Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18757

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
AWB 13/20977
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geloofwaardig bevonden asielrelaas, verkorte vertrektermijn, inreisverbod voor de duur van vijf jaar, zowel verkorte vertrektermijn als oplegging en duur inreisverbod onvoldoende gemotiveerd.

Verweerder heeft de vertrektermijn verkort aangezien hij eiseres een gevaar voor de openbare orde acht. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in bijzondere gevallen van paragraaf A3/3 Vc kan afwijken, dan wel van zijn bevoegdheid de terugkeertermijn te verkorten kan afzien. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder nader te motiveren waarom daartoe in het onderhavige geval geen aanleiding zou bestaan. Daartoe is redengevend dat verweerder in het onderhavige besluit het asielrelaas van eiseres geloofwaardig heeft geoordeeld, en dat volgens dit relaas het valse Duitse visum waarop de veroordeling betrekking had aan eiseres was gegeven binnen het kader van de op haar gelegde druk om in de prostitutie werkzaam te zijn. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom hij eiseres desondanks als een gevaar voor de openbare orde beschouwt, dan wel waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot verkorting van de vertrektermijn.

De grond gericht tegen het uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van vijf jaar slaagt eveneens; verweerder dient nader te motiveren waarom onder de gestelde omstandigheden niet is gebleken van individuele of bijzondere omstandigheden die nopen tot het afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel tot het opleggen van een inreisverbod van kortere duur.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/87

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/20977

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 december 2013 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Nigeriaanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, en geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft bij het bestreden besluit bepaald dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten, een inreisverbod voor de duur van vijf jaar uitgevaardigd en bepaald dat de op 9 juni 2011 opgelegde ongewenstverklaring wordt opgeheven zodra het inreisverbod van kracht wordt.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 22 november 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van het besluit op de asielaanvraag

1.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag -samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.
In 2007 zijn de ouders van eiseres bij een ongeluk om het leven gekomen. Eiseres woonde vanaf dat moment bij de tweede vrouw van haar vader (haar stiefmoeder). Haar stiefmoeder zorgde niet goed voor eiseres en mishandelde haar. Eiseres is daarom bij haar buurvrouw [naam 1] gaan wonen. [naam 1] gaf eiseres niet veel eten en vond dat zij moest werken. Op 29 maart 2011 heeft [naam 1] eiseres in contact gebracht met [naam 2], een vrouw die beloofde eiseres te helpen. Eiseres is nog dezelfde dag met [naam 2] meegegaan naar Lagos, Nigeria. Op 3 april 2012, vlak voor het vertrek naar Europa, vertelde [naam 2] dat eiseres in Milaan in de prostitutie zou gaan werken. Eiseres wilde dit niet. [naam 2] heeft eiseres vervolgens gezegd dat als zij iets tegen de politie zou zeggen of terug zou keren naar Nigeria, zij zou worden omgebracht. Dat heeft eiseres daarom niet gedaan. Eiseres vreest dat [naam 2] door Juju (geesten) op de hoogte zal worden gebracht indien zij terugkeert naar Nigeria en dat haar leven dan gevaar loopt. Voorts heeft eiseres verklaard dat door toedoen van [naam 2] een vals Duits visum in haar paspoort is geplaatst.

2.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, Vw, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en k Vw. De gestelde gebeurtenissen acht verweerder geloofwaardig, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft te vrezen voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag (artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw). Daartoe acht verweerder mede van belang dat niet is gebleken dat zij niet de bescherming van de autoriteiten van haar land van herkomst kan inroepen. Onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 17 oktober 2012 inzake Nigeria (het ambtsbericht) betoogt verweerder dat eiseres bescherming kan inroepen bij het National Agency for Prohibition of Traffic in Persons and other Matters (kortweg NAPTIP). Eiseres kan tegen problemen van de zijde van [naam 2] bescherming inroepen van de autoriteiten of zich elders in Nigeria ophouden. Eiseres komt, volgens verweerder, evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, c of d Vw.

3.

Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij in Nigeria bescherming van de autoriteiten aldaar kan inroepen. In dat kader heeft verweerder voorts ten onrechte betoogd dat eiseres zich kan onttrekken aan [naam 2]. In die zin heeft verweerder haar ten onrechte een vestigingsalternatief binnen haar land van herkomst tegengeworpen onder verwijzing naar het bestaan van de NAPTIP. Eiseres verwijst ter onderbouwing van naar het rapport van het UK Border Agency (Home Office) van juni 2013.
In de gronden van het beroepsschrift heeft eiseres bovendien aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, noch zorgvuldig is gemotiveerd. In het bestreden besluit is namelijk volgens eiseres niet gereageerd op de bij zienswijze van 11 april 2013 naar voren gebrachte argumenten tegen de afwijzing van de asielaanvraag.

3.1

Anders dan verweerder primair heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het ter zitting aangevoerde niet in strijd is met de goede procesorde. Daartoe is redengevend dat de rechtbank heeft geconstateerd dat deze grond voortbouwt op een eerder ingenomen standpunt en verweerder ter zitting de gelegenheid is geboden en in staat is gebleken om inhoudelijk op het aangevoerde te reageren.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond geen doel treft. Daartoe is het volgende redengevend. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen opvang of bescherming kan verkrijgen. Verweerder heeft op goede gronden betoogd de omstandigheid dat eiseres geen familie heeft in Nigeria waardoor zij aldaar kwetsbaarder is, onverlet laat dat zij zich in geval van voorkomende problemen met mensensmokkelaars kan wenden tot de autoriteiten in Nigeria en gebruik kunnen maken van NAPTIP. Uit het ambtsbericht komt naar voren dat (potentiële) slachtoffers van mensenhandel door NAPTIP kunnen worden opgevangen en de opvang pas hoeven te verlaten als er een passende oplossing voor hun situatie is gevonden. Dat NAPTIP niet alle wenselijke ondersteuning bij hervestiging kan bieden, indien de persoon in kwestie geen familie meer heeft in het land van herkomst dan wel dat NAPTIP minder dan wenselijk (financieel) is toegerust, maakt dit niet anders. Uit de rapportage van de UK Border Agency van juni 2013 volgt evenmin dat eiseres in het geheel geen of slechts te verwaarlozen ondersteuning van NAPTIP zal krijgen. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Nigeriaanse autoriteiten in staat en bereid zijn om eiseres bescherming te bieden na terugkeer.

3.3

Nu het asielrelaas van eiseres door verweerder geloofwaardig is bevonden, leidt het ter zitting aangevoerde ten aanzien van het tegengeworpen artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw de rechtbank niet tot een ander oordeel.

3.4

De rechtbank stelt voorts vast dat de gehanteerde afwijzingsgrond die is vervat in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw niet dragend is voor verweerders afwijzing van de asielaanvraag. De asielaanvraag van eiseres is reeds op grond van het voorgaande terecht afgewezen.

3.5

Ten aanzien van de stelling dat verweerder niet heeft gereageerd op de zienswijze van 11 april 2013 overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank constateert dat verweerder in het voornemen tot afwijzing van 4 juni 2013 en in het bestreden besluit anders dan eiseres heeft gesteld gemotiveerd is ingegaan op het gestelde in voornoemde zienswijze. Nu eiseres niet heeft geconcretiseerd op welke punten verweerders overwegingen tekortschieten, gaat de rechtbank aan dit onderdeel van de beroepsgrond voorbij.

Ten aanzien van het terugkeerbesluit en het inreisverbod

4.

Eiseres heeft voorts ten aanzien van het tegen haar uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod primair aangevoerd dat het terugkeerbesluit innerlijk tegenstrijdig is. Het terugkeerbesluit dient zo gelezen moet worden dat aan haar een vertrektermijn van vier weken is gegund. Dit heeft dat tot consequentie dat het inreisverbod niet tegen eiseres kon worden uitgevaardigd. In dit verband heeft eiseres mede gewezen op de procedurele gang van zaken, te weten dat verweerder voorafgaand aan het genomen bestreden besluit drie verschillende voornemens tot afwijzing heeft uitgebracht. In deze voornemens heeft verweerder drie verschillende standpunten ingenomen met betrekking tot het terugkeerbesluit en pas in het derde voornemen de intentie kenbaar heeft gemaakt dat hij een inreisverbod tegen eiseres zal gaan uitvaardigen. Ter concretisering van de stelling dat het terugkeerbesluit tegenstrijdig is, wijst eiseres op de zin die in het bestreden besluit onder de kop “rechtsgevolgen van deze beschikking” is opgenomen:
“Dit besluit heeft de rechtsgevolgen als opgesomd in artikel 45 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit houdt onder meer in dat betrokkene met ingang van de dag waarop de beroepstermijn is verstreken, niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.”

4.1

De rechtbank volgt eiseres niet in haar primaire standpunt. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in het bestreden besluit een onjuiste weergave heeft opgenomen van de rechtsgevolgen die uit artikel 45 Vw voortvloeien, gelet op het bepaalde in artikel 82, vijfde lid, Vw. Nu aldus de door eiseres geconstateerde discrepantie geen betrekking heeft op het bestreden besluit van verweerder maar slechts op de onjuiste weergave van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, verbindt de rechtbank geen gevolgen aan die onjuistheid. Dat verweerder in de besluitvorming drie verschillende voornemens tot afwijzing heeft uitgebracht maakt dit niet anders, omdat de rechtbank constateert dat eiseres naar aanleiding van elk uitgebracht voornemen in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren. Aan eiseres is derhalve een terugkeerbesluit opgelegd met een onmiddellijke vertrektermijn.

Ten aanzien van het terugkeerbesluit

4.2

Verweerder heeft de vertrektermijn verkort aangezien hij eiseres een gevaar voor de openbare orde acht. Verweerder heeft er daarbij gewezen op de bij het bestreden besluit opgeheven ongewenstverklaring van 9 juni 2011, die was gebaseerd op de veroordeling door de politierechter te Haarlem van 12 april 2011 tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden wegens overtreding van artikel 231, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (in het bezit zijn van een reisdocument waarvan zij weet dat dit vervalst is).

4.3

Eiseres heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat aan haar ten onrechte geen vertrektermijn is opgelegd. Eiseres vormt geen gevaar voor de openbare orde. De omstandigheden waaronder het delict is gepleegd moeten worden meegewogen. Eiseres is veroordeeld voor het plegen een strafbaar feit, maar [naam 2] heeft het gestolen visumdocument geregeld. Daar komt bij dat in het -bij voornemen van 4 juni 2013 ingetrokken- voornemen tot afwijzing van 16 maart 2013 wel een vertrektermijn is gegund. Het bij dat voornemen eveneens ingetrokken voornemen tot afwijzing van 19 april 2013 sommeerde eiseres weliswaar om Nederland onmiddellijk te verlaten, maar niet omdat zij een gevaar vormt voor de openbare orde, maar omdat een risico bestaat dat zij zich zal onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen. Door steeds wisselende conclusies te trekken die verstrekkende gevolgen hebben, handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarom moet aan eiseres alsnog een vertrektermijn worden gegund.

4.4.

Artikel 62, tweede lid, aanhef en sub c van de Vw luidt als volgt:
“Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:
c. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.”
Uit paragraaf A3/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder iedere verdenking of veroordeling ter zake van misdrijf als een gevaar voor de openbare orde beschouwt.

4.5

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in bijzondere gevallen van paragraaf A3/3 Vc kan afwijken, dan wel van zijn bevoegdheid de terugkeertermijn te verkorten kan afzien. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder nader te motiveren waarom daartoe in het onderhavige geval geen aanleiding zou bestaan. Daartoe is redengevend dat verweerder in het onderhavige besluit het asielrelaas van eiseres geloofwaardig heeft geoordeeld, en dat volgens dit relaas het valse Duitse visum waarop de veroordeling betrekking had aan eiseres was gegeven binnen het kader van de op haar gelegde druk om in de prostitutie werkzaam te zijn. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom hij eiseres desondanks als een gevaar voor de openbare orde beschouwt, dan wel waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot verkorting van de vertrektermijn.

Ten aanzien van het inreisverbod

5.

Ten aanzien van het inreisverbod heeft eiseres betoogd dat verweerder omwille van humanitaire dan wel bijzondere omstandigheden van het uitvaardigen van een inreisverbod tegen eiseres had moeten afzien dan wel de duur hiervan had moeten verkorten. Zij is immers met het oog op prostitutie en onder druk van mensenhandelaren naar Nederland gekomen.

5.1

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 6.5a, vierde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren bedraagt indien het een vreemdeling betreft die gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste identiteitspapieren.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW9112) overweegt de rechtbank voorts dat artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) maxima stelt aan de duur van het inreisverbod, in verband met aan deze vreemdelingen te relateren omstandigheden, zoals bedoeld in de verschillende leden van dat artikel. In dit geval is de relevante omstandigheid het gebruik van de valse visumsticker, hetgeen leidt tot toepasselijkheid van het vierde lid van voornoemd artikel, waarin het maximum op vijf jaar is gesteld. Zoals de Afdeling in genoemde uitspraak verder heeft overwogen kan verweerder zo nodig op grond van bijzondere individuele omstandigheden de duur van het inreisverbod verkorten. Het woord "bijzondere" moet volgens de Afdeling aldus worden verstaan dat daarmee wordt gedoeld op omstandigheden op grond waarvan, in aanvulling op de differentiatie die met de onderscheiden artikelleden van artikel 6.5a van het Vb reeds is aangebracht, een verdere verfijning van de duur van het inreisverbod plaatsvindt.
Tenslotte kan verweerder ingevolge artikel 66a, achtste lid, Vw om humanitaire of andere redenen afzien van het opleggen van een inreisverbod.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft een inreisverbod uitgevaardigd, en daaraan de maximale duur van vijf jaar verbonden. Daarbij heeft hij het standpunt ingenomen dat hem geen individuele of bijzondere omstandigheden zijn gebleken om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod of om te volstaan met het opleggen van een inreisverbod van kortere duur. Verweerder heeft echter in het onderhavige besluit het asielrelaas van eiseres geloofwaardig bevonden. Nu dit asielrelaas inhoudt dat eiseres onder druk naar Nederland is gekomen om hier in de prostitutie werkzaam te zijn, en het valse Duitse visum volgens het asielrelaas, in het kader van die op haar uitgeoefende druk aan haar was gegeven, dient verweerder nader te motiveren waarom onder de gestelde omstandigheden niet is gebleken van individuele of bijzondere omstandigheden die nopen tot het afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel tot het opleggen van een inreisverbod van kortere duur.

5.3

De omstandigheid dat eerder op grond van de zelfde veroordeling een ongewenstverklaring was opgelegd, welke bij het bestreden besluit is opgeheven, maakt dit niet anders, nu dient te worden bezien of op het moment van opleggen van het inreisverbod daartoe voldoende grond en aanleiding bestond.

6.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod gegrond zal verklaren en het besluit in zoverre zal vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiseres.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres de verplichting is opgelegd Nederland onmiddellijk te verlaten en voor zover daarbij tegen haar een inreisverbod is uitgevaardigd;

 veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: LK

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.