Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19093

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
AWB 12/32501
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / beoordeling zwaarwegendheid / 4, vierde lid Definitierichtlijn / 15c Definitierichtlijn / instandlaten rechtsgevolgen

Verweerder heeft de problemen die eiser heeft ondervonden aan de zijde van Shebab Denboes geloofwaardig geacht, maar de daaraan door eiser ontleende vermoedens dat hij door hen zal worden ontvoerd en gedood, heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op dit standpunt kunnen stellen omdat de bedreigingen zijn gestopt na het beëindigen van zijn werkzaamheden in de winkel en eiser tot aan zijn vertrek probleemloos thuis heeft kunnen blijven. Eisers standpunt dat hij bij terugkeer naar Irak het risico loopt te worden ontvoerd en vermoord zoals zijn broer die om dezelfde redenen asiel had gevraagd, is overkomen kort na zijn terugkeer in Irak, volgt de rechtbank niet. De daartoe overgelegde overlijdensaktes zijn door bureau documenten vals bevonden en de overgelegde foto’s van de grafsteen van zijn broer weerleggen de conclusies van bureau documenten niet. De aan eiser gerichte dreigbrief en de aangifte daarvan van zijn zus maken bovenstaande niet anders, nu deze stukken in het licht van de vals bevonden aktes niet als bewijs kunnen dienen.

Verweerder is in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk ingegaan op het door eiser reeds in een eerder stadium gedane beroep op artikel 4, vierde lid, Definitierichtlijn dat in geval een vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade dit een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er gronden zijn om aan te nemen dat die vervolging of schade zich niet zal voordoen. Nu de op eiser persoonlijk gerichte bedreiging alsnog geloofwaardig is geacht, slaagt deze beroepsgrond. Het besluit is in strijd met artikel 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Doordat verweerder ter zitting heeft overwogen dat de op eiser persoonlijk gerichte bedreiging wel geloofwaardig wordt geacht, maar het relaas nog steeds onvoldoende zwaarwegend omdat eiser vervolgens met rust is gelaten, heeft verweerder zich feitelijk wel uitgelaten over de vraag of er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging zich opnieuw voor zal doen. De rechtbank kan dit standpunt volgen.

Ten aanzien van eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Vw stelt de rechtbank vast dat het EHRM in S.A. tegen Zweden van 27 juni 2013, (zaaknummer 66523/10) heeft aangenomen dat er geen zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat burgers die naar Irak worden gestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 EVRM. Vaststaat dat een groot deel van de door eiser ingebrachte stukken niet bij deze uitspraak waren betrokken. Hoewel deze stukken geen rooskleurig situatie naar voren komt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze stukken niet kan worden afgeleid dat de situatie in Irak dusdanig is verslechterd dat daar thans sprake is van een uitzonderlijke situatie als bovenvermeld. Het merendeel van de door eiser ingebrachte recente stukken betreffen kranten- of internetartikelen over aantallen burgerslachtoffers. Verweerder heeft evenwel terecht gewezen op het stuk Iraq Body Count 2003-2013. Uit dit stuk blijkt van een recente toename in het aantal slachtoffers, maar dat staat niet in verhouding tot de veel hogere aantallen in 2006 en 2007. Ook het rapport van Unami van juni 2013 maakt niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, nu daarin wordt gesproken van het hoogste aantal sinds 2009, terwijl uit het stuk Iraq Body Count blijkt dat ook de cijfers uit 2009 niet in verhouding staan tot de hogere aantallen in 2006 en 2007. Ook de antwoorden op de Kamervragen leiden niet tot een andere conclusie. Hoewel de minister aangeeft dat de situatie sinds april 2013 lijkt te verslechteren, stelt de minister tevens dat uit de beschikbare informatie niet valt af te leiden dat terugkeer een artikel 3 EVRM risico oplevert.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-02-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 1232501

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. D.C.F. van Noort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Voor het procesverloop voorafgaande aan deze uitspraak verwijst de rechtbank naar haar uitspraken van 17 november 2010 (AWB 09/6884) en 8 juni 2011 (AWB 11/3155), die zijn aangehecht. In de uitspraak van 8 juni 2011 is het door eiser ingediende beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, wederom gegrond verklaard, het besluit van 31 december 2010 vernietigd en is verweerder wederom opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Op 11 juli 2012 is deze uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd (201107418/V4).

Bij besluit van 20 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen.


Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Gelet op de uitspraak van 17 november 2010 staat vast dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan worden tegengeworpen. De door eiser ondervonden problemen van de zijde van Shehab Denboes worden geloofwaardig geacht, maar de daaraan door eiser ontleende vermoedens dat hij in de negatieve belangstelling staat, worden niet aannemelijk geacht aangezien eiser niet persoonlijk is bedreigd en na sluiting van de winkel geen problemen meer heeft ondervonden. De twee door eiser overgelegde documenten waaruit zou blijken dat zijn broer na terugkeer naar Irak is ontvoerd en gedood, leiden niet tot een andere conclusie. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het willekeurig geweld in Irak in het algemeen en in Bagdad in het bijzonder op dit moment dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat er individuele feiten en omstandigheden zijn die aanleiding vormen om, mede gelet op de algemene veiligheidsituatie in Irak en in de provincie Bagdad in het bijzonder, een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan te nemen. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw.

Ter zitting heeft verweerder het standpunt dat niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser als eigenaar van de winkel persoonlijk werd bedreigd door Shehab Denboes, laten vallen. Het bestreden besluit is daarmee niet onjuist of onzorgvuldig, aldus verweerder, omdat het relaas nog steeds onvoldoende zwaarwegend is voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Na het sluiten van de winkel zijn de bedreigingen immers gestopt en heeft eiser tot aan zijn vertrek zonder problemen thuis verbleven.

2. Eiser voert hiertegen aan dat dit laatste hem niet kan worden tegengeworpen, omdat het feit dat eiser geen problemen heeft ondervonden, te maken heeft met het feit dat hij een laag sociaal profiel heeft aangehouden. Daar komt bij dat mensen niet thuis worden aangevallen, omdat men niet met ongesluierde vrouwen geconfronteerd mag worden. De aanvallen vinden plaats op openbare plaatsen als een winkel of de straat.

2.1 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser zijn vermoedens dat hij zal worden ontvoerd en gedood niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Eiser en zijn broer hebben op 20 december 2007 een dreigbrief ontvangen. Na ongeveer twintig dagen hebben eiser en zijn broer de winkel gesloten. Onbetwist is dat eiser na het beëindigen van zijn werkzaamheden tot aan zijn vertrek op 27 april 2008 probleemloos thuis heeft verbleven. De verklaring van eiser dat Shehab Denboes niet met ongesluierde vrouwen mag worden geconfronteerd en eiser een laag sociaal profiel heeft aangehouden, is onvoldoende om de vermoedens wel aannemelijk te achten. Verweerder heeft in redelijkheid niet aannemelijk kunnen achten dat eiser in de negatieve belangstelling stond van Shebab Denboes of het Al Mahdileger.

3. Eiser heeft voorts aangevoerd, dat de omstandigheid dat zijn broer, die om dezelfde reden hier te lande asiel had aangevraagd, kort na zijn terugkeer in Irak is ontvoerd en vermoord een verdere aanwijzing is dat zijn vrees voor wat hem bij terugkeer naar Irak te wachten staat, reëel is.

3.1 De rechtbank volgt dit standpunt niet en acht hiertoe het volgende van belang. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een overlijdensakte van zijn broer [naam] met nummer [nummer], een herziene overlijdensakte met nummer [nummer], een proces-verbaal van aangifte van ontvoering van zijn broer [naam] en foto’s van de grafsteen van zijn broer overgelegd. De overlijdensaktes zijn door bureau Documenten op echtheid onderzocht en op 29 mei 2013 is een rapport opgemaakt. Beide overlijdensaktes zijn door bureau Documenten vals bevonden omdat er onregelmatigheden zijn aangetroffen in de opmaak en afgifte van de documenten en omdat de legalisatie niet correspondeert met het beschikbare referentiemateriaal. Nu de overlijdensaktes vals zijn bevonden op grond van meerdere punten en eiser verder geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid van het onderzoeksrapport, kan daaraan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Met de in beroep overgelegde foto’s van de grafsteen van zijn broer worden de conclusies uit het onderzoeksrapport ook niet weerlegd. Hieruit zou hoogstens kunnen blijken dat de broer is overleden, echter deze stukken zeggen niets over de aard en oorzaak daarvan.


3.2 Het overgelegde proces-verbaal van aangifte door de schoonzus van de ontvoering van haar echtgenoot [naam], nummer [nummer], leidt evenmin tot een ander oordeel. Nog afgezien van het feit dat de aangifte van ontvoering het persoonlijk relaas is van de aangeefster, heeft bureau Documenten de authenticiteit van het proces-verbaal van aangifte van ontvoering ook niet kunnen bevestigen vanwege gebrek aan referentiemateriaal. In dat verband is mede van belang dat eiser geen concrete argumenten aandraagt over de aard en de achtergrond van de ontvoering en het overlijden van zijn broer. Het causaal verband met de eerdere bedreiging door Shebab Denboes en de werkzaamheden van zijn broer staat dan ook niet vast. Gelet hierop kan ook hieraan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien.

4.

Eiser heeft ter verdere onderbouwing van zijn stelling dat zijn vrees voor vervolging bij terugkeer wel degelijk reëel is een aan hem gerichte dreigbrief van 3 februari 2011 van de “brigades van de Federatie van de Waarheid” en de aangifte van zijn zus naar aanleiding van deze dreigbrief overgelegd. Verweerder heeft zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt gesteld dat nu de overlijdensaktes van zijn broer vals zijn deze dreigbrief en de aangifte daarvan niet als bewijs kan dienen dat hem hetzelfde zal overkomen. Verweerder had tactisch onderzoek moeten doen via een vertrouwenspersoon van de ambassade, zeker nu bureau Documenten geen uitspraak heeft kunnen doen over de echtheid van het proces-verbaal en de dreigbrief wegens gebrek aan referentiemateriaal. Verweerder had zich gelet op de foto van de grafstenen, de processen-verbaal van de schoonzus van aangifte ontvoering en van de dreigbrief moeten vergewissen of het onderzoek van de documenten zorgvuldig is geweest. Eiser verwijst in dit verband nog op een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 oktober 2012 inzake Singh vs België (ECLI:NL:XX:2012:BY3194).


4.1 Deze beroepsgrond slaagt evenmin Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de overlijdensaktes heeft verweerder kunnen volstaan met zijn standpunt dat de dreigbrief en het proces-verbaal van aangifte in het licht van de vals bevonden aktes niet als bewijs kunnen dienen. Verweerder heeft dan ook geen verder onderzoek naar de processen-verbaal hoeven doen.

4.2

Het beroep van eiser op het arrest van het EHRM van 2 oktober 2012 Singh vs België treft geen doel. In dit arrest ging het om documenten afkomstig van de UNHCR die niet waren onderzocht, terwijl dat wel mogelijk was. De processen-verbaal van aangifte en de dreigbrief zijn in dit geval wel door bureau Documenten onderzocht.

5.

Eiser voert voorts aan dat de beoordeling van verweerder ook in strijd is met artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn) en artikel 3.35, tweede lid, Vw. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 februari 2009 (C-465/07, Elgafaji) dient er sneller subsidiaire bescherming geboden te worden, als iemand eerder bloot heeft gestaan aan een ernstige rechtstreekse bedreiging met vervolging dan wel ernstige schade. Het moeten opgeven van je inkomensbron als gevolg van bedreiging is een daad van vervolging dan wel een onmenselijke en/of vernederende bejegening. De dood van de broer van eiser is een verdere aanwijzing dat het risico reëel is. Nu de rechtbank in zijn uitspraak van 17 november 2010 het beroep hierop onbesproken heeft gelaten, kan verweerder niet volstaan met verwijzing naar die uitspraak.

5.1

In artikel 4, vierde lid, Definitierichtlijn is bepaald dat het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser verder gevrijwaard blijft van vervolging/onmenselijke bejegening.

5.2

Verweerder is in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk ingegaan op dit reeds in een eerder stadium door eiser naar voren gebrachte argument. Daar komt bij dat verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven de op eiser persoonlijk gerichte bedreiging alsnog geloofwaardig te achten. Daarmee komt ook het beroep op artikel 4, vierde lid, Definitierichtlijn in een ander daglicht te staan, nu daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat eiser reeds is blootgesteld aan tenminste bedreiging. Deze beroepsgrond slaagt. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46, Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).

6.

De rechtbank zal vervolgens bezien of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.

6.1

Verweerder heeft ter zitting overwogen dat, zelfs nu de op eiser persoonlijk gerichte bedreiging wel geloofwaardig wordt geacht, het relaas nog steeds onvoldoende zwaarwegend is gelet op het feit dat eiser vervolgens met rust is gelaten. Daarmee heeft verweerder zich feitelijk wel uitgelaten over de vraag of er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging zich opnieuw zal voordoen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, kan dit standpunt van verweerder standhouden.


6.2Eiser voert ten slotte aan dat in Irak sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn en heeft daartoe de volgende stukken ter onderbouwing overgelegd:



- een bericht van Amnesty International van 23 juli 2012 en 11 september 2012;
- verschillende berichten van ReliefWeb report over aanslagen op sji’ieten en burgers, d.d. 4 januari 2013, 3 januari 2013, 2 januari 2013, 31 december 2012, 17 december 2012, 12 december 2012, 29 november 2012 en 27 november 2012;
- UN Press Release 8 april 2013, minimaal 29 burgers gedood en 853 gewond in maart 2013;
- UN Press Release 2 mei 2013: de maand april was de dodelijkste sinds juni 2013. In totaal 712 doden en 1633 gewonden;
- UN Press Release, 1 augustus 2013: in totaal 1057 doden en 2397 gewonden;
- rapport van UNAMI Human Right Office juli-december 2012 van juni 2013: Despite some improvements the political situation and events within in the region have impaced negatively on the security and human rights situation in Iraq. Of major concern, violence, including terrorist acts targeting civilians, which had been in decline since 2008 through to 2011, reversed in 2012, with the year witnessing, the highest civilian casulaty rate since 2009;
- internetbericht www.volkskrant.nl d.d. 21 juli 2013: zeker 69 doden in winkelstraten van Bagdad;
- internetbericht www.volkskrant.nl d.d. 29 juli 2013: tientallen doden door reeks bomaanslagen Irak;
- internetbericht www.trouw.nl d.d. 1 augustus 2013: Irak vreest terugkeer “Zwarte Jaren”;
- internetbericht www.volkskrant.nl d.d. 6 augustus 2013: zeker 35 doden door reeks aanslagen in Bagdad;
- internetbericht www.trouw.nl d.d. 15 augustus 2013: tientallen slachtoffers door nieuw geweldsgolf Irak;
- internetbericht www.volkskrant.nl d.d. 18 augustus 2013: opnieuw doden bij bomaanslagen in Iraq;
- internetbericht www.trouw.nl d.d. 25 augustus 2013: zeker 46 doden bij aanslagen rebellen in Irak;
- internetbericht www.volkskrant.nl d.d. 30 augustus 2013: opnieuw twee autobommen ontploft in Irak;
- internetbericht www. volkskrant.nl d.d. 3 september 2013: zeker 67 doden bij aanslagen in en rond Bagdad;
-internetbericht www.nos.nl d.d. 3 september 2013, over dezelfde bomaanslagen: serie bomaanslagen in Irak;
-internetbericht www.nu.nl d.d. 6 september 2013, over dezelfde bomaanslagen in Irak.
-een verwijzing naar een rapport aan van the Center for Strategic and International Studies (CSIS) van 24 oktober 2012, blz. 19 patterns of violence in Iraq.

Eiser geeft daarbij aan dat de overgelegde stukken over de situatie in 2013 door het EHRM niet zijn meegenomen in de uitspraken S.A. tegen Zweden, M.Y.H. tegen Zweden en A.G.A.M. tegen Zweden. Eiser wijst voorts op artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, Definitierichtlijn waarin is bepaald dat lidstaten nauwkeurige en actuele informatie moeten verzamelen over de algemene situatie in het land van herkomst van de vreemdeling.

Ter zitting heeft eiser nog gewezen op de brieven die verweerder op 28 juni en 2 augustus 2013 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd en waarin hij heeft laten weten dat de algemene veiligheidssituatie in Irak is verslechterd.


6.3 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, waarin het voornemen is herhaald en ingelast, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de provincies Baghdad, Diyala, Kirkuk Ninewa en Salah Al Din op dit moment geen uitzonderlijke situatie is in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Volgens de jurisprudentie van het EHRM van 17 juli 2008 en 20 januari 2009 (NA v VK, nr. 25904/08 en F.H. v Zweden, nr. 3621/06) zal een dergelijke situatie zich slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen. Het moet gaan om “the most extreme cases of general violence”. Hoewel de situatie in de provincie Bagdad in het bijzonder nog steeds als ernstig en zorgelijk moet worden omschreven, is verweerder van oordeel dat deze niet zo uitzonderlijk en ernstig is dat enkel terugkeer naar dit gebied al in strijd is met artikel 3 EVRM. De aangehaalde bronnen (Amnesty International 23 juli 2012 en berichten over aanslagen op burgers) doen niets af aan de voorgaande conclusie. In het verweerschrift verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3617), waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) oordeelt dat er zich in Irak geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn voordoet en waarbij de Afdeling ook het CSIS rapport heeft betrokken. Het bericht van Amnesty en de persberichten van Agence France Presse zijn uitgebracht vóór het CSIS rapport dus kunnen deze berichten ook niet tot die conclusie leiden. In de persberichten van 17 december 2012 en 2 januari 2013 valt te lezen dat het geweld dramatisch is afgenomen sinds de piek in 2006 en 2007, terwijl het EHRM ook ten aanzien van de periode vóór augustus 2007 nooit een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn heeft aangenomen. Ook de overige stukken leiden volgens verweerder niet tot een ander oordeel. Verweerder wijst op zijn beurt naar een stuk van Iraq Body Count 2003-2013. Het aantal slachtoffers genoemd in de door eiser overgelegde stukken ligt lager dan in 2007 en daarvoor.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de brieven die de minister naar de Tweede Kamer heeft gestuurd en het feit dat er een nieuw ambtsbericht komt, bovenstaande ook niet anders maakt.

6.4

De rechtbank stelt vast dat het EHRM in S.A. tegen Zweden van 27 juni 2013, (zaaknummer 66523/10) heeft aangenomen dat er geen zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat burgers die naar Irak worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 EVRM. Vaststaat dat een groot deel van de door eiser ingebrachte stukken niet bij deze uitspraak zijn betrokken. Hoewel uit deze stukken geen rooskleurige situatie naar voren komt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze stukken niet kan worden afgeleid dat de situatie in Irak dusdanig is verslechterd dat daar thans sprake is van een uitzonderlijke situatie als bovenvermeld. Het merendeel van de door eiser ingebrachte recente stukken betreffen kranten- of internetartikelen over aantallen burgerslachtoffers. Verweerder heeft evenwel terecht gewezen op het stuk Iraq Body Count 2003-2013. Uit dit stuk blijkt van een recente toename in het aantal slachtoffers, maar dat staat niet in verhouding tot de veel hogere aantallen in 2006 en 2007. Ook het rapport van Unami van juni 2013 maakt niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, nu daarin wordt gesproken van het hoogste aantal sinds 2009, terwijl uit het stuk Iraq Body Count blijkt dat ook de cijfers uit 2009 niet in verhouding staan tot de hogere aantallen in 2006 en 2007. Ook de antwoorden op de Kamervragen leiden niet tot een andere conclusie. Hoewel de minister aangeeft dat de situatie sinds april 2013 lijkt te verslechteren, stelt de minister tevens dat uit de beschikbare informatie niet valt af te leiden dat terugkeer een artikel 3 EVRM risico oplevert.

7.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten.

8.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,-

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S.O.L. Chung A Hing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.