Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
AWB 13/9964
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde nareis-aanvraag. Met betrekking tot de brief van verweerder van 16 juli 2012 en WBV 2012/21, overweegt de rechtbank dat het vereiste dat een vreemdeling feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon heeft behoord niet is gewijzigd, zodat WBV 2012/21 geen voor eisers gunstige wijziging van het beleid bevat. IND-werkinstructie nr. 2012/6 heeft geen andere strekking zodat deze evenmin als novum kan worden aangemerkt. Met betrekking tot de situatie van eisers in Nairobi overweegt de rechtbank daartoe dat dit betoog niet ziet op het bestaan van een feitelijke gezinsband en om die reden niet af kan doen aan het eerdere besluit.

In beroep hebben eisers gewezen op WBV 2013/13, het rapport van de Kinderombudsman van 6 juni 2013 en de verlening van een mvv aan een ander kind van referente op basis van een DNA-onderzoek. Verder hebben eisers op 11 september 2013 een herzieningsverzoek ingediend en is verweerder op grond van WBV 2013/13 inmiddels overgegaan tot DNA-onderzoek bij referentes biologische kinderen en haar echtgenoot.

Vooropgesteld moet worden dat artikel 83 van de Vw 2000 niet van toepassing is op mvv-procedures als hier aan de orde. Dit maakt dat slechts nieuw gebleken feiten, veranderde omstandigheden of relevante wijzigingen van het recht, die in de bestuurlijke fase zijn aangevoerd, bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Om die reden moeten de hiervoor genoemde, in beroep aangevoerde, omstandigheden buiten die beoordeling worden gehouden. Dat deze omstandigheden, zoals eisers hebben betoogd, een nadere onderbouwing van hun reeds bij de aanvraag aangevoerde stellingen zouden vormen volgt de rechtbank niet nu het feiten en wijzigingen van recht betreft van na het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 13/9964

Datum uitspraak: 5 december 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer[nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

allen van Somalische nationaliteit,

eisers,

gemachtigde mr. A.E.M. de Vries,

tegen

de Minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Minister van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Op 6 september 2012 hebben eisers aanvragen ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) onder de beperking verband houdend met nareis asiel binnen drie maanden in het kader van gezinshereniging bij [naam] (hierna: referente). Bij besluit van 20 december 2012 heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen.

Daartegen hebben eisers op 9 januari 2012 bezwaar gemaakt.

Dit bezwaar is door verweerder bij besluit van 9 april 2013 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 11 april 2013 hebben eisers beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van
2 december 2013. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde en referente. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.A.W. Oude Lenferink.

De beoordeling

1.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.

Eisers hebben eerder, op 25 november 2010, aanvragen ingediend om verlening van een mvv verband houdend met nareis asiel in het kader van gezinshereniging bij referente. Deze aanvragen zijn bij besluit van 4 juli 2011, gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2011, afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 2 mei 2012 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s Hertogenbosch, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2013 is deze uitspraak bevestigd. Het besluit van 9 april 2013 is van gelijke strekking als het besluit van 31 oktober 2011 zodat op het tegen eerstgenoemd besluit ingestelde beroep het in rechtsoverweging 1 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

3.

Aan het besluit van 31 oktober 2011 had verweerder ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk was gemaakt dat eisers reeds voor het vertrek van referente uit Somalië feitelijk behoorden tot haar gezin, zodat zij om die reden niet voor de gevraagde mvv in aanmerking kwamen.

4.

Aan onderhavige aanvraag hebben eisers ten grondslag gelegd dat sprake is van een relevante wijziging van het recht vanwege de brief van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 16 juli 2012 (Kamerstukken II, 2011-2012, 19637, nr. 1568) en het daarop gebaseerde beleid, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire en IND-werkinstructie 2012/6. Verder is erop gewezen dat referente zich met eisers op 14 juni 2012 in Nairobi bij de ambassade heeft vervoegd met het verzoek alsnog DNA-onderzoek te laten verrichten en hebben eisers gewezen op hun slechte positie in Nairobi, de veiligheidssituatie aldaar en medische problemen.

5.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee echter geen sprake van nova als bedoeld in rechtsoverweging 1.

Met betrekking tot de brief van verweerder van 16 juli 2012 en het daarop gebaseerde beleid, zoals neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: WBV) 2012/21, overweegt de rechtbank dat de Afdeling bij uitspraak van 28 mei 2013 (LJN: CA1997) heeft geoordeeld dat met WBV 2012/21 het vereiste dat een vreemdeling feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon heeft behoord niet is gewijzigd, zodat WBV 2012/21 geen voor eisers gunstige wijziging van het beleid bevat.

IND-werkinstructie nr. 2012/6 heeft geen andere strekking zodat deze evenmin als novum kan worden aangemerkt.

Met betrekking tot de situatie van eisers in Nairobi overweegt de rechtbank daartoe dat dit betoog niet ziet op het bestaan van een feitelijke gezinsband en om die reden niet af kan doen aan het eerdere besluit.

6.

In beroep hebben eisers gewezen op WBV 2013/13, het rapport van de Kinderombudsman van 6 juni 2013 en de verlening van een mvv aan een ander kind van referente ([naam], geboren op [geboortedatum]) op basis van een DNA-onderzoek. Verder hebben eisers op 11 september 2013 een herzieningsverzoek ingediend en is verweerder op grond van WBV 2013/13 inmiddels overgegaan tot DNA-onderzoek bij referentes biologische kinderen en haar echtgenoot.

7.

Vooropgesteld moet worden dat artikel 83 van de Vw 2000 niet van toepassing is op mvv-procedures als hier aan de orde, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2013 (zaaknummer 201211793/1/V1, www.raadvanstate.nl). Dit maakt dat slechts nieuw gebleken feiten, veranderde omstandigheden of relevante wijzigingen van het recht, die in de bestuurlijke fase zijn aangevoerd, bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Om die reden moeten de hiervoor genoemde, in beroep aangevoerde, omstandigheden buiten die beoordeling worden gehouden. Dat deze omstandigheden, zoals eisers hebben betoogd, een nadere onderbouwing van hun reeds bij de aanvraag aangevoerde stellingen zouden vormen volgt de rechtbank niet nu het feiten en wijzigingen van recht betreft van na het bestreden besluit.

8.

Uit het voorgaande volgt dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden of gewijzigd recht zodat voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 9 april 2013 geen plaats is. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, mr. A.B. Terlouw en mr. M. van der Linde, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.M. Fransen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).