Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19099

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
AWB 13/15955 en AWB 13/15956
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot datum verlening, omdat eiseres er van wordt verdacht valse aangifte van mensenhandel te hebben gedaan. Verweerder benadrukt daarbij dat eiseres is gedagvaard wegens het doen van valse aangifte en dat dit al voldoende grond is om aan te nemen dat zij onjuiste verklaringen heeft afgelegd.

De rechtbank oordeelt dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de intrekkingsgrond zich voordoet. Verweerder kan niet volstaan met verwijzing naar de beslissing van de officier van Justitie om eiseres te vervolgen ter zake van het doen van valse aangifte, nu ten tijde van het besluit nog geen strafrechtelijk oordeel is gegeven met betrekking tot de vraag of de in de dagvaarding vermelde feiten bewezen kunnen worden. Verweerder moet zelf onderzoek verrichten teneinde vast te stellen of eiseres onjuiste verklaringen heeft afgelegd.

Verweerder heeft zich –mede- zelfstandig een oordeel gevormd over de vraag of eiseres onjuiste gegevens heeft verstrekt in haar tweede aangifte van mensenhandel. Verweerder heeft gewezen op verschillen in de verklaringen in de eerste en tweede aangifte. Daarmee wordt niet aannemelijk gemaakt dat de tweede aangifte op onhuiste verklaringen berust. Eiseres heeft immers verklaard dat zij bij de eerste aangifte niet de waarheid heeft verteld uit angst voor en door bedreigingen van X. Verweerder heeft verder een waardeoordeel gegeven over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. Dat verweerder veronderstelt dat het ongerijmd is dat iemand als eiseres, die slachtoffer is geworden van uitbuiting, vrijwillig terugkeert naar de uitbuiter, is niet meer dan een aanname van verweerder.

Verder merkt de rechtbank nog op dat de verklaringen van eiseres passen in het algemeen bekende beeld van de praktijken van een zogenoemde loverboy, waarbij de loverboy eerst het vertrouwen van het slachtoffer wint en daarna het slachtoffer dwingt tot prostitutie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13 / 15955 (beroep)

AWB 13 / 15956 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 2 december 2013 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum 1], van Guinese nationaliteit,

eiseres, verzoekster, hierna te noemen eiseres,

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn, advocaat te Leiden),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking als genoemd in paragraaf B9 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) ingetrokken met terugwerkende kracht tot 31 augustus 2010 en is de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2012 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 januari 2013 gegrond verklaard en het besluit van 15 augustus 2012 is vernietigd.

Bij besluit van 19 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiseres heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2013. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres heeft op 9 juni 2008 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder de personalia [naam 1], geboren op [geboortedatum 2] en van Keniaanse nationaliteit. Deze aanvraag is bij besluit van 16 juni 2008 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, van 3 juli 2008 ongegrond verklaard.

Op 5 maart 2009 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, onder de personalia[naam 2]. Deze aanvraag is bij besluit van 12 maart 2009 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 27 mei 2009 ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiseres ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 juni 2009 kennelijk ongegrond verklaard.

Op 12 juli 2009 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergun-ning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking als genoemd in paragraaf B9 Vc. Deze aanvraag is ingewilligd en aan eiseres is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met ingang van 12 juni 2009 en geldig tot 12 juni 2010. Bij besluit van 7 september 2010 is deze vergunning met terugwerkende kracht tot 12 juni 2009 ingetrokken en is de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheid van de aan haar verleende verblijfsvergunning afgewezen. Bij separaat besluit van 7 september 2010 is eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking als genoemd in paragraaf B9 Vc, met ingang van 31 augustus 2010 en geldig tot 31 augustus 2011. Op 24 mei 2011 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlenging van die verblijfsvergunning.

2.

Verweerder heeft de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht en de aanvraag om verlenging afgewezen op de volgende gronden. De aangifte van eiseres van mensenhandel van 31 augustus 2010 is op 30 juni 2011 geseponeerd. Eiseres heeft op 12 september 2011 beklag ingesteld bij het Gerechtshof Leeuwarden. Op 13 september 2011 is eiseres gehoord en op de hoogte gebracht van het voornemen de aan haar verleende verblijfsvergunning in te trekken. De reden hiervoor is dat eiseres ervan wordt verdacht valse aangifte van mensenhandel te hebben gedaan. Eiseres is er op gewezen dat zij hiervoor zal worden vervolgd door de officier van Justitie. Geconcludeerd wordt dat eiseres bij de indiening van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning op grond van de B9-procedure onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl de gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot verlenen of verlengen zou hebben geleid. Als het doen van valse aangifte bij de behandeling van de aanvraag bekend zou zijn geweest, zou aan eiseres nimmer de gevraagde verblijfsvergunning zijn verleend. Nu de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, wordt eiseres geacht nimmer in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning en kan de gevraagde verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning worden afgewezen. Niet is gebleken van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat verweerder, onder toepassing van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) af diende te zien van het nemen van het besluit tot intrekking en afwijzing.

3.

In haar uitspraak van 31 januari 2013 heeft deze rechtbank en zittingsplaats, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“8. Tussen partijen is in geschil of verweerder de verblijfsvergunning heeft kunnen intrekken met terugwerkende kracht tot 31 augustus 2010. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu uit informatie van de officier van Justitie blijkt dat de door eiseres gedane aangifte feiten bevat die onder meer als leugenachtig kunnen worden aangemerkt, sprake is van informatie die, indien zij eerder bekend was geweest, niet zou hebben geleid tot verlening van een verblijfsvergunning regulier, onder de beperking “B9”. Eiseres heeft in beroep betoogd dat thans nog niet vaststaat dat eiseres een valse aangifte heeft gedaan, nu haar strafzaak nog niet is afgerond en op haar verzoek nog getuigen zullen worden gehoord. Verweerder had dan ook niet, aldus eiseres, zonder eiseres te horen, mogen afgaan op de beoordeling door de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Blijkens de overgelegde stukken is eiseres op 24 maart 2010 door de politie Groningen als verdachte gehoord over de door haar gedane eerste aangifte van 12 juni 2009. Dit gegeven was reeds bij verweerder bekend, op het moment dat eiseres bij besluit van 7 september 2010 opnieuw een vergunning onder de beperking “B9” kreeg. Bij besluit van eveneens 7 september 2010 is immers de voorgaande vergunning ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens. Uit het dossier valt echter niet op te maken welke feiten en omstandigheden eiseres aan haar aangifte van 31 augustus 2010 ten grondslag heeft gelegd, nu het proces-verbaal van deze aangifte zich niet in het dossier bevindt. Evenmin heeft verweerder inzichtelijk gemaakt welke onjuiste gegevens, verband houdende met de aangifte van 31 augustus 2010, aan de intrekking ten grondslag zijn gelegd. Nu verweerder is afgegaan op informatie van de officier van Justitie, zonder te verifiëren welke gegevens aan de vervolging van eiseres, naar aanleiding van haar tweede aangifte, ten grondslag zijn gelegd en zonder eiseres hierover te horen, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder weliswaar verwijst naar een brief van de officier van Justitie van 19 oktober 2011, waarmee eiseres op de hoogte is gebracht van het voornemen haar te vervolgen voor het doen van valse aangifte, deze brief bevindt zich echter niet in het dossier en verweerder heeft bij brief van 19 december 2012 aan de rechtbank medegedeeld dat de brief niet kon worden gevonden. Hiermee is dan ook niet duidelijk, welke onjuiste verklaringen die eiseres zou hebben afgelegd, verweerder aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag heeft gelegd. Voor zover verweerder heeft betoogd dat het gegeven dat eiseres strafrechtelijk wordt vervolgd voor het doen van valse aangifte aan de intrekking ten grondslag ligt, geldt dat uit het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond van 13 september 2011 slechts blijkt dat eiseres ten aanzien van haar eerste aangifte van juni 2009 strafrechtelijk wordt vervolgd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd in hoeverre de intrekking ziet op onjuiste verklaringen die zij in haar tweede aangifte heeft afgelegd. Gelet daarop kon verweerder niet zonder eiseres nader te horen omtrent haar tweede aangifte en de verklaringen die zij hierbij zou hebben afgelegd, overgaan tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12 Awb.”


4. Verweerder heeft zich in het thans bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Uit informatie van het openbaar ministerie te Groningen en de informatie van de politie Rotterdam-Rijnmond is gebleken dat door de officier van Justitie de conclusie is getrokken dat de door eiseres gedane aangifte van mensenhandel niet op waarheid berust en dat eiseres om die reden zal worden vervolgd voor het doen van valse aangifte. In het primaire besluit is daarom terecht overwogen dat de aan eiseres verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken en de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur wordt afgewezen. Uit informatie van de officier van Justitie van 21 mei 2013 blijkt dat eiseres juist wordt vervolgd inzake de tweede aangifte van augustus 2010, waarbij de eerste aangifte waarvan betrokkene zelf heeft verklaard dat deze niet op waarheid berust, mede is betrokken. Verwezen wordt naar de dagvaarding van 12 juli 2012, waarin als pleegdatum de periode van 17 tot en met 31 augustus 2010 is opgenomen. Benadrukt wordt dat eiseres is gedagvaard wegens het doen van valse aangifte, hetgeen reeds voldoende grond is om aan te nemen dat zij onjuiste verklaringen heeft afgelegd, welke, indien zij destijds bekend waren geweest, niet tot vergunningverlening zouden hebben geleid.
Intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning levert geen schending op van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aangenomen wordt dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar zoon [naam 3], die de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Er is weliswaar sprake van inmenging in dit gezinsleven, maar deze inmenging is gerechtvaardigd. Hierbij wordt betrokken dat eiseres op basis van onjuiste gegevens een verblijfsvergunning heeft verkregen. Niet alleen is eiseres het gezinsleven aangegaan terwijl zij over een tijdelijk verblijfsrecht beschikte, maar had zij redelijkerwijs kunnen weten dat zij de desbetreffende verblijfsvergunning op grond van onjuiste gegevens had verkregen. Verder wordt overwogen dat [naam 3] op [geboortedatum 3] is geboren, zodat van enige worteling in de Nederlandse maatschappij geen sprake is. Met betrekking tot het gestelde contact tussen [naam 3] en zijn vader, wordt overwogen dat hieromtrent geen enkel document is overgelegd. Indien aangenomen wordt dat sprake is van contact tussen [naam 3] en zijn vader, wordt overwogen dat niet is gebleken dat dit contact niet op andere wijze voortgezet zou kunnen worden. Verder is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven, al dan niet tezamen met de vader van [naam 3], in Guinee, dan wel in Nigeria, uit te oefenen. Niet is gebleken van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat met toepassing van het gestelde in artikel 4:84 Awb moet worden afgezien van intrekking van de verblijfsvergun-ning. Er is afgezien van het horen van eiseres, nu eiseres tot twee keer toe, en nadat de eerste afspraak slechts kort voor de hoorzitting door eiseres is geannuleerd, is uitgenodigd een hoorzitting bij te wonen. Voorts heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat schriftelijke vraagstelling ook mogelijk was, waaraan is voldaan bij schrijven van 23 april 2013. Gelet hierop is aan de hoorplicht voldaan.

5.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder de verblijfsvergunning van eiseres in redelijkheid heeft kunnen intrekken. Hierbij is het volgende van belang.

5.1

Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet 2000 (Vw), voor zover thans van belang, kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, Vw.

5.2

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

5.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie onder meer de uitspraken van 16 december 2004, ECLI:NL:RVS:2007:BA3398 en 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4295) ligt het, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, Vw op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als door verweerder aan deze bewijslast is voldaan, dan is het vervolgens aan de vreemdeling om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen. Uit genoemde uitspraak van 16 december 2004 blijkt voorts dat voormeld toetsingskader inhoudt dat verweerder aannemelijk dient te maken dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden en derhalve niet dat onomstotelijk dient vast te staan dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank geldt voor de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op de voet van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vw evenzeer het hiervoor weergegeven toetsingkader. Dit betekent dat het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Verweerder dient daartoe allereerst aannemelijk te maken dat de verblijfsvergunning, is verstrekt op basis van onjuiste gegevens en dat deze niet zou zijn verleend indien verweerder bekend zou zijn geweest met de juiste gegevens.

5.5

De rechtbank stelt vast dat aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend onder de beperking als genoemd in paragraaf B9 Vc. Het is aannemelijk dat, indien ten tijde van de aanvraag, dan wel de verlening van de verblijfsvergunning, bij verweerder bekend zou zijn geweest dat eiseres een valse aangifte had gedaan, dit niet tot verlening van de vergunning had geleid. Gelet daarop ziet de rechtbank zich in het onderhavige geval vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres bij haar tweede aangifte onjuiste gegevens heeft verstrekt.

6.

Eiseres voert op dit punt aan dat zij zich niet kan verenigen met het standpunt van verweerder dat het enkele feit dat zij gedagvaard is voor het doen van een valse aangifte, voldoende is voor de intrekking van verblijfsvergunning. Verweerder kan niet uitgaan van het beoordelingskader van de officier van justitie en dient zelf de aannemelijkheid van het relaas te toetsen. De door verweerder gegeven motivering waarom het mensenhandelrelaas van eiseres niet aannemelijk wordt geacht, is onvoldoende en in strijd met artikel 3:46 Awb.

6.1

De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet kan volstaan met de stelling dat sprake is van een valse aangifte door te verwijzen naar de beslissing van de officier van Justitie om eiseres te vervolgen ter zake van het doen van valse aangifte, nu op dit punt ten tijde van het bestreden besluit nog geen strafrechtelijk oordeel is gegeven met betrekking tot de vraag of de in de dagvaarding vermelde feiten bewezen kunnen worden. Onder die omstandigheden dient verweerder zelf onderzoek te verrichten teneinde vast te stellen of eiseres feiten en omstandigheden aan haar mensenhandelrelaas ten grondslag heeft gelegd die onjuist zijn.

6.2

Ook om andere redenen kan verweerder niet volstaan met een verwijzing naar de dagvaarding. In de dagvaarding is allereerst aangegeven dat eiseres niet haar juiste naam en land van herkomst heeft verteld en dat zij zich zou hebben voorgedaan als [naam 4] uit Guinee. In het verweerschrift wijst verweerder vervolgens op de brief van 13 april 2011 met informatie die uit Duitsland is verkregen in het kader van een verzoek om rechtshulp. Volgens verweerder volgt uit deze informatie dat eiseres eigenlijk [naam 4] is, afkomstig uit Gambia. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Hoewel uit de informatie blijkt dat een [naam 4]of [naam 4], afkomstig uit Gambia, zich voor enkele weken heeft gevoegd bij haar zuster in Duitsland, is met deze informatie geenszins komen vast te staan dat eiseres en [naam 4] of [naam 4] één en dezelfde persoon zouden zijn. Hierbij zij allereerst opgemerkt dat thans nog geen strafrechtelijk oordeel is gegeven over deze gestelde feiten en deze gestelde feiten derhalve nog niet bewezen zijn verklaard. Daarnaast is van belang dat er geen dactyloscopische gegevens zijn, noch een foto aanwezig is, waaruit kan worden vastgesteld dat eiseres daadwerkelijk [naam 4] of[naam 4] is. Gelet daarop staat niet zonder meer vast dat sprake is van door eiseres verstrekte feitelijke onjuistheden.

7.

Nu verweerder zijn conclusie, dat eiseres onjuiste gegevens heeft verstrekt, niet kan baseren op de hiervoor genoemde dagvaarding, dient te worden beoordeeld of verweerder heeft vastgesteld dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens.

7.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit -mede- zelfstandig een oordeel gevormd over de vraag of geconcludeerd kan worden dat eiseres onjuiste gegevens heeft verstrekt in haar tweede aangifte. Hiertoe heeft verweerder allereerst overwogen dat eiseres heeft aangegeven dat zij in de tweede aangifte heeft verklaard dat zij is verhandeld door een Afrikaanse man, maar dat hij haar niet van Guinee naar Nederland, zoals zij had verklaard in de eerste aangifte van mensenhandel, maar van Guinee naar Gambia heeft verhandeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat reeds een enkele onwaarheid er een te veel is. Daarnaast overweegt verweerder dat eiseres tijdens de eerste aangifte op geen enkele wijze melding heeft gemaakt van [naam 5], de persoon die bij de tweede aangifte een leidende rol speelt in het mensenhandelrelaas.

7.3

De rechtbank stelt vast dat hetgeen verweerder in deze overweging van het bestreden besluit aan eiseres tegenwerpt, ziet op de verschillen tussen de eerste en de tweede aangifte. Daarmee wordt niet aannemelijk dat de tweede aangifte op onjuiste verklaringen berust. Immers, eiseres heeft zelf verklaard dat zij bij de eerste aangifte niet de waarheid heeft verteld en dat zij uit angst voor en door bedreigingen van [naam 5] niet over hem heeft durven vertellen. Gelet hierop kan verweerder de eerste aangifte dan ook in redelijkheid niet gebruiken bij het beoordelen of eiseres in haar tweede aangifte onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Dit klemt te meer, nu verweerder, nadat eiseres voor de tweede maal aangifte heeft gedaan van mensenhandel en zij daarbij heeft verklaard dat zij niet de waarheid had gesproken tijdens de eerste aangifte, eiseres opnieuw in het bezit heeft gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de tweede aangifte.

7.4

Verweerder wijst er verder op dat eiseres tijdens de tweede aangifte heeft verklaard dat zij geluk heeft gehad dat [naam 5] de dag van haar ontsnapping was vergeten de deur op slot te doen toen hij naar buiten ging. Verderop heeft eiseres verklaard dat [naam 5] op een dag is weggegaan, hij geld op tafel had achtergelaten en eiseres daarvan €50,- heeft meegenomen. In haar antwoorden op de door verweerder in bezwaar gestelde vragen van 24 mei 2013 heeft eiseres verklaard dat zij de €50,- al enige dagen/weken eerder uit de portemonnee van [naam 5] had gehaald. Verweerder overweegt vervolgens dat deze tegenstrijdigheden de aannemelijkheid van de door eiseres gegeven verklaringen ondergraven. Hoewel verweerder op dit punt meerdere tegenstrijdigheden aanneemt, constateert de rechtbank dat slechts sprake is van één -miniem- verschil in de verklaringen van eiseres, die bovendien betrekking heeft op een enkel detail in haar relaas. Daarbij acht de rechtbank van belang dat dit detail geen afbreuk doet aan de verklaringen over de omstandigheid dat eiseres door [naam 5] werd gedwongen seksuele handelingen te verrichten met anderen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit enkele geconstateerde verschil onvoldoende voor de conclusie dat hiermee aannemelijk is dat eiseres een onwaar mensenhandelrelaas heeft verteld en daarmee onjuiste gegevens heeft verstrekt.

7.5

Verweerder wijst tenslotte op de verklaringen van eiseres, waarin zij aangeeft dat zij na haar vertrek uit de woning van [naam 5] naar een kennis, [naam 6], is vertrokken. Volgens afspraak is zij vervolgens na een aantal dagen weer door [naam 5] opgehaald en naar AC Ter Apel gebracht. Na de negatieve afloop van de asielprocedure heeft eiseres zelf weer contact gezocht met [naam 5] en is zij naar hem teruggekeerd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze gang van zaken niet rijmt met de omstandigheid dat [naam 5] juist degene is die eiseres zou hebben uitgebuit, te meer nu eiseres in ieder geval tijdens haar asielprocedure met verschillende instanties contact heeft gehad en zij op verschillende manieren hulp had kunnen krijgen. De rechtbank oordeelt dat verweerder hiermee een waardeoordeel heeft gegeven over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres, waarbij verweerder bovendien geen acht heeft geslagen op de verklaring die eiseres heeft gegeven voor deze gang van zaken. Immers, eiseres heeft verklaard dat zij ten einde raad was, dat [naam 5] zou hebben aangegeven dat hij had ingezien dat hij eiseres verkeerd had behandeld, hij met eiseres zou willen trouwen en hij zijn gedrag zou verbeteren. Dat verweerder veronderstelt dat het ongerijmd is dat iemand als eiseres, die slachtoffer is geworden van uitbuiting, vrijwillig terugkeert naar de uitbuiter, is daarbij niet meer dan een aanname van verweerder. Gelet daarop heeft verweerder ook ten aanzien van dit punt onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres onjuiste verklaringen heeft afgelegd.

7.6

Tenslotte wijst verweerder op de verklaring van eiseres, dat [naam 5] haar heeft voorgesteld aan zijn ouders en zij bij de ouders van [naam 5] heeft gelogeerd. Verweerder acht het niet logisch dat [naam 5] dat zou hebben gedaan en eiseres af en toe mee zou nemen naar zijn ouders, indien het zijn doel was eiseres seksueel uit te buiten. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het ook hier een waardeoordeel van verweerder, terwijl niet valt uit te sluiten dat [naam 5] dit inderdaad heeft gedaan en eiseres eerst daarna heeft gedwongen zich te prostitueren, zoals eiseres zelf ook heeft verklaard. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de verklaringen van eiseres op dit punt passen in het algemeen bekende beeld van de praktijken van een zogenoemde loverboy, waarbij de loverboy eerst het vertrouwen van het slachtoffer wint en daarna het slachtoffer dwingt tot prostitutie.

8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat eiseres onjuiste gegevens heeft verstrekt, die, indien deze gegevens ten tijde van verlening van de vergunning bekend waren geweest, dit niet zou hebben geleid tot verlening van de verblijfsvergunning. Het bestreden besluit komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, zoals verweerder in het verweerschrift heeft verzocht onder verwijzing naar de informatie verkregen uit Duitsland. Immers, zoals in rechtsoverweging 6.2 is overwogen, staat niet zonder meer vast dat sprake is van door eiseres verstrekte feitelijke onjuistheden.

9.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

10.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

11.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

12.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

13.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

14.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

15.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

16.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 472,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 472,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.