Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18648

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
27-01-2014
Zaaknummer
09/820205-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 197 Sr. Verwerping niet-ontvankelijkheidsverweer. Onvoldoende inspanningen van verdachte om aanknopingspunten te bieden om identiteit en nationaliteit vast te stellen. Zicht op uitzetting naar Algerije. Voldaan aan terme de grace. Geen overmacht. Vergewisplicht en motiveringsplicht betreffende het doorlopen zijn van de stappen van de terugkeerprocedure. Deze stappen zijn doorlopen gelet op onder andere de aanwezigheid van het terugkeerbesluit, de vreemdelingenbewaring en presentaties bij de Algerijnse autoriteiten, terwijl niet aannemelijk is dat verdachte heeft voldaan aan zijn medewerkplicht, onder meer inhoudende de plicht om aanknopingspunten te bieden om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09/820205-13

Proces-verbaal terechtzitting aantekening mondeling vonnis

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 26 november 2013.

Tegenwoordig:

mr A.P. Pereira Horta, politierechter,

mr A. Dutrieux, officier van justitie, en

mr H.E. Prinsen Geerligs, griffier.

De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedag] 1970,

[verblijfplaats].

Als raadsman van de verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr S.M. Diekstra, advocaat te Den Haag.

De politierechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De raadsman merkt op dat hij vooreerst een preliminair verweer zal voeren over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De raadsman voert vervolgens het woord overeenkomstig zijn pleitnota, welke hij aan de politierechter overlegt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.

Ten aanzien van het gevoerde verweer overweegt de politierechter dat hij dit verweer als ontijdig beschouwt en dit verweer zal beoordelen nadat de inhoudelijke behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden.

De officier van justitie draagt de zaken voor.

De politierechter deelt mede de korte inhoud van:

1.

een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 november 2013 betreffende de verdachte;

2

een bundel ambtsedige processen-verbaal, nummer PL151202013223783, met bijlagen, van politie Haaglanden (doorgenummerd blz. 1 t/m 38);

3

het proces-verbaal van aangifte winkeldiefstal van de politie Haaglanden, nr. PL1512-2013223783, als bijlage gevoegd bij het onder 2. genoemde proces-verbaal, d.d.

15 november 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 16-19);

4.

het proces-verbaal van aanhouding van de politie Haaglanden, nr. PL1512-2013223783-2, als bijlage gevoegd bij het onder 2. genoemde proces-verbaal, d.d. 15 november 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz.

7-8);

5.

een geschrift, te weten een beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 28 december 2009 (blz. 25-28) inhoudende de ongewenstverklaring van verdachte;

6.

een geschrift, te weten een uitreikingsblad, behorende bij de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 28 december 2009.

De verdachte legt op vragen van de politierechter een verklaring af, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

A1 Het klopt dat ik op 15 november 2013 in Den Haag de [warenhuis] heb verlaten met

2

broodjes, die ik bij de [warenhuis] had gepakt, zonder dat ik voor die broodjes had betaald.

A2 Het klopt dat aan mij een beschikking is uitgereikt, waarmee ik ongewenst ben verklaard, alsook een folder in het Arabisch met uitleg over deze beschikking. Op

15 november 2013 was ik inderdaad in Nederland en ben ik in Den Haag aangehouden voor een winkeldiefstal.

B Ik dacht dat een vriend van mij die broodjes zou betalen. Die vriend heet [naam vriend] en woont in Den Haag. Zijn adres weet ik niet. U houdt mij voor dat ik eenduidig tot Algerije te herleiden ben en ik, ondanks dat ik niet in Nederland mag verblijven, niets heb ondernomen om weg te gaan uit Nederland. Ik wil in Nederland blijven. Mijn asielverzoek is afgewezen.

De officier van justitie voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan de politierechter over.

De vordering houdt in dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie vordert voorts de gevangenhouding van verdachte.

De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota, welke hij aan de politierechter overlegt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.

In aanvulling op de pleitnota merkt de raadsman nog op dat niet alle stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. Deze procedure is namelijk herleefd toen zijn client in 2010 in bewaring is gesteld.

De officier van justitie en de raadsman voeren andermaal het woord.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt onmiddellijk mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

Aantekening van het mondeling vonnis

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De politierechter overweegt allereerst dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt, namelijk uitsluitend indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.

Hiervan kan met betrekking tot een beroep op overmacht in het kader van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht enkel sprake zijn indien de verdachte geen verwijt van zijn illegale verblijf in Nederland kan worden gemaakt, doordat hij niet door de Nederlandse staat kan worden uitgezet, hij zijn medewerking heeft verleend aan de pogingen van de autoriteiten tot uitzetting en hij zelf adequate pogingen heeft ondernomen zijn verblijf in Nederland te beëindigen, de overheid met die situatie bekend is en het openbaar ministerie desondanks verdachte steeds opnieuw vervolgt ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Met het steeds opnieuw vervolgen is in dat geval geen enkel redelijk strafrechtelijk doel meer gediend.

Dat van het voorgaande sprake is, is in onderhavige zaak niet gebleken. Niet is immers aannemelijk geworden dat verdachte zijn medewerking heeft verleend aan de pogingen van de autoriteiten tot uitzetting en hij zelf adequate pogingen heeft ondernomen zijn verblijf in Nederland te beëindigen. In dit verband overweegt de politierechter dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte voldoende inspanningen heeft verricht om aanknopingspunten te bieden om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.

Anders dan de raadsman stelt kan voorts niet worden aangenomen dat in het geval van verdachte zicht op uitzetting naar zijn land van herkomst ontbreekt. Voorzover dat bij de laatste vreemdelingrechtelijke bewaring in 2010 het geval is betekent dat niet dat dit thans ook nog het geval is, mits de identiteit en nationaliteit van verdachte kan worden vastgesteld. Het ligt op de weg van verdachte om daarvoor voldoende aanknopingspunten te bieden. Voorts blijkt uit jurisprudentie dat Algerije bereid is bij volledige medewerking van vreemdelingen laissez-passers af te geven. In dit verband verwijst de politierechter naar de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 17 juni 2013 (ECLI: NL: RBAMS: 2013: CA3714) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van state van

4 november 2013 met zaaknummer 201309166/1/V3 (www.raadvanstate.nl).

De stelling van de raadsman dat tussen het einde van de laatste detentie (16 oktober 2013) en de datum van aanhouding (15 november 2013) geen redelijke termijn zit, faalt voorts nu verdachte met die termijn van ruim vier weken een zogenaamde “terme de grace” is gegund om Nederland te verlaten.

Het feit dat verdachte eerder bij vonnis van 9 oktober 2012 schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel maakt evenmin dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het beroep van de raadsman op overmacht kan gezien het voorgaande dan ook niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dit beroep komt aan de orde in het kader van de strafbaarheid van het feit.

Gelet op het vorenstaande verwerpt de politierechter het beroep van de raadsman op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Inhoud van de tenlastelegging.

Overeenkomstig de dagvaarding.

Geval van bewezenverklaring.

Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring

De politierechter is met betrekking tot de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen kan worden volstaan, nu de gehele inhoud tot het bewijs is gebezigd (conform Hoge Raad 8 december 2009, LJN: BK0898 en BK5605; Hoge Raad 25 januari 2011, LJN: BO6759).

De politierechter heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd voor de bewezenverklaring:

t.a.v. feit 1

- Voormelde verklaring van de verdachte, voor zover weergegeven onder A1.
- Het hiervoor onder 3 vermelde proces-verbaal.

t.a.v. feit 2

- Voormelde verklaring van de verdachte, voor zover weergegeven onder A2.
- Het hiervoor onder 4 vermelde proces-verbaal;

- De hiervoor onder 5 en 6 vermelde geschriften.

De politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de voornoemde bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Voor zover geschriften zijn gebruikt, is dit geschied in samenhang met andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben.

Overigens overweegt de politierechter dat de stelling van verdachte, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat een vriend voor hem zou betalen, niet aannemelijk is geworden.

Bewezenverklaring.

Wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte:

1.

op 15 november 2013 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 broodjes, toebehorende aan de [warenhuis].

2.

op 15 november 2013 te ’s-Gravenhage, in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Kwalificatie, eventueel de gronden daarvoor, en de artikelen van de wet, die worden toegepast.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, en levert op:

t.a.v. feit 1

diefstal;

t.a.v. feit 2

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte, eventueel met de gronden daarvoor.

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden welke zijn strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten, aannemelijk zijn geworden.

Artikel 61, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf Nederland uit eigen beweging te verlaten. Dit betekent dat de ongewenst verklaarde vreemdeling de rechtsplicht heeft het land te verlaten, tenzij aannemelijk is dat hij buiten zijn schuld niet in het bezit kan komen van reisdocumenten. Voor het slagen van een beroep op overmacht als het onderhavige dient de politierechter aannemelijk te achten dat verdachte alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd teneinde aan zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen.

Naar het oordeel van de politierechter is, gezien de voorhanden processtukken en gelet op het onderzoek ter terechtzitting, niet aannemelijk geworden dat verdachte alles in het werk heeft gesteld om aan vorenbedoelde verplichting te voldoen. Verdachte heeft vanaf het begin niet willen meewerken aan zijn uitzetting en heeft onvoldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Hij heeft bovendien zelf verklaard niet uit Nederland te willen vertrekken.

Het beroep van de raadsman op overmacht wordt dan ook verworpen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierbij heeft de politierechter het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Door dit soort feiten lijden winkels jaarlijks veel schade en moeten winkels kosten maken ter beveiliging van hun producten.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht door in Nederland te verblijven terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard en het hem dus niet was toegestaan in Nederland te zijn. Verdachte heeft hiermee het overheidsbeleid met betrekking tot ongewenst verklaarde vreemdelingen, ingesteld ter bescherming van de openbare orde, willens en wetens gefrustreerd.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij reeds meerdere malen wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en wegens vermogensdelicten tot onder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld.

Voorts heeft de politierechter acht geslagen op de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op wil leggen wegens handelen in strijd met artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht zich ervan dient te vergewissen dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen en daarvan in de motivering van zijn beslissing dient blijk te geven.

De politierechter stelt allereerst vast dat met het nemen van voormelde beschikking van 28 december 2009 tot ongewenstverklaring van verdachte voldaan is aan de in artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn neergelegde verplichting om een terugkeerbesluit in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn uit te vaardigen. Het feit dat verdachte nadien in 2010 in vreemdelingenbewaring is gesteld, maakt overigens niet dat een nieuw terugkeerbesluit is vereist.

De politierechter heeft voorts acht geslagen op de sfeerprocessen-verbaal (blz. 20 tot en met 24) waaruit het volgende is gebleken.

Aangezien niet vaststaat welke nationaliteit en identiteit verdachte heeft, heeft een taalanalyse plaatsgevonden met als uitslag dat verdachte afkomstig moet zijn uit Algerije.

Verdachte is herhaalde keren in vreemdelingenbewaring gesteld, laatstelijk in 2010, teneinde hem te kunnen presenteren bij de Algerijnse autoriteiten, onder meer op 2 maart 2010. De Algerijnse autoriteiten hebben geen laissez-passer (lp) afgegeven.

Niet is gebleken dat verdachte voldoende aanknopingspunten heeft gegeven om zijn identiteit vast te stellen, hetgeen temeer klemt nu Algerije slechts reisbescheiden afgeeft bij aanvragen met de juiste personalia. De Dienst terugkeer en vertrek heeft dan ook geen aanknopingspunten gezien voor een nieuwe lp-procedure.

De politierechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de voorgeschreven stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen.

Gelet op al het vorenstaande acht de politierechter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Beslissing.

De politierechter,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenhouding van verdachte (apart geminuteerd).

Bijkomende beslissingen.

De politierechter verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De politierechter geeft aan de verdachte kennis dat deze binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt de verdachte opmerkzaam op het recht om ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Waarvan is opgemaakt dit proces‑verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.