Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19337

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
19-05-2014
Zaaknummer
C-09-438942 - HA ZA 13-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijkheid: vordering van energiemaatschappijen strekkende tot een verklaring voor recht dat artikel XII A en artikel 36 Wbm voor zover deze artikelen leiden tot belastingheffing op de invoer en uitslag van kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit, dan wel de tot 1 januari 2013 bestaande vrijstelling van belasting op dergelijk gebruik van kolen intrekken, in strijd zijn met de artikelen 63, 65, eerste lid, 107, eerste lid, en 110 van het VWEU) en met artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn 2003/96/EG (de Energiebelastingrichtlijn) en om die reden onverbindend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 18 december 2013

bij vervroeging

in de zaak met nummer C/09/438942 / HA ZA 13-269 (hierna: zaak I) van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT ENERGIE PRODUCTIE B.V.,

eiseres,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RWE EEMSHAVEN HOLDING B.V.,

eiseres,

beide gevestigd te Den Bosch,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag,

en in de gevoegde zaak met nummer C/09/443610 / HA ZA 13-610 (hierna: zaak II) van

de naamloze vennootschap

E.ON BENELUX N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. W.H. van Baren te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Partijen zullen hierna Essent, RWE, E.on en de Staat worden genoemd. Essent, RWE en E.on zullen gezamenlijk worden aangeduid als eiseressen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure in zaak I blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 maart 2013 met twee producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2013 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 november 2013.

1.2. Het verloop van de procedure in zaak II blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 mei 2013;

  • -

    het herstelexploit van 21 mei 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2013 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 november 2013.

1.3. Ten slotte is in beide zaken een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten in beide zaken

2.1.

Essent en RWE zijn onderdeel van de RWE/Essent-groep, een energiebedrijf dat onder meer elektriciteit produceert ten behoeve van de Nederlandse en Belgische markt. Essent beschikt over een aantal op Nederlands grondgebied gelegen energieproductielocaties, waarvan de op steenkool, biomassa en houtgas gestookte Amercentrale de grootste is. RWE heeft ongeveer drie miljard euro geïnvesteerd in een, vrijwel voltooide, in de Eemshaven gelegen kolencentrale.

2.2.

Ook E.on produceert onder meer elektriciteit ten behoeve van de Nederlandse en Belgische markt. E.on exploiteert vijf gasgestookte en twee kolengestookte centrales. Eén van die kolencentrales staat op Nederlands grondgebied. E.on laat momenteel voorts een kolencentrale bouwen op de Maasvlakte.

2.3.

Met ingang van 19 juli 2012 is de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 in werking getreden. In artikel XII A van deze wet (hierna: artikel XII A) is met ingang van 1 januari 2013 afgeschaft de in artikel 44, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) opgenomen vrijstelling van kolenbelasting voor kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit (hierna: de vrijstelling). Vanaf 1 januari 2013 zijn elektriciteitsproducenten op grond van artikel 36 Wbm gehouden kolenbelasting te betalen ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die zij als brandstof inzetten voor de productie van elektriciteit (hierna: de kolenbelasting). Essent en E.on hebben gezien de in laatstgenoemd artikel opgenomen verplichting reeds kolenbelasting voldaan op aangifte en hebben ter zake bezwaar gemaakt bij de inspecteur.

3 Het geschil in beide zaken

3.1.

Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, met veroordeling van de Staat in de proceskosten, voor recht zal verklaren dat artikel XII A en artikel 36 Wbm voor zover deze artikelen leiden tot belastingheffing op de invoer en uitslag van kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit, dan wel de tot 1 januari 2013 bestaande vrijstelling van belasting op dergelijk gebruik van kolen intrekken, in strijd zijn met de artikelen 63, 65, eerste lid, 107, eerste lid, en 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn 2003/96/EG (hierna: de Energiebelastingrichtlijn) en om die reden onverbindend zijn.

Essent en RWE vorderen subsidiair een verklaring voor recht waarin is opgenomen dat artikel XII A en artikel 36 Wbm onverbindend zijn omdat deze artikelen inbreuk maken op de in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP) geboden bescherming van het eigendomsrecht.

3.2.

Eiseressen leggen aan hun vorderingen samengevat het navolgende ten grondslag.

3.2.1.

Zij stellen dat de afschaffing van de vrijstelling in strijd is met artikel 14 van de Energiebelastingrichtlijn. Dit artikel verplicht de lidstaten immers energie-producten die worden gebruikt voor de productie van electriciteit vrij te stellen van belastingheffing, tenzij milieubeleidsoverwegingen belastingheffing recht-vaardigen. Nu niet milieubeleidsoverwegingen, maar (slechts) begrotings-overwegingen aan de afschaffing van de vrijstelling ten grondslag liggen en met deze afschaffing bovendien geen milieusparende resultaten zullen kunnen worden behaald, dient artikel XII A – die de afschaffing van de vrijstelling regelt – onverbindend te worden verklaard.

3.2.2.

Voorts is de afschaffing van de vrijstelling volgens eiseressen in strijd met het in artikel 110 WVEU opgenomen verbod op fiscale discriminatie; door de afschaffing wordt immers het door energieproducenten uit andere lidstaten te importeren kolen belast, terwijl het door deze producenten te betrekken aardgas - dat doorgaans van Nederlandse bodem is - van belastingheffing is vrijgesteld. Hierdoor is sprake van discriminatie van importen uit andere lidstaten en bescherming van concurrerende nationale producties.

3.2.3.

Eiseressen betogen verder dat de afschaffing van de vrijstelling in strijd is met het bepaalde in de artikelen 63 en 65 WVEU en daarmee een ontoelaatbare beperking opleveren van het vrij verkeer van kapitaal. Deze afschaffing zal investeerders uit andere lidstaten doen beslissen niet te investeren in Nederlandse kolencentrales, met name omdat het ten gevolge van de koppeling van de Nederlandse energiemarkt met de energiemarkten in andere lidstaten vrijwel onmogelijk is de aan kolenbelasting af te dragen bedragen terug te verdienen. De door de Staat aangevoerde milieubeleidsoverwegingen kunnen ook in dit verband geen rechtvaardiging vormen.

3.2.4.

Eiseressen stellen voorts dat de afschaffing van de vrijstelling dient te worden gekwalificeerd als staatssteun als bedoeld in artikel 107 VWEU, welke wordt verleend aan concurrenten van energieproducenten die overwegend gebruik maken van kolencentrales. Deze staatssteun is in strijd met het in artikel 108, derde lid, VWEU bepaalde niet bij de Commissie aangemeld. Door de afschaffing van de vrijstelling wordt de interstatelijke handel evident negatief beïnvloed; het wordt immers veel minder aantrekkelijk voor Nederlandse energieproducenten om kolen te importeren.

3.2.5.

Essent en RWE stellen voorts nog dat geen redelijke verhouding (fair balance) bestaat tussen het met het schrappen van de vrijstelling beoogde algemeen belang enerzijds en de individuele belangen van Essent en RWE anderzijds. Daarbij weegt mee dat de vrijstelling geen objectief onderbouwde milieudoelstelling dient. Essent en RWE stellen een individuele en buitensporige last te dragen in verhouding tot in Nederland actieve energieproducenten die geen of minder gebruik maken van kolen. Ten slotte stellen Essent en RWE dat zij aan het begin van deze eeuw geheel in lijn met toenmalig kabinetsbeleid 2,6 miljard euro hebben geïnvesteerd in een efficiënte kolencentrale in de Eemshaven. Zij konden redelijkerwijs niet voorzien dat bedoeld kabinetsbeleid vervolgens zou worden doorkruist door de afschaffing van de vrijstelling.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling in beide zaken

4.1.

Eiseressen betogen dat de Staat onrechtmatig jegens hen handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven. Anders dan de Staat, is de rechtbank van oordeel dat RWE, ondanks dat zij thans (nog) geen kolencentrale exploiteert en thans nog niet aangifteplichtig is voor de kolenbelasting, procesbelang heeft als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vast staat immers dat RWE ongeveer drie miljard euro heeft geïnvesteerd in een, in de Eemshaven gelegen kolencentrale, welke centrale vrijwel voltooid is en ten behoeve waarvan thans kolen worden ingekocht. Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank op een voldoende concreet voornemen tot exploitatie van genoemde centrale en daarmee tot een voldoende concreet belang bij de uitkomst van het geding. Daarbij weegt mee dat de rechtbank terughoudendheid past bij het afwijzen van vorderingen op grond van het ontbreken van voldoende belang.

4.2.

De Staat voert als preliminair verweer dat eiseressen niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen, aangezien de belastingrechter bij uitsluiting bevoegd is.

4.3.

Kern van het geschil daarover betreft de vraag of ten laste van eiseressen kolenbelasting mag worden geheven en meer in het bijzonder of de afschaffing van de vrijstelling van die belasting strijdig is met de door eiseressen aangevoerde (Europeesrechtelijke) verdragsbepalingen.

4.4.

De rechtbank is met de Staat van oordeel dat op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht de bestuursrechter in dit geval bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over de rechtmatigheid van op aangifte voldane kolenbelasting.

4.4.1.

Uit het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 6:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat tegen de voldoening op aangifte van kolenbelasting bezwaar kan worden gemaakt. Vast staat dat Essent en E.on reeds bezwaar hebben gemaakt tegen de voldoening op aangifte en in die procedure(s) eveneens hebben aangevoerd dat de desbetreffende kolenbelasting in strijd is met de ook in het onderhavige geschil aangevoerde (Europeesrechtelijke) verdragsbepalingen. Op grond van artikel 26, eerste lid, AWR jo. artikel 8:1 Awb staat vervolgens beroep open bij de rechtbank, meer in het bijzonder bij de belastingrechter. Anders dan eiseressen lijken te betogen, is deze rechter zonder meer bevoegd en bovendien verplicht de stelling van eiseressen te beoordelen dat de wettelijke verplichting tot afdracht van kolenbelasting strijdig is met de zojuist genoemde verdragsbepalingen. Op grond van artikel 27h AWR staat voorts nog hoger beroep open tegen het vonnis van de rechtbank en op grond van artikel 28 AWR staat cassatieberoep open tegen het arrest van het gerechtshof. Ten slotte bepaalt artikel 8:81, eerste lid, Awb dat de (bestuursrechtelijke) voorzieningenrechter, zodra bezwaar is gemaakt, een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.

Een en ander brengt mee dat door de wetgever een speciale rechtsgang is aangewezen die met voldoende waarborgen is omkleed.

4.4.2.

Daar komt bij dat een behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter het onwenselijk maakt dat tegelijkertijd voor beide rechters procedures over de verbindendheid van formele wetten worden gevoerd, met het risico van verschillende uitkomsten. Ook de gedachte dat dit geschil beter op zijn plaats is bij de gespecialiseerde (belasting)rechter weegt mee, waarbij de rechtbank erop wijst dat in dit geschil niet slechts Nederlandse fiscale wetgeving aan de orde is, maar ook het door eiseressen ingeroepen verbod op fiscale discriminatie zoals opgenomen in artikel 110 VWEU en artikel 14 van de Energiebelastingrichtlijn.

4.4.3.

De rechtbank overweegt voorts dat het door eiseressen aangevoerde niet kan leiden tot het oordeel dat van eiseressen redelijkerwijs niet gevergd kan worden de gespecialiseerde rechtsgang te volgen. Van deze onder 4.4.1. beschreven rechtsgang kan immers niet worden gezegd dat deze voor eiseressen hoogst omslachtig of onnodig belastend is. Afgezien van de bezwaarprocedure - waarvan vast staat dat E.on en Essent zich daarin reeds bevinden en dat deze op hun verzoek is stilgelegd - verschilt deze rechtsgang wat betreft de belastendheid voor E.on en Essent niet of nauwelijks van de rechtsgang voor de civiele rechter.

4.4.4.

De omstandigheid dat de verbindendheid van formele wetten niet op voorhand, meer in algemene zin door de belastingrechter kan worden getoetst, maar eerst nadat werkelijk concrete afdrachten kolenbelasting aan hem ter beoordeling zijn voorgelegd en dat deze rechter ter zake evenmin een verklaring voor recht kan geven, kan, anders dan eiseressen bepleiten, niet tot ontvankelijkheid in dit geding leiden. Die omstandigheid vloeit immers voort uit het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht. Deze door de wetgever gewilde beperking levert niet een rechtstekort op waarin door de burgerlijke rechter zou moeten worden voorzien (Hoge Raad 21 april 2006, ECLI:NL: HR:2006:AU4548). Voorts weegt mee dat de rechtbank geen doorslaggevend belang hecht aan de stelling van eiseressen inhoudende dat, indien de belastingrechter hun voldoening op aangifte van kolenbelasting in strijd zal oordelen met hoger recht, de kolenbelasting niet buiten de sfeer van het bestreden besluit van tafel zal zijn. Hoewel wellicht strikt juridisch gezien juist, gaat deze stelling eraan voorbij dat zeer onwaarschijnlijk is dat, indien in de fiscale rechtsgang onherroepelijk zou worden geoordeeld dat de kolenbelasting in strijd is met (een) verdragsrechtelijke norm(en), dit oordeel in verband met andere aangiften (van eiseressen) niet zal worden gevolgd. Niet kan dan ook worden gezegd dat de fiscale rechtsgang weinig effectief is.

4.4.5.

Het innemen van een (niet voor bezwaar en beroep vatbaar) standpunt door een bestuursorgaan zoals de Belastingdienst is onder bepaalde omstandigheden onrechtmatig, echter daarvan is slechts sprake wanneer een voorgenomen besluit of standpunt van de inpecteur onmiskenbaar onjuist of zonder grond is (Hoge Raad 21 april 2006, LJN: AU4548 en Hoge Raad 27 oktober 2000, LJN: AA7916).

Dit brengt mee dat de burgerlijke rechter zich in die gevallen een oordeel dient te vormen over het materiële fiscale geschil tussen partijen. Daarbij dient terughoudendheid als uitgangspunt te worden genomen (marginale toetsing). De rechtbank overweegt dat deze situatie zich in het geval van E.on en Essent niet voordoet, nu zij reeds bezwaar hebben gemaakt (en ook heeft kunnen maken) tegen de voldoening op aangifte van de kolenbelasting en het (voorgenomen) standpunt van de inspecteur hun handelen niet meer kan beïnvloeden. Voor wat betreft RWE ligt dit anders, omdat zij (nog) niet aangifteplichtig is en - dus ook - geen bezwaar heeft ingesteld, en voor wie het standpunt van de inspecteur (mogelijk) wel van belang kan zijn. De rechtbank is op dat punt echter van oordeel dat, gezien de inhoud van het vrij uitvoerige (materiële fiscale) debat tussen partijen dat (het standpunt van de inspecteur over) de rechtsgeldigheid van de grondslag van de belastingheffing niet onmiskenbaar onjuist of zonder grond is.

4.4.6.

Eiseressen betogen dat het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006 toepassing mist in het onderhavige geval waarin de verbindendheid van formele wetgeving ter discussie staat, aangezien genoemd arrest ziet op een zaak waarin slechts de uitleg van een fiscaal compromis aan de orde was. De rechtbank volgt eiseressen niet in dit betoog. Nog ervan afgezien dat ook in de zaak die leidde tot bedoeld arrest verdragsrechtelijke aspecten aan de orde waren (getuige het beroep op artikel 1 EP: cassatiemiddelen 1.1. onder a.), acht de rechtbank de door eiseressen bepleite beperkte strekking van bedoeld arrest niet aanwezig. De rechtbank leidt uit genoemd arrest veeleer af dat geschillen over de vraag of een belastingheffing een rechtsgeldige grondslag kent, (in beginsel) aan de belastingrechter dienen te worden voorgelegd, zelfs als in het kader van een dergelijk geschil bij uitstek civielrechtelijke vragen (van contractsuitleg) dienen te worden beantwoord.

4.5.

Nu de door eiseressen gestelde onrechtmatigheid voorts niet ziet op feitelijk of voorbereidend handelen van de overheid dat ook los van de daarop volgende beschikking of aanslag onrechtmatig is (Hoge Raad 2 februari 1990 (Staat/Bolsius) ECLI:NL:HR:1990:AB7898), dient het voorgaande te leiden tot het oordeel dat eiseressen niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen.

4.6.

Voor zover eiseressen, door ter comparitie te benadrukken dat hun vorderingen Europeesrechtelijke grondslagen kennen en dat deze grondslagen bij uitstek door de civiele rechter dienen te worden beoordeeld, (mede) hebben willen betogen dat het Europeesrechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming noopt tot het achterwege laten van niet-ontvankelijkverklaring teneinde een afzonderlijke beroepsmogelijkheid open te stellen, dan faalt ook dit betoog. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de zaak met nummer C-432/05 (Unibet) immers geoordeeld dat “het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming als zodanig niet vereist dat er een zelfstandig beroep bestaat dat ten principale ertoe strekt, de verenigbaarheid van nationale bepalingen met regels van gemeenschapsrecht aan te vechten, voor zover binnen het stelsel van nationale rechtsmiddelen de eerbiediging van het gelijkwaardigheids en het doeltreffendheidsbeginsel wordt gewaarborgd” en dat dit slechts uitzondering leidt indien “uit de opzet van de betrokken nationale rechtsorde zou blijken dat er geen rechtsmiddel beschikbaar is waarmee, ook al is het incidenteel, de eerbiediging kan worden verzekerd van de rechten die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen”.

4.7.

Nu vast staat dat een (incidentele) beroepsmogelijkheid voor eiseressen openstaat en, mede gezien hetgeen hierboven is overwogen niet kan worden gezegd dat, door van eiseressen te vergen deze mogelijkheid te benutten, inbreuk wordt gemaakt op de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, acht de rechtbank geen Europeesrechtelijke termen aanwezig om een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten.

4.8.

De overige geschilpunten kunnen gezien de niet-ontvankelijkverklaring onbesproken blijven.

4.9.

De rechtbank zal eiseressen, als de in het ongelijk te stellen partijen, veroordelen in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat tot op heden gevallen, te vermeerderen met de gevorderde en niet bestreden rente. De rechtbank begroot deze kosten in iedere zaak afzonderlijk op € 7.011 (€ 6.422 aan salaris gemachtigde - twee punten tegen tarief VIII omdat er duidelijke aanwijzingen bestaan dat het geldelijk belang van de zaken meer dan één miljoen euro bedraagt - en € 589 aan griffierecht). Eiseressen zullen worden veroordeeld in de, eveneens gevorderde en evenmin bestreden, nakosten van dit geding.

5 De beslissing in beide zaken

De rechtbank

5.1.

verklaart eiseressen niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

5.2.

veroordeelt Essent en RWE hoofdelijk in de kosten van het geding met zaak- en rolnummer C/09/438942 / HA ZA 13-269 aan de zijde van de Staat tot op heden gevallen, begroot op € 7.011, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nakosten van € 131 zonder of € 199 met betekening van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt E.on in de kosten van het geding met zaak- en rolnummer C/09/443610 / HA ZA 13-610 aan de zijde van de Staat tot op heden gevallen, begroot op € 7.011, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nakosten van € 131 zonder of € 199 met betekening van dit vonnis;

5.4.

verklaart de onder 5.2. en 5.3. opgenomen proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin, mr. D.R. Glass en mr. M.J. van Cleef-Metsaars en is in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 18 december 2013.