Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18479

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
17-01-2014
Zaaknummer
C-09-451634 KG ZA 13-1107
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:538, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Dit kort geding betreft de door de Staat gestarte procedure tot verkoop bij openbare inschrijving, met voorselectie, van het Spinhuiswalcomplex te ’s-Hertogenbosch. De Staat heeft de verkoop niet aan eiseressen gegund omdat hun definitieve bod niet, zoals was voorgeschreven, minimaal 80% bedroeg van hun eerder gedane globale bod. De Staat heeft de verkoop ook niet aan een andere partij gegund.

Eiseressen vorderen dat de procedure wordt heropend en dat hun inschrijving opnieuw wordt beoordeeld dan wel dat de onderhandelingen met hen worden heropend dan wel dat zij in de gelegenheid worden gesteld een nieuw bod uit te brengen dan wel dat de Staat een nieuwe openbare verkoopprocedure start. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat zij mochten afwijken van de 80%-regel, omdat volgens hen de voorwaarden van de procedure in de loop van de procedure zijn gewijzigd.

De voorzieningenrechter stelt eerst vast wat de deelnemende marktpartijen ten tijde van het indienen van hun globale bod tot uitgangspunt konden nemen ten aanzien van de – naar alle waarschijnlijkheid noodzakelijke – bestemmingsplanwijziging. Kort gezegd was dat uitgangspunt dat er een procedure tot bestemmingsplanwijziging zou moeten worden doorlopen, dat het risico dat de wijziging niet zou worden gerealiseerd bij de geselecteerde partij lag, dat partijen ervan konden uitgaan dat de gemeente, die nauw bij de procedure was betrokken, zich maximaal zou inspannen het winnende plan mogelijk te maken, maar dat daarbij wel de publiekrechtelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de gemeente in ogenschouw genomen moeten worden die tot gevolg kunnen hebben dat de bestemmingsplanwijziging niet kan worden gerealiseerd.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of eiseressen ten tijde van het uitbrengen van hun definitieve bod daar nog steeds van konden uitgaan. Volgens de Staat was dat het geval. Eiseressen weerspreken dat, omdat volgens hen de gemeente een andere houding had aangenomen. Volgens hen is dat gebleken tijdens een gesprek dat zij met de Staat hebben gevoerd. Partijen hebben ten aanzien van dat gesprek echter een andere lezing en in het licht van de stellingen van de Staat over hetgeen is besproken, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van eiseressen gelegen om hun stelling aannemelijk te maken. Daar zijn zij niet in geslaagd, zodat voor toewijzing van (een van) de vorderingen geen plaats is. De overige geschilpunten tussen partijen – de Staat heeft onder meer ook gemotiveerd betwist dat, als er al een wezenlijke wijziging in de uitgangspunten zou hebben plaatsgevonden, dit tot het door eiseressen gewenste gevolg zou moeten leiden – blijven daarom onbesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2014/40 met annotatie van mr. M.G.G. van Nisselroij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/451634 / KG ZA 13-1107

Vonnis in kort geding van 19 november 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] en [B] Aannemingsbedrijf B.V.,

gevestigd te Oosterhout,

eiseres,

advocaat mr. J.M. Hebly te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.C.M. Prasing-Remmé te Utrecht,

waarin zijn tussengekomen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Baggerbedrijf [C] B.V.,

statutair gevestigd te Sliedrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bagger- en aannemingsmaatschappij [D] B.V.,

statutair gevestigd te Zwolle,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam.

Eiseres wordt hierna aangeduid als ‘MVO’, gedaagde als ‘Rijkswaterstaat’ en de tussenkomende partijen tezamen als ‘de Combinatie’.

1 Het incident tot tussenkomst

De Combinatie heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen MVO en Rijkswaterstaat dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van Rijkswaterstaat. Ter zitting van 5 november 2013 hebben MVO en Rijkswaterstaat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de primair gevorderde tussenkomst. De Combinatie is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 november 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Rijkswaterstaat is in april 2013 een aanbestedingsprocedure begonnen betreffende een opdracht voor werken met zaaknummer 31076952 voor de exploitatie van baggerspeciedepot Hollandsch Diep en optioneel Put Cromstrijen (hierna: de aanbesteding of de aanbestedingsprocedure).

2.2.

Nadere informatie over het verloop van de aanbestedingsprocedure, de eisen waaraan de (inhoud van de) inschrijvingen dient (of dienen) te voldoen en de gunningscriteria alsmede een beschrijving van de beoordelingsprocedure zijn opgenomen in het Inschrijvings- en beoordelingsdocument Openbare Procedure van 9 april 2013 (vermeld op pagina 1 van het document) dan wel 11 april 2013 (vermeld op pagina 2 van het document). In dit document (hierna: het Inschrijvings- en beoordelingsdocument) is, voor zover thans relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

2 Inlichtingen en inschrijving

(…)

2.3

Inschrijvingsfase

2.3.1

Bij de inschrijving te verstrekken documenten

(…)

3. De inschrijving dient te geschieden op het bij dit inschrijvings- en beoordelingsdocument gevoegde inschrijvingsbiljet (bijlage D) dan wel op een geheel overeenkomstig daaraan opgesteld biljet.

(…)

2.3.2

Bij de inschrijving te verstrekken prijsdocumenten

Staat van ontleding van de inschrijvingsprijs

De inschrijver dient, louter ter informatie, verduidelijking of toelichting voor de aanbesteder, bij zijn inschrijving een specificatie van het bedrag van de inschrijving te verstrekken: Staat van ontleding van de inschrijvingsprijs, conform het model dat als bijlage H bij dit inschrijvings- en beoordelingsdocument is gevoegd.

De in de staat van ontleding van de inschrijvingsprijs op te nemen bedragen, dienen realistisch te zijn en in redelijke verhouding te staan tot aard en omvang van de te verrichten werkzaamheden.

Staat van prijzen per eenheid

1. De inschrijver dient bij zijn inschrijving prijzen per eenheid op te geven voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in Vraagspecificatie. De prijzen per eenheid dienen te worden vermeld op een bij de inschrijving te voegen: Staat van prijzen per eenheid, conform het model dat als bijlage I bij dit inschrijvings-en beoordelingsdocument is gevoegd.

(…)

(…)

4 Beoordeling en gunning

4.1

Algemeen

De beoordeling van de inschrijvingen en de uiteindelijke gunning zal plaatsvinden op grond van het gunningscriterium 'Economisch meest Voordelige Inschrijving' (EMVI). Om te bepalen welke inschrijving de economisch meest voordelige is, worden de inschrijvingen beoordeeld overeenkomstig de beoordelingsprocedure opgenomen in paragraaf 4.2.

4.2

Gunningscriteria

De opdracht wordt gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan, mits de inschrijver een geldige inschrijving heeft gedaan, voldoet aan de gestelde geschiktheidseisen en overigens niet behoeft te worden uitgesloten van opdrachtverlening.

Bij de beoordeling welke inschrijver de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan worden de criteria gehanteerd als vermeld in bijlage C van dit inschrijvings- en beoordelingsdocument. De uitwerking van deze criteria is weergegeven in de 'Tabel EMVI-criteria' in bijlage C.

In het in bijlage C opgenomen 'Rekenblad EMVI' staat, per subcriterium dan wel per onderdeel, de maximaal toe te kennen kwaliteitswaarde vermeld. Het berekeningsresultaat van het rekenblad is de 'Fictieve inschrijvingsprijs'. Deze wordt verkregen door de inschrijvingsprijs te vermeerderen met het 'totaalbedrag van de Staat van prijzen per eenheid' en te verminderen met de 'Totale kwaliteitswaarde'. De inschrijving die op grond van dit rekenblad de laagste fictieve inschrijvingsprijs heeft, is de economisch meest voordelige inschrijving.

(…)

(…)”

2.3.

Bij het Inschrijvings- en beoordelingsdocument zijn bijlagen gevoegd. Hierin staat, voor zover thans relevant, vermeld:

“(…)

Bijlage C Uitwerking EMVI-criteria

Bij de beoordeling welke inschrijver de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan worden de onderstaande criteria gehanteerd:

1. De inschrijvingsprijs;

2. C02-ambitieniveau

3. Het totaalbedrag genoemd op de Staat van prijzen per eenheid;

4. Procesbeheersing

De uitwerking van deze criteria is opgenomen in de Tabel EMVI-criteria van deze bijlage C.

Na deze tekst is opgenomen: ‘Tabel EMVI-criteria’ en ‘Rekenblad EMVI’, welk laatste blad resulteert in ‘Fictieve inschrijvingsprijs (Inschrijvingsprijs plus “Prijzen per eenheid” minus Totale kwaliteitswaarde)’.

Bijlage D Inschrijvingsbiljet

De hierna te noemen inschrijver(s):

(…)

verklaart (verklaren) zich door ondertekening dezes bereid de uitvoering van zaaknummer 31076952 voor het Exploitatie Baggerspeciedepots Hollandsch Diep en optioneel Put Cromstrijen,

aan te nemen voor een bedrag, de omzetbelasting daarin niet begrepen, van:

EUR...

(... euro)

(…)

Toelichting:

(…)

3) Inschrijvingsprijs in cijfers.

(…)

(…)

Bijlage H Format Staat van ontleding van de vaste component van de inschrijfprijs.

Directe kosten

Onderhoud gebouwen

Onderhoud terrein

Onderhoud materieel

Weren broedvogels

Vaste kosten opleverdossier (na looptijd van het Werk)

Subtotaal:

Indirecte kosten

Inschrijvingsprijs:

Bijlage I Format Staat van prijzen per eenheid

Volg nr.

Omschrijving

Eenheid

Indicatieve aantallen

Prijs per eenheid in euro excl. BTW

Totaal

1

Kosten voor het daadwerkelijk verwerken van baggerspecie in open depot Put Cromstrijen.

Dag

350

2

Kosten per opengesteld lospunt voor het daadwerkelijk verwerken van baggerspecie in omdijkt depot Hollandsch Diep, incl. zandscheiding.

Dag

200

3

Kosten per opengesteld lospunt voor het daadwerkelijk verwerken van baggerspecie in omdijkt depot Hollandsch Diep, direct storten.

Dag

500

Totaalbedrag

2.4.

Rijkswaterstaat heeft vier inschrijvingen op de aanbesteding ontvangen, waaronder de inschrijvingen van MVO en de Combinatie.

2.5.

MVO heeft bij haar inschrijving onder meer ingediend: bijlage H met als bedrag bij ‘Inschrijvingspijs’ € 1.431.000,--, bijlage I met als bedrag bij ‘Totaalbedrag’ € 866.250,- en bijlage D met daarop als bedrag € 2.297.250,-.

2.6.

Rijkswaterstaat heeft op 10 september 2013 aan MVO bericht voornemens te zijn om de opdracht te gunnen aan de Combinatie. Bij dit bericht heeft Rijkswaterstaat de volgende bijlage gevoegd:

Inschrijvers

Inschrijvingsprijs

EMVI score Proces-beheersing

EMVI score C02 ladder

Fictieve inschrijving

Rangorde

MVO

€ 2.297.250

€ 225.000

€ 114.862,50

€ 2.823.637,50

3

Boskalis

€ 3.317.000

€ 0

€ 165.850,00

€ 3.519.500,00

4

[E]

€ 2.527.372

€ 75.000

€ 126.638,60

€ 2.736.628,90

2

[C] en [D]

€ 931.550

112.500

€ 27.946,50

€ 2.319.553,50

1

Rijkswaterstaat heeft hierbij onder meer opgemerkt dat de winnende inschrijver op basis van de EMVI-beoordeling voor de opdracht in aanmerking komt, dat zijn score op het kwaliteitscriterium in combinatie met de aangeboden prijs tot gevolg heeft dat zijn inschrijving de economisch meest voordelige is en dat MVO nummer 3 is in de rangorde van inschrijvers.

3 Het geschil

3.1.

MVO vordert, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis:

1. Rijkswaterstaat te verbieden vervolg te geven aan het voornemen van 10 september 2013 tot gunning van de opdracht aan de Combinatie;

2. primair: Rijkswaterstaat te gebieden tot heraanbesteding van de opdracht over te gaan, als hij deze nog steeds wenst te gunnen;

subsidiair: Rijkswaterstaat te gebieden de kennelijke fout in het inschrijvingsbiljet van MVO te (doen) herstellen door deze te verminderen met de variabele component van € 866.250,- en tot herbeoordeling over te gaan, indien Rijkswaterstaat de opdracht nog wenst te gunnen;

meer subsidiair: de aanbestedingsprocedure gestaakt te houden tot een uitspraak in deze procedure (in eerste aanleg dan wel in hoger beroep) kracht van gewijsde heeft gekregen;

op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Rijkswaterstaat in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe stelt MVO onder meer het volgende. Rijkswaterstaat stelt zich op het standpunt dat in het inschrijvingsbiljet (bijlage D) enkel de vaste component van de inschrijvingsprijs (te weten voor de instandhouding van de depots) had moeten worden opgenomen, zoals vermeld op bijlage H, maar Rijkswaterstaat heeft nagelaten dit duidelijk in de aanbestedingsstukken op te nemen. MVO heeft begrepen, en ook kunnen begrijpen, dat in deze bijlage de prijs diende te worden opgegeven waarvoor MVO bereid is het gehele werk uit te voeren, zijnde de vaste component van de inschrijvingsprijs zoals vermeld in bijlage H vermeerderd met het variabele deel zoals vermeld in bijlage I (te weten voor de exploitatie van de depots). Om meer dan één reden ligt deze laatste interpretatie meer voor de hand. Aan MVO werd pas na het gunnningsvoornemen duidelijk dat Rijkswaterstaat een andere uitleg hanteerde. Nu de aanbestedingsstukken blijkbaar ruimte bieden voor twee interpretaties, heeft Rijkwaterstaat het transparantiebeginsel geschonden. Dit dient in beginsel te leiden tot heraanbesteding. Indien heraanbesteding niet adequaat is, kan de kennelijke fout ook eenvoudig worden hersteld. Er is dan geen sprake van een nieuwe inschrijving of een inhoudelijke wijziging van de inschrijving van MVO. De prijzen voor de vaste en variabele kosten waarmee MVO heeft ingeschreven staan immers vermeld in bijlage H en bijlage I, die reeds bij Rijkswaterstaat in bezit zijn. De meer subsidiaire vordering is ingediend om ervoor te zorgen dat, bij afwijzing van de overige vorderingen, het geschil ook in hoger beroep in volle omvang kan worden beoordeeld.

3.3.

Rijkswaterstaat en de Combinatie voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.4.

De Combinatie vordert, zakelijk weergegeven, MVO niet te ontvangen in haar vorderingen, althans deze af te wijzen, dan wel Rijkswaterstaat te verbieden om de opdracht te gunnen aan een ander dan de Combinatie, voor zover Rijkswaterstaat de opdracht nog wenst te vergeven, met veroordeling van MVO in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

Verkort weergegeven stelt de Combinatie daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dus belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van MVO, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.

3.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van MVO en Rijkswaterstaat met betrekking tot de vorderingen van de Combinatie hierna worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Rijkswaterstaat stelt dat het zijn bedoeling was dat inschrijvers in bijlage D ‘de inschrijvingsprijs’ zouden invullen, zijnde het bedrag zoals nader ontleed in bijlage H, alsmede dat deze bedoeling ook duidelijk blijkt uit de aanbestedingsstukken. De omstandigheid dat in bijlage I ook de prijzen per eenheid moesten worden opgegeven, betekent nog niet dat het totale bedrag dat daaruit volgt ook deel uitmaakt van de – in bijlage D in te vullen – inschrijvingsprijs, aldus Rijkswaterstaat. Vaststaat dat MVO hieraan niet heeft voldaan. Zij heeft in bijlage D een bedrag ingevuld dat gelijk is aan de in bijlage H en bijlage I ingevulde bedragen tezamen. Dit leidt ertoe dat beoordeeld dient te worden of de aanbestedingsstukken voldoende duidelijk (dat wil zeggen: voor één uitleg vatbaar) zijn of dat zij ruimte bieden voor meer interpretaties.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat de aanbestedingstukken aanwijzingen bevatten voor het interpreteren van bijlage D, en het daarin in te vullen bedrag, op de wijze zoals Rijkswaterstaat dat kennelijk heeft bedoeld. Uit paragraaf 2.3.2 van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument kan worden afgeleid dat de inschrijver in bijlage H een ontleding verstrekt van ‘de inschrijvingsprijs’. De verplichting om die prijs in bijlage D te vermelden, kan worden afgeleid uit de onder de tekst van bijlage D geplaatste voetnoot 3, waarin staat vermeld: ‘inschrijvingsprijs in cijfers’. Voorts heeft Rijkswaterstaat verwezen naar de gunningsystematiek, die inhoudt dat de inschrijver met de laagste fictieve inschrijvingsprijs de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan. Blijkens bijlage C bestaat de fictieve inschrijvingsprijs uit de inschrijvingsprijs plus de prijzen per eenheid minus de totale kwaliteitswaarde. Indien de redenering van MVO zou worden gevolgd zouden de prijzen per eenheid dubbel meetellen en dat is onlogisch, aldus Rijkswaterstaat. MVO heeft weliswaar betoogd dat dit volgens haar juist wel logisch is, omdat daarmee wordt voorkomen dat strategisch wordt ingeschreven, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat die uitleg van de gunningsystematiek minder voor de hand ligt.

4.3.

De aanbestedingsstukken bevatten echter bepaald ook aanwijzingen voor het interpreteren van bijlage D, en het daarin in te vullen bedrag, op de wijze zoals MVO dat kennelijk heeft gedaan. Bijlage H is getiteld ‘format Staat van ontleding van de vaste component van de inschrijfprijs’. De veronderstelling dat de inschrijfprijs dan ook een variabele component bevat en dat die component de prijs is zoals vermeld in bijlage I, acht de voorzieningenrechter dan niet onaannemelijk, zeker niet nu beide kostensoorten een rol spelen bij de beantwoording van de vraag welke inschrijver de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan, zo volgt uit bijlage C. Voorts staat in voetnoot 3 bij bijlage D weliswaar het woord inschrijvingsprijs vermeld, maar de titel noch de tekst van bijlage D bevat een verwijzing naar dit begrip. Blijkens de tekst van bijlage D dient de inschrijver het bedrag te noemen waarvoor hij bereid is de opdracht aan te nemen. Nu de opdracht ook exploitatiewerkzaamheden bevat, zijnde de werkzaamheden waarop de prijzen per eenheid zien, lijkt dit te impliceren dat in bijlage D de kosten als vermeld in bijlage H en bijlage I tezamen moeten worden vermeld.

4.4.

De aanbestedingsstukken bieden gezien het vorenstaande ruimte voor twee interpretaties, met uiteenlopende uitkomst, en dat is in strijd met de beginselen van het aanbestedingsrecht, namelijk het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel. Dit aan het Europese aanbestedingsrecht ten grondslag liggende beginsel van transparantie brengt mee dat alle aanbieders in gelijke mate een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsheeft. Het transparantiebeginsel strekt ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn (HR 4 november 2005, NJ 2006, 204).

4.5.

Het verwijt van Rijkswaterstaat aan MVO dat zij hierover een vraag had moeten stellen, kan niet worden gevolgd. Indien het voor een inschrijver duidelijk is dat zijn of haar interpretatie de juiste is en hij of zij zich niet realiseert of behoeft te realiseren dat ook een andere interpretatie mogelijk is, zal hij of zij immers geen aanleiding zien voor het stellen van een vraag. Bovendien ligt het in de eerste plaats op de weg van Rijkswaterstaat om te zorgen voor een beschrijving die niet voor meerderlei uitleg vatbaar is.

4.6.

Vervolgens is de vraag aan de orde tot welk gevolg dit handelen van Rijkswaterstaat in strijd met het transparantiebeginsel moet leiden. MVO heeft betoogd dat een heraanbesteding dan wel een herbeoordeling moet volgen, waarbij Rijkswaterstaat de kennelijke fout van MVO herstelt. Volgens Rijkswaterstaat en de Combinatie is geen plaats voor herstel van een kennelijke fout.

4.7.

Dit laatste verweer slaagt. Nu bijlage D op twee manieren kon worden geïnterpreteerd, en dus ook op de wijze zoals MVO dat heeft gedaan, is van een kennelijke fout geen sprake. Er is sprake van een gebrek in de aanbestedingsstukken, nu de vraag naar een bedrag multi-interpretabel is. Dit betekent echter nog niet dat er een heraanbesteding moet plaatsvinden. Dit is een zeer ingrijpende en tijdrovende maatregel en van enig belang daarbij is niet gebleken. Het gebrek kan immers op eenvoudige wijze worden hersteld door de inschrijvingen opnieuw te beoordelen en daarbij dan bij alle inschrijvers een bedrag als inschrijfprijs (bijlage D) in aanmerking te nemen dat overeenstemt met het in bijlage H ingevulde bedrag, dus conform de bedoeling van Rijkswaterstaat. Nu Rijkswaterstaat heeft gesteld dat de andere inschrijvers wel de door Rijkswaterstaat bedoelde interpretatie hebben gevolgd, behoeft alleen de inschrijving van MVO op die wijze te worden aangepast. MVO wordt hierbij niet bevoordeeld of in de gelegenheid gesteld haar inschrijving te wijzigen. Deze correctie leidt er juist toe dat alle inschrijvingen op dezelfde wijze worden beoordeeld, hetgeen eerder niet het geval was. Rijkswaterstaat kan ook tot bedoelde correctie overgaan zonder dat er nieuwe stukken behoeven te worden overgelegd. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van Rijkswaterstaat dat de omstandigheid dat het door MVO in bijlage D ingevulde bedrag gelijk is aan de bedragen van bijlage H en I tezamen, ook een andere oorzaak kan hebben. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan die (hoogst onaannemelijke) stelling niet worden gevolgd.

4.8.

De voorzieningenrechter zal gezien het vorenstaande de vordering sub 1 alsmede de subsidiaire vordering sub 2 van MVO, op de hierna vermelde manier, toewijzen. Voor het opleggen van een dwangsom ten laste van Rijkswaterstaat is geen aanleiding, nu Rijkswaterstaat rechterlijke uitspraken pleegt na te komen en MVO niet heeft gesteld dat en waarom dat in deze zaak niet het geval zou zijn. De vorderingen van de Combinatie zijn in het licht van voormelde beslissing niet voor toewijzing vatbaar.

4.9.

Rijkswaterstaat zal, als de in de procedure tussen MVO en hem (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van die procedure aan de zijde van MVO. Voorts zal de Combinatie, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten die de tussenkomst hebben meegebracht aan de zijde van MVO en Rijkswaterstaat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat MVO en Rijkswaterstaat als gevolg van de vorderingen van de Combinatie extra kosten hebben moeten maken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verbiedt Rijkswaterstaat vervolg te geven aan zijn voornemen van 10 september 2013 tot gunning van de opdracht aan de Combinatie;

- gebiedt Rijkswaterstaat om, indien hij de opdracht nog wenst te gunnen, tot herbeoordeling over te gaan en daarbij de inschrijvingsprijs van MVO te herstellen door deze te verminderen met een bedrag van € 866.250,-, zijnde het bedrag dat MVO heeft vermeld in bijlage I;

- veroordeelt Rijkswaterstaat in de kosten van het geding tussen MVO en Rijkswaterstaat, tot dusverre aan de zijde van MVO begroot op € 1.481,71,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat, € 589,- aan griffierecht en € 76,71 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

- veroordeelt de Combinatie in de kosten die de tussenkomst heeft meegebracht aan de zijde van MVO en Rijkswaterstaat, welke kosten worden begroot op nihil;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2013.

ts