Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18624

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
C-09-454369
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing: gelet op de geschetste problematiek is thuisplaatsing thans niet aan de orde. aangenomen moet worden dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling zijn beschadigd door de problematie van de ouders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 13-2856

Zaaknummer: C/09/454369

Datum beschikking: 30 december 2013

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op de op 8 november 2013 ingekomen verzoekschriften van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Rijnland (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarigen:

1.

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1];

2.

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2009 te [geboorteplaats 2]

3.

[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2009 te [geboorteplaats 3],

kinderen uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[de heer A],

de vader,

wonende te [woonplaats 1],

en

[mevrouw B]

de moeder,

wonende te [woonplaats 2]

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

Als belanghebbenden zijn voorts aangemerkt:

  • -

    de pleegouders van de minderjarige sub 1, wonende op een geheim adres;

  • -

    de pleegouders van de minderjarigen sub 2 en 3, wonende op een geheim adres.

De minderjarigen verblijven feitelijk in een voorziening voor pleegzorg.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    de verzoekschriften met bijlagen;

  • -

    de indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg d.d. 14 oktober 2013 (drie stuks) met

de daarbij behorende aanvraag;

de brief d.d. 10 december 2013 van Bureau Jeugdzorg met als bijlagen (concept) pleegzorgplannen;

- het verweerschrift van de zijde van de moeder.

Op 30 december 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    mevrouw [mevrouw C]namens Bureau Jeugdzorg;

  • -

    de moeder met haar advocaat, mr. J.A.M. Koorn-Harkema, kantoorhoudende te

Leiden;

- de vader.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 28 december 2012 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd van 10 januari 2013 tot 10 januari 2014.

Voorts heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking d.d. 1 juli 2013 de aan Bureau Jeugdzorg verleende machtiging voornoemde minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 10 juli 2013 tot 10 januari 2014.

Bij beschikking d.d. 18 december 2013 van het Gerechtshof Den Haag is voornoemde beschikking d.d. 1 juli 2013 bekrachtigd.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De vader en de moeder hebben ieder voor zich verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De pleegouders van de minderjarigen zijn – via Bureau Jeugdzorg – opgeroepen voor de terechtzitting doch niet verschenen.

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is, verkort weergegeven, aangevoerd dat de zorgen omtrent de minderjarigen onverminderd aanwezig zijn en dat het belang van de minderjarigen er voorlopig mee gediend is dat zij opgroeien in hun huidige pleeggezinnen, alwaar hen een rustige, stabiele en veilige opvoedomgeving wordt geboden. De kinderen zijn alle drie kwetsbaar en beschadigd en de ouders kunnen hen niet bieden wat zij nodig hebben. Zowel de contacten tussen Bureau Jeugdzorg en de ouders als de begeleide omgangscontacten verlopen moeizaam en vormen een bron van spanning. Zo probeert de moeder bijvoorbeeld de pleegouders te diskwalificeren naar de minderjarigen toe. Gezien ook de uitspraak van het gerechtshof Den Haag d.d. 18 december 2013, die wat Bureau Jeugdzorg betreft niets aan duidelijkheid te wensen overlaat, zal Bureau Jeugdzorg de komende periode de mogelijkheid van een verderstrekkende maatregel in overweging nemen. Bureau Jeugdzorg zal voorts onderzoeken of er contact tussen de minderjarigen onderling en met de halfbroers- en zussen van de minderjarigen mogelijk is.

Van de zijde van de moeder is geen verweer gevoerd tegen verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is van haar zijde aangevoerd dat zij vindt dat de minderjarigen zo snel mogelijk weer bij haar moeten worden teruggeplaatst. Zij heeft altijd haar medewerking aan de hulpverlening verleend en de contacten met de minderjarigen verlopen wat haar betreft goed. Zij is van mening dat Bureau Jeugdzorg geen moeite doet om te kijken naar de mogelijkheden voor een terugplaatsing. Voorts vindt de moeder dat zij als ouder met gezag buiten spel wordt gezet, doordat zij door de gezinsvoogd niet betrokken wordt bij allerlei ingrijpende beslissingen met betrekking tot de minderjarigen, zoals het wijzigen van hun school. Bovendien vindt de moeder dat Bureau Jeugdzorg niet daadwerkelijk aan de slag gaat met de bij de minderjarigen geconstateerde problemen, zoals de gediagnosticeerde ADHD bij [minderjarige 1] Het pleeggezin waar [minderjarige 1] zit vindt de moeder ongeschikt om hem op te voeden.

De vader schaart zich in grote lijnen achter het verweer van de moeder. Hij betreurt het dat hij zo weinig contact heeft met zijn kinderen.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Mede onder verwijzing naar voornoemde – recente – beschikking van het gerechtshof Den Haag, overweegt de kinderrechter dat, hoewel vaststaat dat de ouders betrokken zijn op de minderjarigen, gelet op de geschetste problematiek thuisplaatsing in ieder geval thans niet aan de orde is. Aangenomen moet worden dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling zijn beschadigd door de problematiek van de ouders. Hun belang is voorlopig het meest gediend bij voortzetting van de huidige plaatsing. De kinderrechter hoopt dat de ouders zich realiseren dat, wil een eventuele thuisplaatsing in de (verdere) toekomst aan de orde komen zij zich coöperatief dienen op te stellen jegens Bureau Jeugdzorg. In dat kader gaat de kinderrechter er vanuit dat, indien mocht blijken dat die situatie de aankomende periode niet verbetert, niet te lang gewacht zal worden met een verzoek tot een verderstrekkende maatregel teneinde duidelijkheid te scheppen voor alle betrokken partijen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van 10 januari 2014 tot 10 januari 2015 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg,

en

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland verleende machtiging de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 10 januari 2014 tot 10 januari 2015, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van de aangehechte indicatiebesluiten d.d. 14 oktober 2013;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Haan, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 december 2013, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.