Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18811

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
438518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Gezamenlijke behandeling conventie en reconventie. Oproeping ex art. 118 Rv. Behandeling artt. 225 en 227 Rv. Verkrijgende verjaring en bevrijdende verjaring. Toewijzing conventionele vordering, afwijzing reconventionele vordering.

Artt. 3:99, 105, 108, 112 en 113 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/438518 / HA ZA 13-242

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [A],

advocaat mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond,

tegen

1 [B],

wonende te [woonplaats], gemeente [plaatsnaam],

hierna te noemen: [B],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.M. Vervoorn te Nieuwkoop,

en, opgeroepen ex artikel 118 Rv,

2 [C],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [C],

3. [D],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [D],

advocaat mr. J.M. Vervoorn te Nieuwkoop.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 februari 2013, met 21 producties;

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;

- het vonnis van de rechtbank van 24 april 2013, waarbij tevens een comparitie van partijen is gelast;

- de akte uitlaten zijdens [A] houdende schorsing van het geding ex artikel 225 lid 1, aanhef en sub c Rv, met 2 producties;

- het exploot d.d. 2 juli 2013 houdende aanzegging en hervatting van de procedure met oproeping van [C] en [D];

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen gehouden op 17 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1.

[B] is van 1 juni 1993 tot 1 mei 2013 eigenaar geweest van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], [nummer 1]. Blijkens een notariële akte van 1 mei 2013 is deze onroerende zaak op die datum verkocht en geleverd aan [C] en [D].

2.2.

[A] is sinds 11 juni 1993 eigenaar van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], [nummer 2].

2.3.

De percelen van [A] en [B] grenzen aan elkaar en zijn blijkens de kadastrale registratie 6 are en 85 centiare, zijnde 685 m2, groot. De percelen van de rij waarvan de percelen van [A] en [B] deel uitmaken, zijn even breed.

2.4.

In 1995 heeft [A] op haar eigen perceel aan de zijde grenzend aan het perceel van [B] een coniferenhaag geplaatst. Eveneens in 1995 heeft [B] een tuinhuis/schuur geplaatst, waarvan de achterzijde is geplaatst tegen de coniferenhaag. Dit tuinhuis bevindt zich ten dele op het perceel van [A].

2.5.

Op 14 mei 2012 en op 7 juni 2012 heeft op verzoek van [A] een grensreconstructie plaatsgevonden uitgevoerd door een Landmeter Specialist Grensreconstructie van het Kadaster. In zijn zogenaamde Relaas van Bevindingen (hierna: Relaas) d.d. 7 juni 2012 staat - voor zover hier relevant - het volgende vermeld:

[…]

Grens met 2616: (Rb: onroerende zaak van [B])

Grens komt in zijn geheel niet overeen met de aanwezige heg.

[…]”

2.6.

Uit de bij het Relaas gevoegde tekeningen blijkt dat de coniferenhaag, in het Relaas aangeduid als “heg”, zich bevindt over vrijwel de gehele lengte van het perceel en ten opzichte van de kadastrale grens 1.45 tot 1.70 meter op het perceel van [A].

2.7.

Naar aanleiding van de grensreconstructie hebben [A] en [B] in de periode augustus/september 2012 (schriftelijk) overleg gevoerd om, mede met oog op de kadastrale grens, te komen tot een correctie van de erfgrens tussen de beide percelen.

2.8.

[B] heeft bij dagvaarding d.d. 10 december 2012 in kort geding gevorderd dat [A] haar medewerking zal verlenen aan een notariële akte van verjaring en de inschrijving daarvan in de openbare registers. [A] heeft hiertegen verweer gevoerd. Bij vonnis van 28 januari 2013 heeft de voorzieningenrechter te Den Haag de vordering van [B] afgewezen, kort gezegd wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[A] heeft in conventie gevorderd dat de rechtbank [B] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:

- om binnen vier weken na betekening van het vonnis, het gedeelte van de onroerende zaak van [A], dat zich bevindt tussen de coniferenhaag op het perceel van [A] en de kadastrale grens, aan [A] af te staan en dit te ontruimen, vrij van opstallen, en ontruimd te houden onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [B] in gebreke blijft met nakoming van het vonnis;

- tot betaling van de kosten van dit geding, alsmede de nakosten, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[A] heeft - kort en zakelijk weergegeven - aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [B] zonder recht of titel gebruik maakt van de aan [A] toebehorende onroerende zaak dat zich bevindt tussen de coniferenhaag en de kadastrale grens. De coniferenhaag is met enige ruimte van de kadastrale grens geplaatst vanwege de eventuele uitgroei van de haag en heeft nimmer gediend als gevisualiseerde grens tussen de percelen van [A] en [B]. [B] heeft nimmer het bezit van de strook grond verkregen. Van ondubbelzinnig bezit is geen sprake. [A] heeft aangevoerd de coniferenhaag, die niet meer levensvatbaar is, te willen verwijderen en te willen vervangen door een schutting te plaatsen op de kadastrale grens.

3.3.

[B] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[B] heeft gevorderd dat de rechtbank [A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot medewerking aan en inschrijving van de verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring in de openbare registers. [B] heeft hiertoe aangevoerd hetgeen zij in conventie als verweer aanvoerde.

4.2.

[A] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en reconventie

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen de vorderingen in conventie en reconventie hierna gezamenlijk worden behandeld.

Processuele gevolgen oproeping en verschijning [C] en [D]

5.2.

Hangende deze procedure is het perceel van [B] ([adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], [nummer 1]) in eigendom overgedragen aan [C] en [D].

5.3.

[A] heeft zich, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de rechtbank, bij akte beroepen op schorsing van de procedure op grond van het bepaalde in artikel 225 Rv. Bij exploit van 2 juli 2013 is hervatting van het geding aangezegd en zijn [C] en [D] mede opgeroepen te verschijnen. Mr. Vervoorn heeft zich vervolgens gesteld namens [C] en [D] en is mede namens hen ter comparitie verschenen. Het standpunt van [C] en [D] is gelijkluidend aan dat van [B].

5.4.

Op grond van artikel 225 Rv is - zoals ter sprake is gekomen bij de comparitie van partijen - bevoegd tot schorsing van de procedure uitsluitend de partij, of de rechtsopvolger van deze partij, aan wier zijde de schorsingsoorzaak zich voordoet. Dat blijkt ook uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer NJ 1982/136 en NJ 2006/72). In dezen is sprake van rechtsopvolging onder bijzondere titel aan de zijde van [B]. Gelet hierop kan [A] naar het oordeel van de rechtbank niet als belanghebbende in de zin van artikel 225 Rv worden aangemerkt. Haar aanzegging tot schorsing en de hervatting van het geding (als bedoeld in artikel 227 Rv) is naar het oordeel van de rechtbank gelet hierop zonder (rechts)gevolg.

5.5.

De rechtbank beschouwt het exploit van oproeping van 2 juli 2013, waaraan [C] en [D] gehoor hebben gegeven, als een oproeping in de zin van artikel 118 Rv. Gegeven de verschijning van [C] en [D] en de omstandigheid dat mr. Vervoorn (tevens de advocaat van [B]) mede namens hen ter comparitie het woord heeft gevoerd, staat de rechtbank om doelmatigheidsredenen toe dat [C] en [D] in het geding als procespartij zijn betrokken. Dit betekent dat zij - zoals zij ook wensen - voor hun rechten in het geding kunnen opkomen en dat zij zullen zijn gebonden aan het vonnis. Anderzijds kunnen zij niet bij dit vonnis worden veroordeeld. Dit in tegenstelling tot [B]. Zij heeft nog immer te gelden als procespartij, zoals ook ter comparitie van partijen reeds ter sprake is gekomen. Beoordeeld dient te worden of de vorderingen van [A] zoals bij dagvaarding geformuleerd jegens [B] vatbaar zijn voor toewijzing.

Inhoudelijke beoordeling



5.6. In geschil is allereerst of [B] op grond van verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 BW rechthebbende is geworden van de strook grond gelegen tussen de coniferenhaag en de kadastrale grens van de percelen van [A] en [B]. De stelplicht en, gegeven de betwisting

van [A], de bewijslast van die feiten met als rechtsgevolg dat [B] door verjaring rechthebbende is geworden van de strook grond tussen de coniferenhaag en de kadastrale grens, rust op [B].

5.7.

Voor een succesvol beroep op deze bepaling is bezit van [B] van deze strook vereist. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld naar verkeersopvatting op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). De uiterlijke feiten blijken uit bezitsdaden, dat wil zeggen gedragingen die normaal gesproken alleen de rechthebbende van dat goed verricht. Eén van de wijzen van bezitsverkrijging is inbezitneming (artikel 3:112 BW). Men neemt een goed in bezit door zich daar de feitelijke macht over te verschaffen, waarbij geldt dat, wanneer een goed in het bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn voor inbezitneming (artikel 3:113 BW).

5.8.

[B] heeft aangevoerd dat de strook grond in haar bezit is en dat inbezitneming door haar heeft plaatsgevonden op het moment waarop zij het perceel geleverd heeft gekregen, namelijk op 1 juni 1993. Met uitsluiting van derden heeft zij vanaf dat moment de feitelijke macht over de strook grond uitgeoefend, aldus [B]. Zij legt daaraan - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag.

- Bij aankoop van het perceel werd de grens tussen beide percelen gevormd door bomen en struiken die in een gevisualiseerde rechte lijn van zuid-oost naar noord-west liepen en door de inrichting van de beide percelen als verschillende tuinen, waaronder een zwembad op haar perceel met daarom heen een bestraat gedeelte en een strookje tuin. De reeds bij aankoop van haar perceel aanwezige beschoeiing tussen de percelen markeert tevens de feitelijke erfafscheiding.

- [B] heeft deze feitelijke erfafscheiding ongemoeid gelaten en de strook grond vanaf aankoop van haar perceel gebruikt, als tuin en voor opslag, en onderhouden.

- In 1995 heeft zij een tuinhuis/schuur geplaatst, gedeeltelijk over de bestaande feitelijke erfafscheiding. [A] heeft hiertegen nooit bezwaar gemaakt.

- Met plaatsing van de coniferenhaag door [A], naar eigen zeggen op 50 cm van de feitelijke erfafscheiding, heeft [A] het bezit (te goeder trouw) van [B] bevestigd.

5.9.

De rechtbank beschikt over onvoldoende feitelijke informatie om de juistheid van de stelling van [B] betreffende de feitelijke situatie in 1993 te beoordelen. Ook indien er evenwel van wordt uitgegaan dat de feitelijke erfafscheiding toen is geweest zoals [B] heeft gesteld (en [A] heeft betwist), slaag het beroept op verjaring van [B] niet.

5.10.

Anders dan [B] heeft betoogd, zijn de omstandigheden dat zij vanaf het moment waarop zij het perceel in eigendom heeft verkregen de strook heeft onderhouden en gebruikt om te tuinieren, alsmede dat zij erop heeft geleefd en (gedeeltelijk) op de strook grond een schuur heeft geplaatst, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat sprake is van inbezitneming. Dat tussen partijen in confesso is dat [A] nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen plaatsing van de schuur en het gebruik van de strook grond door [B] doet daaraan niet af. De gestelde omstandigheden vormen geen handelingen die kenmerkend zijn voor het uitoefenen van het bezit. Ook een houder (die, anders dan een bezitter, een goed niet voor zichzelf, maar voor een ander houdt) kan dergelijke handelingen verrichten. Daarbij merkt de rechtbank wat betreft de plaatsing van de schuur nog op dat deze niet ter markering van de erfscheiding is geplaatst en dat ten tijde van de plaatsing bekend was voor partijen dat deze zich ten onrechte gedeeltelijk over de feitelijke erfafscheiding op het perceel van [A] bevond. Eerst na de kadastrale meting is slechts gebleken dat de schuur zich veel meer op het perceel bevond dan waarvan partijen destijds zijn uitgegaan. Van zodanige gedragingen van [B] dat [A] daaruit niet anders heeft kunnen afleiden dan dat [B] pretendeerde eigenaar te zijn (zodat zij tijdig maatregelen had kunnen en moeten nemen om de inbreuk op haar eigendomsrecht te beëindigen) is geen sprake geweest. De overtuiging van [B] dat de toenmalige perceelinrichting volledig in overeenstemming was met de kadastrale erfgrens doet in zoverre niet ter zake.

5.11.

Voorts is de rechtbank met [A] van oordeel dat het plaatsen van de coniferenhaag door [A] op haar eigen perceel, voor zover deze al bedoeld is geweest als erfafscheiding, niet als bezitsdaad van [B] kan worden aangemerkt. De haag is immers door [A] zelf geplaatst. Ook het tussen de percelen geplaatste hek kan, voor zover [B] zich hierop beroept, naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig worden geduid. Niet gebleken is wie dat hek heeft geplaatst, terwijl ter comparitie niet door [B] weersproken is dat dit hek eerst in 2012 is geplaatst.

5.12.

Gelet op het vorenstaande is [B] niet aan te merken als bezitter. Voor het intreden van verkrijgende verjaring wordt krachtens artikel 3:99 BW vereist een onafgebroken bezit van, in casu, 10 jaren door een bezitter te goeder trouw. De vereisten zijn cumulatief. Dat betekent dat als aan één van de voorwaarden niet wordt voldaan, een beroep op verkrijgende verjaring niet slaagt. Nu [B] niet het bezit van de strook grond heeft verkregen en reeds om die reden een beroep op artikel 3:99 BW niet slaagt, behoeven de overige vereisten, waaronder de goede trouw, geen bespreking meer.

5.13.

Ook het subsidiaire beroep van [B] op verkrijging door de bezitter door bevrijdende verjaring faalt. Zoals reeds overwogen, is [B] geen bezitter, hetgeen ook artikel 3:105 BW vereist. Bovendien is de verjaringstermijn van twintig jaren nog niet verstreken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat de situatie sinds 1995 onveranderlijk is zodat, moge daarvan sprake zijn geweest, de verjaringstermijn ex artikel 3:105 jo. 3:306 BW, eventuele stuitingshandelingen daargelaten, eerst pas in (grofweg) 2015 zou zijn voltooid.

5.14.

Tegen de door [A] gevorderde dwangsom is geen verweer gevoerd door [B]. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom toewijzen, met dien verstande dat deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna in het dictum vermeld. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

5.15.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [A] zal worden toegewezen. Aangezien toewijzing van de conventionele vordering leidt tot afwijzing van de reconventionele vordering - van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring is immers naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zodat aan inschrijving in de openbare registers niet wordt toegekomen - behoeven de overige stellingen van partijen geen behandeling meer.

5.16.

[B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in zowel de conventie als de reconventie worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [A]. De rechtbank begroot de kosten tot op heden in conventie op
€ 1.256,35, waarvan € 78,35 (ex btw) wegens explootkosten, € 274,00 wegens griffierecht en € 904,00 wegens salaris van de advocaat (2 punten ad € 452,00), en in reconventie op € 226,00 (1 punt ad € 452,00 x ½) wegens salaris van de advocaat. De explootkosten dienen in het voorkomende geval te worden vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting. De gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover zullen worden toegewezen conform verzocht, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

6 De beslissing

De rechtbank

In conventie:

6.1.

veroordeelt [B] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, het gedeelte van de onroerende zaak van [A] aan het [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], [nummer 2], dat zich bevindt tussen de coniferenhaag op het perceel van [A] en de kadastrale grens, aan [A] af te staan en dit met de haren en het hare te ontruimen, vrij van opstallen, en ontruimd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00, per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 20.000,00, indien [B] na ommekomst van de voormelde termijn in gebreke blijft met volledige nakoming van dit vonnis;

6.2.

bepaalt dat de dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan;

In reconventie:

6.3.

wijst de vordering van [B] af;

In conventie en reconventie:

6.4.

veroordeelt [B] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van [A] begroot op € 1.482,35, waarvan € 1.130,00 aan salaris advocaat en € 274,00 aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;

6.5.

veroordeelt [B] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 131,00 met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling, en over het bedrag van € 68,00 binnen veertien dagen na betekening tot aan de dag van volledige betaling,

6.6.

verklaart dit vonnis sub 6.1., 6.4. en 6.5. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.1

1 type: 1790