Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18698

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
C-09-449938 - FA RK 13-6827
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezag. De Nederlandse rechter is onbevoegd - kind heeft verblijf in de Oekraïne - verzoek tot teruggeleiding is in de Oekraïne in hoogste instantie afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 13-6827

Zaaknummer: C/09/449938

Datum beschikking: 24 december 2013

Gezag

Beschikking op het op 30 augustus 2013 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats vader],

advocaat: mr. M. Nurdoğan-Ferwerda te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats moeder] (Oekraïne),

advocaat: --.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 1 november 2013 van de zijde van de vader;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 7 november 2013 van de zijde van de vader;

  • -

    twee brieven van de moeder, ontvangen door de griffie op 17 oktober 2013 respectievelijk 7 november 2013.

Uit voormelde brieven van de moeder maakt de rechtbank op dat de moeder het verzoekschrift alsmede de oproep voor de zitting van 12 november 2013 heeft ontvangen. Nu deze brieven echter niet zijn ingediend door een advocaat, slaat de rechtbank verder geen acht op de inhoud hiervan.

Op 12 november 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en zijn advocaat. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd. De moeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- de brief met bijlagen d.d. 25 november 2013 van de zijde van de vader.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:

primair:

- de vader belast met het eenhoofdig gezag over na te noemen minderjarige;

subsidiair:

  • -

    vaststelt dat de hoofdverblijfplaats van na te noemen minderjarige bij de vader zal zijn;

  • -

    een internationale zorg- of omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige vaststelt, die bij voorkeur in goed overleg tussen de ouders zal worden overeengekomen bij gebreke waarvan een basisregeling wordt vastgesteld inhoudende dat:

o de moeder driemaal per week skypecontact met de minderjarige zal hebben;

o de moeder de minderjarige bij de vader kan bezoeken (ten minste) eens per veertien dagen gedurende het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;

meer subsidiair:

- een internationale zorg- of omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vaststelt, inhoudende dat:

o de vader twee maal per week skypecontact met de minderjarige zal hebben en wel op woensdagmiddag en zondagmiddag om 15.00 uur;

o de minderjarige eens per maand in Kiev een weekend zal doorbrengen met de vader van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;

o de zorg gedurende de feestdagen en vakanties bij helfte zal worden gedeeld, met dien verstande dat:

 de moeder de vader veertien dagen voorafgaand aan ieder schooljaar een opgave toestuurt van de schoolvakanties van de minderjarige;

 de zomervakanties zodanig worden verdeeld dat de minderjarige in de even jaren de eerste drie weken bij de vader in Nederland zal verblijven en in de oneven jaren de laatste drie weken;

 de kerstvakanties zodanig worden verdeeld dat de minderjarige in de even jaren de eerste week bij de vader in Nederland zal verblijven en in de oneven jaren de tweede week;

 de kortdurende vakantie in overleg (bij helfte) worden gedeeld;

  • -

    een informatieregeling vaststelt inhoudende dat de moeder de vader iedere maand per e-mail dient te informeren over het wel en wee van de minderjarige (gezondheid, medische aangelegenheden, school, buitenschoolse activiteiten, omgang met andere kinderen, et cetera) waarbij de moeder enkele foto’s van de minderjarige dient te voegen alsmede ieder jaar de portret- en klassenfoto’s;

  • -

    een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag en iedere keer dat de moeder de zorg- of omgangsregeling en de informatieregeling niet nakomt;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de moeder in de reële kosten van het geding.

De moeder heeft geen verweer gevoerd.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd op[datum huwelijk] te[plaats huwelijk] (Oekraïne).

  • -

    Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige:

  • -

    [de minderjarige], op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oekraïne).

  • -

    Blijkens de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie hebben partijen zich op 21 februari 2011 met[de minderjarige] in Nederland gevestigd.

  • -

    Op 4 mei 2012 is de moeder met [de minderjarige]naar de Oekraïne vertrokken.

  • -

    [de minderjarige]verblijft thans bij de moeder te[plaats](Oekraïne).

  • -

    Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over[de minderjarige] uit.

  • -

    De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder is Burger van de Oekraïne. [de minderjarige] heeft beide nationaliteiten.

  • -

    Bij beslissing van 26 juni 2013 van de [naam rechtbank] te[plaats] (Oekraïne) is het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Nederland afgewezen, kortgezegd omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in de Oekraïne zou zijn.

  • -

    Bij beslissing van 30 juli 2013 van het Gerechtshof van de stad [plaats] (Oekraïne) is het hoger beroep van de vader verworpen en is de beslissing van 26 juni 2013 van de [naam rechtbank] te [plaats] (Oekraïne) ongewijzigd gelaten.

  • -

    De vader heeft cassatie ingesteld. Bij beslissing van 30 oktober 2013 heeft The Higher Special Court for the consideration of civil and criminal cases (Oekraïne) het cassatieberoep van de vader verworpen.

Beoordeling

Rechtsmacht

De minderjarige verblijft sedert 4 mei 2012 met de moeder in Oekraïne. De rechtbank dient allereerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoekschrift van de vader. Deze vraag dient te worden beoordeeld aan de hand van de regels die het Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Trb. 1997, 299) hiervoor geeft. Nederland en Oekraïne zijn partij bij dit Verdrag (hierna: HKBV 1996).

Nu de vader in Oekraïne een teruggeleidingsprocedure aanhangig heeft gemaakt gebaseerd op het Verdrag van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139), is de rechtbank van oordeel dat met toepassing van het bepaalde in artikel 7 HKBV 1996 dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoekschrift van de vader.

Krachtens artikel 7 lid 1 HKBV 1996 blijven – in geval van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van het kind – de autoriteiten van de Verdragsluitende staat waarin het kind onmiddellijk voor de overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind een gewone verblijfplaats heeft verworven in een andere Staat en

  1. enige persoon, instelling of ander lichaam dat gezagsrechten heeft, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust; of

  2. het kind in die andere Staat zijn verblijfplaats heeft gehad gedurende een periode van ten minste een jaar nadat de persoon, de instelling of het andere lichaam dat gezagsrechten heeft, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, geen verzoek tot terugkeer, dat binnen die periode is ingediend, nog in behandeling is, en het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld.

Anders gezegd: de Nederlandse rechter is ingeval van ongeoorloofde overbrenging van de [de minderjarige] niet langer bevoegd indien [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Oekraïne heeft verworven en is voldaan aan de voorwaarde als vermeld onder a althans aan de voorwaarden als vermeld onder b.

Ook indien men er – anders dan de Oekraïense rechter oordeelde, doch zoals de vader stelt -

veronderstellenderwijs van uit zou gaan dat er sprake is (geweest) van ongeoorloofde overbrenging van [de minderjarige]naar Oekraïne, dan heeft de Nederlandse rechter op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 HKVB 1996 in de onderhavige zaak geen rechtsmacht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [de minderjarige] thans zijn gewone verblijfplaats in Oekraïne heeft. Immers, het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Nederland is door [naam rechtbank] te [plaats](Oekraïne) afgewezen en het hoger beroep van de vader hiertegen, evenals zijn beroep in cassatie, is afgewezen.

De vader heeft niet berust in de overbrenging van de minderjarige naar Oekraïne, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde als vermeld in artikel 7 lid 1 onder a HKVB 1996. Vervolgens dient te worden beoordeeld of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden als vermeld in artikel 7 lid 1 onder b HKBV 1996, te weten:

i. dat het kind ten minste een jaar zijn verblijfplaats in Oekraïne heeft gehad nadat de
vader kennis heeft gekregen van de verblijfplaats van het kind;

ii. dat geen verzoek tot terugkeer nog in behandeling is;

iii. dat het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld.

Ad i: verblijfplaats langer dan een jaar in Oekraïne

Uit de brief van de politie regio [naam] d.d. 20 september 2012, door de vader overgelegd als productie 14 bij zijn verzoekschrift, blijkt dat de vader op 4 mei 2012 melding heeft gedaan dat de moeder met de minderjarige zonder zijn toestemming in Oekraïne zat. De minderjarige heeft dan ook meer dan een jaar zijn verblijfplaats in Oekraïne gehad nadat de vader kennis heeft gekregen van zijn verblijfplaats. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Ad ii: geen verzoek tot terugkeer (meer) in behandeling

De vader heeft de rechtbank bij brief d.d. 25 november 2013 bericht dat er op 30 oktober 2013 een definitieve beslissing is genomen op zijn cassatieberoep, waarmee zijn verzoek tot terugkeer niet langer in behandeling is. Derhalve is eveneens voldaan aan de tweede voorwaarde die onder b wordt vermeld.

Ad iii: worteling van het kind

De vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen, en daarmee dus ook – in het kader van het bepaalde in artikel 7 lid 1 sub b, fine, HKBV 1996, de vraag of sprake is van worteling van [de minderjarige] in Oekraïne. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval, waarbij tijdsverloop slechts één van de factoren is. Er dient gekeken te worden naar zowel de fysieke als de emotionele band die kinderen inmiddels met hun nieuwe omgeving hebben gekregen. De rechtbank overweegt in dit kader dat het bij worteling niet alleen gaat om het gezinsverband, maar ook om externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, school en sport.

In dit verband constateert de rechtbank dat de minderjarige op 16 maart 2010 in Oekraïne is geboren, dat hij nadien een periode samen met zijn ouders in Nederland heeft gewoond en dat hij sinds 4 mei 2012 samen met de moeder en zijn oudere halfbroer in Oekraïne verblijft. De minderjarige is derhalve op tweejarige leeftijd uit Nederland vertrokken en zijn leven speelt zich sindsdien geheel in Oekraïne af. Verder acht de rechtbank het van belang dat het hier een zeer jong kind betreft, dat juist door zijn jonge leeftijd, sterk gericht is op de primair verzorgende ouder. In casu is dit de moeder die Burger van Oekraïne is en die – naar alle waarschijnlijkheid – ook de Oekraïense taal met de minderjarige spreekt. Voorts blijkt uit de beslissing van het gerechtshof te [plaats] (Oekraïne) dat de minderjarige sinds 1 september 2012 in [plaats] de onderwijsinstelling voor kleuters bezoekt. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake is van worteling van de minderjarige in Oekraïne. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vader ter terechtzitting desgevraagd geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit het tegendeel zou kunnen blijken.

Nu is voldaan aan alle voorwaarden als vermeld in artikel 7 lid 1 onder b HKBV 1996, is de Nederlandse rechter op grond van het HKBV 1996 niet (langer) bevoegd om kennis te nemen van het verzoekschrift van de vader.

Nu het HKBV 1996 ook overigens geen handvatten biedt voor het aannemen van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, komt de rechtbank tot het oordeel dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de verzoeken van de vader en zal zij zich onbevoegd verklaren.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd om van de verzoeken van de vader kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, J.A. van Steen en S.J. Hoekstra-van Vliet, kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2013.