Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18616

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
AWB 12/19927
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2351, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sri Lanka, Tamil, herhaalde asielaanvraag, ambtsbericht, verslechterde situatie.

Het onderzoek in deze zaak is in juni 2013 heropend om het nieuwe algemeen ambtsbericht inzake Sri Lanka bij de uitspraak te kunnen betrekken. Verweerder heeft onderhavige (herhaalde) aanvraag afgewezen op grond van art. 4:6 Awb omdat eiser geen nova aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser stelt dat sprake is van nova nu er sprake is van een verslechterde veiligheidssituatie voor Tamils ten opzichte van het eerdere besluit van 2 september 2011 en verwijst daarbij naar rapporten van onder meer Freedrom from Torture, Human Rights Watch en Tamils Against Genocide. De rechtbank stelt, anders dan verweerder heeft aangevoerd, dat het enkele feit dat eiser de stukken pas na het bestreden besluit heeft overgelegd, op zichzelf niet betekent dat hij deze niet mede aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser kon in dit geval niet anders, eenvoudigweg omdat de stukken dateren van na het bestreden besluit. De inhoud van de stukken ziet op de situatie in Sri Lanka, hetgeen eiser nadrukkelijk aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Nu de stukken nieuw zijn, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of deze stukken kunnen afdoen aan het eerdere besluit. Daarbij moet beoordeeld worden of er sprake is van een verslechtering van de veiligheidssituatie ten opzichte van de voorgaande procedures. De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dergelijke verslechtering. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat het ambtsbericht 2013, anders dan het ambtsbericht 2010, spreekt van gevaar voor terugkerende Tamils met LTTE-banden, maar ook met 'vermeende' LTTE-banden. Ook maakt het ambtsbericht 2013 melding van gevaar voor Tamils die in het buitenland politiek actief zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van TAG en SFH niet zijn betrokken in het ambtsbericht 2013. De rechtbank stelt tevens vast dat in het ambtsbericht 2013 informatie ontbreekt over de twee door Nederland uitgezette Tamils die bij terugkeer problemen hebben gekregen, terwijl door de toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel is toegezegd dat hieraan in het volgende ambtsbericht aandacht aan zou worden besteed. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit het ambtsbericht 2013 blijkt dat de aandacht voor LTTE-activiteiten van de Sri Lankaanse autoriteiten is verschoven van het binnenland naar het buitenland, zoals ook door verweerder ter zitting is bevestigd, en dat uit paragraaf 2.2 ‘Politieke ontwikkelingen’ onder Recente ontwikkelingen LTTE (inclusief Tamil diaspora) van het ambtsbericht 2013 zou kunnen worden afgeleid dat Nederland thans zou kunnen worden aangemerkt als land waar fondsen worden geworven door de LTTE. Verweerder heeft ten onrechte de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/19927

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 december 2013 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Sri Lankaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en daarnaast een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 10 juli 2012 (AWB 12/19928) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat verweerder is verboden eiser uit te zetten voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Verweerder heeft ter zitting het verweerschrift van 11 april 2013 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 28 juni 2013 heropend om het nieuwe algemeen ambtsbericht inzake Sri Lanka van juni 2013 (het ambtsbericht 2013) bij de uitspraak te kunnen betrekken en verweerder hierover vragen te kunnen stellen. Verweerder heeft bij schrijven van 22 augustus en 20 november 2013 gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 23 september en 14 november 2013 gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft geen toestemming gegeven om het onderzoek zonder nadere zitting te sluiten.

Op 25 november 2013 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser heeft eerder, te weten op 12 maart 2008, een asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft eiser aangevoerd dat hij van Tamil-afkomst is. Tussen 2002 en 2005 heeft eiser onder dwang de LTTE meegeholpen bij het aanbrengen van versieringen voor de LTTE en de vlag opgehangen. Een soldaat die eiser dit heeft zien doen, heeft eiser in 2007 een meldplicht opgelegd. Wanneer eiser zich meldde, werd hij ondervraagd en geslagen. Eisers oom had ook een meldplicht en is ontvoerd en vermoord. In maart 2007 kwamen twee Tamil mannen eisers winkel binnen en vertelden hem dat hij zich niet meer moest melden. Eiser werd bang en is ondergedoken. Eiser hoorde van zijn broer dat hij werd gezocht en heeft vervolgens zijn land van herkomst verlaten. Eisers broer heeft zijn winkel overgenomen. Nu is het leger op zoek naar zijn broer in plaats van naar eiser. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 februari 2009 afgewezen op de volgende gronden. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd ter staving van zijn reisroute en wordt derhalve het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegengeworpen. Verweerder acht eisers relaas ongeloofwaardig omdat zijn verklaringen positieve overtuigingskracht missen. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 februari 2010 (AWB 09/7419) ongegrond verklaard. Ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn) heeft de rechtbank nog overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het besluit in het district Jaffna sprake was van een uitzonderlijke situatie in de zin van voormeld artikel. Het tegen deze uitspraak door eiser ingediende hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 8juli 2010 kennelijk ongegrond verklaard (nr. 201002240/1/V1).


1.1 Eiser heeft vervolgens op 25 augustus 2011 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een arrestatiebevel van 20 juli 2010, foto’s en een filmpje van internet overgelegd. Uit het arrestatiebevel volgt dat eiser wordt verdacht van betrokkenheid bij de LTTE en uit de foto’s en het filmpje volgt dat eiser in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties tegen het Sri Lankaanse regime en dat hij banden heeft met de LTTE. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 2 september 2011 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 30 september 2011 door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (AWB 11/28532 en 11/28531), ongegrond verklaard omdat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, die een hernieuwde rechterlijke toets rechtvaardigen.


1.2 Op 5 juni 2012 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting op 6 juni 2012 naar Colombo. Bij uitspraak van 6 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle (AWB 12/18112), het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen totdat op het bezwaar is beslist. Bij besluit van 13 juni 2012 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.

Aan de onderhavige aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij zijn eerdere problemen handhaaft. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer te worden opgepakt en vermoord vanwege zijn banden met de LTTE en vanwege zijn asielaanvragen in Nederland. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser de volgende stukken overgelegd, waaruit blijkt dat Tamils die in Engeland asiel hadden aangevraagd, na terugkeer in Sri Lanka problemen hebben ondervonden:

1.

een krantenartikel van de The Independent van 1 juni 2012;

2.

een internetbericht van de Global Peace Support Group van 1 juni 2012;

3.

artikelen van Human Rights Watch (HRW) van 24 februari 2012 en 29 mei 2012;

4.

een artikel van Tamils Against Genocide (TAG) van mei 2012;

5.

een artikel van Tamilnet van 31 mei 2012.

In de correcties en aanvullingen van 16 juni 2012 heeft eiser aangevoerd dat hij in zijn vorige asielprocedure naar voren heeft gebracht dat hij politiek actief is geweest. Verwezen wordt naar het bezwaarschrift van 5 juni 2012. Eiser heeft tot 2009 deelgenomen aan zeer veel demonstraties tegen het Sri Lankaanse regime. Na de overwinning van het Sri Lankaanse leger op de LTTE heeft eiser deelgenomen aan een herdenking. Deze herdenkingen worden jaarlijks herhaald. Daarnaast heeft eiser sinds zijn komst naar Nederland jaarlijks deelgenomen aan heldendagen waar LTTE-strijders worden herdacht. Ook heeft eiser in januari 2010 deelgenomen aan een referendum over autonomie voor Tamil Eelam. Uit het artikel van The Independent volgt dat eiser hierdoor bij terugkeer een risico loopt. Daarnaast heeft eiser een artikel van The Guardian van 6 juni 2012 overgelegd. Eiser verwijst daarnaast nog naar:

6.

Een rapport van Freedom from Torture 2009-2011;

7.

een artikel van Channel 4 News.

3.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb omdat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Daarnaast heeft verweerder zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een risico in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) loopt.

4.

Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, op voorhand moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; ECLI:NL:XX:1998:AG8817) voordoen.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

5.

De rechtbank stelt allereerst vast dat deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 5 februari 2010 heeft geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers relaas ongeloofwaardig moet worden geacht. Voor zover eiser zijn eerder naar voren gebrachte en ongeloofwaardig bevonden relaas handhaaft, is dit reeds daarom niet aan te merken als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

6.

Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een novum, gelegen in zijn politieke activiteiten in Nederland tegen het Sri Lankaanse regime. Hij vreest dat hij daardoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van Sri Lanka is komen te staan. Hij heeft in dit verband verwezen naar de tweede asielprocedure waarin hij heeft aangevoerd dat hij politiek actief is in Nederland. Uit die procedure blijkt dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser marginale activiteiten voor de LTTE heeft verricht. Dit maakt het aannemelijk dat eiser in Nederland deze activiteiten heeft voortgezet door deelname aan de demonstraties in 2009, het referendum over autonomie voor Tamil Eelam en het bijwonen van de door de LTTE georganiseerde jaarlijkse Heldendagen. In de aanvullende gronden van beroep van 23 augustus 2012 heeft eiser onder meer twee foto's overgelegd waarop hij met een LTTE-vlag is te zien voorafgaand aan een demonstratie op het Media Park in Hilversum in 2009. Voorts zijn 14 foto's overgelegd van deze demonstratie. In het aanvullend beroepschrift van 5 april 2013 stelt eiser dat hij in 2009 en 2010 veelvuldig contact had met de jongerengroep van de LTTE, genaamd [naam 1]. Eiser heeft zoveel mogelijk mensen over demonstraties tegen het militaire optreden van het Sri Lankaanse leger in het noorden van Sri Lanka in 2009 en de herdenking van de militaire overwinning op de LTTE, genaamd “Zwarte Dag” in mei 2010 en 2011 geïnformeerd. Bij één demonstratie heeft hij sjaals, petjes en vlaggen verspreid en hij heeft meegeholpen bij de organisatie van demonstraties en verzorging van hongerstakers. Voorts is eiser gewaarschuwd door een Sri Lankaanse vreemdeling, [naam 2], die hij in Nederland heeft ontmoet en die terug is gekeerd naar Sri Lanka, dat het voor eiser gevaarlijk is terug te keren in verband met zijn activiteiten voor de LTTE.

6.1

Eiser heeft ter zitting van 16 april 2013 verklaard dat de demonstratie op het Media Park in Hilversum, waarvan eiser de foto’s heeft overgelegd, heeft plaatsgevonden in mei 2009. De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten de vraag of eiser deze foto’s eerder naar voren had kunnen en moeten brengen, deze foto’s niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Uit de foto’s blijkt niet wanneer deze zijn genomen en met deze foto’s heeft eiser daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten bekend zijn geraakt met eisers deelname aan voormelde demonstratie en dat hij tevens vanwege deze deelname in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van Sri Lanka is komen te staan. Dat, zoals eiser heeft gesteld, marginale activiteiten die eiser voor de LTTE heeft verricht door verweerder in de eerste asielprocedure wel geloofwaardig zijn geacht, maakt het bovenstaande niet anders. Eiser heeft voorts niet onderbouwd dat hij heeft deelgenomen aan het referendum over autonomie voor Tamil Eelam, dat hij de jaarlijkse Heldendagen heeft bijgewoond, dat hij activiteiten voor de LTTE of diens jongerenorganisatie heeft verricht, en dat [naam 2] hem zou hebben gewaarschuwd, zodat de rechtbank deze stellingen evenmin als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen aanmerkt.

7.

Eiser stelt voorts dat sprake is van nova, nu ten opzichte van het eerdere besluit van 2 september 2011 sprake is van een verslechterde veiligheidssituatie voor Tamils. Aangezien afgewezen asielzoekers bij voorbaat in verband worden gebracht met de LTTE, lopen afgewezen asielzoekers bij terugkeer naar Sri Lanka het risico te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM op de luchthaven en ook daarbuiten. Eiser verwijst in dit verband naar de voornoemde rapporten van Freedom from Torture van 7 november 2011, van HRW van 24 februari 2012 en 29 mei 2012 en van TAG van 29 mei 2012. Verweerder heeft met de verwijzing naar het rapport van de Research Directorate van de Canadese Immigration and Refugee Board van 22 augustus 2011 en van het Britse Home Office van maart 2012, miskend dat uitgeprocedeerde asielzoekers na het verlaten van de luchthaven van Colombo ook risico lopen en door de geheime dienst worden gevolgd. Dit volgt onder meer uit het rapport van Tamils Against Genocide van 29 mei 2012 en een artikel op www.channel4.com van 1 juni 2012.

In de aanvullende gronden van beroep van 23 augustus 2012 heeft eiser aangevoerd dat de situatie voor terugkerende asielzoekers met een Tamil-achtergrond verder is verslechterd. In dit verband voert eisers gemachtigde aan dat een andere cliënt van haar door verweerder op 1 augustus 2012 naar Sri Lanka is uitgezet, waar hij bij aankomst is gedetineerd, ondervraagd en mishandeld door de Crime Investigation Department (CID). Eiser heeft in dit verband overgelegd:

8.

Twee brieven gericht aan deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 8 augustus 2012 en 16 augustus 2012, waarin is verzocht om heropening van het onderzoek en waarin een verzoek om teruggeleiding is gedaan.

Voorts verwijst eiser naar:

9.

een bericht op www.lankasrinews van 30 juli 2012 en 18 augustus 2012. Daaruit volgt onder meer dat op 15 augustus 2012 een Tamil vanuit Nederland is gearresteerd bij aankomst op de luchthaven. Het betreft een cliënt van mr. Derksen.

In de gronden van 5 april 2013 heeft eiser in dit verband de volgende stukken bijgevoegd:

10.

de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 20 december 2012 (AWB 12/23061);

11.

de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 15 februari 2013 (nr. 201301139/2/V2).

Voorts heeft eiser in de aanvullende beroepsgronden van 5 april 2013 naar de volgende rapporten en stukken verwezen:

12.

een brief van HRW van 7 augustus 2012 aan de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel waarin wordt verzocht om het uitzettingsbeleid van Tamils te herzien;

13.

een samenvatting van rapport van ACAT-France van juni 2012;

14.

een rapport van Freedom from Torture van 13 september 2012;

15.

een persbericht van HRW van 15 september 2012;

16.

een rapport ‘Returnees at Risk: Detention and Torture in Sri Lanka’ van TAG van 16 september 2012;

17.

een bericht van The Independent van 19 september 2012;

18.

een persbericht van Freedom from Torture van 19 september 2012;

19.

een bericht van Tamilnet.com van 15 oktober 2012;

20.

een rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van november 2012;

21.

een brief van UK Border Agency, Home Office, van 6 februari 2013;

22.

de uitspraak van de High Court of Justice, Administrative court van 28 februari 2013;

23.

een bericht op Channel4.com van 27 februari 2013;

24.

een bericht van BBC News Asia van 28 februari 2013;

25.

een bericht in The Guardian van 28 februari 2013;

26.

een bericht op freemovement.org.uk van 27 februari 2013;

27.

h rapport ‘sexual violence against Tamils by Sri Lankan Security Forces’ van HRW van februari 2013;

28.

een bericht van Daily News van 23 maart 2013;

29.

een bericht van BBC Sinhala.com van 26 april 2010;

30.

een bericht van De Volkskrant van 29 juni 2009.

7.1

De rechtbank stelt vast dat de in rechtsoverweging 7. genoemde stukken aangeduid met nummer 29 en 30 dateren van voor het eerdere besluit van 2 september 2011, zodat deze reeds daarom niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraken aangeduid met de nummers 10, 11 en 22 kunnen niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, reeds omdat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld 22 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3006) een in een andere zaak uitgesproken rechterlijk oordeel op zichzelf geen verandering brengt in de door eiser in zijn zaak gestelde feiten en omstandigheden.

7.2

Ten aanzien van de overige stukken, die dateren van na het eerdere besluit van 2 september 2011 en die betrekking hebben op de veiligheidssituatie van teruggekeerde asielzoekers van Tamil-afkomst naar Sri Lanka, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze stukken, gelet op het toetsingskader zoals weergegeven onder rechtsoverweging 4, niet kunnen worden betrokken bij de vraag of eiser binnen de bestuurlijke besluitvorming nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Weliswaar kunnen deze stukken met een beroep op artikel 83 Vw bij het beroep worden betrokken, maar dat doet niets af aan het feit dat voormelde stukken niet ten grondslag zijn gelegd aan de – herhaalde – aanvraag. Reeds daarom kunnen deze stukken niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden beschouwd.

7.3

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog. De rechtbank stelt vast dat de stukken waar verweerder naar verwijst en zoals die hiervoor zijn weergegeven onder rechtsoverweging 7, aangeduid met de nummers 8, 9 en 12 tot en met 28, alle dateren van na het bestreden besluit van 19 juni 2012. Het enkele feit dat eiser de stukken pas na het bestreden heeft overgelegd, betekent op zichzelf niet dat hij deze niet mede aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser kon in dit geval niet anders, eenvoudigweg om dat de stukken dateren van ná het bestreden besluit. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7272). De inhoud van de stukken ziet bovendien op de situatie in Sri Lanka, hetgeen eiser nadrukkelijk aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Evenmin is gebleken dat sprake is van strijd met de goede procesorde, nu verweerder in staat is geweest op voornoemde stukken te reageren, te weten bij het verweerschrift van 11 april 2013.


7.4 De rechtbank ziet zich, nu de stukken nieuw zijn, ambtshalve gesteld voor de vraag of op voorhand is uit te sluiten dat deze stukken kunnen afdoen aan het eerdere besluit van 2 september 2011, de motivering daarvan en de wijze waarop het tot stand is gekomen. Daarbij moet worden beoordeeld of uit hetgeen door eiser is aangevoerd en overgelegd, is gebleken dat voor hem sprake is van een verslechtering van de veiligheidssituatie ten opzichte van de voorgaande procedures. De rechtbank betrekt daarbij het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van een verslechterde veiligheidssituatie voor terugkerende Tamils.


7.5 In het door eiser overgelegde rapport van HRW van 29 mei 2012 staat het volgende vermeld:

‘Investigations by Human Rights Watch have found that some failed Tamil asylum seekers from the United Kingdom and other countries have been subjected to arbitrary arrest and torture upon their return to Sri Lanka.

In addition to eight cases in which deportees faced torture on return reported in February, Human Rights Watch has since documented a further five cases in which Tamil failed asylum seekers were subjected to torture by government security forces on return from various countries, most recently in February 2012.
The Sri Lankan security forces have long used torture against people deemed to be linked to the Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE), and growing evidence indicates that Tamils who have been politically active abroad are subject to torture and other ill-treatment, Human Rights Watch said. Four of the five cases recently reported to Human Rights Watch were corroborated by medical reports.’

Het rapport van Freedom from Torture van 13 september 2012 meldt op pagina 2 het volgende:

‘Freedom from Torture’s concerns have been heightened significantly by the cases in this briefing of Sri Lankan Tamils experiencing torture after returning voluntarily to Sri Lanka in the post-conflict period.

In light of these cases, Freedom from Torture considers that the UK's removal policy for Sri Lanka is based on a flawed assessment of risk. Specifically, the cases examined in this briefing reveal that Sri Lankan Tamils who in the past had an actual or perceived association at any level with the LTTE but were able to leave Sri Lanka safely now face risk of torture on return. The cases demonstrate that the fact the individuals did not suffer adverse consequences because of this association in the past does not necessarily have a bearing on risk on return now. It is a combination of both residence in the UK and an actual or perceived association at any level with the LTTE which places individuals at risk of torture and inhuman and degrading treatment in Sri Lanka. We are repeating our calls for the UK government to halt forcible removals of Tamils to Sri Lanka while the UK Border Agency’s policy on removals to Sri Lanka is changed to properly reflect this mounting evidence.’


(…)

‘Our evidence demonstrated that torture continues to be perpetrated in Sri Lanka following the conflict and that those at particular risk include Tamils with an actual or perceived association with the LTTE, including those returning from abroad. In its concluding observations, the UN Committee against Torture emphasised its concerns about 'the continued and consistent allegations of widespread use of torture and other cruel, inhuman or degrading treatment of suspects in police custody' and 'reports that suggest that torture and ill-treatment perpetrated by State actors, both the military and the police, have continued in many parts of the country after the conflict ended in May 2009 and is still occurring in 2011.'

Het rapport van SFH van 15 november 2012 meldt het volgende:

‘7.1 Kontrolle am Flughafen
(…) Die tamilischen Rückkehrenden werden am Flughafen in einer meistens langwierigen Prozedur auf mögliche Verbindungen mit der LTTE durchleuchtet. Sie werden zunächst von der Immigrationsbehorde ausgesondert und befragt. Dann verhört sie der State Intelligence Service (SIS). Anschliessend Uberprüft und verhort der CID die Rückkehrenden. Diese Verhöre können nach Angaben von Kontaktpersonen manchmal bis zu 14 Stunden dauern. Schläge und Gewalt durch die Beamten sind bei diesen Verhören üblich. Bei hinreichenden Verdachtsmomenten oder widersprüchlichen Aussagen werden Rückkehrende dem T1D für weitere Verhöre übergeben und je nachdem verhaftet. Tamilinnen aus dem Norden und Osten sowie Personen im Alter zwischen

20

und 40 Jahren werden von den Behörden mit mehr Genauigkeit durchleuchtet. Haft ist wahrscheinlich im Falls von gefälschten Papieren, bestehenden Haftbefehlen oder beim Verdacht auf Verbindungen zur LTTE beziehungsweise zu den Medien. Verhaftete Rückkehrende werden zunächst ins Gefängnis in Negombo gebracht.

7.2

Sicherheit der Rückkehrenden


Nach Angaben verschiedener Beobachter werden Rückkehrende in Sri Lanka als Verräter gesehen, die Sri Lanka im Ausland in Verruf bringen. Man kann davon ausgehen, dass Rückkehrende zu einer Risikogruppe gehoren, deren Sicherheit in Gefahr sein kann. Zwar gibt es keine Hinweise, dass samtliche Rückkehrende systematisch entführt, verhaftet oder gefoltert werden. Doch gibt es verschiedene Berichte, die Fälle dokumentieren und das Risiko belegen.

(...)

Kontrollen durch CID. Rückkehrende werden nach ihrer Rückkehr mehrmals an ihrem Aufenthaltsort von Polizei oder CID aufgesucht und vemommen. Beobachter berichten von Rückkehrenden, die während sechs Monaten permanent vom CID uberwacht wurden. Eine Verhaftung ist jederzeit möglich.

Verhaftungen und Folter. Es gibt verschiedene aktuelle Berichte, die von Verhaftungen tamilischer und singhalesischer Rückkehrender berichten. In den meisten Fallen wurden sie auch gefoltert. (...)

Gefährdung trotz niedrigem Profil. Freedom from Torture (FFT) kommt zum Schluss, dass Tamilinnen und Tamilen bei einer Rückkehr riskieren, gefoltert zu werden, wenn sie in der Vergangenheit in einer tatsächlichen oder bloss vermuteten Verbindung mit der LTTE auf beliebiger Ebene gestanden waren und das Land sicher hatten verlassen können. FFT hat 24 Fälle dokumentiert, die nach der freiwilligen Rückkehr in Sri Lanka gefoltert wurden. Es handelte sich praktisch ausschliesslich urn Männer und Frauen tamilischer Ethnie zwischen 20 und 41 Jahren. Mindestens 12 der Fälle wurden über ihre eigenen oder die Aktivitäten anderer Tamilinnen im Ausland ausgefragt.

Aufenthalt im Ausland kann Gefährdung erhöhen. Auffallend ist, dass die Personen vor ihrer Ausreise aufgrund ihrer Verbindungen nicht verhaftet wurden. Gemass der Studie von FFT ist es die Kombination des Auslandaufenthalts und der realen oder vermuteten Verbindung mit der LTTE auf einer beliebigen Ebene, die zu einem erhöhten Folterrisiko führt.'

Het rapport van TAG, een non-profit organisatie gevestigd in het de Verenigde Staten, van 16 september 2012, genaamd ‘Returnees at Risk: Detention And Torture in Sri Lanka’, vermeldt op pagina 3 het volgende:

‘We consider that a period of residence in the UK or other ‘Western’ country may itself constitute a risk factor. We contend the LP/TK risk factor of ‘a previous record as an actual or suspected LTTE member’ has been superseded in importance in the case of persons returning from abroad by a new risk factor, namely ‘a record of criticizing or protesting against the Sri Lankan government’. Similarly the risk factor ‘return from a ‘centre of LTTE activity or fund-raising’ should be refined to refer to ‘return from a country whose government or media have been critical of the Sri Lankan government and/or have called for progress towards accountability and reform.’ We consider that in the eyes of the Sri Lankan authorities these two types of risk factors may well overlap, yet argue that UK country guidance needs to maintain a distinction.’

Op pagina 5:‘In total we have analysed torture allegations pertaining to 48 returnees in the period 2010 to 2012, of which 26 have been accepted by the UK courts. While noting the high proportion of voluntary returns in our 3 datasets, we observe no inconsistencies between the data sets in this and other respects. All of the voluntary returns left Sri Lanka lawfully, the vast majority as students. They did not consider themselves sufficiently at risk to apply for asylum prior to returning. We are only able to explain the large proportion of voluntary returnees among persons

claiming torture, with reference to their period of residence abroad. We consider this in itself to be a new risk factor that leads to adverse interest by the Sri Lankan authorities. Additionally, some perfectly lawful types of activities abroad (such as political criticism of the Sri Lankan government) elicit adverse interest.’

Het rapport van HRW van 23 februari 2013 ‘We Will Teach You a Lesson’ van februari 2013 vermeldt op pagina 4 het volgende:

‘However rape was one of the unlawful tools used by the Sri Lankan military and police against alleged LTTE members or supporters to gather intelligence on the LTTE network during the fighting and immediately after the conflict ended in May 2009, as wel as to obtain information about any remnants of the LTTE since then, whether in Sri Lanka or abroad. As noted above, it was one of the methods used to force persons in custody to “confess” to membership in the LTTE and, as with other forms of torture, it may have been part of a broader government effort to instill terror in the Tamil community to discourage involvement with the LTTE.’

Op pagina 5:

‘A number of cases involved individuals who were returning to Sri Lanka from abroad either because they had been deported or had voluntarily returned. For instance, SV was taken into custody upon arrival at Colombo’s international airport on December 10, 2010, having exhausted asylum claim in France.’

7.6

De rechtbank leidt uit de hiervoor aangehaalde rapporten af dat meerdere teruggekeerde Tamils naar Sri Lanka aldaar zijn aangehouden, gedetineerd en mishandeld. Uit de stukken blijkt dat Tamils die verdacht worden van daadwerkelijke betrokkenheid bij de LTTE en/of politieke activiteiten hebben ontplooid, een dergelijk risico lopen bij terugkeer. Uit de rapporten blijkt echter ook dat dit opgaat voor Tamils met vermeende banden met de LTTE. Freedom from Torture stelt dat het gaat om een combinatie van verblijf in het Verenigd Koninkrijk (of een ander West-Europees land) en een daadwerkelijke of vermeende band ‘at any level’ met de LTTE, op grond waarvan Tamils bij terugkeer een risico lopen. SFH wijst erop dat deze vermeende banden eerder worden aangenomen bij asielzoekers en duidt hen aan als risicogroep. TAG spreekt in dit verband van een nieuwe risicofactor. Dat dit alleen zou gelden voor asielzoekers die terugkeren vanuit het Verenigd Koninkrijk, volgt de rechtbank niet nu in het rapport van onder meer HRW van 7 augustus 2012 en het rapport van SFH ook melding wordt gemaakt van terugkerende asielzoekers uit Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. In dit verband acht de rechtbank ook de verwijzing door eiser naar de uitzetting van cliënt van eisers gemachtigde op 1 augustus 2012 van belang, nu uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 20 december 2012 volgt dat het een beroep van een vreemdeling van Tamil-afkomst betrof tegen de afwijzing van zijn asielverzoek, waarbij verweerder ook zijn banden met de LTTE niet geloofwaardig heeft geacht. Deze vreemdeling stelt bij aankomst te zijn aangehouden, ondervraagd en gemarteld, waarvan hij foto’s heeft overgelegd. De voorzieningenrechter was van oordeel dat op grond van de informatie in het individueel ambtsbericht dat in die zaak is uitgebracht, niet gezegd kon worden dat het relaas van de vreemdeling over de gebeurtenissen na zijn terugkeer niet aannemelijk kon worden geacht. In een rapport in deze zaak van het IMMO van 27 mei 2013 wordt vastgesteld dat de littekens qua vorm, aard en voorkomen in hoge mate passen bij de beschreven marteling door een gloeiende lat of staaf en dat dit deelonderzoek zeer sterk medisch steunbewijs is voor het relaas van betrokkene. Uit een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 3 juli 2013 blijkt dat de waargenomen littekens (…) waarschijnlijk zijn veroorzaakt door kortdurende contacten met een zeer heet voorwerp.

8.

Naar aanleiding van het in juni 2013 verschijnen van het ambtsbericht 2013, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder bij brief van 28 juni 2013 als volgt bericht:
“De rechtbank verzoekt verweerder om aan te geven of verweerder in het algemeen ambtsbericht Sri Lanka van juni 2013 aanleiding ziet voor een nader standpunt. De rechtbank verzoekt verweerder daarbij aan te geven hoe dit ambtsbericht zich verhoudt tot de door eiser overgelegde rapporten met betrekking tot de situatie voor terugkerende Tamils in Sri Lanka. Daarnaast verzoekt de rechtbank verweerder om in ieder geval nader in te gaan op:
- paragraaf 2.2 ‘Politieke ontwikkelingen’ onder Recente ontwikkelingen LTTE (inclusief Tamil diaspora);
- paragraaf 2.3 ‘Veiligheidssituatie’;
- paragraaf 3.3.6 ‘Arrestaties en detenties’;

- paragraaf 3.3.7 ‘Mishandeling en foltering’;

- paragraaf 4.2 ‘Terugkeer’.”

8.1

Verweerder heeft zich bij schrijven van 22 augustus 2013, samengevat en voor zover van belang, op het volgende standpunt gesteld. Het ambtsbericht 2013 vormt geen aanleiding om het huidige landgebonden asielbeleid te wijzigen. Uit het ambtsbericht 2013 en de daaraan ten grondslag gelegde bronnen kan niet worden afgeleid dat elke Sri Lankaanse vreemdeling (al dan niet van Tamilafkomst) een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM bij al dan niet gedwongen terugkeer naar Sri Lanka. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat terugkeerders (al dan niet van Tamilafkomst) een groter risico lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling dan in voorgaande jaren. Dat kan evenmin worden afgeleid uit de door eiser ingebrachte documenten. Uit recente jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat de risicofactoren zoals neergelegd in de uitspraak van 6 augustus 2008 (de rechtbank leest: 17 juli 2008) in de zaak NA tegen VK (applicatienummer: 25904/07) nog steeds van toepassing zijn, maar dat sinds het einde van het conflict de risico’s zijn afgenomen. De kans gearresteerd te worden op het vliegveld is aanzienlijk verminderd, mede gelet op de omstandigheid dat de controles op het vliegveld aanzienlijk zijn versoepeld. Verweerder verwijst in dit verband naar zes arresten van het EHRM. Verweerder verwijst voorts naar de uitspraak van het Upper Tribunal van het Verenigd Koninkrijk van 3 juli 2013 waarin het Tribunal oordeelt dat er geen risico op schending van art. 3 EVRM is, voor een ieder (al dan niet van Tamil-afkomst) die terugkeert naar Sri Lanka, maar dat dit afhankelijk is van de individuele factoren van de zaak. De omstandigheid dat diverse bronnen geen inzage hebben gegeven in de onderliggende casussen, heeft ertoe geleid dat het Tribunal geen verdergaande conclusies kon verbinden aan de meldingen van mishandelingen bij terugkeer door TAG, HRW en Freedom from Torture. Deze rapporten zijn ook als bron genoemd in paragraaf 4.2 van het ambtsbericht 2013. De ons omringende landen nemen evenmin een groepsrisico aan.

8.2

Eiser heeft hier bij schrijven van 23 september en 14 november 2013, samengevat en voor zover van belang, het volgende tegen aangevoerd. Het ambtsbericht 2013 is onvolledig, nu daaruit niet blijkt dat de rapporten van TAG en SFH zijn betrokken, die eiser in beroep heeft overgelegd. Ook blijkt uit het ambtsbericht 2013 niet in welke situaties de Sri Lankaanse overheid uitgaat van (vermeende) betrokkenheid van een Tamil bij de LTTE en/of demonstraties. Evenmin wordt in het ambtsbericht 2013 ingegaan op de berichten over marteling van de Tamil die op 1 augustus 2012 door Nederland is uitgezet, terwijl verweerder (destijds de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) op 14 september 2012 in reactie op vragen van de Tweede Kamer over onder meer deze uitzetting, heeft aangegeven dat in het nieuwe ambtsbericht 2013 nadrukkelijk aandacht zou worden besteed aan de behandeling van teruggekeerde Tamils. In het ambtsbericht 2013 wordt echter onvoldoende ingegaan op de berichten van het afgelopen jaar over uitgezette Tamils.

Verweerder verwijst weliswaar naar de uitspraak van het Upper Tribunal om aan te geven dat niet elke Tamil bij terugkeer een risico loopt, maar uit die uitspraak blijkt ook dat de Sri Lankaanse regering over een verfijnde inlichtingendienst beschikt, die de Tamildiaspora in het buitenland of via internet in de gaten houdt, waaronder demonstraties van Tamils. In een rapport van SFH van augustus 2013 wordt ook vermeld dat de Sri Lankaanse overheid activiteiten in het buitenland, zoals deelname aan demonstraties van Tamils in Zwitserland, waarneemt en als bedreiging ziet. Uit dit rapport blijkt dat zelfs louter een verdenking van deelname aan een dergelijke demonstratie al voldoende is om gearresteerd te worden.

Voorts verwijst eiser naar berichtgeving van Zwitserse media van september en oktober 2013 over twee Tamils die door Zwitserland eind augustus/begin september 2013 zijn uitgezet en bij hun aankomst in Sri Lanka zijn opgepakt en vastgezet wegens verdenking van LTTE-activiteiten. Naar aanleiding van deze uitzettingen hebben de Zwitserse autoriteiten besloten vooralsnog geen Tamils uit te zetten naar Sri Lanka en hebben daarnaast de UNCHR verzocht een onderzoek te doen naar alle afgewezen asielverzoeken van Tamils.

Eiser voert tenslotte aan dat hij op 18 mei 2013 heeft deelgenomen aan een demonstratie in Den Haag, waar de nederlaag van de LTTE en de Zwarte Dag werd herdacht. Op de website www.[naam 3].com is op 20 mei 2013 een artikel over deze demonstratie geplaatst met foto’s daarvan. Op één van deze foto’s staat eiser met in zijn handen een LTTE-vlag. Dit artikel met vertaling is door eiser overgelegd.

8.3

In een aanvullend standpunt van 20 november 2013 heeft verweerder gesteld dat de door eiser genoemde rapporten als bron zijn gebruikt voor het opstellen van het ambtsbericht 2013. Voorts verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling van 9 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1155), waarin de door eiser aangehaalde rapporten zijn betrokken bij het oordeel dat de situatie niet zodanig is verslechterd dat iedere Tamil die een lange periode buiten Sri Lanka heeft verbleven en hier een asielaanvraag heeft ingediend, bij terugkeer reeds om die reden negatief in de belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten is komen te staan. Ook verwijst verweerder naar uitspraken van deze rechtbank van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:14361) en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 15 oktober 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:14533), waarin onder meer is geoordeeld dat het ambtsbericht 2013 geen wezenlijk ander beeld geeft over de veiligheidssituatie in Sri Lanka.

Ter zitting heeft verweerder het aanvullend standpunt ingenomen dat uit alle informatie volgt dat de aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten is verschoven naar Tamils in de diaspora, maar dat uit de uitspraak van het Upper Tribunal volgt dat uitsluitend Tamils die een significante rol hebben gespeeld bij het separatisme of binnen de LTTE, bij terugkeer een risico kunnen lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

8.4

De rechtbank is van oordeel dat eiser, gelet op de door hem overgelegde informatie, aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een verslechtering van de veiligheidssituatie voor terugkerende Tamils naar Sri Lanka ten opzichte van de situatie zoals bekend ten tijde van het eerdere besluit van 2 september 2011.Uit het ambtsbericht 2013 volgt niet dat niet van een verslechtering ten opzichte van de situatie op 2 september 2011 kan worden gesproken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het ambtsbericht 2013, in de door de rechtbank aangehaalde paragrafen, spreekt van gevaar voor terugkerende Tamils met LTTE-banden maar ook met ‘vermeende’ LTTE-banden. In het algemeen ambtsbericht van juni 2010 (het ambtsbericht 2010), dat bij het besluit van 2 september 2011 is betrokken, werd enkel gewezen op risico’s voor terugkerende Tamils met ‘banden met de LTTE’ (pagina 69 en 70). Ook maakt het ambtsbericht 2013, ten opzichte van het ambtsbericht 2010, melding van gevaar voor Tamils die in het buitenland politiek actief zijn geweest. Verweerder heeft zich daarnaast ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser aangehaalde rapporten zijn betrokken in het ambtsbericht 2013. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van TAG en SFH, waaruit hiervoor in overweging 7.5 is geciteerd, niet zijn betrokken in het ambtsbericht 2013. De rechtbank stelt tevens vast dat in het ambtsbericht 2013 informatie ontbreekt over de twee door Nederland uitgezette Tamils die bij terugkeer problemen hebben gekregen, terwijl door de toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel is toegezegd dat hieraan in het volgende ambtsbericht aandacht aan zou worden besteed. In de Terms of Reference van 2 juli 2012 is in dat verband door verweerder een vraag (4.4.2) gesteld aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Verweerder kon echter, ook ter zitting, niet aangeven waarom deze vraag in het ambtsbericht 2013 niet door het ministerie van Buitenlandse Zaken is beantwoord. De korte algemene passage over berichten van mishandeling na terugkeer op pagina 62 van het ambtsbericht 2013 maakt dit niet anders.
Voorts acht de rechtbank van belang dat uit het ambtsbericht 2013 blijkt dat de aandacht voor LTTE-activiteiten van de Sri Lankaanse autoriteiten is verschoven van het binnenland naar het buitenland, zoals ook door verweerder ter zitting is bevestigd, en dat uit paragraaf 2.2 ‘Politieke ontwikkelingen’ onder Recente ontwikkelingen LTTE (inclusief Tamil diaspora) van het ambtsbericht 2013 zou kunnen worden afgeleid dat Nederland thans zou kunnen worden aangemerkt als land waar fondsen worden geworven door de LTTE. In die paragraaf wordt gerefereerd aan het Nederlands strafrechtelijk onderzoek ‘Koninck’, naar aanleiding waarvan vijf personen zijn vervolgd en veroordeeld. De twee hoofdverdachten waren belangrijke leden van het ‘Tamil Coordinating Committee (TCC)’ in Nederland, die de Tamil diaspora voor fondsenwerving gebruikten. Ook bleek uit dit onderzoek dat in Nederland verscheidene aan de LTTE gerelateerde organisaties en personen actief waren en dat deze organisaties en personen onder andere fondsen wierven voor de LTTE. Verweerder heeft echter nagelaten op deze paragraaf een schriftelijke reactie te geven en kon hier ter zitting eveneens niet op reageren. Daarnaast volgt uit de door eiser overgelegde verklaring van getuige-deskundige Hogg, (bijlage 11 bij de uitspraak van het Upper Tribunal), dat de Nederlandse TCC wordt aangeduid als een ‘key LTTE front organisation’ op een website van het Sri Lankaanse Ministerie van Defensie.
Verweerder kon evenmin informatie geven over het huidige beleid ten aanzien van Tamils in Zwitserland naar aanleiding de door Zwitserland uitgezette Tamils, terwijl Zwitserland in het ambtsbericht 2013 (pagina 11) wordt aangeduid als één van de landen binnen de Europese Unie waar de Tamil diaspora zich voornamelijk bevindt. Dit bevreemdt te meer, nu verweerder in zijn aanvullend standpunt wel veelvuldig heeft verwezen naar de situatie in het Verenigd Koninkrijk, en met name voornoemde uitspraak van het Upper Tribunal. Ook heeft verweerder geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag of bij de door het Verenigd Koninkrijk uitgezette Sri Lankaanse vreemdelingen die bij terugkeer problemen hebben ondervonden, sprake was van vermeende banden met de LTTE of geringe politieke activiteiten.

8.5

De verwijzing door verweerder naar diverse arresten van het EHRM maakt niet dat niet gesteld kan worden dat met de overgelegde rapporten geen sprake is van rechtens relevante nova, nu uit die arresten niet blijkt dat het EHRM de door eiser aangehaalde en hiervoor onder 8.5 geciteerde rapporten bij de beoordeling heeft betrokken. Ook de Eligibility Guidelines for assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Sri Lanka van UNHCR van 21 december 2012, maken het voorgaande niet anders, nu hetgeen de UNHCR in deze guidelines stelt niet strijdig is met de door eiser overgelegde rapporten. Voor zover verweerder heeft willen stellen dat uit de uitspraak van het Upper Tribunal blijkt dat alleen terugkerende Sri Lankanen die een significante rol hebben gespeeld bij separatistische activiteiten gevaar lopen, overweegt de rechtbank dat dit onjuist is. Het Upper Tribunal overweegt immers onder meer dat onder personen die een reëel risico lopen bij terugkeer, degenen vallen “who are, or are perceived to be, a threat to the integrity of Sri Lanka as a single state because they are, or are perceived to have a significant role in relation to post-conflict Tamil separatism within the diaspora and/or a renewal of hostilities within Sri Lanka”.  De rechtbank leest hierin dat volgens het Upper Tribunal ook diegenen die niet daadwerkelijk zelf een significante rol spelen bij separatistische activiteiten gevaar lopen, maar ook zij die daarvan slechts worden verdacht.”

8.6.

Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een verslechtering van de veiligheidssituatie voor terugkerende Tamils naar Sri Lanka ten opzichte van de situatie zoals bekend ten tijde van het besluit van 2 september 2011, dient de op 20 mei 2013 op de website www.[naam 3].com gepubliceerde foto van eiser tijdens een demonstratie op 18 mei 2013 ook te worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid waarvan niet op voorhand kan worden uitgesloten dat deze kan afdoen aan het eerdere besluit. Immers, verschillende door eiser aangehaalde bronnen, onder meer van het Institute of Peace and Conflict Studies op 22 juni 2013 en het Foreign & Commonwealth Office in juni 2013, maken melding van het monitoren van digitale/sociale media door de Sri Lankaanse autoriteiten omdat het potentieel de natie kan destabiliseren en verandering kan beïnvloeden.

9.

Nu sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, kunnen het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de rechtbank worden getoetst. Al toetsend, en gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag bij besluit van 19 juni 2012 ten onrechte heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6 Awb. Verweerder heeft aldus niet onderkend dat de door eiser ingebrachte stukken nova bevatten, zodat hij had moeten beoordelen of deze hem noopten tot het heroverwegen van het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op de weigering aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

10.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. En verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak en met inachtneming van de in beroep overgelegde stukken.

11.

De rechtbank veroordeelt met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.416,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroep en twee keer een 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 19 juni 2012;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.416,- te betalen aan eiser in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M.A. Bataille, voorzitter, en mr. C.W.M. Giesen en mr. E.P.W. van de Ven, rechters, in aanwezigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.

griffier voorzitter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.