Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19331

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_5239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag accijns. Wetenschapsvereiste. Beroep gegrond.

Verweerder is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat eiser wist dat tabak zich in het pand bevond. waarvan hij hoofdbewoner is. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat eiser niet de enige bewoner van het pand was en dat hij ten tijde van de doorzoeking in het buitenland verbleef. Verweerder heeft daarmee evenmin aannemelijk gemaakt dat eiser moet worden aangemerkt als een persoon die bij het voorhanden hebben van de tabak betrokken is als bedoeld in artikel 51, eerste lid, letter b, van de Wet op de accijns.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 2, geldigheid: 2013-12-11
Wet op de accijns 51, geldigheid: 2013-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/5239

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de Belastingdienst/Douane [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag accijns en omzetbelasting (aanslagnummer eindigend op [nummer]) opgelegd ten bedrage van € 11.162, alsmede een bestuurlijke boete van € 1.116,30. Daarnaast is bij beschikking een bedrag van € 46 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2013 de naheffingsaanslag verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2013 te Den Haag.

Eiser is daar in persoon verschenen vergezeld van zijn zoon en bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser is hoofdbewoner van het pand [adres] te [Z] (hierna: het pand). In het pand is onder meer ook de zoon van eiser woonachtig.

2.

Het pand is geen accijnsgoederenplaats in de zin van de Wet op de accijns (hierna: de Wet).

3.

Op 13 juni 2012 heeft onder leiding van de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam een doorzoeking plaatsgevonden van het pand. De doorzoeking heeft plaatsgevonden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de zoon van eiser. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming (het PV) behoort tot de stukken. Bij de doorzoeking zijn - voor zover hier van belang - 259 sloffen tabak (totaal 129,5 kg) van het merk The Turner Blue (hierna: de tabak) die niet waren voorzien van de hier te lande vereiste accijnszegels aangetroffen en in beslag genomen. Blijkens de aan het PV gehechte Beslaglijst is de tabak aangetroffen op de overloop van de 2e verdieping (19 sloffen) en op de zolder van de 2e verdieping (240 sloffen).

4.

Eiser verbleef van 5 juni 2012 tot 22 juni 2012 in Spanje.

5.

Blijkens een tot de stukken van het geding behorend “proces-verbaal verstrekking onderzoeksgegevens” is het onderzoek naar de herkomst en bestemming van de tabak overgenomen door de FIOD.

6.

Verweerder heeft eiser aangemerkt als degene die de tabak voorhanden had in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en letter b van de Wet op de accijns (de Wet) en aan hem onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

Geschil
7. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht aan eiser zijn opgelegd.

8.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de tabak niet voorhanden heeft gehad, omdat hij ten tijde van de doorzoeking van de woning in het buitenland verbleef en ook overigens niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de tabak. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de aanpassing van de Wet aan de Richtlijn 2008/118/EG, op het standpunt dat het wetenschapsvereiste zoals dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 mei 2004 (nr. 38 370, ECLI:NL:HR:2004:AO9493), niet langer van toepassing is. Dat de tabak is aangetroffen in de woning van eiser is voldoende voor de vaststelling dat eiser de tabak voorhanden had. Voor de standpunten van partijen wordt verder verwezen naar de stukken.

9.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de naheffingsaanslag.

10.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

11.

Tot de stukken behoort niet een afschrift van de naheffingsaanslag. Ter zitting hebben partijen verklaard dat tussen hen niet in geschil is dat de naheffingsaanslag is opgelegd en dat eiser daartegen verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank ziet geen aanleiding partijen daarin niet te volgen.

12.

Het standpunt van verweerder over het zogenoemde wetenschapsvereiste is ook ingenomen in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2013, zaaknummer AWB 12/7027 (ECLI:NL:RBZWB:2013:6507), welke uitspraak aan deze uitspraak is gehecht.

De rechtbank maakt de daarin opgenomen rechtsoverwegingen 4.1.1 tot en met 4.3 tot de hare en deze dienen te worden beschouwd als hier te zijn ingelast.

13.

Gelet op het voorgaande staat de rechtbank voor de vraag of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser wist dat de tabak zich in het pand bevond. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat eiser de hoofdbewoner is van het pand en dat de tabak in zijn slaapkamer is aangetroffen. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen verklaren waar hij de wetenschap vandaan haalt dat de tabak, anders dan in de beslaglijst bij het PV is vermeld, in de slaapkamer van eiser is aangetroffen, zodat kennelijk alleen het feit dat eiser de hoofdbewoner is van het pand aanleiding is geweest eiser aan te merken als degene die de tabak voorhanden had. Daarmee acht de rechtbank verweerder er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat eiser wist dat de tabak zich in het pand bevond. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat eiser niet de enige bewoner van het pand was en dat hij ten tijde van de doorzoeking in het buitenland verbleef. Voorts heeft verweerder daarmee evenmin aannemelijk gemaakt dat eiser moet worden aangemerkt als een persoon die bij het voorhanden hebben van de tabak betrokken is als bedoeld in artikel 51, eerste lid, letter b van de Wet. Ook daarvoor is, zoals is uiteengezet in rechtsoverweging 4.3 van de onder 12 vermelde uitspraak, wetenschap essentieel.

14.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroeps-matig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944 te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. K.M. Braun en mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van F.J. Crabbendam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep