Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19206

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
13/5005
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:3011, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Eiser is in het bezit van Europese Gehandicaptenparkeerkaart (gehandicaptenkaart). Het bezit van deze kaart geeft hem als niet-bewoner in Den Haag echter geen recht op algehele vrijstelling van parkeerbelasting, die wel verbonden is aan een bewonersvergunning Gehandicapten (bewonersvergunning).

Niet in geschil is dat eiser niet op een algemene gehandicaptenparkeerplaats stond geparkeerd, maar op een reguliere parkeerapparatuurplaats, en de parkeerbelasting niet heeft voldaan. Eiser heeft daardoor niet voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling zoals opgenomen in artikel 4b van de Verordening parkeerbelastingen 2008. Gelet hierop is de naheffingsaanslag in beginsel terecht aan eiser opgelegd.

Er is geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er is geen strijd met het Europees recht.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/419
Belastingblad 2014/128
FutD 2014-0516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/5005

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2013 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z], eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 29 mei 2013 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1.

Op 6 april 2013 om 19:06 uur stond de auto van eiser met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd aan de [a-straat] (voor perceel 15) te Den Haag. Deze plaats is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als parkeerplaats waar op alle dagen van het jaar van 18:00 uur tot en met 24:00 uur tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Op deze plaats mag met een geldige parkeervergunning dan wel met een geldig parkeerkaartje worden geparkeerd.

2.

Tijdens een controle op genoemde datum en voornoemd tijdstip hebben twee parkeercontroleurs geconstateerd dat er in de auto geen geldige parkeervergunning of geldig parkeerkaartje aanwezig was. Naar aanleiding daarvan is aan eiser met dagtekening 6 april 2013 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, naar een te betalen bedrag van € 57,70, bestaande uit € 1,70 aan parkeerbelasting en € 56 aan kosten van de naheffingsaanslag.

3.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.

4.

Eiser heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Hij is in het bezit van Europese Gehandicaptenparkeerkaart (gehandicaptenkaart). Het bezit van deze kaart geeft hem als niet-bewoner in Den Haag echter geen recht op algehele vrijstelling van parkeerbelasting, die wel verbonden is aan een bewonersvergunning Gehandicapten (bewonersvergunning). Aangezien hij ten behoeve van zijn werkzaamheden regelmatig in Den Haag moet zijn wenst hij - mede uit een oogpunt van kostenbesparing - ook een bewonersvergunning, maar de gemeente Den Haag weigert dat. Dit is volgens eiser in strijd met het Europees recht, het gelijkheidsbeginsel en de redelijkheid en de billijkheid.

In de gemeente Amsterdam wordt wel aan alle bezitters van een gehandicaptenkaart - en dus ook aan niet-bewoners - de mogelijkheid geboden om een bezoekers-parkeervergunning aan te vragen, waarmee op alle parkeerplaatsen kan worden geparkeerd zonder parkeerbelasting te hoeven betalen.

5.

Verweerder heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het (wijzigen van) parkeerbeleid aan de gemeente Den Haag is voorbehouden en dat zij overigens daarbij niet in strijd heeft gehandeld met het Europees recht of het gelijkheidsbeginsel.

6.

In de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag (hierna: Verordening parkeerbelastingen 2008) – voor zover hier van belang – is het volgende vermeld:

7.

Niet in geschil is dat eiser niet op een algemene gehandicaptenparkeerplaats stond geparkeerd, maar op een reguliere parkeerapparatuurplaats, en de parkeerbelasting niet heeft voldaan. Eiser heeft daardoor niet voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling zoals opgenomen in artikel 4b van de Verordening parkeerbelastingen 2008. Gelet hierop is de naheffingsaanslag in beginsel terecht aan eiser opgelegd.

8.

Hetgeen eiser hiertegenover heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

De stelling van eiser dat de gemeente den Haag heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een gehandicapte bewoner en een gehandicapte niet-bewoner bij de verlening van een bewonersvergunning niet gelijk worden behandeld, kan niet slagen reeds omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Een dergelijke bewoner moet - anders dan een niet-bewoner - immers binnen zijn directe leefomgeving overal kunnen parkeren. Voor een niet-bewoner bestaat die noodzaak niet. Daarvoor is immers de gehandicaptenparkeerkaart bedoeld. Zelfs indien er sprake zou zijn van gelijke gevallen, dan nog acht de rechtbank het onderscheid in behandeling van bewoners en niet-bewoners gezien het vorenstaande objectief gerechtvaardigd.

9.

De stelling van eiser dat het onderscheid tussen een gehandicapte bewoner en gehandicapte niet-bewoner bij de verlening van een bewonersvergunning in strijd komt met het Europese recht, kan evenmin slagen. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser aldus dat de verschillende behandeling van bewoners en niet-bewoners in strijd is met het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 26 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en mogelijk eveneens met het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals onder 8 is overwogen is hier echter geen sprake is van gelijke gevallen, zodat ook van enige vorm van discriminatie als bedoeld in vorengenoemde verdragsbepalingen geen sprake kan zijn. Ware er echter wel sprake van gelijke gevallen dan acht de rechtbank voor het onderscheid eveneens gezien hetgeen onder 8 is overwogen een toereikende objectieve rechtvaardiging.

10.

Het feit dat eiser, als niet-bewoner, regelmatig in de gemeente Den Haag moet zijn in verband met zijn werk en daarbij parkeerkosten moet maken die niet in verhouding staan tot de kosten die zijn verbonden aan een bewonersvergunning kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Het standpunt van eiser komt er dan feitelijk op neer dat hij als regelmatig bezoeker van de stad niet wenst te betalen omdat hij gehandicapt is. Eiser is onder die omstandigheden echter te vergelijken met een ieder, die werkzaamheden in Den Haag heeft en zijn auto op een reguliere parkeerplaats wenst te parkeren. Zij allen dienen dan dezelfde kosten te dragen. Althans voor zover eiser ter plekke niet gewoon van zijn gehandicaptenkaart gebruik kan maken.

11.

Dat de gemeente Amsterdam ten aanzien van de verstrekking van vergunningen een ander beleid voert acht de rechtbank niet van belang.

12.

Gelet op het vorenstaande is de naheffingsaanslag terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is om die reden ongegrond verklaard.

13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep