Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19438

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
AWB 12-37371 en 12-34466
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2427, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een uit de DRC afkomstige getuige bij het Internationale Strafhof (ICC) die in detentie zit bij het ICC.

Verweerder heeft bij de afwijzing van de asielaanvraag de artikelen 45 en 82 van de Vw 2000 (deels) buiten toepassing gelaten omdat eiser nimmer rechtmatig verblijf in Nederland kan krijgen, noch door Nederland kan worden uitgezet, nu hij zich in de rechtsmacht van het ICC bevindt. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat dat de rechtsgevolgen van artikel 45 en 82 van de Vw 2000 de taakuitoefening van het ICC zouden doorkruisen. Al om die reden is het beroep gegrond. De rechtbank beoordeelt in het kader van de finale geschillenbeslechting ook de overige beroepsgronden.

Het niet afwachten van het resultaat van het individueel ambtsbericht is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank volgt de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet op alle punten, maar komt toch tot de conclusie dat verweerder terecht dat asielvergunning in verband met artikel 1(F) heeft geweigerd. De rechtbank oordeelt daarbij dat voor misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven niet relevant is of deze hebben plaatsgevonden in het kader van een nationaal of een internationaal conflict.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de lange periode van onrechtmatige detentie en nu hij ook nog altijd niet is aangeklaagd sprake is van een flagrant denial of justice en daarmee van strijd met artikel 6 van het EVRM. Gelet op het feit dat een fair trial in de DRC niet kan worden gegarandeerd, is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de doodstraf niet zal worden uitgevoerd geen stand kan houden. De aanvulling van verweerder in het verweerschrift dat de Congolese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om in samenwerking met het ICC een standaardprocedure op te stellen met specifieke bepalingen over aanvullende waarborgen kan dit gebrek niet helen, nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat dit diplomatieke overleg nog altijd gaande is, zonder voorlopige uitkomst. In zoverre is het bestreden besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi RV20130017 met annotatie van V. Naganathar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/37371 (beroep asiel)

AWB 12/34466 (beroep niet tijdig beslissen)

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op[geboortedag] 1974, burger van de Democratische Republiek Congo (DRC), eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat en mr. M.M. van Asperen, advocaten te Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 12 mei 2011 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 27 november 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Op 31 oktober 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een (meeromvattende) beslissing op zijn asielaanvraag conform de Vw 2000.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden, mr. P.J. Schüller en mr. G. Sluiter. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig mw. drs. [A], tolk Frans. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij brief van 12 juni 2013 heeft eiser een nader stuk overgelegd met het verzoek het onderzoek te heropenen. Op 17 juni 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om op het stuk van eiser te reageren. Bij brief van 25 juni 2013 heeft verweerder gereageerd. Partijen hebben toestemming verleend om de zaak zonder nadere zitting af te doen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder acht artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser vanwege zijn rol binnen de Congolese inlichtingendienst en diverse milities, in verband wordt gebracht met mishandeling, verkrachting, slavernij, martelen dan wel folteren van burgers, het voorbereiden en uitvoeren van aanvallen op en het doden van burgers, en schending van een VN-embargo. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar de DRC geen reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het besluit heeft verweerder voorts opgenomen dat het besluit niet de rechtsgevolgen heeft als opgesomd in artikel 45 van de Vw 2000, nu eiser zich in de rechtsmacht van het International Criminal Court (ICC) bevindt. In de huidige situatie kan geen sprake zijn van rechtmatig verblijf in Nederland en/of uitzetting. Een tegen dit besluit ingesteld beroep heeft, gelet op het vorenstaande dan ook niet de in artikel 82 van de Vw 2000 genoemde opschortende werking.

Ten aanzien van de feiten

2.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende door partijen niet betwiste feiten.

2.1

Eiser is geboren in Boma, in de provincie Oriental in de DRC, en behoort tot de Ngiti bevolkingsgroep. Eisers bijnaam, eveneens een soort schuilnaam, is ‘[schuilnaam]’ (soms op andere manieren geschreven). In 1998 is eiser in dienst getreden bij de Congolese inlichtingendienst ‘Agence Nationale de Renseignement’ (ANR), onder het leiderschap van [B], in Bunia. Later heette de inlichtingendienst Agence Congolais de Renseignements (ACR), onder leiding van het Rassemblement Congolais pour la Démocratie-Kisangani/Mouvement de Libération (RCD-K/ML). Eiser is van 1998 tot eind 2003 in verschillende functies werkzaam geweest bij de inlichtingendienst. Eiser zat voorts vanaf de oprichting eind 2002 bij het Front Nationaliste et Intégrationniste (FNI). Hij was vanaf februari 2003 aangewezen als ‘commisaire adjoint chargé de la défense et securité’ en kort daarna als ‘commisiaire á la défense’ ((adjunct) commissaris belast met defensie en veiligheid). Vanaf ongeveer halverwege 2003 fungeerde eiser als ‘président intérimaire du mouvement’ (Interim-president). Verder was eiser aanwezig bij de bijeenkomst waar de Force de Résistance Patritique d’Ituri (FRPI) is opgericht. Tot slot heeft eiser tijdens zijn werk in Beni als [functie] eind januari/begin februari 2003 missies uitgevoerd ten behoeve van de État-Major Opérationnel Intégré (EMOI), en vergaderingen in dat kader bijgewoond.

2.2

Eiser is op 27 maart 2011, als getuige voor het ICC te Den Haag, onder de verantwoordelijkheid van de Victims and Witness Unit (VWU) van het ICC, Nederland binnengekomen. Eiser heeft bij het ICC getuigenverklaringen afgelegd op verzoek van de verdediging in de zaak van ‘The Prosecutor v. [C] and [D]’. Eiser heeft vervolgens op 12 mei 2011 een asielaanvraag ingediend.

2.3

De minister van Buitenlandse Zaken heeft op verzoek van verweerder een individueel ambtsbericht betreffende eiser uitgebracht, gedateerd 9 november 2012 (kenmerk DCM/MA-U120504.0040) (hierna: individueel ambtsbericht).

Het wettelijk kader

3.1

Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft deze van rechtswege tot gevolg dat:

  1. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;

  2. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;

  3. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;

  4. e ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten;

  5. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn na ommekomst van de termijn als bedoeld in onderdeel c een onroerende zaak gedwongen te ontruimen teneinde het onderdak of het verblijf in de woonruimte als verstrekking geboden, bedoeld in onderdeel c, te beëindigen.

Op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

3.2

Op grond van artikel 3.107, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 wordt, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

3.3

Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

  1. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

  2. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

  3. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties (VN).

3.4

Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover van belang, heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

3.5

Volgens paragraaf C4/3.11.3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 - ten tijde van belang - worden oorlogsmisdrijven gedefinieerd in artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Daarnaast zijn er nog andere - oudere - internationale instrumenten waarin oorlogsmisdrijven worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (b)). Voorbeelden van oorlogsmisdrijven zijn de handelingen zoals onder meer weergegeven in Neurenberg-Handvest van 1945 (artikel 6 (b)), het Genocide Verdrag van 1948 (artikel 1 tot en met 4), de vier Rode Kruisverdragen van Genève van 1949, de Aanvullende Protocollen I en II bij deze Verdragen van 1977, het Cultuurgoederenverdrag van Den Haag van 1954 (artikel 18 en 19), het Bupo (artikel 6 (recht op leven), 7 (verbod van foltering) en 8 (verbod van slavernij), het Antifolterverdrag, verschillende wapenverdragen zoals het Verdrag van Parijs inzake chemische wapens van 1993, en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 1998 (artikel 8).

Schendingen van internationaal humanitair recht gedurende een gewapend conflict constitueren oorlogsmisdrijven, ongeacht of het gewapend conflict een internationaal of een intern karakter draagt. Voorts is van belang dat schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de verdragen van Genève van 1949, begaan gedurende een intern gewapend conflict, alsmede andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden ingeval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van internationaal recht, krachtens artikel 8, tweede lid, onder c en e, van het Statuut van Rome, oorlogsmisdrijven constitueren.

Volgens voormelde paragraaf worden misdrijven tegen de menselijkheid gedefinieerd in artikel 7 Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Het gaat om handelingen die zijn gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval. Deze handelingen kunnen ook in vredestijd gepleegd worden. Daarnaast zijn er nog andere - oudere - internationale instrumenten waarin misdrijven tegen de menselijkheid worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (c)).

Volgens voormelde paragraaf moeten de volgende misdrijven voorts worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1(F) (b), ook indien de pleger zich beroept op de politieke aard van het delict:

  • -

    moord, doodslag of terroristische activiteiten zoals omschreven in het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977. […];

  • -

    oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, verkrachting, foltering (inclusief het besnijden van vrouwen, zie ook C2/3), genocide, slavernij en slavenhandel. […]

Voormelde paragraaf vermeldt tot slot - voor zover van belang - het volgende. De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest.

Artikel 1(F) (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.

[..]

De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1(F) (c):

  • -

    handelingen die expliciet zijn genoemd door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN; hieronder valt onder meer internationaal terrorisme, zoals bijvoorbeeld is verklaard in resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001; en

  • -

    misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het internationaal recht en waarvoor universele jurisdictie geldt, zoals oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en misdrijven tegen de vrede; dergelijke misdrijven zijn evident in strijd met één of meerdere doelstellingen en/of beginselen van de VN.

Volgens paragraaf 3.11.3.3 van de Vc 2000 is de bewijslast voor het aantonen van artikel 1(F) een bijzondere. De Minister moet aantonen dat er 'ernstige redenen' zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd.

Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt, dient betrokkene, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1(F) van toepassing zal worden verklaard, één en ander gemotiveerd te weerleggen. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven ('knowing participation') én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation'). Indien hiervan sprake is kan aan betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de 'personal and knowing participation test' (artikel 25 en 27 tot en met 33 Statuut van Rome). Er is ondermeer sprake van 'personal participation' wanneer betrokkene een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

Volgens paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000, voor zover van belang, kan zich de situatie voordoen dat aan de vreemdeling op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning wordt verleend, maar dat tegelijkertijd aannemelijk is dat hij bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:

a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

b. of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

3.6

In artikel 2 van het op 7 juni 2007 gesloten Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Zetelverdag) is het volgende bepaald:

This Agreement shall regulate matters relating to or arising out of the establishment and the proper functioning of the Court in the host State. It shall, inter alia, provide for the long-term stability and independence of the Court and facilitate its smooth and efficient functioning, including, in particular, its needs with regard to all persons required by the Court to be present at its seat and with regard to the transfer of information, potential evidence and evidence into and out of the host State. This Agreement shall also regulate matters relating to or arising out of the establishment and proper functioning of the Secretariat in the host State, and its provisions shall apply, mutatis mutandis, to the Secretariat. This Agreement shall, as appropriate, regulate matters relating to the Assembly, including its Bureau and subsidiary bodies.

3.7

Artikel 8 van het Zetelverdrag luidt, voor zover van belang, als volgt:

1.

The premises of the Court shall be under the control and authority of the Court, as provided under this Agreement.

2.

Except as otherwise provided in this Agreement, the laws and regulations of the host State shall apply on the premises of the Court.

3.

The Court shall have the power to make rules, operative within its premises, as are necessary for the carrying out of its functions. The Court shall promptly inform the competent authorities upon the adoption of such rules. No laws or regulations of the host State which are inconsistent with rules of the Court under this paragraph shall, to the extent of such inconsistency, be enforceable within the premises of the Court.

[…]

7.

Any dispute between the Court and the host State as to whether rules of the Court come within the ambit of this provision or as to whether laws or regulations of the host State are inconsistent with rules of the Court under this provision shall promptly be settled by the procedure set out in article 55 of this Agreement. Pending such settlement, the rule of the Court shall apply and the law and/or regulation of the host State shall be inapplicable on the premises of the Court to the extent that the Court claims it to be inconsistent with its rules.

3.8

Op grond van Artikel 88 van de Rijkswet van 20 juni 2002 tot uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen (Uitvoeringswet) is de Nederlandse wet niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten.

Beoordeling door de rechtbank

Bevoegdheid en het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit

4.1. Eiser heeft op 12 mei 2011 zijn asielaanvraag ingediend. Bij uitspraak van 28 december 2011 heeft deze rechtbank en zittingsplaats een beroep wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen zes maanden na de uitspraak een besluit te nemen. Eiser heeft op 31 oktober 2012, na verweerder op 16 oktober 2012 eerst in gebreke te hebben gesteld, het onderhavige beroep (geregistreerd onder 12/34466) tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 31 oktober 2011 een besluit genomen, waartegen het beroep geregistreerd onder AWB 12/37371 zich richt.

4.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden. Aan de orde is of eiser nog belang heeft bij zijn beroep nu verweerder op 31 oktober 2011 een besluit heeft genomen.

4.3 De rechtbank zal in dit verband allereerst het betoog van eiser behandelen dat, gelet op het feit dat verweerder in het besluit de rechtsgevolgen als genoemd in artikel 45 van de Vw 2000 heeft uitgezonderd, geen sprake is van een beschikking omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Deze beroepsgrond is van belang voor de beoordeling van de vraag of de rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Indien geen sprake is van een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 dient de rechtbank het beroep immers naar verweerder door te zenden als bezwaar. Voorts is deze vraag van belang voor de beantwoording van de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep met nummer AWB 12/34466.

4.4 Eiser voert aan dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de Vw 2000 alleen de meeromvattende beschikking kent met de rechtsgevolgen als weergegeven in artikel 45 van de Vw 2000. Nu die rechtsgevolgen zijn uitgezonderd dient het onderhavige besluit daarom te worden aangemerkt als een besluit op de grond van de Awb en dient het beroep als bezwaar te worden doorgezonden. Daaruit volgt ook dat het besluit niet kan worden aangemerkt als terugkeerbesluit in de zin van de Vw 2000. Een en ander betekent dat nog niet op de asielaanvraag van eiser op grond van de Vw 2000 is beslist.

4.5 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de inhoud van het besluit, de wijze waarop de asielaanvraag is getoetst en de daaraan voorafgegane procedure blijkt dat de Vw 2000 en de daarop gebaseerde wetgeving en beleid zijn toegepast. Dat verweerder aan het besluit niet de rechtsgevolgen heeft verbonden als genoemd in artikel 45 Vw 2000 doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een besluit op de asielaanvraag van eiser op grond van de Vw 2000. De rechtbank is dus bevoegd van het beroep kennis te nemen en zal bij de beoordeling daarvan mede ingaan op de vraag of verweerder bevoegd was de artikelen 45 en 82 van de Vw 2000 (deels) buiten toepassing te laten. Uit het voorgaande volgt tevens dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat niet is gesteld dat eiser nog proces-belang heeft bij de beoordeling van dit beroep.

4.6 Nu vaststaat dat verweerder op het moment van de indiening van onderhavig beroep de beslistermijn had overschreden, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Naar vaste rechtspraak wordt bij het op goede gronden instellen van beroep tegen het uitblijven van een besluit de wegingsfactor zeer licht (0,25 punt) toegepast De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan ook vast op € 236,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 0,25).

Het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2012

Buiten toepassing laten artikel 45 en 82 van de Vw 2000

5.1 Voor de beoordeling van de beroepsgrond van eiser dat verweerder niet bevoegd was de artikelen 45 en 82 van de Vw 2000 (deels) buiten toepassing te laten, acht de rechtbank het volgende van belang. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 december 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9492) heeft de rechtbank – samengevat en voor zover van belang – overwogen dat noch in het nationale recht, noch in de regelgeving betreffende het ICC een grondslag is te vinden om de gehele Vw 2000 en de daarop gebaseerde (beleids)regels buiten toepassing te laten ten aanzien van de behandeling en beoordeling van asielaanvragen. Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat het gerechtvaardigd zou kunnen zijn onderdelen van de Vw 2000 buiten toepassing te laten, voor zover toepassing van die onderdelen tot doorkruising van de taakuitoefening van het ICC leiden. Nu partijen tegen deze uitspraak geen hoger beroep hebben ingesteld en nadien geen nieuwe nationale of internationale regelgeving tot stand is gebracht, vormt dit oordeel het uitgangspunt van de beoordeling.

5.2 De door eiser opgeworpen stelling dat de rechtsgevolgen van artikel 45 van de Vw 2000 nimmer kunnen worden uitgezonderd, nu dat volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot de meeromvattende beschikking, volgt de rechtbank niet. Op het moment dat vast komt te staan dat die rechtsgevolgen de taakuitoefening van het Internationaal Strafhof zouden doorkruisen, zou die nationale jurisprudentie immers door het internationale recht kunnen worden doorbroken.

5.3.1 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat weliswaar de Vw 2000 moet worden toegepast voor zover het betreft de behandeling en beoordeling van de asielaanvraag van eiser, maar dat eiser nimmer rechtmatig verblijf in Nederland kan krijgen, noch door Nederland kan worden uitgezet, nu hij zich in de rechtsmacht van het ICC bevindt en dus niet in de rechtsmacht van Nederland. Om die reden zijn de rechtsgevolgen van artikel 45 van de Vw 2000 en artikel 82 van de Vw 2000 (deels) uitgezonderd. Dat eiser zich niet in de Nederlandse rechtsmacht bevindt volgt volgens verweerder uit artikel 88 van de Uitvoeringswet. Verweerder verwijst verder naar het feit dat eiser op grond van artikel 93, zevende lid, van het Statuut van het Internationaal Strafhof (het Statuut) vanuit detentie in de DRC door de autoriteiten van de DRC is overgedragen aan het ICC om als getuige verklaringen af te leggen en dat het ICC op grond van artikel 192 van het Reglement “without delay” zorg moet dragen voor het terugbrengen van eiser naar de DRC op het moment dat eiser die verklaringen heeft afgelegd. Verweerder ziet zijn standpunt bevestigd in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:XX:2012:BY2306) (de Longa zaak) en het arrest van het Gerechtshof Den Haag (Hof Den Haag) van 18 december 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6075).

5.3.2 Eiser heeft dit gemotiveerd betwist en daarbij allereerst verwezen naar de genoemde uitspraak van deze rechtbank van 28 december 2012, die in rechte vaststaat. Voorts verwijst eiser naar de uitspraak van het ICC van 9 juni 2011 waarbij Nederland is opgedragen te voldoen aan het verbod van refoulement mocht een 3 EVRM schending komen vast te staan. Dat de afspraken met de DRC daarbij worden doorkruist is door het ICC al onderkend.

5.4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat artikel 45 van de Vw 2000 noch enig ander artikel uit de Vw 2000 een verplichting voor verweerder kent om eiser, bij afwijzing van zijn asielaanvraag, uit te zetten. Mocht de asielaanvraag van eiser worden afgewezen, dan staat artikel 45 van de Vw 2000 derhalve niet aan uitzetting door het ICC ter nakoming van de ten aanzien van de DRC aangegane verplichtingen in de weg. De rechtbank beperkt zich hierna dan ook tot beoordeling van de vraag of verweerder, zoals wordt gesteld, niet bevoegd is rechtmatig verblijf toe te kennen.

5.5. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat de rechtsmacht van het ICC aan het toekennen van rechtmatig verblijf aan eiser in de weg staat, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat eiser zich gezien zijn detentie bij het ICC in de rechtsmacht van het ICC bevindt, betekent op zichzelf nog niet dat verweerder eiser op grond van de Vw 2000 nimmer rechtmatig verblijf zou kunnen toekennen na vaststelling van een refoulemenverbod. Naar het oordeel van de rechtbank staat de rechtsmacht die het ICC op grond van artikel 88 van de Uitvoeringswet ten aanzien van eiser heeft daar op zichzelf niet aan in de weg, nu de daarin aan het ICC toebedeelde rechtsmacht beperkt is tot de vrijheidsontneming zelf. Een verdergaande rechtsmacht van het ICC (en daarmee beperking van de rechtsmacht van Nederland) is uit dit artikel, zoals reeds overwogen in de uitspraak van 28 december 2012, niet af te leiden. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van het ICC van 9 juni 2011 (ICC-01/04-01/07) in de zaak [C] en [D], waarin het ICC Nederland opdraagt in het kader van het refoulementverbod mogelijke risico’s bij terugkeer naar de DRC te onderzoeken. Het ICC overweegt te dien aanzien in overweging 64 allereerst dat dat niet aan het ICC is, nu het ICC niet over een eigen grondgebied beschikt zodat het ook niet daadwerkelijk het refoulementverbod kan toepassen en evenmin een staat kan dwingen iemand die het refoulement verbod inroept op zijn grondgebied te ontvangen. Voorts overweegt het ICC aan het slot van die overweging als volgt: “In this case, it is therefore incumbent upon the Dutch authorities, and them alone, to assess the extent of their (onderstreping rechtbank) obligations under the non refoulement principle, should the need arise”. De rechtbank leidt hieruit af dat het ICC van oordeel is dat Nederland op haar grondgebied aan een refoulementverbod uitvoering zal moeten geven

5.6.1 Anders dan door verweerder gesteld is naar het oordeel van de rechtbank in de aangehaalde arresten van het EHRM en Hof Den Haag geen ondersteuning te vinden voor het standpunt van verweerder dat alleen het ICC rechtsmacht over eiser heeft en Nederland daarom nimmer rechtmatig verblijf aan eiser zou kunnen toekennen.

5.6.2 Het EHRM verwoordt (overweging 69) allereerst het algemene beginsel dat rechtsmacht in de zin van artikel 1 van het EVRM primair territoriaal is, in die zin dat het zich uitstrekt over individuen die fysiek op het grondgebied van een staat aanwezig zijn, zodat ook Longa in die zin onder de rechtsmacht van Nederland valt. Uit het arrest volgt dat die rechtsmacht van Nederland met betrekking tot de detentie van Longa is beperkt, omdat Nederland te dien aanzien bevoegdheden heeft overgedragen aan het ICC en deze op grond van afspraken met de DRC en dus op grond van internationaal recht Longa in detentie houdt. Het EHRM concludeert dat er te dien aanzien geen juridisch vacuüm is gezien het feit dat de detentie zijn grondslag vindt in de detentie opgelegd door de DRC. Voorts acht het EHRM van belang dat mede gezien de getroffen ‘protective measures’ er geen aanwijzing is dat het ICC zich wat betreft de detentie niet houdt aan de in het EVRM beschermde fundamentele rechten. Dat Nederland de asielaanvraag in behandeling heeft genomen, betekent volgens het EHRM nog niet dat ook de rechtmatigheid van de detentie door Nederland zou moeten worden beoordeeld.

5.6.3 Naar het oordeel van de rechtbank beperkt het EHRM zich uitdrukkelijk tot beoordeling van vragen rondom de rechtmatigheid van de detentie en de aan het ICC daartoe overgedragen bevoegdheden. Voor een verdergaande beperking van de rechtsmacht van Nederland ten aanzien van de bij het ICC gedetineerde getuigen, zoals eiser, biedt de tekst van het arrest geen grondslag.

5.6.4 Dat geldt evenzeer voor het arrest van het Hof Den Haag, dat grotendeels verwijst naar de overwegingen van het EHRM en zich eveneens beperkt tot vragen rondom de rechtmatigheid van de detentie. Het feit dat het Hof Den Haag de vordering tot overname van de getuigen van het ICC door Nederland heeft afgewezen, maakt dit niet anders, nu het Hof Den Haag dit baseert op het feit dat noch uit het nationale recht, noch uit het EVRM volgt dat asielzoekers de uitkomst van hun asielprocedure in Nederland mogen afwachten. Het Hof Den Haag heeft zich niet uitgelaten over toekenning of ontzegging van rechtmatig verblijf na afronding van de asielprocedure.

5.7 Verweerder heeft subsidiair ter zitting het standpunt ingenomen dat de rechtsgevolgen van artikel 45 en 82 van de Vw 2000 de taakuitoefening van het ICC zouden doorkruisen. Indien de procedure bij het ICC nog aanhangig is en het horen van de getuige nog niet is afgerond, zou het toekennen van rechtmatig verblijf de werkwijze en taak van het ICC doorkruisen. Voorts zou dat, ook in het geval de procedure bij het ICC is afgerond, strijdig zijn met de op grond van het Statuut gemaakte afspraken van het ICC met de DRC over de terugkeer van de getuigen en daarmee de werkwijze van het ICC doorkruisen.

5.8 De rechtbank acht in dit verband allereerst van belang vast te stellen dat eiser ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag zijn getuigenverklaringen bij het ICC reeds had afgelegd en die procedure was afgerond. Van een doorkruising van de taakuitoefening van het ICC in die zin is dan ook geen sprake geweest.

5.9 Ten aanzien van de schending van de afspraken van het ICC met de DRC voorvloeiend uit artikel 93, zevende lid, van het Statuut verwijst de rechtbank naar hetgeen het ICC in de genoemde uitspraak van 9 juni 2011 heeft overwogen:

“70. As provided in article 21(3) of the Statute, the Chamber must apply all of the relevant statutory or regulatory provisions in such a way as to ensure full exercise of the right to effective remedy, which is clearly derived from internationally recognised human rights.

71.

In the matter at hand, the three detained witnesses were transferred to the Court pursuant to article 93(7) of the Statute for the purposes of giving testimony. Article 93(7) further provides that the transferred person shall remain in custody and that when the purposes of the transfer have been fulfilled, the Court shall return the person without delay to the requested State – in this case, the DRC.

72.

The witnesses completed their testimony on Tuesday, 3 May 2011. At this juncture, the Chamber considers that it must settle only the issue of whether an immediate application of article 93(7) of the Statute would not constitute a violation of the detained witnesses’ rights to apply for asylum.

73.

As matters stand, the Chamber is unable to apply article 93(7) of the Statute in conditions which are consistent with internationally recognised human rights, as required by article 21(3) of the Statute. If the witnesses were to be returned to the DRC immediately, it would become impossible for them to exercise their right to apply for asylum and they would be deprived of the fundamental right to effective remedy. Furthermore, were the Chamber to decide to oblige the Host State to cooperate with the Court in order to return the witnesses to the DRC immediately by transporting them to the airport, it would be constraining the Netherlands to violate the witnesses’ rights to invoke the non refoulement principle.”

5.10

Zoals uit de geciteerde overwegingen volgt, is het ICC van oordeel dat onmiddellijke uitvoering van de op artikel 93, zevende lid, van het Statuut gebaseerde afspraken met de DRC in afwachting van de vaststelling van de verplichtingen van Nederland op grond van het refoulement verbod reeds in strijd komt met de verplichtingen van het ICC op grond van artikel 21, derde lid, van het Statuut en de verplichtingen van Nederland op grond van het refoulementverbod. Indien in de asielprocedure vast komt te staan dat het terugsturen van eiser naar de DRC schending van het refoulementverbod oplevert, is dat des te meer het geval. Bovendien volgt uit de geciteerde overwegingen – zoals ook in de praktijk is gebleken – dat het ICC geen uitvoering geeft aan de afspraken met de DRC zolang de asielprocedure van eiser daaraan in de weg staat.

5.11

De conclusie is dan ook dat weliswaar van doorkruising van de afspraken van het ICC met de DRC sprake is indien aan eiser op grond van artikel 45 van de Vw 2000 rechtmatig verblijf zou worden toegekend en bij het toepassen van artikel 82 van de Vw 2000, maar dat deze doorkruising gerechtvaardigd is op grond van artikel 21, derde lid, van het Statuut en het refoulementverbod.

Overigens sluit dit ook aan bij de overwegingen van het EHRM in rechtsoverweging 76 van het hiervoor aangehaalde arrest in de Longa zaak, waar het EHRM zijn vaste jurisprudentie citeert dat ook indien een staat een deel van zijn bevoegdheden heeft overgedragen aan een internationale organisatie, de staat verantwoordelijk blijft indien die organisatie geen gelijkwaardige bescherming van EVRM-rechten biedt. Daarvan zou sprake zijn indien het ICC zich zou houden aan de afspraak eiser naar de DRC terug te sturen, terwijl tegelijkertijd is vastgesteld dat sprake is van een refoulementverbod. Op grond van de jurisprudentie van het EHRM is dat in strijd met het EVRM en is Nederland daarvoor verantwoordelijk. Doorkruising van de afspraken van het ICC met de DRC zou in zo’n geval daarom gerechtvaardigd zijn.

5.12

Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte de rechtsgevolgen van artikel 45 en 82 van de VW 2000 heeft uitgesloten. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is al hierom gegrond wegens strijd met het motiveringsvereiste. In het kader van finaliteit zal de rechtbank ook de overige beroepsgronden beoordelen.

Besluit genomen zonder het individueel ambtsbericht af te wachten

6.1

Eiser voert verder aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en dat het besluit een deugdelijke motivering ontbeert, omdat verweerder het besluit heeft genomen zonder de resultaten van het individueel ambtsbericht af te wachten. Eiser voert daarbij tevens aan - samengevat weergegeven - dat het individueel ambtsbericht een onderbouwing vormt voor zijn stelling dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, evenals een onderbouwing voor zijn standpunt dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling bij terugkeer naar de DRC.

6.2

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het individueel ambtsbericht enkel ten overvloede is opgevraagd en dat er ook zonder het ambtsbericht al voldoende informatie voorhanden was om de aanvraag af te doen. Daarom is het ambtsbericht niet afgewacht en heeft verweerder een besluit genomen op basis van de al beschikbare informatie. Het ambtsbericht heeft volgens verweerder ook maar beperkte waarde, omdat de minister van Buitenlandse Zaken weinig bronnen heeft gevonden die nog iets konden verklaren over gebeurtenissen van jaren geleden en de minister zelf ook geen conclusies trekt in het ambtsbericht. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat het nemen van het bestreden besluit wel is ingegeven doordat eiser heeft aangedrongen op snelheid door middel van de ingebrekestelling.

6.3

Uit het dossier blijkt de volgende gang van zaken. Verweerder heeft op 1 mei 2012 om een individueel ambtsbericht verzocht aan de minister van Buitenlandse Zaken. Op 11 juni 2012 heeft verweerder het voornemen uitgebracht tot afwijzing van de asielaanvraag. Verweerder heeft daarbij geen melding gemaakt van het feit dat hij bij de minister van Buitenlandse Zaken om een individueel ambtsbericht had verzocht. Eiser heeft op 23 juli 2012 een zienswijze op het voornemen ingediend. Bij brief van 17 september 2012 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder een brief gestuurd met vragen over het verloop van de procedure. Daarop heeft verweerder niet gereageerd. Bij brief van 16 oktober 2012 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld om een beslissing op de aanvraag te nemen, omdat de wettelijke beslistermijn was verlopen. Uit een brief van de gemachtigde van eiser van 22 oktober 2012 blijkt dat eiser pas op dat moment heeft vernomen dat verweerder om een individueel ambtsbericht had verzocht bij de minister van Buitenlandse Zaken. De gemachtigde van eiser heeft in de brief verzocht om de gelegenheid te krijgen om op het individueel ambtsbericht een reactie te geven als het eenmaal is uitgebracht. Verweerder heeft ook op deze brief niet gereageerd maar in plaats daarvan op 31 oktober 2012 een afwijzend besluit op de aanvraag genomen. Ook daarin zijn geen woorden gewijd aan het (op handen zijnde) individueel ambtsbericht. Op 9 november 2012, bij verweerder ontvangen op 12 november 2012, is uiteindelijk het individueel ambtsbericht uitgebracht.

6.4

De rechtbank overweegt dat verweerder kennelijk aanleiding heeft gezien om op 1 mei 2012 een individueel ambtsbericht op te vragen. Hij heeft de uitkomst ervan niet afgewacht omdat eiser had aangedrongen op snelheid. Gegeven het onder 6.3 geschetste procedureverloop en nu eiser er niet van op de hoogte was (gesteld) dat verweerder een individueel ambtsbericht had opgevraagd, is de rechtbank van oordeel dat het eiser niet kan worden verweten dat hij verweerder op 16 oktober 2012 in gebreke heeft gesteld. Verweerder heeft voorts ook niet gereageerd op de brieven van eiser van 17 september 2012 en 22 oktober 2012 en met eiser geen overleg gevoerd over een eventuele intrekking van de ingebrekestelling, om het individueel ambtsbericht af te wachten. Verder is het individueel ambtsbericht wel in de beroepsprocedure ingebracht zonder dat er in de besluitvormingsfase hoor en wederhoor heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het individuele ambtsbericht dat hij zelf heeft opgevraagd niet af te wachten. Verweerder kon ook op voorhand niet weten of de informatie in het ambtsbericht in het geheel niet relevant zou zijn. Ook het standpunt dat het individueel ambtsbericht niet bijdraagt aan een ander oordeel had moeten worden verwoord door verweerder, zodat eiser daarop had kunnen reageren. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.

6.5

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting zijn standpunt heeft gemotiveerd ten aanzien van de inhoud van het individueel ambtsbericht. Eiser heeft tweemaal de gronden van het beroep aangevuld alsmede ter zitting op het individueel ambtsbericht kunnen reageren middels zijn op schrift gestelde aantekeningen en aanvullend op hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiser dat verweerder eerst een aanvullend besluit dient te nemen met betrekking tot het individuele ambtsbericht voordat kan worden beoordeeld of verweerder eisers asielaanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser heeft ook voldoende gelegenheid gehad om op het individueel ambtsbericht te reageren. In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna daarom verder het beroep beoordelen.

Beperkte kennisname van de aan het individueel ambtsbericht ten grondslag gelegde stukken

7.

De rechtbank heeft de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht opgevraagd bij de minster van Buitenlandse Zaken. Bij brief van 18 april 2013 heeft de minister een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb en de rechtbank meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende vertrouwelijke stukken. De rechtbank acht de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke delen van de stukken gerechtvaardigd vanwege de bescherming van de bronnen. Nu beide partijen ter zitting daartoe toestemming hebben gegeven, zal de rechtbank mede op grond van de vertrouwelijke onderliggende stukken uitspraak doen.

De bewijswaarde van de door verweerder gebruikte bronnen

8.1.

Eiser betwist de bewijswaarde van een groot aantal van de bronnen die verweerder heeft gebruikt om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan hem tegen te werpen. De rapporten, van onder meer het US State Department, UK Home Office, de VN en UNHCR en Amnesty International, zijn niet voldoende gedetailleerd om op basis daarvan aan te nemen dat door het RCD-K/ML dan wel het FNI en in het bijzonder eiser mensenrechten zijn geschonden. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de door hem aan het besluit ten grondslag gelegde bronnen. Voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van bronnen dient volgens eiser te worden aangesloten bij de Common EU Guidelines for processing Country of Origin Information en Judicial criteria for assessing country of origin information (COI): A checklist, Paper for 7th Biennial IARLJ World Conference, Mexico City, 6-9 November 2006 by members of the COI-CG Working Party de International Association of Refugee Law Judges. Eiser verwijst voorts naar het vonnis van het ICC (Trial Chamber II) van 17 december 2010 in de zaken tegen [C] en [D]. Uit die beslissing volgt dat een groot deel van de door verweerder gebruikte documenten door het ICC al zijn afgekeurd om als bewijs te kunnen dienen. De omstandigheid dat minder bewijs hoeft te worden geleverd om toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vast te stellen dan om iemand strafrechtelijk aansprakelijk te houden betekent volgens eiser niet dat daarom de criteria die voor bewijs gelden anders moeten zijn. Zeker nu de bewijsmaatstaf voor het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag relatief laag is, moet volgens eiser bij de strafrechtelijke bewijscriteria worden aangesloten. De beslissing van het ICC zou ook in deze zaak het uitgangspunt moeten zijn.

8.2

De rechtbank overweegt het volgende. Zoals volgt uit paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van belang, behoeft de veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf. Daarom betekent de omstandigheid dat het ICC bepaalde bronnen uitsluit in een strafzaak niet bij voorbaat dat verweerder deze bronnen niet bij zijn beoordeling had mogen betrekken. Het beroep op de Common EU Guidelines en de checklist kan er evenmin bij voorbaat toe leiden dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De Common EU Guidelines zijn gericht tot degene die landeninformatie ten behoeve van een asielprocedure opstelt. Beoogd wordt dat deze landeninformatie op een zorgvuldige wijze tot stand komt. De checklist is bedoeld als handvat voor rechters bij de beoordeling van landeninformatie. Uit het voorgaande volgt dat niet is vereist dat verweerder de door hem gehanteerde bronnen steeds afzonderlijk toetst aan de Common EU Guidelines en de checklist.

8.3

Het vorenstaande neemt niet weg dat de rechtbank, daar waar eiser de betrouwbaarheid van de door verweerder gebruikte bronnen heeft betwist en deze naar het oordeel van de rechtbank ten nadele van eiser als bewijs kunnen dienen, de betrouwbaarheid daarvan dient te beoordelen. De rechtbank zal daarover een oordeel geven bij de gronden die zien op de inhoudelijke beoordeling van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser. Bij dat oordeel kunnen de Common EU Guidelines en de checklist als richtsnoer dienen om te beoordelen of de bronnen met de daartoe vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen.

Tijdsaanduiding

9.1

Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder een duidelijke tijdsaanduiding en een chronologisch overzicht had moeten verschaffen van de gebeurtenissen waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden. Door dit na te laten is het besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

9.2

Met betrekking tot de tijdslijn overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen omdat hij eiser verantwoordelijk acht voor misdrijven die hebben plaatsgevonden over de periode 1998 tot 2005. De rechtbank volgt eiser niet dat in algemene zin in het bestreden besluit een tijdslijn ontbreekt. Wel volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat informatie die betrekking heeft op een specifieke periode niet zomaar kan worden betrokken op een andere periode. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de beoordeling of verweerder eiser voor een concrete periode terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen en zo ja, welke misdrijven dat betreft.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

10.1

Het oordeel van verweerder dat aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag dient te worden tegengeworpen is in belangrijke mate gegrond op de overweging dat eiser als [functie] en als [functie] van het FNI verantwoordelijk kan worden gehouden voor mensenrechtenschendingen door het FNI. Daarom zal de rechtbank hierop eerst ingaan.

10.2

Eiser heeft aangevoerd dat hij niet op grond van zijn werkzaamheden voor het FNI verantwoordelijk kan worden gehouden voor de misdrijven die verweerder hem tegenwerpt. Er kan geen ‘personal participation’, noch ‘knowing participation’ worden aangenomen. Eiser voert daartoe - samengevat weergegeven - aan dat het FNI vóór 18 maart 2003 geen eigen strijders en milities had. Het FNI was een politieke beweging en er is nooit een daadwerkelijke militaire structuur binnen het FNI tot stand gekomen. In de uitspraak van het ICC van 14 maart 2012, kenmerk ICC-01/04-01/06 inzake [E] (hierna: de zaak [E]) is, anders dan verweerder stelt, slechts over de FRPI, en niet het FNI, overwogen dat er vanaf maart 2003 voldoende leiding en een bevelsstructuur was. Eiser heeft voorts geen betrokkenheid gehad bij de FRPI. Eiser wijst erop dat ook de aanklager in de zaak tegen [D] er kennelijk niet in slaagde een militaire structuur binnen het FNI te ontdekken, nu hij de rol van [D] steeds verder heeft verkleind. De uitspraken van de Pre-trial Chamber waarnaar verweerder verwijst hebben voorts geen juridisch relevante waarde, omdat die niet tot een strafrechtelijke veroordeling leiden. Uit het individueel ambtsbericht is ook geen nadere informatie bekend geworden van een militaire structuur binnen het FNI. Verder is in het ambtsbericht aangegeven dat eiser niets te maken heeft met de gebeurtenissen waarvan het FNI wordt beschuldigd. Hieruit volgt eens te meer dat eiser niet zonder nadere motivering in de periode van 2002 tot zijn arrestatie in 2005 verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag die zouden zijn begaan door het FNI en de FRPI.

Militaire structuur FNI in de periode vóór maart 2003

10.3.1

De rechtbank zal zich allereerst buigen over de periode voor maart 2003, te weten de periode voordat het FNI en de FRPI samen zouden zijn gegaan. Om te beoordelen of eiser in die periode (voldoende) zeggenschap had over eventuele militaire activiteiten van groepen binnen het FNI is aan de orde of een daadwerkelijke militaire structuur binnen het FNI tot stand is gekomen. Verweerder heeft zijn standpunt dat dit het geval is onder meer gebaseerd op de uitspraak van Pre-Trial Chamber I van het ICC van 30 september 2008 betreffende de ontvankelijkheid van de aanklager in de zaken tegen [C] en [D] en de uitspraak van het ICC in de zaak [E]. Voorts verwijst verweerder naar de verklaringen afgelegd door [F] in het kader van diens asielprocedure en bij het ICC op 5 april 2011 en 14 april 2011. Verder heeft verweerder gewezen op de verklaringen van eiser in het aanvullend 1(F) gehoor van 10 april 2012 en van [D] bij het ICC op 28 oktober 2011.

10.3.2

De rechtbank overweegt dat de Pre-Trial Chamber I van het ICC bij uitspraak van 30 september 2008 (rechtsoverwegingen 544 en 545) heeft geoordeeld dat er voldoende bewijs was om vast te stellen dat het FNI een hiërarchisch georganiseerde groep was. Het had een militair gestructureerde organisatie die was onderverdeeld “into sectors, battalions, companies, platoons and sections”. Volgens die uitspraak is er ook voldoende bewijs om vast te stellen dat er zwaarwegende gronden zijn om te geloven dat het FNI en de FRPI grote organisaties zijn die elk voorzagen in leiders met een uitgebreide hoeveelheid soldaten. Deze vaststelling is volgens de voetnoten bij de overwegingen 544 en 545 gebaseerd op de getuigenverklaringen van de getuigen P250, P279 en P280.

Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd blijkt uit overweging 339 van de uitspraak van de Trial Chamber II van het ICC van 18 december 2012 inzake [D] , waarbij [D] is vrijgesproken, niet dat het ICC het oordeel van de Pre-Trial Chamber over de militaire structuur van het FNI heeft overgenomen. Overweging 339 geeft slechts het oordeel van de Pre-Trial Chamber weer. Uit overweging 388 blijkt dat het ICC juist tot de conclusie komt dat deze aanname van de Pre-Trial Chamber geen stand kan houden, omdat het de verklaringen van de getuigen P250, P279 en P280 niet betrouwbaar acht (zie de overwegingen 127 tot en met 219). Gelet hierop kan ook in het kader van het bestuursrecht dit onderdeel van de uitspraak van de Pre-Trial Chamber geen grondslag meer bieden voor het oordeel dat het FNI een militaire structuur had.

10.3.3

Verweerder heeft in dit verband verder verwezen naar de uitspraak van het ICC in de zaak [E]. Deze uitspraak ondersteunt de door verweerder aangenomen militaire structuur van het FNI in deze periode echter niet. Het ICC heeft daarin het volgende vastgesteld:

543. The evidence in the case demonstrates beyond reasonable doubt that during the entirety of the period covered by the charges there were a number of simultaneous armed conflicts in Ituri and in surrounding areas within the DRC, involving various different groups.[..]

The RCD-ML, whose army was the APC, was defeated in August 2002 in Bunia and

thereafter it supported the Lendu militias and engaged in fighting against the UPC/FPLC. As set out above, the Lendu formed a group called the FNI and the Ngiti created the FRPI.

[..]

On the basis of the evidence presented in this case, it has been established that the APC, the armed wing of the RCD-ML, was an organised armed group capable of carrying out prolonged hostilities within the period of the charges. During this time, the RCDML/

APC also supported various Lendu armed militias, including the FRPI, in combat against the UPC/FPLC.

546. From March 2003, at the latest, the FRPI was an organised armed group as it had a sufficient leadership and command structure, participated in the Ituri Pacification Commission, carried out basic training of soldiers and engaged in prolonged hostilities, including the battles in Bogoro and Bunia (between March and May 2003).

547. Extensive evidence has been given during the trial concerning the UPC/FPLC’s involvement in the fighting involving rebel militias (namely the RCD-ML and Lendu militias, including the FRPI) that took place in Ituri between September 2002 and August 2003. The Chamber heard evidence that the UPC/FPLC, assisted by the UPDF, fought the RCD-ML in Bunia in August 2002. In November 2002, the UPC/FPLC fought Lendu combatants and the APC in Mongbwalu. The UPC/FPLC fought the APC and Lendu militias in Bogoro (March 2003), and it was in conflict with Lendu militias in Lipri, Bambu and Kobu (in February and March 2003), Mandro (March 2003), and Mahagi, among other areas. In early March 2003, fighting between the UPC/FPLC and the UPDF and several Lendu militias, including the FRPI, ended in the withdrawal of the UPC/FPLC from Bunia. However, in May 2003 the UPC/FPLC army returned to Bunia where it clashed with Lendu militias, again including the FRPI, resulting in a number of casualties.

548. Although Ugandan forces withdrew from Bunia in May 2003, the evidence indicates that there was no “peaceful settlement” prior to 13 August 2003. Documentary evidence establishes that in June 2003, the Hema village of Katoto was attacked twice by Lendu militia members, resulting in many casualties. In addition, Lendu militia and APC

soldiers attacked Tchomia in July 2003, killing up to eleven civilians. Scores more civilians were killed in July 2003, when Lendu combatants carried out attacks on Fataki. During the summer of 2003, the UN Security Council authorised the deployment to Ituri of a European Union led Interim Emergency Multinational Force (Operation Artemis) in order to restore security in the area, and on 28 July 2003 MONUC was given a Chapter VII mandate authorising it to take the necessary measures to protect civilians.1680 Despite these and other efforts, the evidence clearly indicates that during the period between the end of May 2003 and 13 August 2003, a peaceful settlement had not been reached in Ituri.

10.3.4

De rechtbank stelt vast dat uit deze ook door verweerder aangehaalde overwegingen alleen ten aanzien van de FRPI blijkt dat er sprake was van een daadwerkelijke militaire structuur en dat bovendien pas vanaf maart 2003. Enige ondersteuning voor een militaire structuur bij het FNI biedt de uitspraak niet. Nu niet in geschil is dat in de periode vóór 2003 van enig samengaan van de FRPI en het FNI geen sprake was, kunnen deze overwegingen dan ook niet als bewijs dienen voor de aanwezigheid van een militaire structuur bij het FNI in die periode.

10.3.5

Voor zover het de periode vóór maart 2003 betreft heeft verweerder ook nog gewezen op de verklaring van [F] als getuige bij het ICC op 14 april 2011. Deze luidt, voor zover van belang, als volgt:

12

PRESIDING JUDGE [G]: (Interpretation) Mr. Witness, throughout

13

its existence as a political and military group, political and military,

14

did the FNI claim the responsibility for any attacks; and if the answer

15

is yes, which attacks did you or any other FNI leaders claim

16

responsibility for any attacks?

17

A. Your Honour, the answer is yes.

18

PRESIDING JUDGE [G]: (Interpretation) Which attacks?

19

A. We ‐‐ *I claimed the responsibility for the Bogoro attack.

10.3.6 Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze enkele verklaring niet de conclusie worden getrokken dat het FNI vóór maart 2003 een militaire structuur had. In dat verband verwijst de rechtbank ook naar de uitspraak van het ICC inzake [D], waarbij het ICC in overweging 434 overweegt:

Furthermore, in this regard, and although the argument must be treated with

caution, it cannot be ruled out that [D], akin to others in Ituri at

the time, had wanted to claim responsibility for an attack so that he would be

given a higher rank if integrated into the regular Congolese army.

In de bijbehorende voetnoot wordt door het ICC opgemerkt dat de FNI-voorzitter ook de verantwoordelijkheid voor de aanval heeft opgeëist. Nu de overige door verweerder genoemde bronnen niet specifiek zien op de periode voor maart 2003, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het FNI voor die tijd een daadwerkelijke militaire structuur had.

10.3.7 De conclusie is dat niet op grond van de door verweerder genoemde bronnen voor de periode voor maart 2003 aannemelijk is geworden dat het FNI een militaire structuur had. Daarmee is evenmin aannemelijk gemaakt dat eiser als[functie] en als [functie] van het FNI (voldoende) zeggenschap had over eventuele militaire activiteiten van groepen binnen het FNI in de periode voor maart 2003, zodat eiser niet in die hoedanigheid verantwoordelijk kan worden gehouden voor mensenrechtenschendingen gepleegd in die periode door groepen binnen het FNI.

Militaire structuur FNI in de periode na maart 2003: samengaan FNI en FRPI?

10.4.1 Verweerder baseert zijn standpunt dat het FNI na maart 2003 een militaire structuur had op het samengaan van het FNI en de FRPI, omdat deze laatste een militaire structuur had. Voor dit samengaan heeft verweerder allereerst verwezen naar de verklaring van [D] bij het ICC (28 oktober 2011, p. 40 ev). De rechtbank is echter van oordeel dat die verklaring, die verweerder maar gedeeltelijk citeert, dit niet ondersteunt:

6

Q. When did you get to know the FRPI?

7

A. When we met, [C] and myself, in Dele on the 8th of

8

March. It was at that time that I got to know the FRPI.

9

Q. You say you met [C] in Dele on the 8th of March.

10

The 8th of March of what year?

11

A. The 8th of March, 2003.

12

Q. If you know where the FRPI was created and who was it created by?

13

Do you know where it was created and who it was created by?

14

A. To the best of my knowledge, the FRPI was created in Beni by

15

[I].

16

Q. What were your functions within this alliance FNI/FRPI?

17

A. The proposal that had been made was to be the [functie]

18

responsible for operations.

19

Q. When did you become [functie]of the FNI/FRPI

20

responsible for operations?

21

A. I started after the 22nd of March, 2003.

22

Q. What was the composition of the military staff of the FRPI?

23

A. When President [F] came, it was to make an alliance with the

24

FRPI, and on the 18th of March, when he arrived he told us that an

25

alliance had to be made, and he gave a certain ‐‐ and he made a certain

1

number of proposals, but there was a question, and that was the absence of [C],

2

and on the same day [F] went back to Kampala. he did not spend the

3

night of the 18th of March in Bunia, and when ‐‐ and then when [C] came,

4

[F] had already left. When [C] arrived, [F] had already left.

5

[C] arrived, when [F] had had already left. When [F] left after the

6

meeting about the pacification of Ituri [C] arrived.

7

So the alliance that weʹve spoken about had not been made

8

concretely but proposals had been made. Where I was concerned, I started working

9

provisionally after the 22nd of March in Bunia.

10

Q. Who appointed you to that post?

11

A. President [F] did that. So thatʹs ‐‐ this is the structure that he put in place:

12

The general [functie] of the FNI‐FRPI was [J], and his [functie]

13

was [C]. [K] and myself, we were the two [functie]. [K]

14

was [functie] responsible for administration and logistics.

15

Myself, I was proposed for the position of ‐‐ [functie] responsible for

16

operations. That was it basically.

17

Q. Should we consider that these are the people who had the

18

different functions or who held the different functions?

19

A. Yes. The organisation at the level of the general staff had ‐‐

20

there was a G staff, a G1, G2, G3, G4, and G5. And we had three brigades.

21

There was one in the north in Kpandroma, one brigade in the centre in Bambu, and

22

the southern brigade was in Gety, and that was the provisional structure

23

of the alliance, FNI/FRPI. And as you know, in a brigade you have

24

battalions, companies, and sections.

25

Q. Mr. [D], what criteria were taken into account to give you

1

this function of [functie] responsible for operations of the

2

FNI/FRPI?

3

A. There werenʹt criteria properly, in the proper sense of the term.

4

It was just the case that I was a member of the Civil Guard, I had been trained

5

as a civil guard, and from my point of view ‐‐ well, [F] said to himself that I

6

could help him organise and structure the military staff of the FRPI/FNI. Thatʹs

7

the reason why. As for the rest, I donʹt know what his other motivations were.

8

Q. Thank you, Mr. [D]. In your capacity as

9

[functie] responsible for operations of the FNI/FRPI, did you

10

carry out certain military operations?

11

A. No, Counsel. When the provisional structure of the alliance

12

FRPI/FNI had been made between the 22nd of March to the end of March, the

13

beginning of April, General [L] arrived in Bunia. He

14

arrived, he came for the integration of all armed groups into the FAC,

15

and so he then broke up all the structures of the armed groups, and he established

16

another structure for all the armed groups in Ituri so that they would

17

all be integrated into it, especially since he was the commander

18

of a military region, whereas the general Chief of Staff had a higher rank than the

19

commander of a military region.

20

The fact that he had given a mandate by the government and that the armed

21

groups were not yet recognised, nor even appointed by the

22

president of the Republic ‐‐‐ consequently, these members of the armed groups could

23

not have a rank higher than his, and thatʹs the reason why

24

he cancelled all the existing structures and he gave us a new structural configuration

25

to reorganise all the armed groups in Ituri and, in particular,

1

the FRPC of [M]; the FPDC of [N];

2

the FNI/FRPI of [F]; and the PUSIC of Chief [O]; Except for the UPC.

3

Apart from the UPC, he brought all these groups together with a view to forming a

4

block for the integration. That is how these things happened.

5

Q. And your provisional structure, FNI/FRPI, did it function in

6

reality?

7

A. No, Counsel. No, it didnʹt really function, and this is the

8

reason why: You know that the FNI was autonomous, as was the FRPI. In

9

order to make the alliance, there was a problem. This was a problem

10

with regards to the different posts, because when [F] arrived, there

11

was ‐‐ he was a Lendu from the north. He was the [functie], and his Minister of

12

Defence was also a Lendu from the north, Uchu (phon).

13

THE INTERPRETER: And the interpreter did not hear the surname.

14

THE WITNESS: (Interpretation) The [functie],

15

[J], was also a Lendu from the North. [K],

16

who was proposed as [functie] responsible for administration and

17

logistics, was also North Lendu. [D], Lendu Nord. North

18

Lendu as well. So for the Lendus from the South there was only one representative

19

at the deputy level. So they were not satisfied. And that is the reason why the

20

military headquarters didnʹt function properly.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit bovenvermelde passage uit de verklaring van [D] dat het FNI en de FRPI nooit daadwerkelijk als één organisatie hebben gefunctioneerd.

10.4.2 Verweerder verwijst voor deze periode verder naar de door eiser afgelegde verklaringen in het aanvullend 1(F) gehoor van 10 april 2012 (p. 5). Weliswaar heeft eiser bevestigend geantwoord op de vraag of het klopt dat vanaf februari/maart 2003 er een gezamenlijke organisatie was, bestaande uit een politiek- en een militaire tak en dus een verhouding tussen het FNI en FRPI. Hij voegt daar echter aan toe dat er een scheidslijn moet worden aangebracht tussen het FNI en de FRPI. Voorts verklaart hij dat generaal [naam 2] (lees [L]) vanuit het nationale leger de leiding kreeg en dat hij vanaf april/mei 2003 samen met [naam 2] de FRPI als militaire structuur heeft georganiseerd en dat hij ([naam 2]) [functie] ervan is geworden (p. 6).

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser bij het aanvullend 1(F) gehoor afgelegde verklaringen in samenhang bezien onvoldoende zijn om te concluderen dat er vanaf maart 2003 sprake is geweest van daadwerkelijke uitvoering van de voorgestane samenvoeging van het FNI met de FRPI, in die zin dat eiser als [functie] en [functie] van het FNI zeggenschap had in de FRPI en de door de FRPI uitgevoerde missies en daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden.

10.4.3 Verweerder heeft in dit kader voorts nog gewezen op diverse rapporten van gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties. In deze algemene stukken worden het FNI en de FRPI vaak in één adem genoemd en wordt er gerefereerd aan FNI/FRPI milities. De rechtbank acht dit echter onvoldoende om alleen op basis daarvan tot de conclusie te komen dat de militaire structuur van de FRPI onderdeel is gaan uitmaken van het FNI, in die zin dat het FNI zeggenschap had over deze militaire organisatie. Dat velen de FRPI zagen als het leger van het FNI is daartoe onvoldoende.

10.4.4 Uit de door verweerder aangehaalde bronnen blijkt wel dat er sprake is geweest van diverse gewapende groeperingen, waaronder FNI-milities, die onder bevel stonden van ‘commanders’. Voorts heeft verweerder onder verwijzing naar verscheidene rapporten van gouvernementele en non-gouvernementele organisaties gemotiveerd aangegeven voor welke misdrijven deze FNI-strijders verantwoordelijk kunnen worden gehouden. De rechtbank wijst naar het ‘Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’ van de VN van 16 juli 2004, waarin het volgende staat:

35.

All of the armed groups have committed war crimes, crimes against humanity and violations of human rights law on a massive scale in Ituri. Unarmed civilians have been deliberately killed, contrary to article 3 common to the Geneva Conventions, often solely on the basis of their ethnicity. Attacks on villages have been accompanied by the killing of several thousands of civilians, widespread looting and destruction of housing and social structures, abduction of civilians, including women for sexual slavery, rape and torture (see section A below)

36.

Lendu combatants engaged in inhumane acts such as mutilation and cannibalism, often under the effect of drugs prepared by their traditional healers. They abducted children and women for forced labour and sexual slavery. According to two eyewitnesses who were released, Lendu combatants told them that they were not killing Hema children but giving drugs to “transform them into Lendu”. Hundreds of Hema women were sexually abused and forced into working for the combatants. Many children and women of Hema origin were never released (see section A).

[..]

39.

All of the armed groups have recruited and trained children to turn them into combatants. According to some estimates, 40 per cent of each militia force could be composed of children under 18 years of age. Given the uncertain figures for the total strength of the armed groups, it is impossible to give accurate figures for children. Current estimates suggest 6,000 children in armed groups, with several thousand others possibly involved in local defence groups.

[..]

95.

Both Hema and Lendu combatants attacked territories belonging to other ethnic communities for different reasons: in some cases to punish them for having hosted enemy combatants, in others, because they took one side or the other in the conflict. Some towns, such as Mongbwalu, Mahagi and Aru, were attacked for control of their natural or financial resources. Regardless of the reasons for the attack, both Lendu and Hema militia parties committed similar types of exactions: mass killing of civilians, destruction of social infrastructures, looting of goods, abduction of women for sexual slavery and forced labour.

116. On 10 June 2003, Nioka was attacked from 5.30 a.m. until around 2 p.m. by Lcndu militias from Kpandroma and Livo. Thc militia killed around 55 civilians according to the testimonies provided to MONUC by victims. Another 60 civilians were abducted to carry the loot first to Livo, then to Kpandroma. According to an abducted girl, several girls were forced into sexual slavery. […]

117. A certain Lego was reportedly the chief of the operations. [F], the leader of FNI at that time, confirmed that the operation was conducted by Lego and his 40 followers, without the consent of the FNI authorities of Kpandroma. He added that Lego and 20 of his men were executed after this operation by FNI in Kpandroma.

10.4.5 De rechtbank gaat op het punt van het bestaan van FNI-milities die onder bevel stonden van ‘commanders’ en van het plegen van misdrijven door deze milities uit van de juistheid van de bronnen. De rechtbank acht daartoe van belang dat de bronnen elkaar op dit punt ondersteunen en dit tevens te lezen valt in de beschrijving van de algemene situatie in Ituri in overwegingen 545 e.v. van de uitspraak van het ICC in de [E] zaak en in overweging 404 van de uitspraak in de [D] zaak. Voorts heeft het ICC het ‘Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’ van de VN in de [E] zaak als bewijs geaccepteerd (bewijsstuk EVD-OTP-00623). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van deze bron te twijfelen.

10.4.6 Uit de aangehaalde bronnen en de eigen verklaringen van eiser volgt dat hij weet heeft gehad van de door FNI-milities gepleegde misdrijven. Naar het oordeel van de rechtbank geven deze bronnen echter onvoldoende inzicht in de gezagsverhoudingen van de ‘commanders’ onderling en de hiërarchische structuur ten aanzien van deze ‘commanders’ van het FNI milities om te kunnen concluderen dat eiser als [functie] van het FNI daarover ook daadwerkelijk in algemene zin zeggenschap had.

In dit kader trekt de rechtbank een vergelijking met hetgeen het ICC in de uitspraak van 18 december 2012 inzake [D] in overweging 388 heeft overwogen:

Admittedly, it cannot be stated that Bedu-Ezekere groupement had existing military camps in conventional sense. It cannot be found on the basis of the evidence accepted by the Chamber as being credible that the groupement possessed military camps with combatants serving under the orders of a hierarchical superior and all receiving military training. Likewise, the Chamber lacks evidence to support a finding that the Lendu combatants in the groupement were arranged in a single organisational structure divided into sectors and battalions, companies, platoons and sections, as stated in the Decision on the confirmation of charges. Nor is it in a position to rule on the exact powers and roles of the various commanders mentioned by the witnesses.

10.4.7 De rechtbank is gegeven het vorenstaande dan ook van oordeel dat de tegenwerping dat eiser desondanks gezien zijn positie de mogelijkheid had om de schendingen van de mensenrechten te voorkomen (en hij dit ten onrechte niet heeft gedaan) onvoldoende is onderbouwd.

Conclusie ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vanwege het interim-voorzitterschap van het FNI

10.5

Uit het voorgaande volgt dat weliswaar sprake was van ‘knowing participation’, in die zin dat eiser weet heeft gehad van de misdrijven begaan door FNI en FRPI milities, maar dat de tegenwerping dat hij in zijn hoedanigheid van [functie] en als [functie] van het FNI ook persoonlijk verantwoordelijk was voor het plannen van aanvallen, aansturing van troepen en levering van wapens en munitie aan troepen van de FRPI en FNI milities en dat de misdrijven begaan door de FRPI en FNI milities (mede) onder zijn verantwoordelijkheid zijn gepleegd, met de door verweerder genoemde bronnen niet afdoende is onderbouwd. De in het individueel ambtsbericht opgenomen informatie dat eiser leiding gaf aan de troepen van het FNI is onvoldoende voor een ander oordeel, nu dit te algemeen is geformuleerd en niet is gespecificeerd naar tijd of plaats. Het besluit is op dit punt dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.

De rechtbank onderkent dat aan eiser ook misdrijven zijn tegengeworpen, waarbij de ‘personal participation niet alleen is gebaseerd op de positie van eiser als[functie] van het FNI. De rechtbank verwijst in dit verband ondermeer naar de tegengeworpen inzet van kindsoldaten en het tewerkstellen van personen onder erbarmelijke omstandigheden in de mijnen. Ook ten aanzien van deze misdrijven is in het besluit echter de aanname verweven dat eiser daarvoor (mede) op basis van zijn [functie] van het FNI verantwoordelijk kan worden gehouden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op de weg van verweerder ligt om te onderbouwen en te motiveren op welke gronden aan eiser deze misdrijven kunnen worden tegengeworpen. De rechtbank zal daarom in deze procedure niet treden in de vraag of verweerder op andere gronden deze misdrijven aan eiser kan tegenwerpen.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in verband met eisers werkzaamheden voor de inlichtingendiensten

10.6.1

Verweerder heeft de tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag aan eiser daarnaast gebaseerd op eisers - niet betwiste - werkzaamheden voor de inlichtingendienst ANR (zie rechtsoverweging 2.1) en daarbij verwezen naar de algemeen ambtsberichten inzake de DRC van april en september 2005. Voormelde ambtsberichten vermelden dat de ANR rechtstreeks valt onder de president en is belast met het bewaken van de staatsveiligheid en kunnen worden aangemerkt als veiligheidsdienst, en dat de ANR een aantal detentiecentra heeft waar gedetineerden worden onderworpen aan vernederingen en mishandelingen, zoals het naakt uitkleden en hen lange tijd in de zon laten staren. De Guardien Republicain (GR, voorheen GSSP) heeft een gevangenenkamp in het midden van Kinshasa. De verschillende mensenrechtenorganisaties hebben daartoe geen toegang, maar men vermoedt dat gevangenen daar worden mishandeld. Op politiebureaus worden arrestanten veelvuldig gemarteld om hen te doen bekennen en er zijn verschillende berichten dat militairen burgers vasthouden in detentiekampen, waar zij worden gemarteld om informatie los te krijgen. Verder heeft verweerder verwezen naar het rapport van MONUC, ‘Rapport sur la detention dans les prisons et cachots de la RDC’, van april 2004, en naar twee rapporten van Amnesty International uit 2001, te weten ‘Torture: a weapon of war against unarmed civilians’ en ‘Deadly conspiracies?’. Daaruit blijkt volgens verweerder dat de buiten de officiële gevangenissen en detentiekampen er in de DRC tussen 1998-2005 nog vele andere locaties werden gebruikt om mensen te detineren en die werden beheerd door de veiligheidsdiensten. Daar was de algehele situatie veel slechter dan in de gevangenissen en ook werden mensen daar veelal buitengerechtelijk vastgehouden. Volgens verweerder blijkt uit de rapporten verder dat martelmethodes die daar mede door de ANR werden toegepast, bestonden uit slaan met geweren of stokken, met palmolie overgieten en op kolenvuur laten zitten, de voeten met een hamer vermorzelen, het onthouden van voedsel, op het hoofd slaan met geweereinden, elektrische schokken toepassen en lege graven tonen aan gevangenen en melden dat dit graf voor hem/haar bedoeld is.

Verweerder heeft ten aanzien van de ‘knowing participation’ gewezen op eisers verklaringen tijdens het 1F-gehoor op 10 april 2012, waarin eiser heeft verklaard op de hoogte te zijn geweest van dergelijke misdrijven, zoals hiervoor vermeld, begaan binnen de inlichtingendiensten. Verweerder acht de verklaring van eiser dat deze misdrijven echter niet voorkwamen onder zijn verantwoording niet geloofwaardig, omdat uit voormelde rapporten niet blijkt dat deze misdrijven niet voorkwamen in de regio’s waar eiser werkzaam en verantwoordelijk was. Verweerder heeft ten aanzien van de ‘personal participation’ onder meer verwezen naar de omstandigheid dat eiser lokaal en regionaal leidinggevende was binnen de ANR en de ACR. In deze rol heeft hij de misdrijven die binnen de diensten zijn begaan, direct gefaciliteerd.

10.6.2

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiser, dat verweerder niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de misdrijven, zoals in het algemeen aan de ANR/ACR toegeschreven, ook zijn gepleegd in de plaatsen waar eiser heeft gewerkt en leiding heeft gehad, slaagt. Met de overweging dat bij de inlichtingendiensten in het algemeen marteling voorkwam en dat er buitengerechtelijke gevangenissen en gevangenhoudingen waren, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat dit ook is gebeurd op de plekken waar eiser werkte en dat hij daar leiding aan heeft gegeven en ervoor verantwoordelijk kan worden gehouden. De enkele stelling van verweerder dat uit de rapporten niet blijkt dat de bedoelde misdrijven enkel in Kinshasa voorkwamen en dat verweerder er daarom vanuit gaat dat het een gangbare praktijk was in de gehele DRC, is onvoldoende om dit aannemelijk te achten. Eiser heeft er daarbij naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat de plaatsen waar hij gewerkt heeft, in de rapporten niet voorkomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in verband met eisers werkzaamheden voor de État-Major Opérationnel Intégré (EMOI)

10.7.1

Aan de orde is vervolgens of verweerder op grond van de genoemde bronnen eiser in verband met zijn werkzaamheden voor de EMOI artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft kunnen tegenwerpen.

Uit de door eiser gegeven antwoorden (A) op vragen van (Q) tijdens zijn verhoor als getuige bij het ICC in de zaak [D] op 18 april 2011 (p 72 en 73) blijkt het volgende:

4

Q. All right. Thank you very much. Can I come to this ‐‐ the first

5

of those two recent visits as you describe them that was before the

6

attack on Bogoro, perhaps January [2003] to say. What caused you to go to

7

Aveba, what was the reason?

8

A. Thank you, counsel. At the time I was an [functie] in

9

Beni and I was working within the general directorate for the Congolese

10

intelligence agency and I carried out a mission on behalf of EMOI at the

11

time. I went into an Antonov aircraft, an Across airline aircraft. I

12

took arms and ammunition from Beni to Aveba. That was end of January or

13

February. I went there and back once, there and back from Aveba to Beni,

14

or rather, from Beni to Aveba. And there were men from the APC and the

15

RCD‐K/ML forces as well as men ‐‐ or rather, as well as weapons and

16

ammunitions that were intended for Aveba and Olongba and many others that

17

were like forces that controlled those regions.

18

Q. Now, with you, youʹve just said there were men. Who were those

19

men, do you know their names and their functioning, ranks or anything

20

like that? Can you help us, what were they doing?

21

A. There were about ten people that I took with me from Beni. Among

22

those, only perhaps five were very important and I can quote a few names.

23

There was a certain [P]. Another one called ‐‐ referred to as

24

Lieutenant‐Colonel [Q]. There was also [naam 3], [naam 3] that we called

25

[R]. There was an operator, his name was [S] and he was

1

called [naam 4] [S]. And then there was another one, I think Iʹve

2

forgotten his name, but his first name was [T], [T]. These people ‐‐

3

well, their assignment was come and reorganisation the fighting forces in

4

Aveba, Kagaba, and the FRPI forces. Why was that? Well, at the time,

5

Komanda, which was a sort of crossroads that opened up towards Bunia, was

6

very much sought after by various forces, the MLC wanted to come and go

7

through Komanda to get to Beni. It was already in Mombassa and the UPC

8

also had its sights set on Komanda at the time. When the fighters took

9

control of Komanda, very soon afterwards ‐‐ well, they werenʹt in a

10

position to resist. The attackers would always come back and take

11

control again, and we had realised that one of the organisations was

12

behind, was at the basis of this, given some had to be taken over and * control

13

of an area had to be taken and maintained. Why was that? So as to offer resistance.

14

There was also a need, an important need, the need to reach Bunia. To reach Bunia,

15

you had to cut off Bunia from any source of supplies. And the centre for replenishing

16

supplies for Bunia was Bogoro.

17

These forces, these men had been sent out on this assignment

18

organising resistance at Komanda and also they were supposed to prepare

19

people, the combatants, to attack Bogoro. And they did, indeed, arrive

20

with equipment and others followed them. And I was on that journey with

21

them. We left them at Aveba and we, ourselves, went back to Beni. So

22

two assignments.

Voorts blijkt uit de door verweerder geciteerde verklaringen van eiser bij het ICC op 21 april 2011 dat eiser aanwezig was bij vergaderingen die gingen over de aanval op het dorp Bogoro, die op 24 februari 2003 plaatsvond. Eiser werd naar eigen zeggen voor deze vergaderingen uitgenodigd in verband met zijn werk als inlichtingenofficier maar ook als lid van de FRPI. Ook verklaart eiser dat hij wapens heeft geleverd per motorfiets van Beni naar Komanda.

Eiser heeft voorts in de asielprocedure in het nader gehoor op 20 februari 2012 verklaard dat hij verschillende opdrachten voor de EMOI heeft uitgevoerd. Hij was belast met het transport van wapens en manschappen, hetgeen hij deed in opdracht van de regering en de RCD-K/ML. Naast de RCD-K/ML waren ook andere groeperingen lid van de EMOI zoals het FNI en de Mai Mai, aldus eiser. In het aanvullend 1F-gehoor op 10 april 2012 heeft eiser verklaard dat hij het bevoorraden van wapens erkent (p.9). Hij verklaarde dat de wapens door militaire strijdkrachten werden vervoerd van het ene Congolese onderdeel van de strijdkrachten naar het andere. Hij nam dat waar en heeft deelgenomen aan die activiteiten. Verderop verklaarde eiser eveneens dat hij mensen vergezelde die wapens brachten naar het dorp Komanda. Dat was zijn rol per motorfiets; hij heeft ze vergezeld en geassisteerd per motorfiets (p.10). Eiser heeft verder in het nader gehoor, gehouden op 20 en 24 februari 2012 verklaard dat op 24 maart 2003 in Bogoro een aantal gewapende conflicten hebben plaatsgevonden tussen etnische groeperingen. Een aantal etnische groeperingen, die tegen de aanwezigheid van de UPC in dat gebied was, werd gesteund door de Congolese regering. Eiser zegt te doelen op gewapende groeperingen zoals het FNI.

Verweerder heeft verder gewezen op de al in overweging 10.4.4 aangehaalde passages uit het rapport ‘Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’van de VN en op overweging 543 van het vonnis inzake [E], vermeld in overweging 10.3.3.

Voorts verwijst verweerder naar het rapport van augustus 2010 van de UNHCR: ‘Democratic Republic of the Congo, 1993-2003, Report of the Mapping Exercise documenting the most serious violations of human rights and international humanitarian law committed within the territory of the Democratic Republic of the Congo between March 1993 and June 2003’, waarin ten aanzien van seksueel geweld tegen vrouwen onder meer het volgende is vermeld:

605. Numerous rapes were thus reportedly committed by the Lendu militia, which

subsequently became the FNI and the FRPI, and by the Hema of the UPC, over the course of successive battles to capture Bunia. Women and girls were abducted and taken to military quarters or private houses to be raped by elements of the UPC. At Songolo and at Nyakunde, women and girls were systematically raped and hundreds more forced into slavery by the assailants during violent attacks conducted by the UPC and the Ngiti and Lendu militias respectively in these areas. In May 2003, Lendu militia, supported by the APC (the RCD-ML’s army) apparently engaged in mutilation and sexual torture during their offensive against the UPC for control of Bunia. Cases of female mutilation are said to have been common during attacks carried out by both camps. [..]

606. [..] In March 2003, in the mining region of Kilo and Mongbawbu, members of the FNI allegedly raped and forced Hema women into slavery. They apparently cut off the breasts and genitalia of Hema and Nyali women who were too exhausted to carry their loads any further. Between May and December 2003, the Médecins sans frontières health post in Bunia treated 822 rape victims aged between 13 and 25.

10.7.2 Met betrekking tot de bewijswaarde van de in 10.7.1 genoemde rapporten van de VN en de UNHCR overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals reeds overwogen in overweging 10.4.4. heeft het ICC het Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’ van de VN geaccepteerd als bewijs. In het rapport van augustus 2010 van de UNHCR: ‘Democratic Republic of the Congo, 1993-2003, Report of the Mapping Exercise documenting the most serious violations of human rights and international humanitarian law committed within the territory of the Democratic Republic of the Congo between March 1993 and June 2003’ staat in paragraaf 7 ten aanzien van de gehanteerde bewijsmaatstaf het volgende vermeld:

The question was therefore not one of being satisfied beyond reasonable doubt that a violation was committed, but rather of reasonably suspecting that the incident did occur. Reasonable suspicion is defined as “necessitating a reliable body of material consistent with other verified circumstances tending to show that an incident or event did happen. Assessing the reliability of the information obtained was a two-stage process involving evaluation of the reliability and credibility of the source, and then validity and veracity of the information itself.

Volgens het rapport was het doel van het rapport niet zozeer om daders te identificeren, maar om op een inzichtelijke wijze de ernst van de gepleegde schendingen duidelijk te maken. Het rapport bevat een beschrijving van meer dan 600 gewelddadige incidenten die hebben plaatsgevonden in de DRC in de periode van maart 1993 tot juni 2003. Elk genoemd incident wordt ondersteund door ten minste twee onafhankelijke bronnen die zijn geïdentificeerd in het rapport. Meer dan 1500 documenten over de betrokken periode zijn geanalyseerd om per regio een eerste lijst vast te stellen van de belangrijkste schendingen. Vervolgens zijn meer dan 1280 getuigen gehoord om de schendingen in de lijst te ondersteunen of ontkrachten.

De rechtbank stelt vast dat de bevindingen uit dit rapport sporen met het ‘Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003’. Daarbij overweegt de rechtbank dat de informatie voor wat betreft de strijd bij Bogoro in februari 2003 wordt bevestigd door het uitspraak van het ICC van 18 december 2012 inzake [D]. Het ICC overweegt dienaangaande als volgt:

337. In light of the foregoing, the Chamber is able to find that the attack on Bogoro began at around 5 a.m. on 24 February 2003. The attackers, who included children, came from several different directions, via roads and tracks leading from localities mostly inhabited by Ngiti and Lendu. It can be stated on the basis of the various testimonies that there were Ngiti combatants from Walendu-Bindi collectivité and Lendu combatants from Bedu-Ezekere groupement in Bogoro on that day.

338. The Chamber further notes that there is a wealth of evidence to show that during and after the 24 February 2003 attack, inhabitants of Bogoro were killed, women were raped and some were kept in captivity by the attackers, property was pillaged and, lastly, buildings were attacked and destroyed.

Daarvan uitgaande en gezien de beschreven onderzoeksmethode en de omvang van het onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de passages uit dit rapport die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

10.7.3 De rechtbank concludeert dat verweerder met de in overweging 10.7.1. opgenomen verwijzingen in samenhang bezien, afdoende heeft gemotiveerd dat voor zover het de periode 2002-2003 betreft gewapende groeperingen in Ituri, waaronder milities van het FNI en FRPI en de RCD-K/ML, betrokken waren bij het voorbereiden en uitvoeren van aanvallen op burgers, daaronder begrepen het doden van burgers, seksueel misbruik van vrouwen, het houden van vrouwen en meisjes als slaaf, het rekruteren en inzetten van kindsoldaten en plundering. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze misdrijven als misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven worden gekwalificeerd. Voor deze misdrijven is niet relevant of deze hebben plaatsgevonden in het kader van een nationaal of een internationaal conflict, zodat de rechtbank verder aan deze beroepsgrond voorbijgaat.

De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiser dat geen sprake kan zijn van strijd met artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag omdat het conflict in Ituri zag op gebiedscontrole. Nog daargelaten de juistheid van dit betoog, is een gewapend conflict in welke zin dan ook onderworpen aan internationaal humanitair recht, waarbij de mensenrechten dienen te worden gerespecteerd. Gelet op de verweten gedragingen is daaraan niet voldaan.

10.7.4 Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de misdrijven als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang de beantwoording van de vragen of eiser wist of had behoren te weten dat de gewapende groeperingen zich schuldig maakten aan vorenbedoelde misdrijven (‘knowing participation’) en of eiser als mededader kan worden beschouwd (‘personal participation’).

Uit het door verweerder aangehaalde passages van het Special report on the events in Ituri, January 2002-December 2003 van de VN van 16 juli 2004 blijkt dat in 2002 op grote schaal aanvallen op burgers plaatsvonden, daaronder begrepen het doden van burgers, seksueel misbruik van vrouwen, het houden van vrouwen en meisjes als slaaf, het rekruteren en inzetten van kindsoldaten en plundering. Ook uit het algemeen ambstbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2003 blijkt dat in Ituri dergelijke menserechtenschendingen veelvuldig voorkwamen. Daarmee was destijds algemeen bekend dat deze misdrijven in gevechten tussen de milities plaatsvonden. Daaruit concludeert de rechtbank dat eiser in ieder geval had behoren te weten van deze misdrijven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de eigen verklaringen van eiser volgt dat hij door middel van de (hulp bij) wapenleveranties deze misdrijven in ieder geval heeft gefaciliteerd (‘personal participation’). Uit de verklaringen van eiser bij het ICC blijkt dat de wapens waarover hij spreekt naar de strijdkrachten van gewapende groeperingen werden gebracht, waaronder ook de RCD-K/ML, die de regio in handen hadden. De mannen, met wie eiser in het vliegtuig zat toen de wapens werden vervoerd, hadden de opdracht verzet te bieden in het dorp Komanda en daarover de controle te krijgen en ook moesten zij strijders voorbereiden voor de aanval op Bogoro. Deze mannen bleven achter in Aveba en eiser zelf ging terug naar Beni, aldus eiser. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande afdoende blijkt dat eiser heeft meegewerkt aan het bevoorraden van gewapende groeperingen in Ituri, terwijl hij wist of had behoren te weten dat die wapens zouden worden gebruikt bij aanvallen waarbij mensenrechtenschendingen plaatsvonden. Eiser was hiervan ook op de hoogte getuige zijn eigen verklaringen.

10.7.5 Gelet op al het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat vanwege eisers werkzaamheden voor de EMOI artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat. Gelet op artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 heeft verweerder terecht geoordeeld dat aan eiser daarom evenmin een verblijfsvergunning wordt verleend op één van de andere gronden als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000. De asielaanvraag is daarom terecht afgewezen.

Refoulementverboden

11.1.1 Eiser meent dat hem een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te wachten staat, gelet op zijn getuigenis bij het ICC, waarin hij heeft gesteld dat president [B] en zijn regering mede verantwoordelijk zijn voor misdrijven gepleegd in Ituri in de DRC. Eiser vreest daardoor voor vervolging en mishandeling in de DRC. De regering van [B] ontkent ten onrechte haar actieve deelname aan het gewapende conflict in het district Ituri in de DRC. Eiser heeft verschillende functies uitgeoefend bij de inlichtingendienst in de DRC en zijn verklaringen bij het ICC worden gezien als verraad. Daarop staat in de DRC de doodstraf. Door deze getuigenis staat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten. Anderen in vergelijkbare posities zijn al vermoord en ook eiser heeft in de gevangenis in de DRC al daden van vervolging ondervonden. Eiser voert daarnaast aan dat hij al extreem lange tijd vast zit in de DRC, al sinds 2005, en dat die extreem lange detentie in meerdere opzichten onmenselijk is en een schending van de meest elementaire rechten. Er is volgens eiser sprake van een flagrant denial of justice. Eiser is al die tijd zonder enige vorm van proces gedetineerd geweest; er is nooit een dagvaarding uitgevaardigd, eiser heeft geen strafdossier kunnen inzien en heeft nooit enig bewijs gezien voor de tegen hem geuite beschuldigingen. In alle opzichten is meer dan aannemelijk dat hij als politieke tegenstander van het regime van [B] gedetineerd is.

11.1.2 Eiser betwist dat de protective measures die de Victims and Witnesses Unit (VWU) van het ICC heeft aangekondigd indien eiser weer wordt overgebracht naar de DRC, voldoende bescherming zullen bieden tegen voornoemd risico. Bovendien zijn deze niet door eiser of het ICC afdwingbaar. De verwijzing van verweerder naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Dublinlanden gaat niet op, nu EU-landen niet een mensenrechtenreputatie hebben als Kabila en de zijnen en de garanties in dat geval bovendien bij het EHRM afdwingbaar zijn. Eiser verwijst naar een aantal uitspraken van het EHRM, onder meer inzake Labsi (van 15 mei 2012, no. 33809/08), inzake Saadi (van 28 februari 2008, no. 37201/06, ECLI:NL:XX:BC8132) en inzake M.S.S. (van 21 januari 2011, no. 30696/09, ECLI:NL:XX:BP4356). Het interstatelijk vertrouwensbeginsel vindt zijn oorsprong in het uitleveringsrecht, terwijl met de DRC geen uitleveringsverdrag noch een rechtshulpverdrag is gesloten. Dat de DRC zich aan de protective measures zal houden geeft blijk van weinig inzicht; [B] heeft immers ook het arrestatiebevel tegen [U]genegeerd. Er is geen reden te veronderstellen dat de DRC te goeder trouw en voor onbeperkte tijd gaat samenwerken met het ICC. Ook kan niet worden uitgesloten dat de protective measures eindigen terwijl eiser in de DRC nog steeds gedetineerd is. De maatregelen gelden immers “until the end of their respective trials”. Tot slot is verweerder niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de protective measures, zodat verweerder zijn vergewisplicht in dit kader heeft geschonden. Ter zitting heeft eiser aanvullend aangevoerd dat de VWU inmiddels ten aanzien van de heer [D], die door het ICC is berecht en vrijgesproken, en daar ook als getuige heeft opgetreden in de zaak tegen [C], in maart 2013 tot het oordeel is gekomen dat het voor hem niet veilig is om terug te keren naar de DRC. Het inzicht van de VWU is dus nu kennelijk dat de DRC geen veilige plek meer is voor getuigen die belastend over [B] hebben verklaard.

11.2

De rechtbank overweegt dat partijen desgevraagd ter zitting hebben verklaard dat het uitgangspunt voor de beoordeling van de refoulementverboden is dat eiser bij terugkeer naar de DRC aldaar weer in detentie zal zitten. Partijen hebben te kennen gegeven dat niet behoeft te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn indien eiser in vrijheid wordt gesteld. Verder stelt de rechtbank vast dat de ‘protective measures’ zien op de situatie dat eiser mogelijk een gevaar loopt vanwege de getuigenis die hij bij het ICC heeft afgelegd en maatregelen betreffen inzake de detentie. Het betreft maatregelen ten aanzien van de vorm van detentie, de behandeling van eiser en controlemechanismen.

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat, nu eiser bij zijn terugkeer in detentie in de DRC meent te vrezen te hebben vanwege zijn getuigenis bij het ICC en de ‘protective measures’ daarop zien, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij bij terugkeer naar het detentiecentrum in de DRC vanwege zijn getuigenis een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het betoog van eiser dat de ‘protective measures’ niet door eiser of het ICC afdwingbaar zijn en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de DRC niet opgaat, slaagt niet. De rechtbank verwijst in dit verband wederom naar de overwegingen van het EHRM in de Longa zaak, waarin het Hof onder verwijzing naar eerdere rechtspraak herhaalt dat wanneer een Verdragssluitende Staat uitvoering geeft aan zijn verplichtingen als lid van een internationale organisatie, en deze organisatie een aan het EVRM equivalente mensenrechtenbescherming biedt, de presumptie bestaat dat deze Staat geen inbreuk maakt op het EVRM. Het EHRM volgde niet het standpunt van Longa dat diens fundamentele rechten met betrekking tot zijn detentie niet gewaarborgd waren en verwees daarbij naar de door het ICC getroffen ‘protective measures’ ter bescherming van de fundamentele rechten van een getuige. Het EHRM acht de ‘protective measures’ van het ICC in beginsel dus een voldoende, aan het EVRM equivalente, bescherming. Dat de uitspraak van het EHRM zag op een klacht inzake artikel 5 van het EVRM, betekent niet dat voormelde rechtspraak in het onderhavige geval niet opgaat. De rechtbank acht in dat kader van belang dat het EHRM in de Longa zaak zelf heeft verwezen naar een arrest met een ander toetsingskader dan aan de orde in de Longa zaak.

Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts onvoldoende weerlegd dat sprake is van tekortschieten van de mensenrechtenbescherming door middel van de ‘protective measures’. De informatie over generaal [V], die zou zijn geëxecuteerd, en kolonel [W], die zou zijn gearresteerd en mishandeld, en de later door eiser ingebrachte brief van 24 mei 2013 van zijn Congolese advocaat[X], die thans bedreigd zou worden, kunnen daar niet toe dienen, reeds omdat deze personen niet bescherming van ‘protective measures’ genoten of genieten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse staat, in dit geval verweerder, niet gehouden was de ‘protective measures’ zelf te beoordelen of een rigorous scrutiny-toets toe te passen ten aanzien van de gestelde vrees in verband met eisers bij het ICC afgelegde getuigenissen.

11.3

De rechtbank is verder van oordeel dat de gronden van eiser over de door hem genoemde eerdere aanval in de Makala-gevangenis en de algehele slechte detentieomstandigheden aldaar, gelet op de ‘protective measures’ van het ICC evenmin kunnen slagen.

11.4

Met betrekking tot eisers beroep op artikel 6 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op vaste jurisprudentie van het EHRM kan schending van artikel 6 van het EVRM, indien sprake is van een ‘flagrant denial of justice’, een uitzetbelemmering opleveren. De rechtbank verwijst onder meer naar het arrest van het EHRM van 17 januari 2012 inzake Othman (Abu Qatada) tegen het Verenigd Koninkrijk (no. 8139/09), waarin in r.o. 258 het volgende wordt overwogen:

“It is established in the Court’s case-law that an issue might exceptionally be raised under Article 6 by an expulsion or extradition decision in circumstances where the fugitive had suffered or risked suffering a flagrant denial of justice in the requesting country. That principle was first set out in Soering v. the United Kingdom, 7 July 1989, § 113, Series A no. 161 and has been subsequently confirmed by the Court in a number of cases (see, inter alia, Mamatkulov and Askarov, cited above, §§ 90 and 91; Al-Saadoon and Mufdhi v. the United Kingdom, no. 61498/08, § 149, ECHR 2010 ...).”

In het arrest van 20 februari 2007 inzake Al-Moayad (no. 35865/03) overweegt het EHRM voorts:

“A flagrant denial of a fair trial, and thereby a denial of justice, undoubtedly occurs where a person is detained because of suspicions that he has been planning or has committed a criminal offence without having any access to an independent and impartial tribunal to have the legality of his or her detention reviewed and, if the suspicions do not prove to be well-founded, to obtain release.”

Uit het individuele ambtsbericht van 9 november 2012 blijkt dat er in de DRC een vooronderzoek was ingesteld tegen eiser, die daarom in voorlopige hechtenis zat, maar dat de laatste verlenging van de voorlopige hechtenis in juni 2007 is verstreken, zodat sinds dat moment sprake zou zijn van onrechtmatige detentie. In het ambtsbericht staat voorts dat eiser niet officieel is aangeklaagd door de Congolese regering. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat van deze informatie in het ambtsbericht niet kan worden uitgegaan, gelet op (de hoedanigheid van) de bron die deze informatie heeft verstrekt. De opmerkingen die verweerder over het individuele ambtsbericht heeft gemaakt, zoals vermeld in overweging 6.2, zijn daartoe onvoldoende. De rechtbank is voorts van oordeel dat, nu eiser al sinds juni 2007 onrechtmatig in detentie zit en hij ook nog altijd niet is aangeklaagd, er sprake is van een flagrant denial of justice als bedoeld in voormelde rechtspraak van het EHRM en daardoor van een uitzetbelemmering. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 6 van het EVRM, zodat het beroep in zoverre slaagt.

11.5

De rechtbank is voorts van oordeel dat de motivering van verweerder dat eiser bij terugkeer niet hoeft te vrezen voor (uitvoering van) de doodstraf niet deugdelijk is en dat verweerder nader onderzoek op dit punt had moeten verrichten. Verweerder stelt zich op dat standpunt, omdat er in de DRC een feitelijk moratorium is op de uitvoering van de doodstraf en doodstrafvonnissen sinds 2002 niet meer ten uitvoer zijn gelegd. Verder verwijst verweerder naar de bevestiging van de Congolese minister van Justitie en Mensenrechten aan het ICC dat er al tien jaar een moratorium van kracht is en dat ook in het geval van eiser een doodstrafvonnis - indien dat zou worden opgelegd - niet ten uitvoer zal worden gelegd. Volgens verweerder staat de doodstraf ter discussie en is er sprake van de wil om tot volledige afschaffing van de doodstraf te komen.

De rechtbank is echter van oordeel dat dit standpunt van verweerder, gelet op hetgeen in 11.4 is overwogen over (het gebrek aan) een fair trial, geen stand kan houden. De aanvulling van verweerder in het verweerschrift dat de Congolese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om in samenwerking met het ICC een standaardprocedure op te stellen met specifieke bepalingen over aanvullende waarborgen kan dit gebrek niet helen, nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat dit diplomatieke overleg nog altijd gaande is, zonder voorlopige uitkomst. In zoverre is het bestreden besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het onvoldoende gemotiveerd en ten aanzien van het beroep met zaaknummer AWB 12/34466 (beroep niet tijdig beslissen)

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer AWB 12/34466 (beroep niet tijdig beslissen)

12.1

Gelet op overweging 4.3 is het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk.

12.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten heeft de rechtbank in overweging 4.4 vastgesteld op € 236,--.

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer AWB 12/37371 (beroep asiel)

13.1

De conclusie is dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb en 6 van het EVRM. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Zoals hiervoor al aangegeven is, gelet op de gebreken die aan het bestreden besluit kleven, voor het in stand laten van de rechtsgevolgen geen plaats. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding een tussenbeslissing te nemen, nu voor een nieuw te nemen besluit nader onderzoek is vereist. Bovendien is te verwachten dat vanwege het principiële karakter van de zaak, partijen hoger beroep zullen willen instellen. Een tussenbeslissing staat daaraan in de weg. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken, gelet op het feit dat nader onderzoek nodig is.

13.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1888,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 2).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/34466,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 236,--, te betalen aan eiser.

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/37371,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1888,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mrs. A.J. van Putten en R.A. Sipkens, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2013.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:

Coll.:

D: A

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.