Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18646

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
1256931 RL EXPL 13-11644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurder stichting: procedure in verband met aanvulling op ontslagvergoeding (contractuele vertrekregeling), pensioenschade en niet genoten vakantiedagen en PLB-uren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 640
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/983
JAR 2014/22
AR-Updates.nl 2015-0517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Kanton Den Haag

vR/CB

Rolnr. 1256931 \ RL EXPL 13-11644

6 november 2013

Vonnis in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.V.R. Grandjean Perrenod Comtesse,

tegen

de stichting Stichting 't Lange Landziekenhuis,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C.C. Oberman.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “LLZ”.

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken, waaruit tevens het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 3 april 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de in het geding gebrachte producties.

1.2

Na de conclusie van antwoord is bij mondeling vonnis een comparitie van partijen gelast voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Deze heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. Door de griffier zijn zakelijke aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. Een schikking is niet bereikt.

1.3

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten:

2.1

[eiser] is vanaf 1 november 2000 werkzaam geweest als [functie] van LLZ. Tussen [eiser] en LLZ heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. De meest actuele arbeidsovereenkomst dateert van 26 mei 2008.

2.2

Op 8 juni 2011 heeft de toenmalige Raad van Toezicht van LLZ aan [eiser] kenbaar gemaakt het dienstverband met [eiser] te willen beëindigen wegens een zakelijk verschil van inzicht.

2.3

Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over een minnelijke vertrekregeling. In dat verband hebben partijen op 1 juli 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze vaststellingsovereenkomst kent in artikel 1.11 een ontbindende voorwaarde, in die zin dat bepaalde artikelen uit de vaststellingsovereenkomst hun werking zouden verliezen, indien de accountant van LLZ voor 1 september 2011 geen goedkeurende controleverklaring zou afgeven ten aanzien van de jaarrekening 2010.

2.4

De accountant van LLZ heeft eerst op 6 oktober 2011 de betreffende goedkeurende controleverklaring afgegeven. Als gevolg daarvan is de vaststellingsovereenkomst partieel ontbonden, voor zover het de in artikel 1.11 genoemde bepalingen betreft. Voor het overige is de vaststellingsovereenkomst in stand gebleven.

2.5

Doordat partijen vervolgens niet tot elkaar konden komen ten aanzien van de beëindiging van het dienstverband tussen [eiser] en LLZ heeft LLZ bij dagvaarding van 20 augustus 2012 de kantonrechter te Delft verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter te Delft heeft vervolgens bij beschikking van 13 december 2012 de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en LLZ per 1 januari 2013 ontbonden, met toekenning aan [eiser] van een bedrag van € 180.646,19 bruto.

2.6

In de beschikking heeft de kantonrechter te Delft onder meer overwogen:

Het komt de kantonrechter met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voor verwerende partij (lees: [eiser]) een vergoeding toe te kennen. De vaststelling van deze vergoeding laat onverlet het recht van verwerende partij om desgewenst aanspraak te maken op een vergoeding uit hoofde van de in artikel 12. van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst bedoelde (schade)vergoeding, zij het dat de door de kantonrechter toe te kennen vergoeding in mindering zal strekken op een eventueel door verwerende partij ingevolge voormeld artikel 12. te verkrijgen hogere (schade)vergoeding.

De kantonrechter heeft deze overweging in het dictum van de beschikking overgenomen.

2.7

Partijen hebben nadien nader overlegd over een minnelijke regeling, maar zij zijn niet tot elkaar gekomen.

3 De vordering

3.1

[eiser] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad LLZ zal worden veroordeeld om:

  1. an [eiser] te betalen een bedrag van € 187.656,07 bruto aan contractuele beëindigingsvergoeding op een door [eiser] aan te geven wijze overeenkomstig artikel 12 lid 3 van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2013, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van de algehele voldoening;

  2. aan [eiser] te betalen een bedrag van € 490.488,95 ten behoeve van een vergoeding van de pensioenschade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 januari 2013, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van de algehele voldoening;

  3. aan [eiser] te betalen een bedrag van € 31.400,92 bruto aan vakantiedagen en € 28.584,82 aan PLB-uren, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie, te vermeerderen met (a) de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW gerekend vanaf 4 februari 2013, zijnde de vierde dag na 31 januari 2013, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, als ook vermeerderd met (b) de wettelijke rente over deze twee bedragen gerekend vanaf 31 januari 2013, als ook de wettelijke rente over de voornoemde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW gerekend vanaf het moment van verschuldigdheid daarvan, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, een en ander tot de dag van de algehele voldoening;

  4. aan [eiser] te betalen (a) wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, gerekend vanaf 4 februari 2013, zijnde de vierde dag na 31 januari 2013, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, over de op 25 februari 2013 ontvangen bedragen, te weten € 7.419,30 aan vakantietoeslag en € 48.919,68 bruto aan vakantiedagen, als ook (b) de wettelijke rente over deze twee bedragen gerekend vanaf 31 januari 2013, als ook de wettelijke rente over voornoemde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW gerekend vanaf het moment van verschuldigdheid daarvan, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, een en ander tot 25 februari 2013;

  5. aan [eiser] te betalen (a) de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, gerekend vanaf 4 februari 2013, zijnde de vierde dag na 31 januari 2013, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, over het op 25 maart 2013 ontvangen bedrag, te weten € 7.554,60 bruto aan vakantiedagen, als ook (b) de wettelijke rente over voornoemde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW gerekend vanaf het moment van verschuldigdheid daarvan, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, een en ander tot 25 maart 2013;

  6. aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.465,65 te vermeerderen met BTW ter zake van buitengerechtelijke kosten,

een en ander met de veroordeling van LLZ in de kosten van de procedure.

3.2

[eiser] legt aan de vorderingen voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede de navolgende stellingen:

3.2.1

LLZ is een ziekenhuis. [eiser] is op 1 november 2000 op verzoek van LLZ in dienst getreden bij LLZ als [functie] ([x]), nadat hij vanaf januari 1999 als partner van KPMG de functie van [functie] bij LLZ had vervuld.

3.2.2

De meest actuele arbeidsovereenkomst tussen LLZ en [eiser] dateert van 26 mei 2008. Blijkens artikel 3.1 van de arbeidsovereenkomst is er geen CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing, tenzij en voor zover naar bepalingen van een CAO in de arbeidsovereenkomst is verwezen of die bepalingen van toepassing zijn verklaard. De arbeidsovereenkomst verklaart op een aantal plaatsen de CAO Ziekenhuizen van toepassing, zoals met betrekking tot de eindejaarsuitkering (artikel 4.1), salarisverhogingen (artikel 4.2) en verdeling van de pensioenpremie (artikel 9.2). De meest recente CAO Ziekenhuizen heeft een looptijd van 1 maart 2011 tot 1 maart 2014.

3.2.3

Op 8 juni 2011 heeft de toenmalige [x] aan [eiser] kenbaar gemaakt het dienstverband met [eiser] te willen beëindigen wegens een zakelijk verschil van inzicht. Daarbij is [eiser] op non-actief gezet en uit zijn functie ontheven.

3.2.4

De arbeidsovereenkomst kent een aantal bepalingen, die van toepassing zijn in het geval van onvrijwillig vertrek bij LLZ. Toen de vaststellingsovereenkomst van 1 juli 2001 partieel was ontbonden, hebben partijen tevergeefs onderhandeld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst kon worden beëindigd. LLZ wenste geen invulling te geven aan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen ‘vertrekregeling’. Uiteindelijk heeft LLZ gekozen voor een ontbindingsprocedure van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter te Delft.

3.2.5

[eiser] heeft LLZ nadien diverse keren uitgenodigd om in gesprek te treden om tot een vergelijk te komen over het restant van de contractuele vergoedingen. Een minnelijke regeling is daarbij toen niet bereikt. Daarnaast heeft [eiser] vanaf medio december 2012 herhaaldelijk aandacht gevraagd voor de reguliere afrekening. Onder druk van een kort geding heeft LLZ uiteindelijk in twee instanties een deel van de eindafrekening voldaan. [eiser] meent dat hem daarmee tekort is gedaan. [eiser] is daarom genoodzaakt de onderwerpelijke vorderingen in te stellen.

3.3

Ten aanzien van die onderscheiden vorderingen voert [eiser] het navolgende aan:

Contractuele vertrekregeling

3.3.1

Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] bij het einde van zijn dienstverband met LLZ recht op (a) een beëindigingsvergoeding van twee jaarsalarissen (artikel 12.1) en (b) een vergoeding van pensioenschade (artikel 11.2.4).

3.3.2

Het betreffende artikel 12.1 uit de arbeidsovereenkomst ten aanzien van de beëindigingsvergoeding luidt als volgt:
De heer [eiser] heeft bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door of op initiatief van de Stichting, tenzij zulks op staande voet wegens dringende reden is geschied recht op een beëindigingsvergoeding ter grootte van twee maal het jaarsalaris als bedoeld in artikel 4 van deze overeenkomst, zoals dat geldt op de einddatum van de arbeidsovereenkomst.

3.3.3

Aan de voorwaarden van de regeling is voldaan. Het initiatief voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is uitgegaan van LLZ en er was geen sprake van een dringende reden. Het door LLZ ingediende ontbindingsverzoek en dus ook de rechterlijke ontbinding is gebaseerd op een verandering van omstandigheden, volgens LLZ bestaande uit disfunctioneren. LLZ behoort de contractuele vertrekregeling dan ook na te leven, zoals overigens eerder door LLZ is erkend toen partijen onderhandelden over een vaststellingsovereenkomst. Aan [eiser] komt ter zake nog toe een bedrag van € 187.656,07. Dat [eiser] vanaf 8 juni 2011 tot de datum van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege zijn op-non-actiefstelling door LLZ zijn functie niet heeft uitgeoefend maar wel zijn salaris doorbetaald heeft gekregen mag niet van invloed zijn op de (hoogte van de) aan [eiser] toekomende beëindigingsvergoeding. De op-non-actiefstelling is de keuze van LLZ als werkgever en komt voor risico en rekening van LLZ als werkgever. Dat is vooral ook zo, omdat [eiser] naar zijn mening op ondeugdelijke gronden op non-actief is gesteld en uit zijn functie is ontheven.

3.3.4

In artikel 11.3.4 van de arbeidsovereenkomst is een regeling omtrent vergoeding van pensioenschade opgenomen. Het betreffende artikel luidt als volgt:
Ten aanzien van de pensioenbreuk die door een onvrijwillig vertrek voor de heer [eiser] kan ontstaan, komen partijen een passende regeling overeen van bijvoorbeeld 50% van de pensioenschade waarbij over het meerdere eventueel onderhandeld kan worden.
De reden van deze afspraak is gelegen in het feit dat [eiser] destijds door de overstap van KPMG naar LLZ een pensioenbreuk van circa acht jaren heeft geleden.

3.3.5

Aan de voorwaarden van de regeling is voldaan. Er is sprake van onvrijwillig vertrek en daardoor is pensioenschade ontstaan. De hoogte van de vergoeding moet tussen 50% en 100% van de pensioenschade liggen, waarbij het artikel “passendheid” als maatstaf geeft. [eiser] heeft ervaren dat zijn kansen op de arbeidsmarkt te verwaarlozen zijn. Niet alleen vanwege zijn leeftijd (bijna 60 jaar) en de economische crisis, maar ook vanwege zijn door LLZ geschonden reputatie binnen de branche waarvan hij volledig afhankelijk is. [eiser] heeft na ruim anderhalf jaar en 22 sollicitaties nog steeds geen nieuwe baan gevonden. Daar komt bij dat [eiser] inmiddels hartpatiënt is. [eiser] heeft berekeningen laten maken van de volgens hem door hem te lijden pensioensschade. De laatstelijk gemaakte berekening resulteert in aan [eiser] toekomend bedrag van € 490.488,95.

Eindafrekening

3.3.6

LLZ is niet overgegaan tot een normale financiële eindafrekening van het dienstverband. Het gaat daarbij -nu nog- om (a) een gedeelte van de vakantiedagen, (b) zogeheten PLB-uren, (c) wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en (d) wettelijke rente.

3.3.7

Blijkens artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] per jaar recht op 30 vakantiedagen en 12 ADV-dagen. De kwalificatie “ADV-dagen” is misleidend, want LLZ kent geen ADV-dagen, net zo min als de CAO Ziekenhuizen een ADV-dagen-regeling kent. Het gaat in werkelijkheid om gewone vakantiedagen, die [eiser] had bedongen. Net als de hierna te behandelen PLB-uren zijn de vakantiedagen door LLZ bijgehouden op een verlofkaart die maandelijks aan werknemers wordt verstrekt. [eiser] heeft die verlofkaart laatstelijk op 27 mei 2011 gekregen, enige dagen voor zijn op-non-actiefstelling. Omdat [eiser] op 8 juni 2011 op non-actief is gesteld heeft hij de door hem geplande vrije dagen in juli, augustus en december 2011 niet genoten. Dit betekent dat [eiser] zowel in het jaar 2011 als in het jaar 2012 de hem toekomende vakantiedagen niet heeft genoten. Na de nodige berekeningen en rekeninghoudend met inmiddels door LLZ ter zake uitbetaalde bedragen becijfert [eiser] zijn vordering ter zake van niet genoten vakantiedagen op een bedrag van € 31.400,92 bruto.

3.3.8

Per 1 januari 2010 is in de CAO Ziekenhuizen het zogenaamde persoonlijk levensfasebudget (PLB) ingevoerd. Dit PLB kan worden aangewend voor bestedingsdoeleinden in tijd, zoals tijdelijk minder werken, structureel minder werken aan het einde van de carrière of extra vakantie. Het PLB is ook voor [eiser] toegepast. De PLB-uren staan geregistreerd op de verlofkaart 2011. Het saldo aan PLB-uren in 2011 is volgens [eiser] 187. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft de werknemer de keuze om het opgebouwde PLB ofwel uit te laten keren ofwel over te laten dragen aan een nieuwe ziekenhuiswerkgever. [eiser] heeft verzocht om uitkering in geld. [eiser] becijfert het ter zake van PLB aan hem toekomende bedrag op € 28.584,82 bruto.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

3.3.9

[eiser] heeft LLZ via de wederzijdse advocaten gesommeerd uiterlijk op 31 januari 2013 het restant van de beëindigingsvergoeding, de in de ontbindingsprocedure gevorderde pensioenschade en de volledige eindafrekening te voldoen. Na veelvuldig aanmanen en onder dreiging van een kort geding heeft LLZ uiteindelijk een gedeelte van de eindafrekening voldaan. Vanwege het verzuim van LLZ vordert [eiser] in deze procedure zowel wettelijke rente als wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.

Buitengerechtelijke kosten

3.3.10

[eiser] heeft voorafgaande aan de procedure meerdere pogingen ondernomen om voldoening van zijn vorderingen buiten rechte te bewerkstelligen. Niet alleen rechtstreeks, maar ook via de wederzijdse advocaten. [eiser] heeft daarmee kosten gemaakt als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW. [eiser] maakt daarom aanspraak op vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, door [eiser] gesteld op € 5.465,65, te vermeerderen met BTW.

4 Het verweer

LLZ voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen. Op dat verweer wordt hierna, voor zoveel noodzakelijk, ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

De vorderingen van [eiser] laten zich onderverdelen in:

( a) de beëindigingsvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente;

( b) betaling van pensioenschade, vermeerderd met wettelijke rente;

( c) betaling van niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente;

( d) betaling van niet-genoten PLB-uren, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente;

( e) betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente over te laat uitbetaalde vergoedingen voor niet-genoten vakantiedagen en vakantietoeslag; en

( f) vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

5.2

Ten aanzien van ieder van die onderscheiden vorderingen overweegt en beslist de kantonrechter als volgt:

De beëindigingsvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente;

5.2.1

LLZ heeft als verweer tegen deze vergoeding aangevoerd, dat zij de contractueel overeengekomen vergoeding van twee jaarsalarissen reeds heeft voldaan, een en ander in overeenstemming met de bedoeling van partijen met betrekking tot de contractuele beëindigingsvergoeding. LLZ heeft daartoe gesteld dat [eiser] vóór de ontbindingsdatum van de arbeidsovereenkomst gedurende achttien maanden vrijgesteld is geweest van het verrichten van werkzaamheden met behoud van zijn volledige salaris, inclusief pensioenopbouw en overige emolumenten. Aldus heeft [eiser] de mogelijkheid gehad om vanuit een bestaand dienstverband uit te zien naar een ander dienstverband. De vordering van [eiser] tot naleving van de contractuele beëindigingsvergoeding is in strijd met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 BW.

5.2.2

De kantonrechter volgt LLZ in die zienswijze. Weliswaar komen de gevolgen van een door de werkgever toegepaste op-non-actiefstelling in beginsel voor risico en rekening van de werkgever, maar in dit geval is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van zodanige bijzondere omstandigheden dat het geven van uitvoering aan dat beginsel zou leiden tot gevolgen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn. Op grond van de arbeidsovereenkomst waren er twee routes, waarlangs tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst kon worden gekomen, namelijk (1) de toekenning van een jaarsalaris, indien [eiser] in de gelegenheid zou zijn gesteld om gedurende tenminste één jaar vanuit zijn functie een functie van vergelijkbaar niveau elders te vinden (artikel 11.3.1 in combinatie met artikel 12.2), of (2) de toekenning van twee jaarsalarissen in het geval [eiser] die gelegenheid niet zou hebben gekregen (artikel 12.1). Het primaire uitgangspunt van de arbeidsovereenkomst is derhalve dat [eiser] de gelegenheid zou hebben vanuit een bestaand dienstverband een andere, vergelijkbare functie te zoeken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] die gelegenheid gehad, zelfs langer dan een jaar, nu [eiser] na zijn terugtreden op 8 juni 2011 nog tot 1 januari 2013 bij LLZ in dienst is gebleven en [eiser] gedurende die lange periode de handen vrij had en de mogelijkheid heeft gehad om te zien naar een ander dienstverband. Weliswaar was [eiser] op grond van artikel 1.1 van de vaststellingsovereenkomst geen statutair bestuurder van LLZ meer, maar dat heeft hem, gelet op de in productie D genoemde sollicitaties, niet belet naar vergelijkbare functies te solliciteren. Daarnaast heeft [eiser] geen stappen ondernomen in de richting van LLZ om zijn functie van bestuurder van LLZ te herkrijgen, hetgeen hij had kunnen doen als dat naar zijn mening zijn kansen op een nieuwe functie zou hebben vergroot. Dat [eiser] niet is geslaagd in het verkrijgen van een ander dienstverband is een omstandigheid die gelet op het grote tijdsverloop in de gegeven omstandigheden voor risico en rekening van [eiser] dient te komen. De conclusie van de kantonrechter is dan ook dat aan [eiser], naast de door de kantonrechter te Delft in zijn beschikking van 13 december 2012 ten laste van LLZ aan [eiser] toegekende vergoeding, geen verdere beëindigingsvergoeding toekomt. De vordering zal in zoverre worden afgewezen. Datzelfde lot treft de door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de beëindigingsvergoeding.

Betaling van pensioenschade, vermeerderd met wettelijke rente

5.2.3

In de inleidende dagvaarding (punt 2.4, laatste zin) heeft [eiser] gesteld dat de reden voor het maken van een afspraak met betrekking tot een aan [eiser] toekomende vergoeding ter zake van pensioenschade die bij een onvrijwillig vertrek kan ontstaan, is gelegen in het feit dat hij door zijn overstap van KPMG naar LLZ een pensioenbreuk van ongeveer acht jaren heeft geleden. De gevolgen daarvan heeft [eiser] toen (kennelijk) voor lief genomen, maar [eiser] heeft willen voorkomen dat bij een volgende pensioenbreuk hij weer voor die schade gesteld zou worden. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser] ter toelichting daarop bevestigd, dat het de bedoeling van partijen was om zeker te stellen dat toekomstige schade die het gevolg zou zijn van een breuk zou/kon worden gerepareerd. LLZ heeft die door [eiser] gegeven toelichting op de betrekkelijke bepaling in de arbeidsovereenkomst niet dan wel niet voldoende gemotiveerd weersproken. In deze procedure gaat de kantonrechter er daarom vanuit dat die door [eiser] gegeven uitleg de bedoelingen van partijen op het punt van de vergoeding van pensioenschade juist weergeeft. Uit die stellingname van [eiser] volgt dat het niet de bedoeling van partijen was om de verdere opbouw van de pensioenrechten van [eiser] te vergoeden vanaf het moment van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot het bereiken van de pensioensgerechtigde leeftijd door [eiser]. Daarmee zou namelijk het risico, dat [eiser] geen andere werkgever zou vinden, ten aanzien van de opbouw van pensioenrechten, in het meest verstrekkende geval tot zijn pensioengerechtigde leeftijd, volledig op LLZ worden afgewenteld. Naar het oordeel van de kantonrechter zou een dergelijke uitkomst tot een onredelijke uitkomst voor LLZ leiden.

5.2.4

Het voorgaande betekent dat partijen ter zake van de tot nu toe gestelde (hoogte van de) pensioenschade steeds zijn uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Het op grond van de door [eiser] gegeven uitleg juiste uitgangspunt is immers dat het waardeverlies (pensioenbreuk) dat [eiser] zou ondervinden als gevolg van een overdracht van opgebouwde pensioenrechten van de pensioenregeling van LLZ naar de pensioenregeling van een opvolgende werkgever voor vergoeding in aanmerking komt.

5.2.5

Vaststaat dat [eiser] tot op tot heden er niet in is geslaagd een andere werkkring te vinden. Daardoor kan de pensioenschade, namelijk de schade (het waardeverlies) als gevolg van een overdracht van pensioenrechten van de pensioenregeling van LLZ naar een andere pensioenregeling thans niet worden vastgesteld. Derhalve rest niets anders dan van een theoretische berekening uit te gaan, alsof er een waardeoverdracht van de ene naar de andere pensioenregeling heeft plaatsgevonden.

5.2.6

Het is aan [eiser] om met inachtneming van het vorenstaande de door hem geleden pensioenschade te berekenen, een en ander in het licht van de tekst van artikel 11.3.4 van de arbeidsovereenkomst. Elke verdere beslissing op dit punt wordt daarom aangehouden en de zaak zal worden verwezen naar na te melden rolzitting om [eiser] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de omvang van zijn pensioenschade en, desgewenst, zijn vordering op dit punt te herformuleren.

Betaling van niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.2.7

[eiser] is gedurende achttien maanden vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden voor LLZ. De kantonrechter is van oordeel dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid [eiser] in die lange periode geacht moet worden zijn vakantiedagen te hebben opgenomen (vgl. HR 17-3-1989, NJ 89, 437). Dat [eiser], zoals hij heeft gesteld, feitelijk niet op vakantie is geweest in die periode maakt dat oordeel niet anders. Ook de stelling van [eiser] dat hij in die periode wegens ziekte arbeidsongeschikt is geweest maakt dat oordeel niet anders. In dat verband acht de kantonrechter mede van belang dat [eiser], toen hij ziek was en nog in dienst was van LLZ, zich niet ziek heeft gemeld, in welk geval hij tijdens zijn ziekte geen vakantiedagen op had hoeven te nemen. De gevorderde vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke rente, zal dan ook worden afgewezen.

Betaling van niet-genoten PLB-uren, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.2.8

Uit de stelling van [eiser] volgt dat hij de hier bedoelde PLB-uren steeds heeft gezien als aan hem toekomende vakantierechten. LLZ heeft die uren dienovereenkomstig geadministreerd. Uitgaande van die stelling geldt te dien aanzien ook wat hiervoor is overwogen en beslist ten aanzien van de niet-genoten vakantiedagen. Ook de gevorderde vergoeding van PLB-uren, vermeerderd met rente, wordt dan ook afgewezen. Wat LLZ heeft betoogd met betrekking tot de rechten van [eiser] op PLB-uren kan daarmee buiten beschouwing blijven.

Betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente over te laat uitbetaalde vergoedingen voor niet-genoten vakantiedagen en vakantietoeslag

5.2.9

In deze procedure staat vast dat partijen uitvoerig hebben gedebatteerd over de aanspraken van [eiser] op (na)betaling van niet-genoten vakantiedagen en vakantietoeslag bij beëindiging van het dienstverband. Vanwege de tijd die in redelijkheid nodig is om tot een juiste berekening van de aan [eiser] toekomende aanspraken te komen, is het niet onredelijk, dat enige vertraging ontstaat in de uitbetaling van die rechten van [eiser]. De arbeidsovereenkomst met [eiser] is ontbonden per 1 januari 2013. De uitbetaling van vakantietoeslag en vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen vond plaats op 25 februari 2013. In het licht van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat dit tijdsverloop binnen redelijke grenzen is gebleven, zodat LLZ ter zake (nog) niet toerekenbaar in verzuim verkeerde. Voor toewijzing van wettelijke rente of wettelijke verhoging over die gedane nabetalingen bestaat dan ook geen grond, zodat ook deze vorderingen worden afgewezen.

Vergoeding van buitengerechtelijke kosten

5.2.10

Uit wat hiervoor is overwogen en beslist volgt dat een deel van de vorderingen van [eiser] wordt afgewezen. Voor dat deel van de vorderingen bestaat geen grond voor toewijzing van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

5.2.11

Uit wat hiervoor is overwogen en beslist ten aanzien van de pensioenschade geldt dat [eiser] een andere invulling van zijn vordering kan geven met inachtneming van wat hiervoor is overwogen en dat het eventueel nog aan [eiser] toekomend bedrag ter zake van pensioenschade nog niet vast staat. Daarmee is gegeven dat over een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten aan [eiser] ten aanzien van de gevorderde pensioenschade toekomt nog niet kan worden beslist. De beslissing daarover wordt dan ook aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

  1. verwijst deze zaak naar de civiele rolzitting van het Team Kanton Den Haag van deze rechtbank van donderdag 4 december 2013 te 11.00 uur voor akte aan de zijde van [eiser] voor herberekening en, desgewenst, herformulering van (de omvang van) zijn vordering ter zake van pensioenschade, een en ander met inachtneming van wat daarover hiervoor is overwogen en beslist;

  2. houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.W.D. Bom, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.