Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19095

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
C/09/431869 / HA ZA 12-1371
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:3604, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Terugkomen door aansprakelijkheidsverzekeraar op erkenning aansprakelijkheid van verzekerde; ernstige twijfel over betrouwbaarheid verzekerde; verhouding deelgeschilprocedure en bodemprocedure; directe actie (art. 7:954 BW). zie ook ECLI:NL:GHDHA:2016:3604

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/431869 / HA ZA 12-1371

Vonnis van 3 juli 2013

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. T.J.J. van Dijk te Zoetermeer,

tegen

1. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde sub 1 in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

2. [B],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde sub 2 in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [A] , Nationale-Nederlanden en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding d.d. 16 november 2012, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 23 januari 2013, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 april 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] heeft op 31 juli 2008 letsel opgelopen aan haar linkerpink (hierna: het ongeval). Zij heeft naar aanleiding hiervan [B] aansprakelijk gesteld. Deze heeft de aansprakelijkstelling doorgeleid aan Nationale-Nederlanden in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van [B] .

2.2.

Nationale-Nederlanden heeft op basis van de door [A] en [B] gegeven verklaring omtrent de toedracht van het ongeval in eerste instantie aansprakelijkheid voor de schade van [A] erkend en een bedrag van € 23.174,20 als voorschot betaald. [A] en [B] hebben verklaard dat [B] op het strand van Domburg per ongeluk een balletje richting [A] had gegooid en dat [A] dit balletje heeft proberen af te weren, waarbij het balletje tegen haar pink kwam en zij letsel aan haar pink heeft opgelopen.

2.3.

Vervolgens is, mede door de wijze waarop het schadeaangifteformulier was ingevuld, bij Nationale-Nederlanden twijfel gerezen over de juistheid van de door [A] en [B] gegeven toedracht van het ongeval. Bij de omschrijving van het ongeval staat op het schadeaangifteformulier handgeschreven op de daarvoor bedoelde voorgedrukte regels:

Kind gooide met bal. Moeder van het kindje probeerde de bal te weren en brak haar pink.”

2.4.

Daarnaast staat handgeschreven vermeld:

“Ik gooide de bal”

2.5.

Op 17 november 2008 heeft Nationale-Nederlanden telefonisch contact opgenomen met [B] . Dit gesprek was voor Nationale-Nederlanden aanleiding om CED Forensic B.V. (hierna: CED Forensic) een onderzoek te laten verrichten naar de toedracht van het ongeval.

2.6.

Op 16 juni 2009 hebben de heren [X] en [Y] van CED Forensic een gesprek met [B] gehad. Naar aanleiding van dit gesprek zijn twee verklaringen opgemaakt. In de eerste verklaring vermeldt [B] over de toedracht van het ongeval onder meer het volgende:

“Ik ben die dag naar Domburg naar het strand gegaan. Ik was alleen. Ik ben daar op mijn scooter naar toe gegaan. (…) Ik rijd daar ongeveer anderhalf uur over. (…)

Ik kwam op een gegeven moment op het strand een gezin tegen. Ik kende dat gezin van de camping “ […] ” in [plaats] . Ik heb daar twee en een half seizoen gewerkt op die camping als kok. Ik weet dat dit gezin uit het oosten van het land komt, maar ik heb geen idee hoe deze mensen heten. Het was een vader, moeder en twee kinderen, een meisje van een jaar of acht en een jongen van een jaar of zes, denk ik. Ik ben in gesprek geraakt met deze mensen. Ik heb toen wat bij hun gedronken. Dat hebben we daar toen gekocht. Op een gegeven moment zijn we een balletje gaan overgooien. Dat was met de vader en de twee kinderen. Het balletje was een soort rubberen of plastic balletje. Deze was een maatje groter dan een tennisbal. Het was een stevig balletje. Je kon er wel een beetje in knijpen, maar niet veel. We waren een beetje aan het gek doen tijdens het balgooien. Na een kwartiertje of twintig minuten gooide ik de bal naar één van de anderen, ik weet niet meer naar wie, Ik ben rechtshandig. Ik gooide ook met mijn rechterhand. Ik kon niet met links gooien, want aan die hand was mijn verwonding. Ik gooide de bal volgens de gewoon. Ik kan me niet herinneren, da ik lomp gooide of dat ik verkeerd gooide of iets dergelijks. De bal kwam echter niet bij een van de anderen terecht, maar kwam tegen de and van een andere vrouw aan.

Die vrouw deed niet mee met het balspel. Zij hoorde niet bij ons. Ze had daar helemaal niets mee te maken. Ik weet het niet meer precies, maar volgens mij stond die vrouw op het strand. Deze vrouw was daar volgens mij met haar gezin of zoiets. Ik heb niet gezien, dat de bal die vrouw raakte. Ik heb dus ook iets gezien hoe dat die bal die vrouw raakte. Ik hoorde haar op een gegeven moment een vrouw “auw” roepen en nog wat andere minder nette kreten. Ik gooide dat balletje volgens mij op een normale manier met een normale snelheid. In ieder geval niet uitzonderlijk hard. Ik weet nog dat het die dag een hele mooie dag was en dat het strand behoorlijk vol was. Daar houd je dus wel degelijk rekening mee als je op het strand aan het spelen ben. Ik ben vervolgens naar toe gelopen om dat balletje op te pakken. Het balletje lag volgens mij toen wel bij haar in de buurt. Ik heb toen mijn excuses aangeboden aan die vrouw en ik dacht dat het daarmee over was. In haar buurt was een man, die ik van gezicht kende. Ik stak toen mijn hand nog naar hem op, omdat ik hem dacht te kennen. Die vrouw kende ik helemaal niet. Ik heb verder die dag niet meer gesproken met die vrouw of die man.

Ik heb het die dag verder dus ook niet meer met hen over dit ongevalletje gehad. Ik dacht dat er verder niets aan de hand was. Ik was me daar in ieder geval niet van bewust. Ik ben die middag nog een poosje op het strand gebleven. Ik heb met dat gezin nog een frietje gegeten en ik ben, denk ik, tussen vijf en zes uur ‘s middags weer naar huis gegaan. Ik weet verder niet of die vrouw die ik geraakt heb die middag op het strand is gebleven. Ik heb niet meer op hen gelet en ik heb hen verder niet meer gezien en ook niet zien vertrekken. Althans niet bewust. Ik heb met het gezin ook niet meer gesproken over dit ongevalletje. Ik weet ook niet of één van hen gezien heeft wat er precies gebeurd is.

Ik werd voor het eerst op de hoogte gebracht van het feit, dat er meer aan de hand was, toen ik een paar maanden later een brief van de advocaat van deze mensen kreeg. Zoals ik al eerder gezegd heb, kende ik de vrouw helemaal niet en de man kende ik van gezicht. Volgens mij heb ik die man wel eens eerder gezien op de kinderboerderij in Goes. Dat was al meer dan vijf jaar geleden. Nadat we elkaar ontmoet hebben op de kinderboerderij heb ik wel beter contact gekregen met die man. Die man is toen wel een aantal keren ook bij mij thuis geweest, samen met zijn zoontje. Ik weet dat zijn voornaam [C] is. Ik wist toen niet wat zijn achternaam was. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. Ik denk dat die man een keer of vier of vijf bij mijn thuis geweest is. Dat was altijd woensdagmiddag, dan was ik vrij van de camping. Min ex-vriendin heeft mijn zoontje ook meegenomen toen zij wegging. Vanaf dat moment is het contact met die man verbroken en hebben we elkaar niet meer gezien.”

2.7.

Ten aanzien van het schadeformulier heeft [B] het volgende verklaard:

“U toont mij een kopie van een schadeformulier. Ik heb dat formulier bekeken. In eerste instantie herkende ik dit formulier niet. De handtekening die er op stond lijkt op mijn handtekening, maar in eerste instantie dacht ik niet dat ik deze zelf op dit formulier heb gezet. Nu we er verder over gepraat hebben, ben ik inderdaad ook nog een keer gebeld door een man met een buitenlands accent. Ik weet niet meer precies wanneer dat dit geweest is. Ik kan me alleen herinneren dat dit over een schade ging. Hij zou mij iets opsturen, dat ik moest tekenen en dat ik daarna moest terugsturen. Meer kan ik me niet herinneren. Ik weet dat ik iets gekregen heb van hem, dat ik dat getekend heb en weer teruggestuurd heb. Het zou goed kunnen dat dit het schadeformulier is, dat u me net liet zien, maar dat weet ik niet zeker. Het handschrift op dit schadeformulier is niet mijn handschrift. Ik weet niet wiens handschrift het wel is. De verandering bij de toedrachtomschrijving heb ik niet zelf aangebracht. Dat zegt me helemaal niets. De naam van de tussenpersoon Europe Verzekeringen in Rotterdam zegt me niets. Ook de naam [D] zegt me niets. Ik heb deze man nog nooit gezien. Ik weet niet of mijn verzekeringen van [E] overgezet zijn naar Europe Verzekeringen. Ik heb dat zelf in ieder geval niet gedaan.”

(…)

Ik ben eerder met de politie en/of justitie in aanraking geweest, te weten in augustus 2003. Ik had toen een hennepkwekerij op zolder van mijn woning in dit huis met 131 plantjes. Ik ben daarvoor veroordeeld.”

2.8.

Na ondertekening van de eerste verklaring heeft [B] een tweede verklaring afgelegd en ondertekend, welke verklaring onder meer vermeldt:

“Naar aanleiding van mijn eerdere verklaring die ik bij u afgelegd heb, wil ik daar nog het een en ander over vertellen. U heeft mij geconfronteerd met een aantal feiten uit uw onderzoek. U heeft mij daar eerst mee aan het twijfelen gebracht, maar uiteindelijk wil ik u nu de waarheid vertellen met betrekking tot deze schadeclaim. Het voorval op het strand zoals ik u eerder verteld heeft, heeft nooit plaatsgevonden. Ik ben gepakt voor de hennepkwekerij op mijn zolder. Mede naar aanleiding van mijn verhaal bij de politie zijn er ook anderen opgepakt voor hennepkwekerijen. Onder andere [C] . Zijn achternaam weet ik pas sinds vorig jaar december. [C] is volgens mij ook veroordeeld. De naam van [C] was één van de mannen wiens naam in het onderzoek van de politie naar boven kwam. Ik heb mijn straf (van de veroordeling) aanvaard en daarvoor heb ik nu een bewindvoerder nodig.

In juli 2008 ben ik benaderd door [C] . Hij belde me toen op en wilde een afspraak maken in Goes. Dit gesprek moet plaatsgevonden heb tussen 28 juli 2008 en 5 augustus 2008. Het gesprek was ‘s middags. (…) Ik ben toen naar een Grandcafé op de Markt gegaan. Volgens mij heet die zaak Jerry’s of zoiets. [C] vertelde me toen dat er nog een rekening openstond uit de tijd van de hennepkwekerijen. Hij zei het niet precies zo, maar hier kwam het wel op neer. Hij vertelde me toen, dat ik een brief zou krijgen van een advocaat. Ik moest daar in mee gaan. Er is toen niet gesproken over de inhoud van deze brief. Er werd al wel het scenario besproken dat zijn vrouw een balletje tegen haar hand gehad zou hebben. Dat balletje zou ik dan gegooid moeten hebben. Zij zou daar toen invalide van geraakt zou worden. Ik moest dit gaan regelen met mijn verzekering. [C] vertelde mij toen, dat zijn vrouw al pijn aan haar hand had en dat ik dat op moest lossen. Het was mij dus wel snel duidelijk dat het ging om geld dat hij wilde hebben. Er is niet meer gesproken over wat er zou gebeuren als ik niet mee zou werken. Ik wil echter verder met mijn leven. Ik heb de consequenties van mijn hennepkwekerij toen aanvaard en wil nu verder met mijn eigen leen. Ik wil eigenlijk niets meer met hen te doen hebben, ik weet dat er consequenties kunnen zijn, als ik niet met hen mee werk. De kans is groot dat deze gewelddadig zullen zijn.

Vervolgens hoor ik een hele tijd niets meer, totdat ik in oktober de brief van de advocaat van [C] c.q. [A] ontvang. U toont mij de kopie van de brief van [Avocatenkantoor] Advocaten gedateerd op 1 oktober 2008. Dit is inderdaad de brief waarover ik nu praat. In deze brief word ik aansprakelijk gesteld voor letsel van mevrouw [A] . Dit is de vrouw of vriendin van [C] . Daar ben ik later achtergekomen. Ik had die vrouw voordat ik deze brief ontving nooit gezien.

Nadat ik de brief naar de bewindvoerder had gebracht, werd ik gebeld door [C] met de vraag of het geregeld was. Ik heb dat bevestigd. Daarna ben ik gebeld door Nationale-Nederlanden, zoals ik verklaard heb. Vanaf dit moment klopt mijn vorige verklaring over de afhandeling wel. Ook het deel over het schadeformulier in mijn vorige verklaring klopt ook. U toont mij nog een keer het kopie van het schadeformulier. Dit is het schadeformulier waarover ik nu spreek. De handtekening die er op staat is mijn handtekening. Dat is zeker. Er zat een retourenvelop bij om terug te sturen. Het adres om het naar terug te sturen stond er al op.

(…)

Ik heb in de contacten, na december 2008, met de vrouw van [C] inderdaad gezien dat zij echt iets aan haar hand heeft. (…) Volgens hen was dit inderdaad veroorzaakt door een balletje op het strand. Allen heb ik dat balletje niet gegooid.

(…)

Ik besef me nu, dat ik de verzekering in die tijd een verkeerde voorstelling van zaken heb gegeven over de toedracht van deze schadeclaim. Sterker nog ik heb deze schade nooit veroorzaakt en dat heb ik wel opgegeven aan de verzekeringsmaatschappij.”

2.9.

Nationale-Nederlanden heeft vervolgens tegen [B] aangifte gedaan bij de politie van oplichting en valsheid in geschrifte. De politie heeft naar aanleiding van deze aangifte een onderzoek ingesteld. [B] heeft bij de politie op 12 januari 2010, in verband met de toedracht van het ongeval het volgende verklaard:

“Op een of andere manier is de bal toen tegen de hand aangekomen van die [A] . Hoe dat heeft plaats gevonden weet ik niet. Wel weet ik nog dat ik toen de bal heb opgehaald.

U houdt mij voor dat het niet erg logisch is dat wanneer we met een groepje mensen in een soort kring een balspel aan het doen zijn ik een bal naar iemand zou hebben geworpen en dat ik vervolgens langs die persoon gelopen zou hebben om de bal op te halen. U zegt tegen mij dat het logischer zou zijn dat de bal naar mij toe gegooid zou zijn en dat ik die bal ben gaan ophalen omdat ik hem niet gepakt heb. Ik ben het helemaal met U eens. Dit zou ook niet erg logisch zijn. Zoals ik al meerdere keren heb verteld is het mij ook niet duidelijk wie die bal heeft gegooid. Ik weet enkel dat ik na ongeveer een jaar aansprakelijk werd gesteld door die brief van advocaat [de advocaat] . (…) Naar aanleiding van deze aansprakelijkheidsstelling heb ik maar aangenomen dat ik die bal dan heb gegooid. Ik heb dat dan ook in de verklaringen van dat onderzoeksbureau zo laten opnemen. Het klopt dat ik toen heb gezegd dat ik de bal heb gegooid terwijl ik die eigenlijk niet weet. Ik heb dit maar aangenomen. (…)

Hoe en wat er precies gebeurd is weet ik niet meer maar een feit is dat ik op een gegeven moment een bal ophaalde die niet gevangen was. Ik zag toen dat die bal op de grond lag in de buurt van een vrouw. (…) Ik heb ook niet gezien dat die bal tegen die vrouw aan is gekomen. Dit heb ik enkel uit haar mond gehoord en later uit het schrijven in de aansprakelijkheidstelling. Ik begreep toen wel dat de vrouw in kwestie toen hoorde bij een kennis van mij, [C] . Ik kende deze persoon uit de hennepwereld.

Tot slot ben ik nog steeds van mening dat ik in de veronderstelling ben dat dat letsel die geclaimd wordt door mij is veroorzaakt op het strand van Domburg met dat balletje. Ik weet nu ik hierover verder nadenk dit niet helemaal zeker. We waren met een groepje en ik kan niet met zekerheid zeggen dat die bal door mij is geworpen. Ik heb een afwijkende verklaring afgelegd omdat mij werd voorgehouden dat ik niet verzekerd was.

(…)

U vraagt mij naar het Schade-aangifteformulier welk document U in kopie ter beschikking is gesteld door de verzekeringsmaatschappij. U zegt tegen mij dat dit document door mij is ondertekend. Dit klopt. U vraagt aan mij wie de rest van de gegevens heeft ingevuld en op welke wijze ik met die document ben geconfronteerd. Ik weet mij nog te herinneren dat een poosje nadat ik die brief van die advocaat kreeg waarin ik voor het letsel aansprakelijk werd gesteld, [C] bij mij kwam met dat document. Dit document was ingevuld en ik hoefde er enkel een handtekening op te zetten. Als U mij zegt dat er onderaan het document de datum van 20 oktober 2008 staat vermeld dan zal dat wel de datum zijn geweest. Ik weet dat niet meer. Ik heb er dus enkel een handtekening opgezet. Verder is dit document niet door mij ingevuld’.

2.10.

In het proces-verbaal van de politie betreffende het relaas van onderzoek is het volgende opgenomen:

“PV verhoor [B]

***************

Op dinsdag 12 januari 2010 is de verdachte [B] op het bureau van politie te Goes als verdachte gehoord. Zakelijk weergegeven verklaarde hij dat door zijn toedoen letsel is ontstaan aan de hand van een vriendin van [C] en dat hij voor dit letsel aansprakelijk is gesteld. Hij verklaarde dat hij deze aansprakelijkheidclaim heeft aangemeld bij zijn verzekeringsmaatschappij De Nationale Nederlanden. Hij verklaarde dat hem nu door de verzekeringsmaatschappij werd verweten dat hij samen met [C] , voornoemd opzetje had gemaakt om de claim in te dienen van een schadegeval wetende dat het feit niet heeft plaats gevonden. Hij verklaarde dat hem was medegedeeld dat hij niet was verzekerd omdat hij zijn premie niet had betaald en dat volgens hem hiermee de kous voor hem af was. Hij verklaarde dat hij zich niet schuldig had gemaakt aan oplichting en/of valsheid in geschrifte.(…)

PV Verhoor [C]

**********************

Op donderdag 4 februari 2010 is de verdachte [C] op het bureau van politie te Goes gehoord. Zakelijk weergegeven verklaarde hij dat het schadegeval zoals in de claim bij [B] is vermeld daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hij verklaarde dat hij zich niet schuldig had gemaakt aan oplichting en/of valsheid in geschrifte. (…)”

2.11.

Bij brief van 11 juni 2010 heeft de politie NN als volgt bericht:

“Het proces-verbaal is beoordeeld op de vervolgingsmogelijkheden en gelet op de richtlijnen van de officier van justitie wordt dit proces-verbaal niet ingezonden aan het parket van de officier van justitie omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is. Dat betekent dat er geen strafvervolging zal plaatsvinden.(…)”

2.12.

Na een verzoek van [B] daartoe heeft er op woensdag 8 september 2010 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. In het proces-verbaal van dit getuigenverhoor is ten aanzien van het verhoor van [B] het volgende opgenomen:

“De heer [C] heb ik voor het eerst ontmoet toen ik een wietplantage had en hij een

van de mensen was die bij mij plantjes had staan. Die wietplantage werd al snel ontdekt en

ik heb daarvoor mijn straf gehad. Tegen de politie heb ik wel namen genoemd van de

mensen die bij mij plantjes hadden staan, maar ik weet niet meer of de naam van [C]

daarbij was. Ik heb uit die tijd geen schulden of verplichtingen bij [C]

overgehouden en hij heeft mij nooit bedreigd of iets dergelijks. U vraagt mij naar de

ontmoeting in het Grand Café. Ik heb hem nooit in het Grand Café ontmoet. Ik heb hem

ontmoet op het strand op de dag van het balletje. Daarna zijn de contacten weer

aangehaald. Zo deed ik klusjes voor hem en heb ik hem geholpen bij de verbouwing van zijn

huis. Daarvoor heb ik van hem de laminaatvloer gekregen. Ook ben ik op zijn huwelijk met

mevrouw [A] aanwezig geweest.

Ongeveer twee jaar geleden, de precieze datum weet ik niet meer, ging ik naar het strand

van Domburg. Ik ging op de scooter en het was middag. Ik was alleen. Op het strand kwam

ik een familie tegen die ik kende van de camping […] . Ik heb daar ongeveer

anderhalf seizoen gewerkt als kok. Eén seizoen was die familie daar ook. Ik weet niet meer

hoe ze heetten en ik kan mij ook de voornamen niet meer herinneren. Met dat gezin heb ik

wat gebald of gespeeld op dat strand. (…)

Tijdens het balspel heb ik per ongeluk een bal tegen mevrouw [A] aangegooid. Mevrouw [A] kende ik op dat moment nog niet. Ik ben naar haar toegegaan en heb sorry gezegd. Toen zag ik dat zij bij [C] hoorde en ik heb hem gegroet. Meer is er toen op dat strand niet gebeurd. U houdt mij voor dat het van groot belang is dat ik de waarheid verklaar over of ik wel of niet dat balletje gegooid heb. Ik blijf bij mijn verklaring.

In oktober 2008 kreeg ik een brief van mr. [de advocaat] waarin ik aansprakelijk werd gesteld voor de schade die mevrouw [A] had als gevolg van het balletje dat ik tegen haar aangegooid had. (…) Daarna ben ik gebeld door Nationale Nederlanden met de vraag of ik inderdaad een bal tegen mevrouw [A] had gegooid. Ik heb dat toen bevestigd. Daarna heb ik ongeveer een jaar niets gehoord, totdat er twee mannen op de stoep stonden van het CED. Dat heeft geleid tot de twee verklaringen. Eerst heb ik verklaard zoals ik vandaag heb gedaan. Daarna hebben deze twee mannen mij onder druk gezet door te zeggen dat ik zelf voor de schade zou opdraaien, omdat ik niet verzekerd was. Ik raakte hiervan in de war en heb daarom de tweede verklaring afgelegd in de hoop dat ik daarmee van alles af zou zijn. U houdt mij voor dat de tweede verklaring zeer gedetailleerd is met name met betrekking tot de ontmoeting met [C] in het Grand Café. Dat klopt, maar dat betekent niet dat wat daar staat waar is. Ik wil verder nog opmerken dat deze tweede verklaring in korte tijd is opgesteld in tegenstelling tot de eerste verklaring, waar uren over gesproken is.”

2.13.

In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van woensdag 8 september 2010 is ten aanzien van het verhoor van [C] het volgende opgenomen:

“Eind juli 2008, ik dacht 31 juli, ben ik met [A] , toen mijn vriendin, en onze twee kinderen een dagje naar het strand gegaan. Op een gegeven moment stonden [A] en ik tot onze middel in het water. [A] had onze dochter, [de dochter] , op haar arm. [de dochter] was toen ongeveer drie en een half jaar oud. Plotseling had ze pijn en liet [de dochter] vallen. Ik was een beetje boos op haar want je laat je dochter toch niet zomaar vallen. Ze zei dat ze probeerde een balletje wat in haar richting kwam af te weren omdat ze bang was dat [de dochter] geraakt zou worden. Toen kwam [B] aanlopen. Ik had hem die dag nog niet eerder gezien. Hij maakte zijn excuses. Verder hebben we aan het gebeuren niet veel aandacht besteed. Het leek toen allemaal niet zo ernstig.”

2.14.

In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van vrijdag 17 december 2010 is ten aanzien van het verhoor van [Y] in verband met het met [B] gevoerde gesprek het volgende opgenomen:

“Het gesprek met de heer [B] verliep eigenlijk heel gewoon, behalve dat wel duidelijk was uit zijn lichaamstaal dat hij zich ongemakkelijk voelde. Zo had hij bijvoorbeeld trillende handen toen hij een sigaret opstak. Aan het einde van het gesprek dat heeft geleid tot de eerste verklaring hebben mijn collega en ik hem de standaardvragen gesteld, zoals met betrekking tot het strafrechtelijk verleden. Daaruit kwam naar voren dat hij in 2003 met de politie in aanraking was geweest in verband met een hennepkwekerij op zolder. Dat was de eerste keer dat ik hoorde dat de heer [B] betrokken was bij een hennepkwekerij. Bovendien wist ik uit een ander onderzoek dat de heer [C] in 2004 was veroordeeld in verband met een hennepkwekerij en dat hij de oud-werkgever van [B] kende. Mijn collega en ik besloten om de heer [B] hier nader over te bevragen. Nadat hij de eerste verklaring had ondertekend zei ik hem dat ik niet geloofde dat hij de waarheid had verteld en vroeg hem of hij [C] soms kende via zijn oud-werkgever. De heer [B] schrok ervan dat ik de naam van zijn oud-werkgever wist, maar ontkende dat hij via hem [C] had ontmoet. Toen vroeg ik hem of hij [C] misschien kende vanwege de hennepkwekerij. Daarop verklaarde [B] dat dit inderdaad zo was. Hij leek opgelucht. Hij zei: “Als u dat nu eerder had verteld, had ik u gelijk het goede verhaal verteld”. We zaten toen al een aantal uren te praten. Vervolgens hebben wij een nieuwe verklaring opgenomen (…)

Tijdens het eerste gesprek hebben wij met de heer [B] uitgebreid gesproken over alle brieven die in het dossier zaten met betrekking tot het betalen van premies.(…) Ook tijdens het tweede gesprek hebben wij het hierover gehad denk ik. Pas na afloop van het tweede gesprek en het ondertekenen van de tweede verklaring hebben wij met de heer [B] gesproken over de mogelijke consequenties. (…) Hij zei dat hij bang was voor de consequenties die zijn tweede verklaring zou kunnen hebben van de kant van de heer [C] . Tijdens het hele gesprek was de heer [B] wel gespannen maar zeker niet overstuur.(…) Ik hecht meer waarde aan het tweede verhaal van de heer [B] dan aan het eerste verhaal. Het eerste verhaal vertoont teveel hiaten en onwaarschijnlijkheden. Het tweede verhaal daarentegen is consistent en logisch.(…)”

2.15.

In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van vrijdag 17 december 2010 is ten aanzien van het verhoor van [X] over het gesprek het volgende opgenomen:

“De opdracht was om onderzoek te doen naar de toedracht van het evenement, met name omdat het schadeformulier heel summier was en vanwege de betrokkenheid van de heer [C] had een schadeverleden bij verschillende verzekeringsmaatschappijen. (…)

Het gesprek verliep in een prettige sfeer [B] maakte koffie voor ons en leek ontspannen. In het begin twijfelde ik niet aan zijn verhaal. Gaandeweg het verhaal ben ik wel gaan twijfelen ik vond dat een aantal punten onwaarschijnlijk waren. Een voorbeeld is het volgende. Op het strand heeft [B] [C] ontmoet na het gooien van het balletje. Hij zegt daarover dat hij deze persoon vaag kende.

Later verklaarde hij dat [C] meerdere malen een woensdagmiddag bij hem had doorgebracht, omdat de kinderen van [B] en [C] elkaar kenden van de

kinderboerderij. Op deze punten hebben wij doorgevraagd, maar [B] bleef bij zijn verhaal.

Ook vond ik het raar dat [B] vertelde dat hij uit het niets een brief van de advocaat van [C]

kreeg, terwijl [C] toch wist waar [B] woonde en contact met hem had

kunnen opnemen.

(…)

Tijdens het afleggen van de tweede verklaring was [B] zenuwachtig. Ik had de indruk dat hij bang was voor [C] . Hij wilde graag roken en zijn handen trilden bij het roken. Zijn gedrag werd onrustig.”

2.16.

Vervolgens heeft [A] bij verzoekschrift van 11 maart 2011 een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij (onder meer) verzocht om voor recht te verklaren dat Nationale-Nederlanden en [B] aansprakelijk zijn voor de schade ten gevolge van het letsel dat zij op 31 juli 2008 had opgelopen en dat zij gehouden zijn die schade te vergoeden. Bij beschikking van 28 oktober 2011 (LJN: BU3883) heeft de deelgeschilrechter uitsluitend de verklaring voor recht ten aanzien van [B] toegewezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – een verklaring voor recht dat Nationale-Nederlanden gehouden is de als gevolg van het aan [A] op 31 juli 2008 overkomen ongeval geleden en nog te lijden schade te vergoeden en Nationale-Nederlanden bij vonnis te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade van € 250.000,00, vermeerderd met (buiten)gerechtelijke kosten en rente.

3.2.

[A] legt aan haar vordering ten grondslag dat Nationale-Nederlanden als de aansprakelijkheidsverzekeraar van [B] gebonden is aan haar erkenning van aansprakelijkheid en daarop niet mag terugkomen en op grond van artikel 7:954 BW gehouden is om de schade van [A] rechtstreeks aan haar te vergoeden.

3.3.

Nationale-Nederlanden voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Nationale-Nederlanden vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [A] tot betaling van € 33.354,81, vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

[A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Nationale-Nederlanden heeft als primair verweer gevoerd dat dekking onder de verzekeringsovereenkomst ontbreekt, omdat de dekking ten tijde van het ongeval was opgeschort. Subsidiair voert Nationale-Nederlanden aan dat, zelfs wanneer er wel verzekeringsdekking zou zijn, Nationale-Nederlanden niet gehouden kan worden om de door [A] ten gevolge van het ongeval geleden schade uit te keren.

4.2.

Het primaire verweer van Nationale-Nederlanden slaagt niet. Uit de in het geding gebracht stukken blijkt dat de bewindvoerder van [B] op 29 april 2008 een bedrag van € 56,22 heeft overgemaakt aan Nationale-Nederlanden onder vermelding van de omschrijving “ [nummer] / [B] aansprakelijkheidsverzekering”. Voornoemd bedrag en omschrijving corresponderen met een acceptgiro die Nationale-Nederlanden in april 2008 aan [B] heeft verzonden. Die acceptgiro heeft betrekking op een verzekeringsperiode van 12 maanden en de vervaldatum voor de betaling is 31 mei 2008. Nu uit de bij de aansprakelijkheidsverzekering behorende, door Nationale-Nederlanden overgelegde polisvoorwaarden blijkt dat de verzekeringspremie vooruit dient te worden betaald, volgt de rechtbank Nationale-Nederlanden niet in haar betoog dat de voornoemde betaling betrekking zou hebben op de premie voor het verzekeringsjaar 2007, mede nu de premie voor dat jaar € 55,96 bedroeg.

4.3.

Het voorgaande leidt ertoe dat ten tijde van het ongeval de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering van [B] niet was opgeschort en [B] in beginsel aanspraak kan maken op verzekeringsdekking.

4.4.

De vraag die zich vervolgens aandient is of Nationale-Nederlanden gehouden is om de door [A] ten gevolge van het ongeval geleden schade uit te keren. Daartoe is vereist dat de aansprakelijkheid van [B] voor het ongeval tussen partijen vaststaat.

4.5.

[A] stelt zich op het standpunt dat Nationale-Nederlanden reeds aansprakelijkheid heeft erkend en (jegens haar) op die erkenning niet kan terugkomen. Met de deelgeschilrechter is de rechtbank van oordeel dat Nationale-Nederlanden op een erkenning van aansprakelijkheid kan terugkomen wanneer de erkenning heeft plaatsgevonden doordat de verzekerde een onjuiste voorstelling van zaken ten aanzien van de feiten heeft gegeven, zoals Nationale-Nederlanden stelt. De stelling van [A] gaat dan ook alleen op als komt vast te staan dat het gestelde veroorzakende feit zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Dat zulks het geval is, wordt door Nationale-Nederlanden betwist. Zij beroept zich jegens [A] dan ook, naar de rechtbank begrijpt, op dwaling en/of bedrog ten aanzien van de erkenning van de aansprakelijkheid (analoge toepassing van artikel 6:228 en 6:216 BW op eenzijdige rechtshandelingen, zie Hoge Raad, 10 januari 1992, LJN: ZC0470). Dit betekent dat op Nationale-Nederlanden de bewijslast rust ten aanzien van de stellingen die zij ten grondslag legt aan haar beroep op dwaling, nu deze stellingen door [A] gemotiveerd worden betwist.

4.6.

De rechtbank overweegt dat [B] vier geheel verschillende en deels tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent de toedracht van het ongeval, waarvan er in ieder geval één leugenachtig moet zijn. Hierdoor kan aan zijn verklaringen, voor wat betreft de toedracht van het ongeval, geen enkele waarde worden gehecht. [C] heeft verklaard dat het ongeval heeft plaatsgevonden, maar gegeven de omstandigheden kan aan zijn verklaring slechts een geringe waarde toekomen. Daarbij is van belang dat hij is de echtgenote van [A] en daarmee een (indirect) belang heeft bij de uitkomst van deze procedure nu door [A] een aanzienlijk bedrag (aan voorschot) wordt gevorderd. Daarbij komt dat [C] door [B] in een van de verklaringen is genoemd als de initiatiefnemer van het plan tot fraude, terwijl [C] ook reeds strafrechtelijk is veroordeeld in verband met een hennepkwekerij (r.o. 3.14.).

Aan de verklaringen van [Y] en [X] daarentegen komt aanzienlijk meer waarde toe, nu zij als onafhankelijke getuigen hebben te gelden. Zij waren ten tijde van het door hen uitgevoerde onderzoek en op het moment dat zij als getuigen werden gehoord immers niet in dienst van Nationale-Nederlanden.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande meebrengt dat op grond van de bij de feiten aangehaalde verklaringen vaststaat dat de door [A] en [B] geschetste toedracht van het ongeval op basis waarvan Nationale-Nederlanden aansprakelijkheid van [B] (en dekking onder de verzekering) heeft erkend in strijd is met de waarheid. In de wijze waarop het schadeaangifteformulier is ingevuld ziet de rechtbank een bevestiging voor dit oordeel.

4.8.

Nu [A] heeft aangeboden van haar stelling dat het balletje door [B] tegen haar aan is gegooid, dient zij op grond van artikel 151 lid 2 Rv te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

4.9.

Wanneer [A] slaagt in het leveren van tegenbewijs, dan heeft Nationale-Nederlanden niet bewezen dat zij mag terugkomen op haar erkenning van aansprakelijkheid en op de toezegging van dekking onder de verzekering. De rechtbank zal dan overgaan tot begroting van de schade op grond van artikel 612 Rv, nu [A] inmiddels, bijna vijf jaar na het ongeval, in staat moet worden geacht om de omvang van haar schade te kunnen begroten. De rechtbank zal haar daartoe dan in de gelegenheid stellen.

4.10.

Wanneer [A] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, staat vast dat Nationale-Nederlanden onder de gegeven omstandigheden jegens [A] mocht terugkomen op haar erkenning van aansprakelijkheid en op de toezegging van dekking onder de verzekering. De vordering van [A] in conventie zal in dat geval worden afgewezen.

4.11.

[A] zal in dat geval als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. Die kosten aan de zijde van Nationale-Nederlanden worden tot op heden begroot op:

- griffierecht 3.621,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.621,00

4.12.

Nu [A] geen vordering heeft gericht tegen [B] , zal zij tevens worden veroordeeld in de kosten in conventie aan de zijde van de niet verschenen gedaagde [B] , welke kosten worden begroot op nihil.

in reconventie

4.13.

Wanneer [A] slaagt in het leveren van tegenbewijs in conventie, zal dit ertoe leiden dat de vordering in reconventie wordt afgewezen, tenzij de uiteindelijk vastgestelde schade van [A] lager is dan hetgeen door Nationale-Nederlanden reeds is uitgekeerd.

4.14.

Wanneer [A] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs in conventie, zal dit ertoe leiden dat de rechtsgrond voor de betaling van het voorschot van € 23.174,20 door Nationale-Nederlanden aan [A] is komen te vervallen. Nationale-Nederlanden kan in dat geval met succes voornoemd bedrag als onverschuldigd betaald van [A] terugvorderen.

4.15.

Nationale-Nederlanden vordert tevens een bedrag van € 10.180,71 aan buitengerechtelijke kosten. Nu Nationale-Nederlanden heeft nagelaten deze kosten op enigerlei wijze te onderbouwen, zal de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke kosten in een te wijzen eindvonnis afwijzen.

4.16.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over het betaalde voorschot zal de rechtbank in het te wijzen eindvonnis aansluiten bij de door Nationale-Nederlanden genoemde datum van 23 september 2009, nu [A] tegen de gevorderde wettelijke rente geen verweer heeft gevoerd.

4.17.

[A] zal in dat geval als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Nationale-Nederlanden worden tot op heden begroot op:

- salaris advocaat 2.000,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 2.000,00)

Totaal € 2.000,00

4.18.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in reconventie aan.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

laat [A] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het oordeel van de rechtbank dat het door [A] gestelde letsel niet door [B] is veroorzaakt,

5.2.

bepaalt dat, indien [A] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.L.M. Luiten op een door hem te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag;

- bepaalt dat de advocaat van [A] binnen twee weken na de datum van dit vonnis

schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel - opgave zal

doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van vier maanden na

heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

5.3.

bepaalt dat [A] , indien zij het bewijs niet door getuigen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2013.