Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18507

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-12-2013
Datum publicatie
18-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_2712
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:3696, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking is terecht gegeven aan bekenner KB Lux rekening. Uit de omstandigheid dat de KB Lux rekening reeds geruime tijd is opgeheven, kan niet worden afgeleid dat er voor het onderhavige belastingjaar geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiser. Eiser heeft voorts opzettelijk onjuiste inlichtingen aan verweerder verstrekt, zodat hij niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De omstandigheid dat eiser ter zitting het opheffingsformulier van de rekening aan verweerder heeft verstrekt, maakt dit niet anders.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a, geldigheid: 2013-12-27
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47, geldigheid: 2013-12-27
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2013-12-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0189
mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben annotatie in NTFR 2014/842

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/2712

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft ten aanzien van eiser met betrekking tot het jaar 2009 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en vervolgens heeft tussen de rechtbank en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

Feiten

1.

Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux). De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [rekeningnummer] met een saldo op 31 januari 1994 van (in totaal) ƒ 24.174,53 ten name van [voornaam] [achternaam X]-[achternaam Y]. Verweerder heeft eiser als houder van die rekening geïdentificeerd.

2.

Eiser, gehuwd met [Y], heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2009 met betrekking tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen niets aangegeven.

3.

Bij brief van 19 oktober 2012 heeft verweerder eiser betreffende de KB Lux rekening met nummer [rekeningnummer] de volgende vragen gesteld:

4.

Bij brief van 28 oktober 2012 heeft eiser aangegeven dat hij en zijn echtgenote geen buitenlandse bankrekening hebben (aangehouden). Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking gegeven, waarbij hij dezelfde vragen heeft gesteld als in de brief van 19 oktober 2012.

5.

Eiser heeft ter zitting erkend dat hij een KB Lux rekening heeft gehad. Deze rekening is volgens eiser geruime tijd vóór 2009 opgeheven.

Geschil

6.

In geschil is of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft gegeven.

7.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de informatiebeschikking. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

8.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiser voor het jaar 2009 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de Awr is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, LJN: AW8125, BNB 1986/128). Gelet op de renseignementen en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder van de in 1. vermelde KB Lux rekening kon worden aangewezen, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiser, nu dit ook voor zijn belastingheffing voor het jaar 2009 van belang kon zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde KB Lux rekening. Uit de omstandigheid dat de KB Lux rekening, naar pas ter zitting naar voren is gekomen, reeds geruime tijd, naar eiser stelt in 1994, is opgeheven, kan, anders dan eiser kennelijk betoogd, niet worden afgeleid dat er voor het jaar 2009 geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiser. Het kan immers niet worden uitgesloten dat eiser ook in latere jaren, zo ook in 2009, nog steeds over (een deel van) het vermogen van de opgeheven KB Lux rekening heeft beschikt.

10.

Nu eiser pas ter zitting heeft erkend dat hij een KB Lux rekening heeft aangehouden, heeft hij, gelet op de inhoud van zijn brief van 28 oktober 2012, de aan hem bij brief van 19 oktober 2012 gestelde vragen niet naar waarheid beantwoord. Eiser heeft dan ook opzettelijk onjuiste inlichtingen aan verweerder verstrekt. Bovendien heeft eiser de door verweerder gestelde vragen betreffende het vermogen van de opgeheven KB Lux rekening (vragen 3 tot en met 6) niet beantwoord. Dit brengt mee dat eiser niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De omstandigheid dat eiser ter zitting een opheffingsformulier betreffende zijn KB Lux rekening aan verweerder heeft verstrekt, maakt dit niet anders (vgl. Hoge Raad 25 januari 2002, nr. 36 063, ECLI:NL:HR:2002:AD8475). Aldus is ten aanzien van eiser terecht de onderhavige informatiebeschikking gegeven.

11.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiser op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de overige in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

Proceskosten

12.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiser een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de overige in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. A. Zonneveld en mr. S.E. Postema, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep