Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18607

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
13/2909
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3281, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 4:20b Awb, art. 18 en art. 21 Awir. Gerechtvaardigd vertrouwen gastouderbureau, Lex Silencio Positivo en dwangsomregeling.

Herziening voorschot kinderopvangtoeslag naar nihil. Geen eigen kosten aangetoond, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 15
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 26
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 16
Algemene wet bestuursrecht 4:20a
Algemene wet bestuursrecht 4:20b
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 21
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 18
Wet kinderopvang 7
Wet kinderopvang 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/88
FutD 2014-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/2909

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2013 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, [te P], verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder zes te noemen besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 15 maart 2013 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen op 11 april 2013 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013 te Den Haag.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [B].

Overwegingen

Feiten

1.

Op 1 juni 2008 heeft eiseres een aanvraag kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2008 ingediend. Op grond van artikel 15, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt deze aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de daaropvolgende berekeningsjaren. Eiseres heeft in 2009 voor de opvang van haar kind [C] gebruik gemaakt van kinderopvang via bemiddeling van het gastouderbureau [gastouderbureau] (het gastouderbureau).

2.

Bij beschikking van 11 december 2008 is aan eiseres een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend voor het berekeningsjaar 2009 van € 11.428.

3.

Bij brief van 31 augustus 2010 heeft verweerder eiseres om informatie verzocht met betrekking tot de door haar gemaakte kinderopvangkosten over het berekeningsjaar 2009. Op de door eiseres voor het jaar 2009 overgelegde jaaropgave van het gastouderbureau wordt een bedrag van € 11.583 aan inkomsten van de gastouder en een bedrag van € 1.859.28 aan bureaukosten vermeld.

4.

Bij brief van 22 oktober 2011 is door verweerder aan eiseres onder verwijzing naar een onderzoek van de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (de FIOD) bij het gastouderbureau bericht dat nader onderzoek nodig is naar de rechtmatigheid van de verleende kinderopvangtoeslag, reden waarom alsnog gevraagd is om het toesturen van het contract afgesloten ter zake van de kinderopvang en om het toesturen van kopieën van bankafschriften waaruit blijkt dat kosten voor opvang zijn gemaakt in de gehele periode.

5.

Verweerder heeft bij brief van 13 september 2012 aangekondigd dat de kinderopvangtoeslag wordt teruggevorderd.

6.

Bij beschikking van 28 september 2012 is door verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 herzien naar nihil.

Geschil
7. In geschil is of verweerder op goede gronden het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 heeft herzien naar nihil.

8.

Eiseres stelt zich in beroep primair op het standpunt dat het besluit niet op wettelijke gronden berust. Subsidiair stelt eiseres dat niet is voldaan aan de aan herziening gestelde eisen in de Awir. Eiseres stelt voorts dat zij aan de voorschotbeschikkingen het vertrouwen mocht ontlenen dat deze juist waren en dat het disfunctioneren van het gastouderbureau haar niet kan worden tegengeworpen. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de beslissing op bezwaar.

9.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 op goede gronden is herzien, omdat eiseres geen kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en geen overeenkomst heeft overgelegd die voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Verweerder concludeert derhalve tot ongegrondverklaring van het beroep.

10.

Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Gerechtvaardigd vertrouwen gastouderbureau

11.

De stelling van eiseres dat zij op het gastouderbureau heeft vertrouwd treft geen doel nu dit juridisch voor haar rekening en risico dient te komen. Deze omstandigheid kan tevens niet leiden tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om het verstrekte voorschot te herzien. In artikel 26 van de Awir is dwingendrechtelijk bepaald dat indien een herziening van een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan verweerder kan afzien van terugvordering of de terugvordering kan matigen. Ook de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) voorziet niet in een algemene hardheidsclausule. Dit betekent dat verweerder gehouden is de uitbetaalde bedragen aan kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 van eiseres terug te vorderen.

12.

Voor zover eiseres stelt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, slaagt deze grond niet. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) vloeit uit artikel 16, eerste lid, in samenhang met het vierde lid, van de Awir voort dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend, dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat (zie ABRvS, 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1137). Het voorschot wordt immers slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die verlening kan worden herzien (zie ABRvS, 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4093). Het karakter van een voorschot is dat dit gebaseerd is op gegevens zoals die op het moment van het vaststellen van het voorschot bekend zijn. Ook indien na de voorschotvaststelling feiten kenbaar worden die toekenning in de weg staan kunnen deze worden tegengeworpen. Gelet op de uitspraak van de ABRvS van 24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5341, is verweerder niet gehouden om voorafgaand aan het verlenen van het voorschot de gegevens op juistheid te controleren.

13.

De omstandigheid dat eiseres er in het geheel niet meer op had gerekend dat verweerder nog aanleiding zou kunnen hebben om op het verstrekte voorschot terug te kunnen komen, mede gelet op het tijdsverloop, acht de rechtbank op zichzelf niet onbegrijpelijk maar levert geen omstandigheid op om die herziening als rechtens onjuist aan te merken.

Lex Silencio Positivo

14.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat artikel 4:20b van de Awb van toepassing is op de Awir. Artikel 4:20a van de Awb bepaalt dat paragraaf 4.1.3.3 slechts van toepassing is indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Daarvan is bij beslissingen inzake de kinderopvangtoeslag geen sprake. Noch in de Wet kinderopvang noch in de Awir is bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing is. Als de Lex Silencio wel van toepassing zou zijn dan zou dat eiseres toch niet kunnen baten. In een dergelijk geval ontstaat het recht op toeslag van rechtswege als gevolg van tijdsverloop door het niet tijdig beslissen. Daarmee is niet te rijmen dat betrokkene zou hebben vertrouwd op de juistheid van een beoordeling van haar aanspraak. In een dergelijk geval kan verweerder zich op artikel 21 Awir beroepen op grond van de stelling dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Deze bestaan in een dergelijk geval daaruit dat eerst na de toekenning van rechtswege in beeld is gekomen dat een betrokkene minder kosten aan kinderopvang heeft betaald dan op grond van de bij de aanvraag verstrekte gegevens het geval zou zijn geweest. Ook kan in geval van een toekenning van rechtswege en een herziening daarvan niet met succes een beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan. De toekenning zou dan immers zijn gebaseerd op een aanspraak van rechtswege in plaats van door verweerder opgewekt vertrouwen.

Dwangsomregeling

15.

Ingevolge artikel III van de Wet van 15 december 2011, Staatsblad 2011, nr. 633, vindt paragraaf 4.1.3.2 van de Awb met betrekking tot beschikkingen genomen op grond van de Awir eerst toepassing met ingang van het berekeningsjaar 2013. Nu de voorliggende beschikking betrekking heeft op het berekeningsjaar 2009 is artikel 4:17 van de Awb daarop niet van toepassing. Ingevolge artikel 4:20a van de Awb is paragraaf 4.1.3.3 Awb alleen van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Het standpunt van eiseres dat dit kan worden afgeleid uit de Wet van 15 december 2011 treft geen doel.

Eiseres kan daarom met betrekking tot de onderhavige procedure niet met succes aanspraak maken op een dwangsom.

Eigen kosten

16.

Voor de vraag of verweerder in het onderhavige geval op goede gronden tot nihilstelling is overgegaan gaat de rechtbank uit van het volgende. Uit artikel 18 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko volgt dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten (zie ABRvS, 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833). Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank dient de term “te betalen kosten”, zoals opgenomen in artikel 5 van de Wko, te worden opgevat als: “daadwerkelijk gedane uitgaven, waardoor het vermogen van degene die de uitgaven heeft gedaan, wordt aangetast”. De kinderopvangtoeslag is immers een tegemoetkoming in de kosten, dat betekent dat een deel van de kosten door de belanghebbende zelf moet worden gedragen (de eigen bijdrage). Het is de verantwoordelijkheid van eiseres, als ontvanger van de kindertoeslag om daartoe een deugdelijke administratie bij te houden (zie ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5927).

17.

Blijkens het jaaroverzicht bedroegen de totale kinderopvangkosten over 2009 € 13.407,80 (inclusief bureaukosten). Nu eiseres geen bescheiden heeft overgelegd waaruit eigen kosten blijken heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij betalingen heeft verricht aan de gastouder (zie ook ABRvS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9563). Aangezien van overige door eiseres gemaakte kosten niet is gebleken, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van daadwerkelijk gedane uitgaven waardoor het vermogen van eiseres is aangetast als bedoeld in artikel 5 van de Wko. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

18.

Met hetgeen zij heeft overgelegd heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang inclusief de eigen bijdrage over het berekeningsjaar 2009 voor haar rekening heeft genomen. Nu reeds om die reden geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag behoeft hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over het contract geen behandeling. Van een onvoldoende gemotiveerde beslissing op bezwaar is dan ook geen sprake. Het standpunt van eiseres dat de primaire beslissing niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is, treft geen doel, omdat in beroep bij de rechtbank niet dat besluit ter toetsing voorligt.

19.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 herzien naar nihil. Daarom moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.