report of the Mapping Exercise documenting the most serious violations of human rights and international humanitarian law committed within the territory of the Democratic Republic of the Congo between March 1993 and June 2003’ staat in paragraaf 7 de wijze van onderzoek vermeld. Ten aanzien van de gehanteerde bewijsmaatstaf staat het volgende vermeld:

The question was therefore not one of being satisfied beyond reasonable doubt that a violation was committed, but rather of reasonably suspecting that the incident did occur. Reasonable suspicion is defined as “necessitating a reliable body of material consistent with other verified circumstances tending to show that an incident or event did happen. Assessing the reliability of the information obtained was a two-stage process involving evaluation of the reliability and credibility of the source, and then validity and veracity of the information itself.

Volgens het rapport was het doel van het rapport niet zozeer om daders te identificeren, maar om op een inzichtelijke wijze de ernst van de gepleegde schendingen duidelijk te maken. Het rapport bevat een beschrijving van meer dan 600 gewelddadige incidenten die hebben plaatsgevonden in de DRC in de periode van maart 1993 tot juni 2003. Elk genoemd incident wordt ondersteund door ten minste twee onafhankelijke bronnen die zijn geïdentificeerd in het rapport. Meer dan 1500 documenten over de betrokken periode zijn geanalyseerd om per regio een eerste lijst vast te stellen van de belangrijkste schendingen. Vervolgens zijn meer dan 1280 getuigen gehoord om de schendingen in de lijst te ondersteunen of ontkrachten.

De rechtbank stelt vast dat de bevindingen uit dit rapport sporen met het ‘Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’ Daarbij overweegt de rechtbank dat de informatie voor wat betreft de strijd bij Bogoro in februari 2003 wordt bevestigd door het de uitspraak van het ICC van 18 december 2012 inzake [C]. Het ICC overweegt dienaangaande als volgt:

337. In light of the foregoing, the Chamber is able to find that the attack on Bogoro began at around 5 a.m. on 24 February 2003. The attackers, who included children, came from several different directions, via roads and tracks leading from localities mostly inhabited by Ngiti and Lendu. It can be stated on the basis of the various testimonies that there were Ngiti combatants from Walendu-Bindi collectivité and Lendu combatants from Bedu-Ezekere groupement in Bogoro on that day.

338. The Chamber further notes that there is a wealth of evidence to show that during and after the 24 February 2003 attack, inhabitants of Bogoro were killed, women were raped and some were kept in captivity by the attackers, property was pillaged and, lastly, buildings were attacked and destroyed.

Daarvan uitgaande en gezien de beschreven onderzoeksmethode en de omvang van het onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de passages uit dit rapport die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd om tot een ander oordeel te komen.

9.3.5 De rechtbank concludeert dat verweerder met de in overweging 9.3.3 opgenomen verwijzingen voor zover het de periode van eind 2002 tot 2003 betreft afdoende heeft gemotiveerd dat strijders van het FNI en de FRPI betrokken waren bij het voorbereiden en uitvoeren van aanvallen op burgers, daaronder begrepen het doden van burgers, seksueel misbruik van vrouwen, het houden van vrouwen en meisjes als slaaf, het rekruteren en inzetten van kindsoldaten en plundering. Naar het oordeel kunnen deze misdrijven als misdrijven tegen de menselijkheid, en ernstige niet-politieke misdrijven worden gekwalificeerd.

9.3.6 Vervolgens dient beoordeeld te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de misdrijven als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang de beantwoording van de vragen of eiser wist of had behoren te weten dat strijders van de FRPI en het FNI zich schuldig hebben gemaakt aan vorenbedoelde misdrijven (‘knowing participation’) en of eiser als mededader kan worden beschouwd (‘personal participation’).

Nu zoals volgt uit overweging 9.2.2 niet aannemelijk is dat eiser commandant was van het FNI en uit de bewijsmiddelen ook geen andere band met het FNI naar voren komt, kan eiser niet verantwoordelijk worden gehouden voor door FNI-strijders gepleegde misdrijven.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de misdrijven door strijders van de FRPI in Bogoro. De rechtbank overweegt dienaangaande dat eiser door de weg te wijzen aan mensen van de FRPI contact heeft gehad met strijders. Gelet op het hoge percentage kinderen dat volgens de in overweging 9.3.3 bronnen deel uitmaakte van de milities, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser wist dat er bij de strijders kinderen aanwezig waren. De rechtbank merkt daarbij op dat het ICC voor kindsoldaten uitgaat van een leeftijd van jonger dan vijftien jaar. Ook van de overige misdrijven acht de rechtbank in ieder geval aannemelijk dat eiser daarvan had kunnen weten. Uit het door verweerder genoemde ‘Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’ van de VN van 16 juli 2004 blijkt dat in de periode 2002 tot aan de strijd bij Bogoro door milities op grote schaal dergelijke mensenrechtenschendingen werden gepleegd. Ook uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken van juni 2003 blijkt dat in Ituri dergelijke mensenrechtenschendingen veelvuldig voorkwamen. Daarmee was destijds algemeen bekend dat deze misdrijven in gevechten tussen de milities plaatsvonden. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser in zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij zelf voorafgaande aan de strijd bij Bogoro voor het oorlogsgeweld was gevlucht en dat hij vluchtende burgers de weg heeft gewezen. Dat ondersteunt het oordeel dat eiser van de misdrijven in ieder geval heeft kunnen weten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen dan wel de misdrijven direct heeft gefaciliteerd (‘personal participation’). De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eisers rol als gids essentieel was voor de uitvoer van onder meer de aanval op Bogoro, aangezien hij zelf heeft verklaard dat hij de weg heeft gewezen omdat er geen lokale kennis aanwezig was bij de mensen van de FRPI. Gelet op zijn verklaringen was hij verder betrokken bij de planning van aanvallen, het gidsen van troepen en de levering van wapens aan troepen van onder meer de FRPI. Daarmee heeft hij persoonlijk deelgenomen aan de begane misdrijven of in ieder geval in wezenlijke mate aan deze misdrijven bijgedragen. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen omdat het conflict in Ituri was geconcentreerd op gebiedscontrole en dat geen sprake geweest van moord en vervolging op basis van etniciteit. Nog daargelaten de juistheid van dit betoog, is een gewapend conflict in welke zin dan ook onderworpen aan internationaal humanitair recht, waarbij de mensenrechten dienen te worden gerespecteerd. Gelet op de verweten gedragingen is daaraan niet voldaan.

9.3.7 Eiser heeft nog betoogd dat hem de hiervoor genoemde handelingen niet kunnen worden verweten omdat hij gedwongen werd door de EMOI om voor hen te werken. In zijn nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in de periode 2002/2003 voor de EMOI heeft gewerkt. De dwang bestond eruit dat hij, als hij dit niet zou doen, zou worden uitgeleverd aan de Hema-bevolkingsgroep en de Oegandezen. Eiser heeft dit niet nader geconcretiseerd. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser de genoemde werkzaamheden gedurende een langere periode heeft verricht. Niet aannemelijk is dat eiser zich gedurende deze gehele periode niet aan de gestelde dwang heeft kunnen onttrekken. Verweerder heeft de gestelde dwang daarom terecht niet aannemelijk geacht.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in verband met eisers positie bij het FPJC

9.4.1 Vervolgens is aan de orde of verweerder aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft kunnen tegenwerpen omdat hij als voorzitter van het FPJC verantwoordelijk was voor door verweerder aan het FPJC toegeschreven misdrijven.

9.4.2 Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op het rapport van de VN Veiligheidsraad van 10 november 2008 ‘Report of the Secretary-General on children and armed conflict in the Democratic Republic of the Congo’, een VN-nieuwsbericht van 7 april 2009, het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken inzake de DRC van juni 2009 en een VN nieuwsbericht van 16 oktober 2008. Verder heeft verweerder verwezen naar eisers verklaringen in het eerste gehoor van 30 mei 2012 en 1 juni 2012 en het aanvullend 1F-gehoor van 26 juli 2012.

9.4.3 In het rapport van de VN Veiligheidsraad van 10 november 2008 staat:

6.

The Front populaire pour la justice au Congo (FPJC) under the command of

Colonel [eiser], which was formed out of factions of Ituri rebel groups that

refused to disarm, is responsible for new outbreaks of fighting and insecurity in the

region.

In het VN-nieuwsbericht van 7 april 2009 staat:

On 31 March, a group calling itself the Popular Front for Justice in the Congo (FPJC) attacked villages in the Ituri district between 50 and 80 kilometres south-east of Bunia, the administrative capital.

A few days later, on 2 April, the self-styled Revolutionary Front for Peace in the Ituri (FPRI) launched a counter attack in the area, UNHCR said.

According to the agency, in September 2008 FPJC splintered from the FPRI, a notorious group which has refused to participate in the peace process and has been blamed for major human rights violations in Ituri.

Many of the newly displaced include persons who were uprooted in raids mounted by the FRPI in 2006 in Ituri district and who were assisted to return to their homes by UNHCR in late 2006, Mr. [G] [spokesperson for the UN High Commissioner for Refugees (UNHCR)] said.

Uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken inzake de DRC van juni 2009 blijkt dat in de verslagperiode (van juni 2008 tot en met mei 2009) gevechten tussen de FARDC (regeringsleger) en het FPJC zorgden voor onveiligheid in Ituri. Het FPJC bestaat naar schatting uit 400 tot 1000 soldaten en werd geleid door kolonel [eiser], een voormalig leider van het FRPI, aldus het ambtsbericht. In september en oktober 2008 voerde het FPJC volgens het ambtsbericht in Ituri aanvallen uit op de FARDC in het gebied ten zuiden van Lake Albert en in de omgeving van Irumu. In november 2008 werd Marabo, ongeveer 30 km ten zuidwesten van Bunia aangevallen door het FPJC. Met een gezamenlijk offensief van de FARDC en MONUC kon het FPJC worden teruggedrongen, maar de aanwezigheid van soldaten in Marabo zorgde daarna voor spanningen. Zo werden bij gebrek aan een militaire basis huizen bezet en waren er berichten van diefstal en verkrachting door FARDC-soldaten. Ook eind december zou sprake zijn geweest van gewapende confrontaties waarbij het FPJC betrokken was. In maart en april 2009 vond een nieuwe serie gevechten tussen het FPJC en de FARDC ten zuiden van Bunia plaats. Daarnaast blijkt uit de ambtsberichten van januari en december 2010 dat tussen het FPJC en de FARDC gevechten plaatsvinden en dat de milities geregeld aanvallen uitvoerden op dorpen, waarbij werd geplunderd, huizen in brand werden gestoken, vrouwen werden verkracht en burgers werden ontvoerd.

In het VN nieuwsbericht van 16 oktober 2008 staat:

In the early hours of Wednesday morning, 15 October, militia members of the Front Congolais pour la Justice au Congo (FPJC) attacked and captured FARDC positions at Nyakunde. Then they headed for Marabo but were stopped by Moroccan peacekeepers and forced to retreat to Nyakunde.

The militia's attack spread panic among the civil population in Marabo who took refuge in the areas around MONUC's compound. 600 people found refuge in a newly established makeshift camp. About 700 people in Nyakunde were reportedly held up by militia members who looted the hospital.

In het eerste gehoor van 30 mei en 1 juni 2012, verklaarde eiser dat hij de coördinator van het FPJC was en dat hij de chef van de beweging was en min of meer beheerste wat er binnen de beweging gebeurde. Op de vraag of hij ook coördinator was van de militaire tak van het FPJC antwoordde eiser voorts in het aanvullend 1F-gehoor van 26 juli 2012:

“Jazeker, onze doelstelling was de militairen bewuster maken van het belang om bij ons te komen, zodat wij tegen de regering konden vechten.”

Eiser heeft op 2 mei 2011 bij het ICC, verklaard dat het FPJC een politiek-militaire organisatie was.

9.4.4 Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in overweging 9.4.3 genoemde bronnen oordeelt de rechtbank als volgt. De ambtsberichten zijn deskundigenberichten. Verweerder mag van de juistheid van een ambtsbericht uitgaan tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om hieraan te twijfelen. De stelling van eiser dat het algemeen ambtsbericht van juni 2009 en het ambtsbericht van januari 2010 elkaar tegenspreken wat betreft aantallen rebellen is naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor twijfel aan de ambtsberichten als deskundigenberichten, nu de ambtsberichten van schattingen uitgaan. Verder heeft eiser enkel gesteld dat het FPJC niet zelfstandige aanvallen heeft uitgevoerd, maar zich louter heeft verdedigd. Deze enkele stelling acht de rechtbank onvoldoende om aan de juistheid van de ambtsberichten te twijfelen. De overige door verweerder genoemde bronnen worden ondersteund door het ambtsbericht, zodat er geen aanleiding is om de inhoud hiervan niet aannemelijk te achten. Ook de informatie uit de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht, waarin staat dat de FPJC nog niet erg actief was en in het stadium van oprichting verkeerde, leidt niet tot een ander oordeel. De betreffende informatie is door de minister van Buitenlandse zaken niet opgenomen in het individueel ambtsbericht. Bovendien staat de informatie vermeld in hetzelfde brondocument als waarin de positie van eiser bij het FNI is opgenomen. Deze informatie heeft de rechtbank in overweging 9.2.2 niet betrouwbaar geacht.

9.4.5 Ten aanzien van de in overweging 1 genoemde misdrijven is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de in overweging 9.4.3 opgenomen verwijzingen afdoende heeft gemotiveerd dat door strijders van de FPJC werd geplunderd, en dat vrouwen werden verkracht. Dit zijn misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder gelet op de rapporten en landeninformatie over de situatie in Ituri vanaf 2008 tot eisers arrestatie in 2010, zoals genoemd in het besluit, en de positie van eiser als voorzitter van het FPJC aannemelijk heeft gemaakt dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de misdrijven door de milities van het FPJC ( ‘knowing participation’). De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser als hoogste leidinggevende binnen de FPJC de misdrijven in ieder geval heeft gefaciliteerd (‘personal participation’).Dat blijkt immers uit zijn eigen verklaringen, vermeld onder 8.4.3. Verder is niet gebleken dat eiser heeft geprobeerd concreet enige invloed uit te oefenen om de begane misdrijven te beteugelen en te voorkomen.

Conclusie ten aanzien van het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

9.5

De conclusie is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er voor wat betreft de periode van eind 2002-begin 2003 en de periode 2008 ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven heeft begaan. Voor deze misdrijven is niet relevant of deze hebben plaatsgevonden in het kader van een nationaal of een internationaal conflict, zodat de rechtbank verder aan deze beroepsgrond voorbijgaat. Nu verweerder al om deze reden aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft kunnen tegenwerpen, gaat de rechtbank ook voorbij aan wat verweerder overigens ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat op eiser artikel 1(F) van toepassing is. Dit betekent dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat. Gelet op artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 heeft verweerder terecht geoordeeld dat aan eiser daarom evenmin een verblijfsvergunning wordt verleend op één van de andere gronden als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

Ten aanzien van de refoulementverboden

10.1.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser bij terugkeer naar de DRC geen reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser het volgende aangevoerd. Eiser heeft in dat verband gewezen op zijn getuigenis bij het ICC, waarin hij heeft gesteld dat president [H] en zijn regering mede verantwoordelijk zijn voor misdrijven gepleegd in Ituri in de DRC. Deze getuigenis bij het ICC ziet [H] dan ook als verraad en daarop staat in de DRC de doodstraf. Eiser heeft bij zijn getuigenis voor het ICC ook namen genoemd van hooggeplaatste militairen die aanwezig waren bij de slachting in het dorp Nyakunde en daarna stond zijn naam in een plaatselijke krant als verrader van deze militairen. Eiser vertrouwt de mensen die in de DRC werkzaam zijn bij het justitiële apparaat niet. Verder was de doelstelling van het FPJC de regering van [H] ten val te brengen. Eiser werd in 2005 aangehouden en gevangen genomen en is toen in de gevangenis ernstig gemarteld. In 2010 is eiser wederom gevangen genomen en gemarteld in de gevangenis. Eiser stelt dat zijn hersens sindsdien zijn beschadigd; hij staat ten gevolge van de marteling nog steeds onder medische behandeling. De Congolese regering heeft voorts zijn moeder vermoord evenals twee van zijn vrienden. Zijn moeder is aangereden door een auto en zijn kameraden zijn doodgemarteld respectievelijk vergiftigd. De commandant die eiser heeft gemarteld, heeft hem verteld dat het auto-ongeluk van zijn moeder opzettelijk was veroorzaakt. Hij heeft voorts bewijs overgelegd van de moord op landgenoten in vergelijkbare posities.

10.1.2

Eiser betwist dat de ‘protective measures’ die de Victims and Witnesses Unit (VWU) van het ICC heeft aangekondigd indien eiser weer wordt overgebracht naar de DRC, voldoende bescherming zullen bieden tegen voornoemd risico. Bovendien zijn deze maatregelen niet door eiser of het ICC afdwingbaar. De verwijzing van verweerder naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Dublinlanden gaat niet op, nu EU-landen niet een mensenrechtenreputatie hebben als [H] en de zijnen en de garanties in dat geval bovendien bij het EHRM afdwingbaar zijn. Eiser verwijst naar een aantal uitspraken van het EHRM, onder meer inzake Labsi (van 15 mei 2012, no. 33809/08), inzake Saadi (van 28 februari 2008, no. 37201/06, ECLI:NL:XX:BC8132) en inzake M.S.S. (van 21 januari 2011, no. 30696/09, ECLI:NL:XX:BP4356). Het interstatelijk vertrouwensbeginsel vindt zijn oorsprong in het uitleveringsrecht, terwijl met de DRC geen uitleveringsverdrag noch een rechtshulpverdrag is gesloten. Dat de DRC zich aan de ‘protective measures’ zal houden geeft blijk van weinig inzicht; [H] heeft immers ook het arrestatiebevel tegen [J] genegeerd. Er is geen reden te veronderstellen dat de DRC te goeder trouw en voor onbeperkte tijd gaat samenwerken met het ICC. Ook kan niet worden uitgesloten dat de ‘protective measures’ eindigen terwijl eiser in de DRC nog steeds gedetineerd is. De maatregelen gelden immers “until the end of their respective trials”. Tot slot is verweerder niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de ‘protective measures’, zodat verweerder zijn vergewisplicht in dit kader heeft geschonden. Ter zitting heeft eiser aanvullend aangevoerd dat de VWU inmiddels ten aanzien van de heer [C], die door het ICC is berecht en vrijgesproken, en daar ook als getuige heeft opgetreden in de zaak tegen [B], in maart 2013 tot het oordeel is gekomen dat het voor hem niet veilig is om terug te keren naar de DRC. Het inzicht van de VWU is dus nu kennelijk dat de DRC geen veilige plek meer is voor getuigen die belastend over [H] hebben verklaard. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op zijn medische situatie.

10.2

De rechtbank overweegt dat partijen desgevraagd ter zitting hebben verklaard dat het uitgangspunt voor de beoordeling van de refoulementverboden is dat eiser bij terugkeer naar de DRC aldaar weer in detentie zal zitten. Partijen hebben te kennen gegeven dat niet behoeft te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn indien eiser in vrijheid wordt gesteld. Verder stelt de rechtbank vast dat de ‘protective measures’ zien op de situatie dat eiser mogelijk een gevaar loopt vanwege de getuigenis die hij bij het ICC heeft afgelegd en maatregelen betreffen inzake de detentie. Het betreft maatregelen ten aanzien van de vorm van detentie, de behandeling van eiser en controlemechanismen.

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat, nu eiser bij zijn terugkeer in detentie in de DRC meent te vrezen te hebben vanwege zijn getuigenis bij het ICC en de ‘protective measures’ daarop zien, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij bij terugkeer naar het detentiecentrum in de DRC vanwege zijn getuigenis een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het betoog van eiser dat de ‘protective measures’ niet door eiser of het ICC afdwingbaar zijn en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de DRC niet opgaat, slaagt niet. De rechtbank verwijst in dit verband wederom naar de overwegingen van het EHRM in de Longa zaak, waarin het Hof onder verwijzing naar eerdere rechtspraak herhaalt dat wanneer een Verdragssluitende Staat uitvoering geeft aan zijn verplichtingen als lid van een internationale organisatie, en deze organisatie een aan het EVRM equivalente mensenrechtenbescherming biedt, de presumptie bestaat dat deze Staat geen inbreuk maakt op het EVRM. Het EHRM volgde niet het standpunt van Longa dat diens fundamentele rechten met betrekking tot zijn detentie niet gewaarborgd waren en verwees daarbij naar de door het ICC getroffen ‘protective measures’ ter bescherming van de fundamentele rechten van een getuige. Het EHRM acht de ‘protective measures’ van het ICC in beginsel dus een voldoende, aan het EVRM equivalente, bescherming. Dat het arrest van het EHRM zag op een klacht inzake artikel 5 van het EVRM, betekent niet dat voormelde rechtspraak in het onderhavige geval niet opgaat. De rechtbank acht in dat kader van belang dat het EHRM in de Longa zaak zelf heeft verwezen naar een arrest met een ander toetsingskader dan aan de orde in de Longa zaak.

Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts onvoldoende weerlegd dat sprake is van tekortschieten van de mensenrechtenbescherming door middel van de ‘protective measures’. De informatie over eisers moeder, die opzettelijk zou zijn aangereden, kameraden die zouden zijn vergiftigd, generaal [K], die zou zijn geëxecuteerd, en kolonel[L], die zou zijn gearresteerd en mishandeld, en de later door eiser ingebrachte brief van 24 mei 2013 van zijn Congolese advocaat [M], die thans bedreigd zou worden, kunnen daar niet toe dienen, reeds omdat deze personen niet de bescherming van ‘protective measures’ genoten of genieten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse staat, in dit geval verweerder, niet gehouden was de ‘protective measures’ zelf te beoordelen of een rigorous scrutiny-toets toe te passen ten aanzien van de gestelde vrees in verband met eisers bij het ICC afgelegde getuigenissen.

10.3

De rechtbank is verder van oordeel dat de gronden van eiser over wat hem in de Makala-gevangenis is overkomen en de algehele slechte detentieomstandigheden aldaar, gelet op de ‘protective measures’ van het ICC evenmin kunnen slagen.

10.4

De rechtbank overweegt ten aanzien van eisers medische situatie het volgende. Hoewel verweerder in het bestreden besluit niet meer is ingegaan op de stelling van eiser in de zienswijze dat hij in de DRC weer in de Makala-gevangenis terechtkomt en geen toegang zal hebben tot het Centre medical de Kinshasa of tot een gestructureerd en regelmatig leven, heeft verweerder in het voornemen al gewezen op het strikte criterium dat wordt gehanteerd door het EHRM (uitspraak van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, ECLI:NL:XX:1997:AB8007 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, ECLI:NL:XX:2001:AD4236). Volgens dit criterium kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens de hiervoor genoemde uitspraken van het EHRM slechts sprake zijn als de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van een dergelijke situatie. Niet in geschil is dat eiser ziek is en dat hij behandeling nodig heeft. Eiser heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een situatie als bedoeld in de arresten in de zaken St. Kitts en Bensaid.

10.5

Wel is de rechtbank van oordeel dat de motivering van verweerder dat eiser bij terugkeer niet hoeft te vrezen voor (uitvoering van) de doodstraf niet deugdelijk is en dat verweerder nader onderzoek op dit punt had moeten verrichten. Verweerder stelt zich op dat standpunt, omdat er in de DRC een feitelijk moratorium is op de uitvoering van de doodstraf en doodstrafvonnissen sinds 2002 niet meer ten uitvoer zijn gelegd. Verder verwijst verweerder naar de bevestiging van de Congolese minister van Justitie en Mensenrechten aan het ICC dat er al tien jaar een moratorium van kracht is en dat ook in het geval van eiser een doodstrafvonnis - indien dat zou worden opgelegd - niet ten uitvoer zal worden gelegd. Volgens verweerder staat de doodstraf ter discussie en is er sprake van de wil om tot volledige afschaffing van de doodstraf te komen.

Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank in de zaken geregistreerd onder AWB 12/37364 en AWB 12/37371 geoordeeld dat vanwege de lange periode van onrechtmatige detentie, in die zaken sprake is van een flagrant denial of justice en daarmee van strijd met artikel 6 van het EVRM. Gelet op het feit dat een fair trial in de DRC niet kan worden gegarandeerd, is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder over het toepassen van de doodstraf geen stand kan houden. De aanvulling van verweerder in het verweerschrift dat de Congolese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om in samenwerking met het ICC een standaardprocedure op te stellen met specifieke bepalingen over aanvullende waarborgen kan dit gebrek niet helen, nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat dit diplomatieke overleg nog altijd gaande is, zonder voorlopige uitkomst. In zoverre is het bestreden besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het onvoldoende gemotiveerd.

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer AWB 13/6945 (beroep niet tijdig beslissen)

11.1

Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, is het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk.

11.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer AWB 12/40033 (beroep asiel)

12.1

De conclusie is dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Zoals hiervoor al aangegeven is, gelet op de gebreken die aan het bestreden besluit kleven, voor het in stand laten van de rechtsgevolgen geen plaats. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding een tussenbeslissing te nemen, nu voor een nieuw te nemen besluit nader onderzoek is vereist. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken, gelet op het feit dat nader onderzoek nodig is.

12.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1888,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 2).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 13/6945,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/40033,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1888,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mrs. A.J. van Putten en R.A. Sipkens, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2013.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:

Coll.:

D: A

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.