Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19289

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
AWB 09/47354, AWB 09/47334, AWB 10/15533 en AWB 10/22153
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is met ingang van 16 mei 2008 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend en de verblijfsvergunning van eiseres is verlengd tot 29 juli 2014. Eisers hebben verzocht om vergoeding van alle proceskosten en geleden immateriële en materiële schade. Volgens eisers is geen sprake van samenhangende zaken, is de redelijke termijn in alle beroepsprocedures overschreden en komen zij in aanmerking voor vergoeding van de eigen bijdragen die door de Raad voor de Rechtsbijstand zijn vastgesteld en vergoeding van een viertal terugkeervisa die zij hebben moeten aanvragen omdat zij door verweerder ten onrechte niet (eerder) in het bezit zijn gesteld van de gevraagde verblijfsvergunningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/47354, AWB 09/47334, AWB 10/15533 en AWB 10/22153

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1952], eiser,

en

[eiseres], geboren op [1954], eiseres,

beide van Marokkaanse nationaliteit, samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. F.K.H. Blom),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.B.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluiten van 5 en 7 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’ gegrond verklaard. Aan eiser is met ingang van 16 mei 2008 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend en de verblijfsvergunning van eiseres is verlengd tot 29 juli 2014.

Bij brief van 8 maart 2013 hebben eisers verweerder verzocht om vergoeding van alle proceskosten en geleden immateriële en materiële schade.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2013. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Over de proceskosten

De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder de proceskosten in alle door eisers ingestelde beroepen vergoedt met uitzondering van het beroep van eiseres geregistreerd onder AWB 09/47354. Volgens verweerder is sprake van een samenhangende zaak zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) met het beroep van eiser geregistreerd onder AWB 10/22153 en tellen deze zaken samen als één zaak.

Eisers hebben hierover aangevoerd dat de vier gevoerde procedures ieder een ander belang dienen, niet zien op identieke besluiten en de beroepen niet nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend. Van samenhangende zaken is volgens eisers geen sprake.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de proceskosten in het beroep van eiseres geregistreerd onder AWB 09/47354 niet heeft hoeven te vergoeden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3 van het Bpb. Anders dan verweerder heeft gesteld, is evenwel geen sprake van een samenhangende zaak met het beroep van eiser geregistreerd onder AWB 10/2215, maar met het beroep van eiser geregistreerd onder AWB 09/47334. De rechtbank acht voor dit oordeel redengevend dat beide besluiten in deze procedures dateren van 24 november 2009, het afwijzende besluit in het beroep geregistreerd onder AWB 09/47354 afhankelijk is van het afwijzende besluit in het beroep geregistreerd onder AWB 09/47334, dat door eisers gelijktijdig, namelijk op 18 december 2009, beroep is ingesteld tegen deze besluiten en dat het beroep in beide procedures op 13 januari 2010 is aangevuld waarbij eiseres wat betreft haar gronden heeft verwezen naar de gronden die zijn ingediend in het beroep van eiser.

De grond van eisers dat verweerder ten onrechte de proceskosten in het beroep geregistreerd onder AWB 09/47354 niet vergoedt, slaagt niet.

Over de grond van eisers dat verweerder ten onrechte geen aanbod heeft gedaan om het betaalde griffierecht te vergoeden, merkt de rechtbank op dat verweerder in het declaratieformulier bij zijn brief van 26 maart 2013 heeft aangeboden om het griffierecht van

€ 150,- in alle beroepsprocedures te vergoeden. Deze grond berust daarom op een onjuiste lezing en kan reeds hierom niet slagen.

Over de verzochte immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

Eisers hebben aangevoerd dat de redelijke termijn in alle beroepsprocedures is overschreden en dat zij op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking komen voor vergoeding van geleden immateriële schade.

Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 juni 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI9698) op het standpunt gesteld dat gelet op de complexiteit van de materie sprake is van een gerechtvaardige overschrijding van de behandelingsduur. De omstandigheid dat de ABRvS in de uitspraak van 14 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO1551) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in een soortgelijke zaak en dat de antwoorden hierop uiteindelijk hebben geleid tot inwilliging van eisers aanvragen, onderschrijft de complexiteit, aldus verweerder.

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, onder meer het arrest van 5 oktober 2000, Maaouia tegen Frankrijk, ECLI:NL:XX:2000:AD4680) vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen niet binnen het bereik van artikel 6 van het EVRM.

Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade kan daarom niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt ertoe dat een dergelijk verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste, neergelegd in artikel 6 van het EVRM, op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, ECLI:NL:XX:2006:AX7382) over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit de jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eisers gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eisers. De rechtbank verwijst naar bovenstaand arrest van 29 maart 2006.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, zie onder meer de uitspraak van 24 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG8294), vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Voorts is in die uitspraak overwogen dat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, waarbij de bovengenoemde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

Uit voornoemde uitspraak volgt verder dat, zoals ook volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking genomen moet worden en niet slechts of het (uiteindelijke) besluit op bezwaar is genomen binnen een redelijke termijn. De behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen mag niet meer dan drie jaar duren en een vertraging bij één van de behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling.

De rechtbank zal de vraag of in dit geval de redelijke termijn is overschreden, met inachtneming van de voorgaande jurisprudentie, voor elk procedurenummer afzonderlijk beoordelen.

Over het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 09/47354 stelt de rechtbank het volgende vast. Op 12 augustus 2009 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2009. Bij besluit van 24 november 2009 is het bezwaar door verweerder ongegrond verklaard. Op 18 december 2009 heeft eiseres dit beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat met deze uitspraak op 29 november 2013 een eind is gekomen aan het geschil. Dit betekent dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum waarop de onderhavige uitspraak in het openbaar is uitgesproken, ruim vier jaar en drie maanden zijn verstreken. Uitgaande van de door de ABRvS gehanteerde criteria dient de behandeling van het bezwaarschrift door verweerder en de behandeling van het beroepschrift door de rechtbank ten hoogste drie jaren te duren. De behandelingsduur is met ruim één jaar en drie maanden overschreden.

Over het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 09/47334 stelt de rechtbank het volgende vast. Op 12 augustus 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2009. Bij besluit van 24 november 2009 is het bezwaar door verweerder ongegrond verklaard. Op 18 december 2009 heeft eiser dit beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat met deze uitspraak op 29 november 2013 een eind is gekomen aan het geschil. Dit betekent dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum waarop de onderhavige uitspraak in het openbaar is uitgesproken, ook in deze procedure ruim vier jaar en drie maanden zijn verstreken. De behandelingsduur is met ruim één jaar en drie maanden overschreden.

Over het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 10/22153 stelt de rechtbank het volgende vast. Op 18 december 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 november 2009. Bij besluit van 26 mei 2010 is het bezwaar door verweerder ongegrond verklaard. Op 21 juni 2010 heeft eiser dit beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat met deze uitspraak op 29 november 2013 een eind is gekomen aan het geschil. Dit betekent dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum waarop de onderhavige uitspraak in het openbaar is uitgesproken, ruim drie jaar en elf maanden zijn verstreken. De behandelingsduur is in deze procedure met ruim elf maanden overschreden.

Over de vraag of de duur van deze procedures is gerechtvaardigd, wordt het volgende overwogen. De rechtbank stelt vast deze beroepen aanvankelijk op 13 oktober 2011 op zitting zouden worden behandeld. Bij brief van 30 september 2011 hebben eisers de rechtbank op de hoogte gesteld van de eerder genoemde uitspraak van de ABRvS van 14 oktober 2010 waarin prejudiciële vragen aan het HvJEU zijn gesteld. Bij brief van 6 oktober 2011 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat met instemming van beide partijen is besloten de geplande behandeling op zitting op 13 oktober 2011 geen doorgang te laten vinden en dat de behandeling van de beroepen wordt aangehouden. De rechtbank heeft besloten dat de antwoorden van het HvJEU op door de ABRvS gestelde prejudiciële vragen van belang zijn voor de beoordeling van de door eisers ingestelde beroepen. Op 18 oktober 2012 heeft het HvJEU arrest gewezen. Bij brief van 31 januari 2013 heeft de rechtbank aan verweerder verzocht aan te geven of het arrest van het HvJEU gevolgen heeft voor de bestreden besluiten en de door eisers ingestelde beroepen. Hierbij is verweerder een termijn gegund van vier weken. Een afschrift is aan eisers verstuurd. Bij brief van 15 februari 2013 heeft verweerder gereageerd. Bij brief van 8 maart 2013 hebben eisers de rechtbank geïnformeerd dat zij bij besluiten van 5 en 7 maart 2013 in het bezit zijn gesteld van de gevraagde vergunningen.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de beroepen weliswaar lang heeft geduurd, maar dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank acht hiervoor de complexiteit van de zaken van betekenis als ook de omstandigheid dat de beroepen met instemming van eisers zijn aangehouden in afwachting op de antwoorden van het HvJEU op de door de ABRvS gestelde vragen. Anders dan eisers thans hebben betoogd, was van “klip en klare zaken” geen sprake. Dat ook eisers de antwoorden op de prejudiciële vragen van belang hebben geacht volgt uit de hiervoor genoemde brief van 30 september 2011. De rechtbank merkt hierbij op dat indien eisers van mening waren dat de prejudiciële vragen geen betekenis (meer) hadden voor de onderhavige beroepen, het hen vrij stond de rechtbank om uitspraak te vragen. Eisers hebben dit niet gedaan. Verder betrekt de rechtbank bij dit oordeel dat de omstandigheid dat de tijd die is verstreken na het arrest van het HvJEU, het bericht van de rechtbank en de uiteindelijke inwilligende besluiten van 5 en 7 maart 2013, gelet op de complexiteit van de zaken en de noodzaak tot bestudering van de implicaties van het arrest, niet onredelijk lang is geweest.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn in de beroepen geregistreerd onder procedurenummers AWB 09/47354, AWB 09/47334 en AWB 10/22153 niet is overschreden en dat eisers niet in aanmerking komen voor de verzochte schadevergoeding.

Over het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 10/15533 stelt de rechtbank het volgende vast. Op 3 oktober 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 september 2008. Bij besluit van 16 maart 2009 is het bezwaar door verweerder ongegrond verklaard. Op 4 maart 2010 heeft verweerder het besluit van 16 maart 2009 ingetrokken. Bij besluit van 29 maart 2010 is het bezwaar door verweerder wederom ongegrond verklaard. Op 26 april 2010 is dit beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat met deze uitspraak op 29 november 2013 een eind is gekomen aan het geschil. Dit betekent dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum waarop de onderhavige uitspraak in het openbaar is uitgesproken, vijf jaar en 26 dagen zijn verstreken. De behandelingsduur in deze procedure is met twee jaar, één maand en 26 dagen overschreden.

De rechtbank zal vervolgens onderzoeken wat het bestuurlijk en/of het rechterlijk aandeel in de overschrijding in deze procedure is.

De behandeling van het bezwaar had ten hoogste één jaar mogen duren. Dit betekent dat verweerder op 3 oktober 2009 had moeten beslissen op het bezwaar. De redelijke termijn is met vijf maanden en 13 dagen overschreden. De stelling van verweerder dat de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd is, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank is gebleken dat verweerder het besluit van 16 maart 2009 heeft ingetrokken omdat de gevraagde verblijfsvergunning in dat besluit was onthouden vanwege de tijdelijke aard van het verblijfsrecht terwijl verweerder in het besluit van 29 maart 2010 de gevraagde vergunning heeft afgewezen omdat het verblijfsrecht formeel beperkt was. De door de ABRvS gestelde prejudiciële vragen speelden op dat moment nog geen rol. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Bij overschrijding van de redelijke termijn geldt een tarief dat is bepaald op

€ 500,- voor ieder half jaar (of een deel daarvan) dat sprake is van overschrijding van die termijn. Verweerder zal daarom wegens overschrijding van de redelijke termijn met vijf maanden en 26 dagen een bedrag van € 500,- aan eisers moeten vergoeden wegens geleden immateriële schade.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat na het indienen van het beroep op 26 april 2010 in deze procedure, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar had mogen duren. Dit betekent dat de rechtbank op 26 april 2012 had moeten beslissen op het beroep. Met de datum waarop de onderhavige uitspraak in het openbaar is uitgesproken, is de behandelingsduur met één jaar, zeven maanden en drie dagen overschreden. Gelet op wat in rechtsoverweging 17 en 18 is overwogen, acht de rechtbank een aftrek van een periode van één jaar en vijf maanden (namelijk de periode van de beslissing tot aanhouding van de beroepen in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen tot aan de verlening van de gevraagde vergunningen) gerechtvaardigd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met twee maanden en drie dagen is geschonden.

De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure moet worden beslist over het verzoek om schadevergoeding voor de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding het onderzoek te heropenen. Met toepassing van 8:26 van de Awb merkt de rechtbank daarbij de Staat der Nederlanden aan als partij in die procedure.

Over de verzochte materiële schadevergoeding

Eisers hebben verzocht om vergoeding van de eigen bijdragen die door de Raad voor de Rechtsbijstand zijn vastgesteld.

De vastgestelde eigen bijdragen ten behoeve van rechtsbijstand kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als schade, noch als proceskosten, door eisers geleden als gevolg van de omstandigheid dat eerst bij besluiten van 5 en 7 maart 2013 de gevraagde verblijfsvergunningen zijn verleend. Uit de limitatieve en forfaitaire karakter van het Bpb volgt dat voor een aanvullende vergoeding van kosten van rechtsbijstand geen plaats is. Het verzoek wordt in zoverre afgewezen.

Eisers hebben verder verzocht om vergoeding van een viertal terugkeervisa die zij hebben moeten aanvragen omdat zij door verweerder ten onrechte niet (eerder) in het bezit zijn gesteld van de gevraagde verblijfsvergunningen.

Desgevraagd heeft verweerder zich hierover ter zitting op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om deze materiële schade te voldoen omdat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste.

Op grond van artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Op grond van artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (het relativiteitsvereiste).

Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met de onrechtmatige besluitvorming dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke aanprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor toekenning van schadevergoeding is, gelet op de regeling van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in het BW en de ter zake door de civiele rechter gevormde jurisprudentie, grond, indien er sprake is van een daad van de overheid die onrechtmatig is, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm, welke onrechtmatige daad de overheid is toe te rekenen. Verder dient de geschonden norm ertoe te strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste), dient er schade te zijn en moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

Uit de door eisers overgelegde kopieën volgt dat de terugkeervisa in de periode 2009-2012 aan eisers zijn verstrekt. Uit een registratieformulier volgt dat de vader van eiseres in 2011 in Marokko is opgenomen in het ziekenhuis en het visum € 140,- heeft gekost.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de enkele stelling ter zitting dat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste, onvoldoende gemotiveerd waarom de door eisers aangevraagde terugkeervisa niet voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat eisers deze terugkeervisa hebben moeten aanvragen houdt immers rechtstreeks verband met de omstandigheid dat verweerder eisers ten onrechte niet in het bezit heeft gesteld van de gevraagde verblijfsvergunningen (zie de uitspraak van de ABRvS van 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7572). Dit betekent dat deze geleden materiële schade wegens de onrechtmatige besluitvorming van verweerder voor vergoeding in aanmerking komt. Verweerder zal viermaal € 140,- aan eisers moeten vergoeden.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen geregistreerd onder AWB 09/47354, AWB 09/47334 en AWB 10/22153 gegrond zijn.

Omdat verweerder heeft aangeboden het griffierecht in alle procedures te vergoeden, ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Over de beroepen geregistreerd onder AWB 09/47354, AWB 09/47334 en AWB 10/22153

De rechtbank:

 -

verklaart de beroepen gegrond;

 -

veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 500,- (zaak AWB 10/15533);

 -

veroordeelt verweerder tot het betalen van een materiële schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 560,- (viermaal € 140,-).

Over het beroep geregistreerd onder AWB 10/15533

De rechtbank:

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van eisers om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase en merkt tevens de Staat der Nederlanden aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. ter Brugge, rechter, in aanwezigheid van mr. R.D.A. van Veghel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.