Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19046

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
C09/449799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Moeder verzoekt teruggeleiding van twee minderjarige kinderen naar Ghana. De rechtbank gaat uit van gezamenlijk gezag van de ouders. Niet is komen vast te staan dat de vader, zoals hij stelt, toestemming van de rechtbank in Ghana heeft gekregen voor vertrek naar Nederland. Evenmin is gebleken dat de moeder toestemming heeft gegeven. Er is derhalve sprake van ongeoorloofde overbrenging. De kinderen (8 en bijna 7 jaar) verblijven sinds september 2011 in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat de twee kinderen geworteld zijn in hun nieuwe omgeving. Verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek van de moeder met betrekking tot de zorg-, informatie- en consultatieregeling betwist de vader gelet op artikel 11 lid 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag. Gelet op de werkelijke verblijfplaats van de minderjarigen is de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, de bevoegde rechtbank en de rechtbank verwijst de zaak met betrekking tot de zorg-, informatie- en consultatieregeling naar deze rechtbank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 13-6777

Zaaknummer: C/09/449799

Datum beschikking: 23 december 2013

Aantal fotokopieën per beschikking

4

bij 1 procureur

6

bij 2 procureurs

1

extra bij:

- last aan de Raad voor Rechtsbijstand tot toevoeging advocaat ex 817 Rv

- Ipr-zaak

- uitgebracht of uit te brengen rapport Raad voor de Kinderbescherming

- Gezagswijziging ten behoeve van het gezagregister

- Kostenveroordeling ex art. 243 rv

2

extra bij:

- Benoeming van elke deskundige

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 28 augustus 2013 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te Ghana,

advocaat: mr. J.H. Weermeijer te Delft.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief d.d. 4 september 2013, van de zijde van de vader, met een verzoek om aanhouding van de geplande regiezitting van 12 september 2013.

Op 30 september 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de advocaat van de moeder. Het betrof hier een regiezitting met als behandeld rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland. Ter terechtzitting zijn door de vader stukken overgelegd.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot mediation, nu de moeder geen mogelijkheden heeft naar Nederland te komen.

De behandeling is aangehouden tot 1 november 2013 pro forma, teneinde de advocaat van de moeder in de gelegenheid te stellen overleg te hebben met de moeder.

Hierna zijn de volgende stukken ontvangen:

  • -

    op 1 november 2013 een aanvullend verzoekschrift van de zijde van de moeder;

  • -

    op 5 december 2013 het verweerschrift van de zijde van de vader;

  • -

    de brief d.d. 6 december 2013, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 9 december 2013 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de advocaat van de moeder.

Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.

Daartoe is opgenomen de tekst ’zoals dat thans luidt’ of ’thans nog’.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer te bevelen vóór of uiterlijk zes weken na de indiening van het verzoekschrift, althans de terugkeer van de minderjarigen te bevelen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, waarbij de vader de minderjarigen dient terug te brengen naar Ghana, althans de regio waar hun gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel – indien de vader nalaat de minderjarigen terug te brengen – te bevelen dat de vader de minderjarigen op het eerste verzoek dient af te geven aan de moeder met een geldig reisdocument, zodat zij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Ghana, zo nodig met hulp van de sterke arm, met veroordeling van de vader in proceskosten en in de kosten die de moeder heeft moeten maken in verband met de teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Indien het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarigen wordt afgewezen verzoekt de moeder vaststelling van een zorg-, informatie- en consultatieregeling, waarbij:

a. de vader er elk jaar voor zorgt dat de kinderen ofwel op zijn kosten gedurende ten minste een periode van drie aaneengesloten weken bij de moeder in Ghana zullen verblijven, dan wel dat de vader er voor zorgt dat de moeder elk jaar op zijn kosten drie weken in Nederland kan verblijven door voor haar een retourticket Ghana – Nederland te kopen en onderdak in de vorm van een hotelkamer, met logies en ontbijt in zijn woonplaats of nabije omgeving te reserveren en te betalen en er voor te zorgen dat de moeder gedurende dit verblijf in Nederland de dagen met de kinderen kan doorbrengen;

b. wordt bepaald dat de vader elke week skype- of telefoongesprekken of andere vorm van persoonlijke communicatie tussen de moeder en de kinderen arrangeert, door de moeder op een vaste dag en tijdstip te bellen/skypen en vervolgens de kinderen contact met haar te laten hebben;

c. wordt bepaald dat de vader elke maand per post, e-mail of andere wijze van verzending ten minste één scherpe foto van de kinderen van partijen naar de moeder stuurt;

d. wordt bepaald dat de vader elk jaar ten minste een keer schriftelijk, in de Engelse taal gestelde, informatie van enig belang, over de ontwikkeling van de kinderen, zoals schoolprestaties en hobby’s, verstrekt aan de moeder;

e. de vader telkens de moeder op voorhand informeert en consulteert over belangrijke aangelegenheden, zoals medische behandelingen (mits niet spoedeisend) de kinderen betreffende;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn op[huwelijksdatum]te [huwelijksplaats], Ghana, met elkaar gehuwd.

- Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats], Ghana;

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] Ghana.

- De vader is omstreeks september 2011 met de minderjarigen vanuit Ghana naar Nederland vertrokken.

- De moeder heeft voorafgaand aan deze procedure geen contact gehad met de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Verzoek tot teruggeleiding

De moeder heeft haar verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Hoewel Ghana geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun vertrek naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Ghana hadden. Het gezagsrecht dient derhalve naar Ghanees recht beoordeeld te worden. De ouders verschillen van mening over de gezagssituatie over de minderjarigen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De minderjarigen zijn staande het huwelijk van partijen geboren, waardoor naar Ghanees recht als uitgangspunt heeft te gelden dat sprake is van gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarigen.

Voorafgaande aan het vertrek in september 2011 van de vader met de minderjarigen naar Nederland zijn verschillende zittingen geweest bij de rechtbank in [plaats], Ghana, en is onder meer bij Order van [datum] bepaald dat de minderjarigen onder de zorg van

de vader moesten blijven. Anders dan de vader heeft betoogd, brengt deze uitspraak naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat de moeder niet langer het gezag had over de minderjarigen. Uit door de man overgelegde uitspraak van [datum]kan immers niet meer worden afgeleid dan dat het gaat om een toevertrouwing van de minderjarigen aan de vader, hangende de (nog steeds aanhangige) procedure in Ghana.

De juistheid van de stelling van de moeder dat zij – al dan niet bij mondelinge uitspraak – het eenhoofdig gezag over de minderjarigen heeft verkregen, en dit gezagsrecht ook uitoefende op het moment dat de vader met de minderjarigen naar Nederland vertrok, is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vader, niet aangetoond.

Nu niet gebleken is van een wijziging van het gezag, geldt voor de rechtbank als uitgangspunt dat de ouders ten tijde van het vertrek van de minderjarigen naar Nederland in september 2011 het gezamenlijk gezag hadden over de minderjarigen.

Een en ander brengt met zich dat de vader niet zonder toestemming van de moeder, dan wel zonder vervangende toestemming, met de minderjarigen naar Nederland mocht vertrekken. De vader heeft aangevoerd dat hij van de rechtbank in [plaats] Ghana, toestemming heeft gekregen om naar Nederland te vertrekken om zijn ernstig zieke vader te bezoeken. De betreffende uitspraak heeft de vader echter niet overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de vader zijn stelling dat hij toestemming had voor het vertrek naar Nederland, gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. De juistheid van die stelling is daarmee niet komen vast te staan.

Nu niet gebleken is dat ofwel de vrouw, ofwel de bevoegde rechtbank in Ghana toestemming heeft gegeven voor het vertrek van de minderjarigen naar Nederland, gaat de rechtbank ervan uit dat de minderjarigen ongeoorloofd zijn overgebracht naar Nederland.

De rechtbank overweegt nog ten overvloede dat ook als zou komen vast te staan dat de Ghanese rechtbank de vader toestemming had gegeven naar Nederland te reizen in verband met een bezoek aan zijn zieke vader, de overbrenging weliswaar niet onrechtmatig is geschied, maar er wel vanaf enig moment sprake zou zijn geweest van een ongeoorloofde vasthouding. Uit de toelichting van de vader ter terechtzitting is immers gebleken dat het de bedoeling was om voor ziekenbezoek tijdelijk naar Nederland te gaan en dat hij ook toestemming heeft gekregen om voor dat doel met de minderjarigen naar Nederland te reizen. De door de vader gestelde toestemming heeft daarom geen betrekking gehad op een definitief verblijf in Nederland, terwijl ook de moeder daarmee niet heeft ingestemd.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van het tweede lid van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu de vader met de minderjarigen sinds september 2011 zonder toestemming van de moeder in Nederland verblijft en het verzoek tot teruggeleiding op [datum] bij de rechtbank is ingediend, is er meer dan één jaar verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging c.q. vasthouding en het tijdstip van indiening van het verzoek. Nu de vader heeft gesteld dat de minderjarigen in hun nieuwe omgeving in Nederland zijn geworteld,

dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van worteling – in de zin van artikel 12 lid 2 van het Verdrag – van de minderjarigen in Nederland.

Voor de beantwoording van deze vraag dient zowel gekeken te worden naar de fysieke als de emotionele band die de minderjarigen inmiddels met hun huidige verblijfplaats hebben verkregen. Het gaat daarbij niet alleen om het nieuwe gezinsverband, maar ook om meer externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, sport en school.

De vader heeft aangevoerd dat de minderjarigen sinds september 2011 in Nederland naar school gaan, waar ze het goed doen. Ze zijn hier begonnen met een taalachterstand, maar inmiddels spreken ze vloeiend Nederlands. De minderjarigen hebben vriendjes en vriendinnetjes, met wie zij op school en ook na schooltijd spelen. De ouders van vader en de zussen van vader, met hun gezinnen, wonen allen in de buurt van elkaar en de familie heeft een hechte band. De oudste minderjarige bezoekt sinds een jaar een gymnastiekvereniging.

De moeder heeft zich met betrekking tot de vraag of sprake is van worteling van de minderjarigen in Nederland gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vader met hetgeen hij onweersproken naar voren heeft gebracht, voldoende heeft aangetoond dat de minderjarigen inmiddels zijn geworteld in hun nieuwe Nederlandse omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de minderjarigen inmiddels zowel een emotionele als fysieke band met Nederland.

Nu het beroep van de vader op artikel 12 lid 2 van het Verdrag slaagt, zal het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Ghana worden afgewezen.

Bespreking van de overige weigeringsgronden waarop de vader een beroep heeft gedaan is dan ook niet meer nodig.

Kosten

Nu het verzoek van de moeder tot teruggeleiding wordt afgewezen is het verzoek van de moeder de vader te veroordelen in de kosten van teruggeleiding niet meer aan de orde.

Met betrekking tot de proceskosten die betrekking hebben op het teruggeleidingsverzoek zal de rechtbank, zoals gebruikelijk in familierechtelijke procedures, de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Verzoek zorg- en informatieregeling

Voor het geval het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Ghana zou worden afgewezen heeft de moeder (aanvullend) verzocht om vaststelling van een zorg-, informatie- en consultatieregeling.

De vader betwist dat de rechtbank Den Haag bevoegd is van dit verzoek kennis te nemen. Als er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

Ingevolge artikel 11 lid 2 van de Uitvoeringswet is met betrekking tot de regeling en uitvoering van het omgangsrecht in internationale gevallen de rechtbank bevoegd van de werkelijke verblijfplaats van de minderjarigen.

Nu de werkelijke verblijfplaats van de minderjarigen in [woonplaats] is, is de rechtbank [gemeente], de bevoegde rechtbank. De rechtbank zal dan ook de zaak

met betrekking tot dit verzoek van de moeder, in de stand waarin deze zich bevindt, naar deze rechtbank verwijzen.

De rechtbank overweegt nog dat de vader ter terechtzitting heeft verklaard dat hij op zichzelf niet tegen contact tussen moeder en de minderjarigen is. Hij heeft ter zitting toegezegd de moeder via haar advocaat frequent te zullen informeren over de minderjarigen en haar te voorzien van duidelijke en recente foto’s. Verder zal de vader zich ervoor inzetten dat [hulpverleningsinstantie], de instantie die reeds hulpverlening aan de vader en de minderjarigen geeft, partijen zal begeleiden bij het op gang brengen van de contacten tussen de minderjarigen en de moeder. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader zijn toezeggingen zal nakomen. Tot slot geldt dat de moeder ook zelf rechtstreeks contact kan opnemen met [hulpverleningsinstantie].

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Ghana, en

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Ghana,

naar Ghana;

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek van de moeder met betrekking tot de zorg-, informatie- en consultatieregeling en verwijst de zaak ten aanzien van dit verzoek in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere behandeling naar de rechtbank [gemeente]

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt die betrekking hebben op het teruggeleidingsverzoek;

wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de verzochte teruggeleiding.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Brandt, J.A. van Steen en A.M.A. Keulen, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Pereira Horta-van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2013.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.