Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18644

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_706
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: WWB, EVRM, ESH.

Samenvatting:

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gehouden was de aanvraag om een WWB-uitkering af te wijzen, omdat eiser niet behoort tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: SBR 13/706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2013 in de zaak tussen

de heer [eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, verweerder

(gemachtigde: drs. I.C.M. Stam).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om hulp op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser is afkomstig uit Tibet. Eiser is in april 2008 naar Nederland gekomen en heeft een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 7 juli 2009 is deze aanvraag (inmiddels onherroepelijk) afgewezen.

2.

Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om hulp. Eiser heeft een beroep gedaan op de WWB.

3.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 11, tweede lid, van de WWB is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

In artikel 11, derde lid, van de WWB is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

4.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.

5.

Gelet op de omstandigheid dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw kan hij niet op grond van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB voor de toepassing van de WWB worden gelijkgesteld met een Nederlander. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van zijn verblijfsrechtelijke positie geen recht heeft op een bijstandsuitkering.

6.

Bij de beoordeling van eisers beroep dienen naast de nationaalrechtelijke bepalingen ook de door eiser ingeroepen bepalingen van internationaal recht te worden beoordeeld.

7.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat op hem niet de verplichting rust om hulp te bieden, omdat eiser geen verblijfstitel heeft en dus niet valt onder artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Er rust volgens verweerder op hem geen positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB. Daarbij wijst verweerder, onder meer, op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844.

8.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 22 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG8789) en 19 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956 en LJN: BM1992), dat het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid aanmerkt als “the very essence” van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De CRvB heeft in dit verband gewezen op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BD6647).

9.

In zijn uitspraken van 9 november 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU4382) en 22 november 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844) en onlangs in zijn uitspraak van 11 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2813) heeft de CRvB overwogen dat ook indien sprake is van een positieve verplichting als bedoeld in rechtsoverweging 8 niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht dient te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, is de CRvB tot de conclusie gekomen dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. De rechtbank is in navolging van de CRvB dan ook van oordeel dat verweerder gehouden was de aanvraag om een WWB-uitkering af te wijzen, omdat eiser niet behoort tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB.

10.

Ook het beroep van eiser op de artikelen 13, vierde lid, en 31, tweede lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH) treft geen doel. Deze bepalingen kunnen niet een ieder verbinden in de zin van artikel 94 van de Grondwet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de CRvB van 19 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956) en 31 mei 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BX0963). De verwijzing naar een tweetal door kerkelijke organisaties tegen Nederland bij het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) ingediende klachten, waaruit volgens eiser blijkt dat het ECSR anders kijkt naar de toekenning van bijstand dan de CRvB, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu in die procedure nog geen beslissing is genomen. Aan de hand van de klachten die zijn gesteld kan niet worden afgeleid tot welke beslissing het ECSR zou kunnen komen. De verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 31 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1369), waarin de CRvB het verzoek om aanhouding van die procedure afwijst, omdat onvoldoende duidelijk is wanneer het ECSR tot een uitspraak komt en of een eventueel gegronde klacht (directe) consequenties heeft voor het onderhavige hoger beroep, geeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de CRvB vanaf 31 juli 2013 anders oordeelt over het ESH dan voorheen. Wat eiser heeft aangevoerd over de ESH leidt gelet op de huidige stand van de jurisprudentie dan ook niet tot bijzondere omstandigheden die ertoe nopen dat verweerder gehouden is de aanvraag om een WWB-uitkering in te willigen.

11.

Eiser heeft aangevoerd dat de bijstandswet wel open staat voor moeders zonder papieren die voor hun kinderen met papieren moeten zogen. Eiser wijst daarbij op de primaire besluiten van de gemeente Oss van 11 januari 2013 en Groningen van 4 december 2012 waarin aan vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland en de zorg hebben voor een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit bijstand wordt toegekend wegens zeer dingende redenen.

12.

Waar eiser zich beroept op het gelijkheidsbeginsel, omdat andere gemeentes bijstand hebben verleend aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning, overweegt de rechtbank dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen, nu het gaat om andere gemeentes en gesteld noch gebleken is dat eiser de vader is van minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit.

13.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.K. Nihot, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Groot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.