Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19048

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-12-2013
Datum publicatie
24-03-2014
Zaaknummer
AWB 13-4220
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1501, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag, nova na uitzetting?

Eiser heeft voor de vijfde maal een asielaanvraag ingediend. Hangende de asielaanvraag heeft verweerder eiser uitgezet naar zijn land van herkomst, [land van herkomst]. Zowel bij indiening van de aanvraag, als na eisers uitzetting, zijn er door eiser documenten overgelegd. Verweerder heeft de aanvraag ná eisers uitzetting met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

Ten aanzien van de documenten die zijn overgelegd vóór eisers uitzetting, overweegt de rechtbank dat geen sprake is van nova. Wat betreft hetgeen na de uitzetting zou zijn voorgevallen en hetgeen ter onderbouwing daarvan is overgelegd, overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat het toetsingsmoment met betrekking tot de vraag of de terugkeer van eiser zou leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, in beginsel (‘primarily’) het moment van uitzetting is. Hetgeen zich na de uitzetting voordoet blijft dus in beginsel buiten beschouwing. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van dit geval (er vond ná de uitzetting kennelijk nog onderzoek door verweerder plaats), hetgeen na de uitzetting is voorgevallen en ter onderbouwing daarvan is overgelegd, niet zonder meer buiten beschouwing kan blijven. De rechtbank is echter van oordeel dat hetgeen na de uitzetting zou zijn voorgevallen en hetgeen ter onderbouwing daarvan is overgelegd, niet als nova kunnen worden aangemerkt. Derhalve is in deze zaak geen sprake van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/165

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/4220 (beroep)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1976, van Kameroense nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Langenberg, advocaat te Utrecht

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Asarfi, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 augustus 2012 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 13 februari 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft een aanvang genomen op 1 maart 2013. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. E. de Jong. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij beslissing van 5 maart 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat het onderzoek wordt voortgezet door de meervoudige kamer. Het onderzoek is hervat op 11 juli 2013. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1 Op 17 mei 2005 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 22 mei 2005 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 9 juni 2005 gegrond verklaard. Op 24 mei 2007 is de aanvraag opnieuw afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 maart 2008 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard.

1.2 Op 27 oktober 2008 heeft eiser wederom een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 21 augustus 2009 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 10 maart 2010 van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, ongegrond verklaard.

1.3 Op 15 juli 2010 heeft eiser wederom een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 19 november 2010 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 17 juni 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Op 2 november 2011 heeft eiser wederom een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van

26 april 2012 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 7 juni 2012 ongegrond verklaard.

1.5 Op 10 augustus 2012 heeft eiser onderhavige aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 12 augustus 2012 is de uitzetting van eiser naar Kameroen geëffectueerd. Bij besluit van 22 januari 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Standpunten van partijen

2.1 Eiser heeft het volgende relaas, hetgeen gelijk is aan het relaas bij zijn eerdere aanvragen, aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is sinds 2003 aanhanger van de Southern Cameroon National Council (SCNC) en heeft vanaf januari 2003 kranten voor deze partij uitgedeeld. Op 8 maart 2004 is eiser actief lid geworden van de SCNC. De SCNC heeft op 11 november 2004 geprobeerd de presidentiële verkiezingen te verhinderen. Een aantal leden van de SCNC zijn hierbij vastgehouden door politie en militairen. Hierna heeft eiser zich schuil gehouden voor de politie. Op 5 december 2004 is eiser gearresteerd bij hem thuis. Tijdens zijn detentie is eiser elke dag geslagen. Eiser is op 5 mei 2005 met behulp van zijn advocaat ontsnapt uit de gevangenis. Eiser is naar het ziekenhuis gebracht en daarna meegegaan naar het huis van een arts die hem geholpen heeft te overleven. Vervolgens is eiser naar het vliegveld gegaan en naar Nederland gevlucht. Bij terugkeer naar Kameroen vreest eiser voor zijn leven. Hij zal vermoord worden of voor de rest van zijn leven gevangen gezet worden. Bij zijn aanvraag heeft eiser een e-mail van 9 augustus 2012 van [naam advocaat], een mensenrechtenadvocaat in Kameroen, overgelegd. Deze is ook in briefvorm overgelegd. In de e‑mail staat dat eiser bij terugkeer naar Kameroen in grote problemen zal komen. Hij zal bij aankomst in de gevreesde gevangenis ‘New Bell Prison Douala’ terechtkomen. Ook de bewakers die hem voor zijn vertrek naar Nederland hebben geholpen te ontsnappen, zullen in de problemen komen. Eiser heeft bij zijn aanvraag verder een brief overgelegd van 26 juni 2012 van [persoon2], ‘legal practicioner’ in Kameroen, waarin deze stelt dat eiser zijn cliënt is en waarin hij eisers activiteiten in Kameroen en diens lidmaatschap van de SCNC bevestigt.

2.2 De gemachtigde van eiser heeft bij faxbericht van 17 augustus 2012 verslag gedaan van hetgeen zou zijn gebeurd nadat eiser op 12 augustus 2012 gedwongen uit Nederland is verwijderd. Eiser zou bij aankomst in Kameroen door de Kameroense veiligheidsdienst zijn gearresteerd, in de boeien geslagen en ondervraagd. Volgens de gemachtigde is eiser door tussenkomst van [persoon1] (nog) niet overgebracht naar de beruchte centrale gevangenis van Limbe, maar zit hij voor verdere ondervraging over de schriftelijke aanklacht (voorlopig) vast in de gevangenis in Douala. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de gemachtigde namens eiser in de aanvraagfase de volgende documenten overgelegd:

- een e-mail van [persoon1] van 16 augustus 2012;

- een brief van [naam advocaat] van 17 augustus 2012;

- een ‘attestation de refoulement’ van 22 augustus 2012;

- een medische verklaring van het Nightingale Treatment Center van 24 augustus 2012;

- een brief van [persoon1] van 30 augustus 2012; en

- foto’s, die zijn gemaakt door [persoon1] met zijn mobiele telefoon.

In beroep zijn door de gemachtigde op 18 februari 2013 en 8 juli 2013 nog de volgende (aanvullende) stukken overgelegd:

  • -

    een brief van [persoon1] van 14 februari 2013;

  • -

    een brief van de zus van eiser van 3 juli 2013;

  • -

    een brief van [persoon1] van 5 juli 2013.

De gemachtigde van eiser meent dat uit deze stukken blijkt dat sprake was van een ‘real risk’ op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is daadwerkelijk in de situatie terechtgekomen waarvoor hij steeds heeft gezegd te vrezen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de gebeurtenissen in Kameroen de geloofwaardigheid van eisers relaas onderschrijven en dat eiser nu vervolgd wordt wegens zijn politieke activiteiten in het verleden. Namens eiser is verder aangevoerd dat verweerder een onderzoek ter plaatse had moeten instellen. Door dat niet te doen, is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en mist het een draagkrachtige motivering. Eiser heeft alles in het werk gesteld om aan te tonen dat zijn gedwongen terugkeer naar Kameroen heeft geleid tot een situatie waarin hij een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling heeft moeten ondergaan.

3.

Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen die nopen tot een ander oordeel dan in de vorige asielprocedures. Eiser volhardt enkel in het eerder gestelde, dat geen grondslag voor vergunningverlening heeft opgeleverd.

Beoordeling

4.1

Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN: BC7124, en van 19 maart 2012, 201110772/1/V2, www.raadvanstate.nl), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aangevoerde moet worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

4.2

De rechtbank dient dus te beoordelen of sprake is van een relevante wijziging van het recht dan wel of eiser aan zijn aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd en bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en dus behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden (nova) die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

5.

Aangevoerd noch gebleken is dat sprake is van een voor eiser relevante wijziging van het recht.

Ten aanzien van de stukken, overgelegd vóór de uitzetting van eiser

6.

Ten tijde van de indiening van de aanvraag is door eiser een beroep gedaan op de e-mail van 9 augustus 2012 van [naam advocaat] en de brief van 26 juni 2012 van [persoon1]. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze documenten dat, hoewel ze wel dateren van na eisers vorige asielaanvraag, ze niet als nova kunnen worden aangemerkt. Nog afgezien van de vraag of het originele documenten betreft die op echtheid zouden kunnen worden onderzocht, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [persoon1], eisers ‘legal practicioner’, niet kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit objectieve bron. Daarnaast zijn de stellingen in beide documenten inhoudelijk niet nieuw, is niet duidelijk waarop ze zijn gebaseerd en zijn ze niet met enig bewijs onderbouwd. Tot slot zijn de documenten op verzoek van eiser opgesteld en valt niet in te zien waarom eiser dat verzoek niet eerder had kunnen doen. Gelet op het voorgaande is wat deze stukken betreft geen sprake van nova.

Ten aanzien van hetgeen na de uitzetting zou zijn voorgevallen en de daartoe overgelegde stukken

7.1

De vraag die voorts voorligt is of hetgeen na de uitzetting van eiser op 12 augustus 2012 in Kameroen zou zijn voorgevallen en de stukken die eiser nadien ter onderbouwing daarvan heeft overgelegd in de aanvraag- en beroepsfase − op grond van artikel 83 van de Vw 2000 − bij de beoordeling betrokken kunnen worden. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het toetsingsmoment betreffende de vraag of de terugkeer van eiser zou leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM het moment van de uitzetting is of het moment van beoordeling van de aanvraag. Zou het toetsingsmoment het moment van uitzetting zijn, dan kan hetgeen na de uitzetting voorvalt immers niet betrokken worden bij de beoordeling van de asielaanvraag.

Partijen hebben hierover het volgende gesteld.

7.2

Bij verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de gebeurtenissen na de uitzetting van eiser en de documenten die eiser ter onderbouwing daarvan heeft overgelegd, niet bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken. Verweerder verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2012 (AWB 10/31048 en AWB 10/31051). Verweerder meent dat hij op het moment van de uitzetting terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake was van een reëel en voorzienbaar risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij verwijst naar zijn besluit conform artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 van 10 augustus 2012 en naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van eveneens 10 augustus 2012. Gelet daarop kon gevolg worden gegeven aan de uitzetting. Volgens verweerder is niet relevant dat het voornemen en het besluit op de asielaanvraag dateren van na de uitzetting.

7.3

Namens eiser is op de zittingen het volgende aangevoerd. Hij heeft de stukken die dateren van na de uitzetting tijdens de aanvraagfase overgelegd. Gelet op de vóór de uitzetting overgelegde stukken lag het voorts in de lijn der verwachtingen dat er iets zou gebeuren in het land van herkomst. Het kan volgens eiser niet zo zijn dat verweerder iemand dan kan uitzetten en er niet meer op kan worden aangesproken als er in het land van herkomst vervolgens daadwerkelijk iets gebeurt. Verder dateren het voornemen en het bestreden besluit van na de uitzetting en is verweerder daarin uitgebreid ingegaan op de stukken die zien op de gebeurtenissen na uitzetting. Eiser meent dat de gebeurtenissen na uitzetting en de daartoe overgelegde stukken moeten worden meegenomen.

7.4

De rechtbank acht in dit kader de overwegingen van belang in het arrest van het EHRM van 28 februari 2008 inzake Saadi (no. 37201/06, ECLI:NL:XX:BC8132), die zijn herhaald in de uitspraken van 5 februari 2013 inzake Zokhidov (no. 67286/10) en 23 september 2010 inzake Iskandarov (no. 17185/05), waarin het EHRM overweegt:

125. However, expulsion by a Contracting State may give rise to an issue under Article 3, and hence engage the responsibility of that State under the Convention, where substantial grounds have been shown for believing that the person concerned, if deported, faces a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3. In such a case Article 3 implies an obligation not to deport the person in question to that country […].

[..]

133. With regard to the material date, the existence of the risk must be assessed primarily with reference to those facts which were known or ought to have been known to the Contracting State at the time of expulsion. [..]

In het arrest inzake Iskandarov overweegt het EHRM :

127. In order to determine whether, at the time of extradition, there existed a risk of ill-treatment, the Court must examine the then foreseeable consequences of sending the applicant to the receiving country, bearing in mind the general situation there and his personal circumstances”.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze arresten dat het toetsingsmoment met betrekking tot de vraag of de terugkeer van eiser zou leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, in beginsel (‘primarily’) het moment van uitzetting is. Hetgeen zich na de uitzetting voordoet blijft dus in beginsel buiten beschouwing. De rechtbank is echter van oordeel dat, indien bij verweerder ná de uitzetting nog onderzoek gaande is − wat in deze zaak kennelijk het geval was aangezien verweerder nog geen voornemen en evenmin een besluit tot afwijzing van de asielaanvraag had genomen −, hetgeen na de uitzetting voorvalt en ter onderbouwing daarvan wordt overgelegd, niet zonder meer buiten beschouwing kan blijven bij de beoordeling van de asielaanvraag. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder een ‘rigorous scrutiny’ behoort te verrichten ten aanzien van de vraag of terugkeer van eiser zou leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is voorts van oordeel dat voorgaande redenering eveneens opgaat voor de beoordeling van eisers stelling dat hij vervolgd wordt in de zin van het Vluchtelingenverdrag vanwege zijn politieke activiteiten uit het verleden.

7.5

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen in deze zaak na de uitzetting zou zijn voorgevallen en hetgeen ter onderbouwing daarvan is overgelegd niet reeds buiten de beoordeling vallen omdat dit van na de uitzetting dateert. Vervolgens ligt aan de rechtbank de vraag voor of hetgeen na de uitzetting zou zijn voorgevallen en hetgeen ter onderbouwing daarvan is overgelegd als nova kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.

7.6.1

De e-mail van [persoon1] van 16 augustus 2012 bevat diens verklaring over wat hij heeft waargenomen toen eiser op het vliegveld in Kameroen aankwam. Eiser werd daar aan Kameroense beveiligingsbeambten overgedragen, kreeg vervolgens handboeien om en werd langer dan een uur verhoord. Ingrijpen van [persoon1] zou ervoor hebben gezorgd dat eiser vervolgens in een politiecel in Limbe werd vastgehouden, in afwachting van nader verhoor, in plaats van in een gevangenis in Buea. In zijn brief van 17 augustus 2012 verklaart [naam advocaat] dat hij eiser heeft opgezocht in zijn cel in Limbe, waar de detentieomstandigheden deplorabel zijn en waar eiser praktisch alleen contact mocht hebben met zijn advocaten. Gelukkig heeft eiser de gevreesde New Bell Prison in Douala nog kunnen vermijden, aldus [naam advocaat]. De brieven van [persoon1] van 30 augustus 2012, 14 februari 2013 en 5 juli 2013 hebben een gelijke inhoud en strekking. Daarin wordt verder gesteld dat eiser op 21 augustus 2012 is vrijgelaten, in afwachting van strafrechtelijke aanklachten, en dat hij nu bij zijn oudere zus woont. Het appartement van zijn zus zou inmiddels meermaals onderwerp zijn geweest van ‘security visits to confirm the presence of our client’. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, kunnen de verklaringen van [persoon1] in beginsel niet worden aangemerkt als afkomstig uit objectieve bron. De rechtbank is verder van oordeel dat op voorhand is uitgesloten dat de verklaringen van [persoon1] en [naam advocaat] - wederom afgezien van de vraag naar de echtheid van de documenten en de inhoudelijke juistheid van de inhoud van die verklaringen - kunnen afdoen aan de eerdere asielbesluiten. Uit de verklaringen blijkt immers niet wat de reden is voor eisers arrestatie en of dit te maken heeft met de door eiser gestelde problemen in verband met zijn politieke activiteiten.

7.6.2.

De overgelegde ‘attestation’ van 22 augustus 2012 is enkel een bevestiging van eisers uitzetting door de Nederlandse autoriteiten. Van de overgelegde foto’s kan niet worden vastgesteld hoe deze tot stand zijn gekomen en wat de precieze toedracht van de beelden is. Derhalve is op voorhand uitgesloten dat deze documenten aan de eerdere asielbesluiten kunnen afdoen, zodat geen sprake is van nova.

7.6.3

De verklaring van het Nightingale Treatment Center van 24 augustus 2012 kan - nog afgezien van de vraag naar de echtheid hiervan - evenmin afdoen aan de besluiten in eisers eerdere asielprocedures, nu deze enkel vermeldt dat eiser met een aantal klachten (als duizeligheid, krachteloosheid, malaise in het algemeen) op 24 augustus 2012 bij hen is binnengekomen en hij daar heeft verklaard dat hem medicatie is gegeven op zijn vlucht naar Kameroen.

7.6.4

Tot slot is de verklaring van de zus van eiser van 3 juli 2013 evenmin afkomstig uit objectieve bron en kan de verklaring – nog afgezien van de vraag naar de echtheid hiervan - gelet op de inhoud ook overigens niet afdoen aan de eerdere besluiten. Uit de verklaring van de zus, die er - kort samengevat - op neer komt dat eiser bij haar inwoont, dat de politie soms voor hem langskomt, dat eiser medicatie nodig heeft en dat het een moeilijke situatie betreft, blijkt immers ook niet of dit verband houdt met de door eiser gestelde problemen in verband met zijn gestelde politieke activiteiten.

8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen in deze zaak na de uitzetting in Kameroen zou zijn voorgevallen en hetgeen ter onderbouwing daarvan is overgelegd niet kan worden aangemerkt als nova. Ook overigens stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen.

9.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar (ECLI:NL:XX:1998:AG8817), die ertoe zouden nopen in de onderhavige procedure de nationale procedureregels buiten toepassing te laten.

10.

De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, voorzitter, en mrs. R.A. Sipkens en H.T. Masmeyer, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2013.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.