Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19292

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
AWB 13-2852
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen status ‘langdurig ingezetene’ omdat niet wordt voldaan aan middeleneis

Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingewilligd, maar zonder de aantekening ‘langdurig ingezetene’, omdat eiseres niet voldoet aan de middeleneis. In geschil is uitsluitend de vraag of verweerder de middelen van haar echtgenoot, die een startend zelfstandig ondernemer is, ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken, omdat de duurzaamheidseis die verweerder aan deze middelen stelt in strijd is met de EU Richtlijn langdurig ingezetenen. De rechtbank is, onder meer onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG7504), van oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/2852

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1973, van Indonesische nationaliteit, eiseres

(gemachtigde mr. A. Duisterwinkel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M.O. Kanhai).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 16 augustus 2012 tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 21 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, met de aantekening “langdurig ingezetene”, afgewezen. Aan eiseres is wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden verleend. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 januari 2013 ongegrond verklaard.

Op 29 januari 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2013. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft ten minste tien aaneengesloten jaren een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gehad. Verweerder heeft eiseres op nationale gronden een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend. Eiseres heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [werkadres1] en verdient €821,36 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De echtgenoot van eiseres is zelfstandig ondernemer sinds 10 oktober 2011.

2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening “langdurig ingezetene”, omdat zij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiseres komt wel in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden, omdat zij in dat geval wordt vrijgesteld van het middelenvereiste wegens het langdurig verblijf van meer dan tien jaar. De middelen van de echtgenoot tellen voor verweerder niet mee, omdat de echtgenoot een startende ondernemer is. Vanwege de onzekerheid over de levensvatbaarheid worden de middelen van een startende ondernemer, ongeacht de hoogte ervan, niet als duurzaam aangemerkt. Met een startende ondernemer bedoelt verweerder een ondernemer die nog niet anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige heeft verworven.

3.1

Op grond van artikel 20, eerste lid, onder a van de Vw 2000 is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen of tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

3.2

Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan - voor zover van belang - ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de Richtlijn), de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.3

Op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000 zijn middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige eerst duurzaam, indien zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog een jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

3.4

Op grond van artikel 21a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 niet afgewezen op de grond, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder d, indien de vreemdeling gedurende een tijdvak van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, of l, heeft gehad.

3.5

Het derde lid van artikel 21, van de Vw 2000 bepaalt dat, tenzij de vergunning is verleend met toepassing van artikel 21a, op het document, bedoeld in artikel 9, de aantekening “langdurig ingezetene’” wordt geplaatst.

3.6

Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn verlangen de lidstaten van onderdanen van derde landen het bewijs dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste beschikken over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen voordat het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene werd ingediend.

4.

Eiseres heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat zij samen met haar echtgenoot wel voldoet aan het middelenvereiste, zoals dat voortvloeit uit de Richtlijn. Haar echtgenoot verdiende tot aan zijn zelfstandig ondernemerschap € 3.000,-- bruto per maand in loondienst. Sinds oktober 2011 bedragen zijn inkomsten als zelfstandig ondernemer meer dan € 6000,-- per maand. Het gezinsinkomen is dan ook ruim voldoende. Eiseres en haar echtgenoot hebben nooit een beroep gedaan op de openbare kas. Uit de Richtlijn volgt niet dat er een eis van duurzaamheid aan de middelen mag worden gesteld. Eiseres verwijst naar de noot van C.A. Groenendijk bij een uitspraak van de Afdeling van 20 november 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK4686). De Richtlijn spreekt van ‘beschikken’ over regelmatige inkomsten, en niet van ‘zullen beschikken’. De Richtlijn laat geen ruimte om te beoordelen of de vreemdeling in de toekomst over vaste en regelmatige inkomsten zal beschikken. Eiseres verwijst in dit kader ook naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de EG (het Hof) van 10 april 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BD3034, zaaknr. C-398/06), naar uitspraken van de rechtbanken Den Bosch en Haarlem en naar het verslag van de Europese Commissie van september 2011 over toepassing van de Richtlijn. Ook de Afdeling lijkt naar een andere uitleg te gaan in zijn uitspraak van 14 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ2599). Tot slot verwijst eiseres naar het arrest van het Hof inzake Chakroun van 4 maart 2010 (ECLI:NL:XX:2010:BL8174, zaaknr. C-578/08), die gaat over de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG). Het niet verlenen van de aantekening langdurig ingezetene, beperkt eiseres in haar recht op verblijf in andere lidstaten. Dit gevolg is onevenredig in verhouding met het doel van de beleidsregel. Ten onrechte heeft verweerder geen individuele afweging gemaakt. Ook is ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar.

5.1

In geschil is uitsluitend de vraag of verweerder de middelen van de echtgenoot van eiseres ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken, omdat de duurzaamheidseis die verweerder aan deze middelen stelt in strijd is met de Richtlijn. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt en overweegt daartoe als volgt.

5.2

Uit de preambule van de Richtlijn en de tekst van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn blijkt dat met het vereiste dat een onderdaan van een derde land dient te beschikken over vaste en regelmatige inkomsten wordt beoogd te voorkomen dat een onderdaan van een derde land ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De rechtbank verwijst naar de door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 5 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG7504). Ter voorkoming of beperking van het risico hierop is er bij de implementatie van voormelde bepaling van de Richtlijn voor gekozen om op grond van artikel 3.92, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 bij en krachtens de in artikel 3.75 van het Vb 2000 neergelegde vereisten toe te passen, om te kunnen beoordelen of een vreemdeling in de toekomst over vaste en regelmatige inkomsten beschikt. In artikel 3.75, vierde lid, van het Vb 2000 staat dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door middel van artikel 3.20 van het VV 2000. De Afdeling heeft in voormelde uitspraak van 5 december 2008 voorts overwogen dat de in artikel 3.75 van het Vb neergelegde vereisten niet kennelijk onevenredig zijn aan het belang om het risico dat de onderdaan ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand zoveel mogelijk te beperken. De rechtbank is van oordeel dat daarmee ook is geoordeeld dat met de nadere uitwerking in artikel 3.20 van het VV 2000 een juiste uitleg is gegeven aan artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn. Dat er op communautair niveau geen overeenstemming was over een communautaire definitie van dit vereiste, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2011, die eiser noemt, evenmin aanleiding voor een ander oordeel. In die zaak was immers een andere vraag aan de orde, te weten of een Ziektewetuitkering als middelen van bestaan kan worden aangemerkt.

5.3

Eiseres heeft betoogd dat het stelsel van sociale bijstand in Nederland niet meer beschermd hoeft te worden, omdat zij immers een vergunning op nationale gronden heeft gekregen, en dat Nederland ter bescherming van de andere lidstaten een strengere norm oplegt dan de andere lidstaten zelf doen. Dit betoog slaagt niet, nu verweerder ter zitting terecht heeft tegengeworpen dat eiseres niet heeft onderbouwd dat de Nederlandse norm een strengere is dan die door andere lidstaten wordt gehanteerd.

5.4

De verwijzing naar de overweging in het arrest inzake Chakroun, dat de bevoegdheden uit de Gezinsherenigingsrichtlijn strikt moeten worden uitgelegd, omdat gezinshereniging de algemene regel is, slaagt reeds niet nu eiseres niet wordt beperkt in haar recht op gezinshereniging. Zij heeft immers een verblijfsvergunning gekregen. Overigens gaat het arrest enkel over de hoogte van de middelen van bestaan en de vraag of daarin onderscheid mag worden gemaakt naar gelang een gezinsband is ontstaan vóór of na de komst van de gezinshereniger naar de gastlidstaat.

5.5

De verwijzing naar het arrest van het Hof van 10 april 2008 faalt, reeds omdat eiseres een derdelander is en het arrest ziet op de verblijfsrechten van Unieburgers en hun familieleden.

5.6

De verwijzing naar het verslag van de Europese Commissie faalt tot slot eveneens. Dat de wetgeving van Cyprus, waarbij de betrokkene moet aantonen over een arbeidsovereenkomst voor de duur van nog tenminste achttien maanden moet beschikken, volgens de Commissie een obstakel kan zijn, betekent niet dat de Nederlandse wetgeving - die anders luidt - met de Richtlijn in strijd is. In het onderhavige geval is immers in geding of van een zelfstandig ondernemer gevergd kan worden dat hij reeds ten minste anderhalf jaar middelen heeft verworven, welke middelen nog een jaar beschikbaar moeten zijn.

6.

Met betrekking tot de beroepsgrond van eiser dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 7:2 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er naar objectieve maatstaven bezien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het vorenstaande en hetgeen in het bezwaarschrift is vermeld, van het horen kunnen afzien. Dat eiseres in bezwaar nieuwe informatie en argumenten heeft aangedragen, betekent niet van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake kan zijn.

7.

Gelet op al het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.