Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19058

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
AWB 13-1846 en 13-1848
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:4055, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Referent heeft anderhalf jaar in [verbblijfplaats]verbleven en daar betaald werk verricht. Nu eiseres zich bij referent heeft gevoegd, heeft zij een zogenaamd afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dat eiseres korter dan drie maanden in [verblijfplaats] heeft verbleven, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De termijn van drie maanden wordt in het tweede lid van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn immers helemaal niet genoemd. Wel dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling (zie ECLI:NL:RVS:BN6685) sprake te zijn van reëel en daadwerkelijk verblijf van de vreemdeling in het gastland. Gesteld noch gebleken is dat eiseres zich niet daadwerkelijk bij referent in [verblijfplaats] heeft gevestigd. Een minimumtermijn van drie maanden verblijf is uit de Verblijfsrichtlijn niet af te leiden. Verweerder belemmert referent in zijn essentiële recht op vrij verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/1846 (beroep)

AWB 13/1848 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [geboortedag] 1986, van Iraakse nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna eiseres),

gemachtigde: mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 23 mei 2012 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 december 2012 ongegrond verklaard. Op 17 januari 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.B.J. Strooij, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig
[persoon1] (referent) en [persoon2] als tolk in de Arabische taal. De rechtbank/ voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is van Iraakse nationaliteit en zij is op 27 maart 2010 getrouwd met

referent van Nederlandse nationaliteit. Niet in geschil is dat referent in de periode van
15 november 2010 tot 9 mei 2012 in [verblijfplaats1] heeft verbleven en daar arbeid in loondienst heeft verricht. Evenmin is in geschil dat eiseres zich op 23 februari 2012 bij referent in [verblijfplaats1] heeft gevoegd en dat zij samen op 9 mei 2012 naar Nederland zijn teruggekeerd dan wel Nederland zijn ingereisd.

2.1

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Verblijfsrichtlijn) is deze alleen van toepassing op gemeenschapsonderdanen die zich begeven naar of verblijven in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten, en op hun familieleden die hen begeleiden of zich bij hen voegen.

2.2

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn hebben burgers van de Unie het recht gedurende drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven. Ingevolge het tweede lid is het eerste lid eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen.

2.3

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Ingevolge het tweede lid strekt het verblijfsrecht uit het eerste lid zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en die voldoen aan de voorwaarden.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres en referent samen minimaal drie maanden reëel en daadwerkelijk verblijf in het gastland, in dit geval [verblijfplaats1], hebben gehad. De arresten van 7 juli 1992, C 370/90, Surrinder Singh, en van
11 december 2007, C 291/05, Eind, (www.eur-lex.europa.eu), zien niet op een situatie waarin een Nederlander met een familielid maximaal drie maanden op grond van artikel 6 van de Verblijfsrichtlijn in een andere lidstaat verblijft, maar alleen op lang verblijf in een andere lidstaat op grond van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn. Bij kort verblijf in een andere lidstaat - maximaal drie maanden - is geen sprake van belemmering van het recht op vrij verkeer indien door Nederland aan het familielid verblijf wordt geweigerd. Eiseres heeft in [verblijfplaats1] verbleven op grond van artikel 6 van de Verblijfsrichtlijn en dit brengt geen analoge toepassing van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn met zich. Eiseres komt niet in aanmerking voor verblijf in Nederland op grond van het gemeenschapsrecht, aldus verweerder.

3.2

Eiseres voert aan dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft toegepast door zich op het standpunt te stellen dat een gezamenlijk reëel en daadwerkelijk verblijf van minimaal drie maanden van de echtgenoten in [verblijfplaats1] vereist is. Het vereiste van een reëel en daadwerkelijk verblijf van minimaal drie maanden in een andere lidstaat geldt slechts voor referent. Eiseres komt als echtgenote van een gemeenschapsonderdaan een afgeleid verblijfsrecht toe. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn is voor eiseres slechts vereist dat zij zich als derdelander-echtgenote in het gastland bij referent heeft gevoegd.

4.1

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door zich op het standpunt te stellen dat eiseres en referent gezamenlijk ten minste drie maanden in de andere lidstaat moeten hebben verbleven, blijk heeft gegeven van een onjuiste en bovendien te restrictieve, interpretatie van de artikelen 6, tweede lid en 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn en overweegt daartoe als volgt.

4.2

De Verblijfsrichtlijn is niet van toepassing op gemeenschapsonderdanen die verblijven in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, hetgeen in beginsel betekent dat hun familieleden uit derde landen aan de nationale immigratiewetgeving moeten voldoen. In het arrest Surrinder Singh, punt 23, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) evenwel overwogen dat de echtgeno(o)t(e) van een gemeenschapsonderdaan die van zijn/haar recht op vrij verkeer gebruik heeft gemaakt, wanneer laatstgenoemde naar zijn/haar land van herkomst terugkeert, ten minste dezelfde rechten van toegang en verblijf moet genieten als die welke het gemeenschapsrecht hem/haar zou toekennen indien die gemeenschapsonderdaan zou besluiten om naar een andere lidstaat te gaan en daar te verblijven. In het arrest Eind, punt 45, heeft het HvJ EG overwogen dat bij terugkeer van een werknemer naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit nadat hij betaald werk heeft verricht in een andere lidstaat, een tot het gezin van die werknemer behorende persoon met de nationaliteit van een derde land een recht van verblijf heeft in de lidstaat waarvan de werknemer de nationaliteit bezit, ook indien deze laatste aldaar geen reële en daadwerkelijke economische activiteit verricht. Zoals volgt uit voormelde arresten Singh en Eind is de ratio van toepassing van de Verblijfsrichtlijn erin gelegen dat een gemeenschapsonderdaan niet mag worden belemmerd in het uitoefenen van zijn recht op vrij verkeer door de omstandigheid dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst gescheiden zou kunnen geraken van een familielid met de nationaliteit van een derde land doordat deze in het land van herkomst niet bij hem kan verblijven.

4.3

In de onderhavige casus is niet in geschil dat referent anderhalf jaar en dus meer dan drie maanden in [verblijfplaats1] heeft verbleven en daar betaald werk heeft verricht. Referent heeft hiermee gebruik gemaakt van zijn recht op vrij verkeer bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Nu eiseres zich bij referent heeft gevoegd, heeft zij een zogenaamd afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dat eiseres korter dan drie maanden in [verblijfplaats1] heeft verbleven, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De termijn van drie maanden wordt in het tweede lid van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn immers helemaal niet genoemd. Wel dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling (zie ECLI:NL:RVS:BN6685) sprake te zijn van reëel en daadwerkelijk verblijf van de vreemdeling in het gastland. Gesteld noch gebleken is dat eiseres zich niet daadwerkelijk bij referent in [verblijfplaats1] heeft gevestigd. Een minimumtermijn van drie maanden verblijf is uit de Verblijfsrichtlijn niet af te leiden. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder door eiseres verblijf in Nederland te weigeren referent belemmert in zijn essentiële recht op vrij verkeer. Deze beroepsgrond slaagt.

5.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres zich terecht heeft beroepen op schending van de hoorplicht. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen slechts worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie in dit geval geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.

6.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 en 7:2 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7.

De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat

verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.416,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 13/1846,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 13/1848,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 312,-- (zegge: driehonderdtwaalf euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416,-- (zegge: veertienhonderdzestien euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2013.

de griffier is verhinderd te tekenen

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EM/MvdB

Coll.: GL

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.