Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18430

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
AWB 13/2932
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Cyprus

Mede gelet op de reactie van de Cypriotische autoriteiten van 4 september 2012, biedt de inhoud van de rapporten die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij onder erbarmelijke omstandigheden zal worden gedetineerd naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de situatie in Cyprus ten aanzien van de detentieomstandigheden zodanig ernstig is dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer van eiser naar Cyprus.

De rechtbank is van oordeel dat de asielprocedure, de rechtshulp en effectiviteit van rechtsmiddelen in Cyprus weliswaar voor verbetering vatbaar zijn, maar dat er geen aanleiding is voor de eindconclusie dat de Cypriotische asielprocedure in zijn geheel gezien zodanige gebreken vertoont dat hieruit moet worden afgeleid dat voor eiser bij overdracht aan Cyprus een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel artikel 13 EVRM. Evenmin acht de rechtbank hiertoe nader onderzoek geboden.

Eiser heeft zijn stelling dat hij als zwarte man met het moslimgeloof niet tot de asielprocedure en de opvang zal worden toegelaten onvoldoende onderbouwd.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN-HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/2932

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 december 2013 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Senegalese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. P. van den Berg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Cyprus verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 (AWB 13/2934) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat verweerder wordt verboden eiser uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Verweerder heeft op 4 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven nader te reageren op hetgeen ter zitting is verhandeld. Eiser heeft op 20 november 2013 gereageerd. Verweerder heeft op 28 november 2013 zijn reactie aan de rechtbank doen toekomen. Nadien heeft de rechtbank het onderzoek, met toestemming van partijen, zonder het houden van een nadere zitting gesloten en uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

2.

Op grond van gegevens uit Eurodac heeft verweerder vastgesteld dat Cyprus verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Gebleken is dat verzoeker op 12 juli 2011 in Cyprus een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft de autoriteiten van Cyprus verzocht eiser terug te nemen. De autoriteiten van Cyprus hebben op 21 januari 2013 het terugnameverzoek op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e van de Verordening gehonoreerd.

3.

De rechtbank stelt in haar beoordeling het volgende voorop. Uit het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, (ECLI:NL:XX:2011:BP4356, hierna: het arrest in de zaak M.S.S.) blijkt dat het EHRM bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het bijzonder de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land betrekt. Voorts vloeit uit het arrest in de zaak M.S.S. voort dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

4.

Eiser voert -samengevat- aan dat hij bij terugkeer naar Cyprus onder erbarmelijke omstandigheden zal worden gedetineerd. Voorts heeft eiser in Cyprus geen toegang gehad tot een zorgvuldige asielprocedure en zal hij dat bij terugkeer naar Cyprus evenmin hebben. Ten derde is eiser als donkere man en als moslim eens temeer uitgesloten van een zorgvuldige asielprocedure wegens discriminatie en zal hij bij terugkeer naar Cyprus ook om die reden van enige opvang verstoken blijven. Gezien het vorenstaande kan ten aanzien van Cyprus niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunten verwezen naar de volgende rapporten en uitspraken:
- het rapport van de NGO Action for Equality, Support, Antiracism (KISA) van mei 2012;
- een door KISA bij de Europese Commissie ingediende klacht van mei 2012;
- de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 juli 2011 (AWB 11/13867);
- het rapport van KISA van mei 2011;
- het arrest in de zaak M.S.S.;
- het rapport van het US Department of State van 11 maart 2010;
- het rapport van KISA van 29 juni 2009.

5.

Verweerder heeft in de standpunten van eiser geen aanleiding gevonden om het asielverzoek op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich te trekken, noch heeft verweerder grond gevonden voor het oordeel dat ten aanzien van Cyprus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft niet uitgesloten dat eiser mogelijkerwijs bij terugkeer naar Cyprus zal worden gedetineerd. Echter, verweerder stelt dat eiser met het beroep op de KISA-rapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onder erbarmelijke omstandigheden zal worden gedetineerd. De door eiser aangehaalde rapporten en het rapport van Amnesty International (A.I.) “Punishment without a crime” van juni 2012 geven geen blijk van structurele tekortkomingen in de detentie- en leefomstandigheden, zoals het geval was in de zaak die leidde tot het arrest in de zaak M.S.S.. Verweerder verwijst in dit verband naar de reactie van de Cypriotische autoriteiten op het rapport van A.I. van 12 september 2012, die bij het verweerschrift van
4 juni 2013 is gevoegd. Voorts wijst verweerder op een tweede, bij het verweerschrift van
4 juni 2013 gevoegd, op een intern stuk gelijkend, schrijven van de Cypriotische autoriteiten. Daaruit blijkt dat er ten aanzien van de detentiefaciliteiten verbeteringen zijn doorgevoerd in de mogelijkheid om te luchten, de medische voorzieningen, en de klachtvoorziening. Ook is er een nieuwe detentiefaciliteit in Menogeia geopend. Verweerder is van mening dat op basis van deze reacties van de Cypriotische autoriteiten niet kan worden geconcludeerd dat de situatie in Cyprus ten aanzien van de detentieomstandigheden zodanig is dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer van eiser naar Cyprus. Met betrekking tot de asielprocedure in Cyprus stelt verweerder zich op het volgende standpunt. Uit de door eiser overgelegde stukken volgt dat eiser een beslissing op zijn asielaanvraag en op het administratief beroep heeft ontvangen. Bovendien wordt in de stukken aangegeven dat hij de mogelijkheid heeft om hoger beroep in te stellen, hetgeen eiser niet heeft gedaan. Eiser heeft aldus in ieder geval toegang gehad tot de asielprocedure en hierop twee besluiten ontvangen. Voorts weerspreken de Cypriotische autoriteiten in de reactie op het rapport van A.I. de stelling van eiser dat de gehoren van onvoldoende kwaliteit zouden zijn. Verweerder weerspreekt daarom de stelling van eiser dat de asielprocedure in Cyprus niet met voldoende waarborgen zou zijn omkleed. Verweerder concludeert dat gelet op het voorgaande geen aanleiding bestaat om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan.

5.1

Ter zitting heeft verweerder ter onderbouwing van zijn stellingen een brief overgelegd van de Cypriotische ambassade te Parijs van 26 juni 2013, met bijgevoegd de reactie van het Cypriotische ministerie van Binnenlandse Zaken op het rapport van A.I. van juni 2012 over de detentie van vreemdelingen in Cyprus.

6.

Eiser heeft in zijn reactie van 20 november 2013 onder meer opgemerkt dat A.I. blijkens zijn navraag ondanks de opmerkingen van de minister van Binnenlandse Zaken en de Ambassade van Cyprus in Parijs nog steeds volledig staat achter zijn rapport van juni 2012.

7.

Verweerder heeft in zijn reactie van 28 november 2013 vervolgens het volgende opgemerkt. Uit de stukken die eiser bij zijn reactie van 20 november 2013 heeft gevoegd, blijkt dat A.I. de reactie van de Cypriotische autoriteiten, die op 4 september 2012 naar A.I. is verzonden, heeft betrokken bij de vaststelling van het rapport, voordat dit in juni 2012 werd gepubliceerd. Dit rapport van A.I. maakt geen melding van structurele tekortkomingen in de detentie- en leefomstandigheden, zoals dat het geval was in het arrest in de zaak M.S.S. Verweerder blijft bij zijn eerder ingenomen standpunten.

8.

Ten aanzien van de detentieomstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bij overdracht naar Cyprus mogelijk zal worden gedetineerd. Verweerder heeft ter zitting en in zijn reactie van 28 november 2013 uiteengezet dat hij de reactie van de Cypriotische autoriteiten op het rapport van A.I. die gevoegd is bij het verweerschrift van 4 juni 2013, per email heeft ontvangen en dat dit stuk op 4 september 2012 per email door het ministerie van Binnenlandse Zaken van Cyprus aan A.I. is toegezonden. Het stuk is afkomstig van mevrouw [naam] van de Asylum Service van het ministerie van Binnenlandse Zaken van Cyprus, en betreft een reactie op het rapport van A.I. van juni 2012 inzake de detentie van asielzoekers en “irregular migrants”.


In dit stuk is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“Therefore, the maximum period that an irregular migrant can be lawfully detained is eighteen months. When the detention for any reason reaches its maximum the detainee is immediately released.

The decision for detention is reviewed by the Minister of Interior on a two-month basis. Also the decision may be reviewed by the Minister at any time provided that this revision is requested by the detainee (Pagina 6).

As regards the commentary on “…poor access to natural light…” in Block 10, it should be noted that the facilities are very old and are renovated from time to time, so as to meet the CPT Standards (Rechtbank: CPT = European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment) as much as possible. Nevertheless, there is adequate lighting (i.e. sufficient to read by, sleeping periods excluded) as stipulated by CPT.

Regarding the commentary that “…some windows were broken” in Block 10, instructions were given for repairs.

The issue of the overcrowding of police cells has been minimized, and only in rare situations more than one detainee is placed in a cell of 7m2. If such a case occurs it is only for a limited time…. (Pagina 9)

Concerning the commentary about medical care it should be stressed out that the right of access to a doctor for those who require one, is safeguarded by the article 23-28 of the Law 163(I)/2005 and the paragraph 21 of the Regulations 161/2011 of the Law for the establishment and regulation of the premises of Illegal Immigrants (L.83(I)/2011)…

As regards the quantity and quality of food provided to detained persons and the provision of food to detainees is covered by Police Standing Order No. 5/5, which stipulates certain food to be provided to detainees (including cooked meals)…

Regarding the alleged cases of ill-treatment, it should be noted that, the Police is very sensitive on issues regarding ill-treatment and use of force by members of the Police. If a person believes that he/she has been discriminated, ill-treated, or his/her human rights have been violated by the Authorities, he/she has the right to file a complaint. There are several mechanisms and procedures within the Police that ensure prompt and impartial investigation in allegations of police misconduct, ill-treatment etc: administrative investigations and disciplinary procedures, criminal procedures, the Police Audit and Inspection Unit and the Police Standards Directory. … (Pagina 10).

As regards the commentaries that “…none of the facilities was equipped with a library or space for religious services…” and “In Limassol, persons charged with criminal offences were also detained in the same wing” please be informed that these facilities are very old and they were not designed only for those who are detained with detention and deportation orders. However, the new detention facility in Menogeia is designed only for immigration purposes and in accordance to the CPT standards. … (Pagina 11)”.

8.1

Eiser heeft niet nader gereageerd op dit stuk van de Cypriotische autoriteiten, zodat de rechtbank aanneemt dat eiser de juistheid van dit stuk niet betwist. Het internetbericht dat eiser bij zijn pleitnota heeft overgelegd over het jaarrapport 2013 van A.I., gedateerd 26 mei 2013, kan niet worden beschouwd als een weerlegging van de reactie van de Cypriotische autoriteiten zoals aan A.I. gezonden op 4 september 2012. Eisers mededeling dat A.I. nog altijd achter zijn rapport van juni 2012 staat, kan niet als inhoudelijke reactie gelden. Ook is de rechtbank niet gebleken van reacties op dit stuk van KISA, het US Department of State, A.I. dan wel van andere NGO’s.

8.2

Mede gelet op de reactie van de Cypriotische autoriteiten van 4 september 2012, biedt de inhoud van de rapporten die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij onder erbarmelijke omstandigheden zal worden gedetineerd naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de situatie in Cyprus ten aanzien van de detentieomstandigheden zodanig ernstig is dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer van eiser naar Cyprus.

9.

Ten tweede heeft eiser gesteld dat de asielprocedure in Cyprus niet voldoet aan de daaraan te stellen internationale eisen. Hij heeft alle in zijn procedure ontwikkelde rapportages en beslissingen in twee instanties tegelijk toegezonden gekregen zonder dat hij daaraan voorafgaand een beslissing in primo had ontvangen, hij heeft zijn asielmotieven niet met behulp van een tolk in zijn eigen taal uiteen kunnen zetten en hij heeft geen toegang gehad tot (gratis) rechtshulp. Eén en ander blijkt uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd tijdens het gehoor van 26 december 2012. Tevens verwijst eiser naar de door hem overgelegde rapporten. Eiser stelt dat hij in Cyprus zonder tolk of advocaat geen daadwerkelijke toegang tot de asielprocedure heeft (gehad). Het is bovendien voor eiser zonder advocaat niet mogelijk (hoger) beroep in te stellen tegen de beslissing die is opgesteld in een voor hem niet begrijpelijke taal. De procedure en rechtsmiddelen voldoen volgens eiser niet aan de voorwaarden neergelegd in de artikelen 3 en 13 van het EVRM.

9.1

Eiser heeft in vervolg op het vorenstaande gesteld dat verweerder ten onrechte de in het Grieks opgestelde documenten buiten de beoordeling heeft gehouden, terwijl het veeleer op de weg van verweerder ligt om hierover contact op te nemen met de Cypriotische autoriteiten.

9.2

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van de zitting van 14 maart 2013, ter behandeling van de voorlopige voorziening, en uit het verweerschrift van 4 juni 2013 blijkt dat verweerder de in het Grieks opgestelde documenten niet bij de beoordeling heeft betrokken, maar wel het daarbij in de Engelse taal opgestelde begeleidend schrijven van 8 augustus 2012. Uit dit schrijven valt af te leiden dat eiser op 30 maart 2012 een negatieve beslissing op zijn asielaanvraag heeft ontvangen en op 8 augustus 2012 een negatieve beslissing op zijn administratief beroep, dat hij, volgens het genoemde schrijven, op 6 april 2012 had ingediend. Tevens wordt daarin aangegeven dat eiser de mogelijkheid heeft om binnen 75 dagen hoger beroep in te stellen bij het Supreme Court. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser in ieder geval toegang heeft gehad tot de asielprocedure en hierop twee besluiten heeft ontvangen. De stelling van eiser dat hij nimmer administratief beroep heeft ingesteld en dat hij de beide beslissingen tegelijkertijd toegezonden heeft gekregen, heeft eiser niet onderbouwd. De enkele stelling dat in een groot aantal vergelijkbare gevallen hetzelfde zou zijn gebeurd, kan niet als onderbouwing gelden. In geen van de door eiser overgelegde rapporten wordt bevestigd dat de asielprocedure in Cyprus verloopt zoals eiser heeft gesteld. Dit geeft de rechtbank derhalve geen reden om op voorhand te twijfelen aan de brief van 8 augustus 2012. Dit geldt temeer nu ook in het rapport van KISA van mei 2011 wordt bevestigd dat de asielprocedure op deze manier doorlopen wordt. Indien eiser stelt dat uit het Griekse document zou moeten blijken dat de procedure in geval van eiser anders is gelopen, ligt het op zijn weg om dit met bijvoorbeeld een vertaling van het in de Griekse taal opgestelde document te onderbouwen.

9.3

In de door eiser aangehaalde rapporten zijn voorts geen problemen inzake bijstand van tolken gesignaleerd. Voor zover eiser gedurende zijn eigen procedure in Cyprus al problemen heeft ondervonden doordat hij geen bijstand heeft kunnen krijgen van een tolk in de juiste taal, acht de rechtbank die omstandigheid niet doorslaggevend voor de conclusie dat de asielprocedure in zijn geheel in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM. Bij het vorenstaande is van belang dat eiser niet heeft aangevoerd dat hij dat niet bij het Supreme Court in een hoger beroepsprocedure had kunnen aanvechten. Ook voor de stelling van eiser dat hij een recht zou moeten hebben op (gratis) rechtsbijstand geldt dat – voor zover eiser tot zulke hulp geen toegang zou hebben – vanwege deze gestelde omstandigheid niet de asielprocedure als geheel bezien in strijd met artikel 3 EVRM zou komen. Hierbij is verder van belang dat niet is gebleken dat eiser in Cyprus heeft geprobeerd om rechtsbijstand te krijgen.

9.4

Gelet op het vorenstaande en gelet op de informatie in de door eiser overgelegde rapporten, is de rechtbank van oordeel dat daaruit blijkt dat de asielprocedure, de rechtshulp en effectiviteit van rechtsmiddelen in Cyprus weliswaar voor verbetering vatbaar zijn, maar dat er geen aanleiding is voor de eindconclusie dat de Cypriotische asielprocedure in zijn geheel gezien zodanige gebreken vertoont dat hieruit moet worden afgeleid dat voor eiser bij overdracht aan Cyprus een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel artikel 13 EVRM. Evenmin acht de rechtbank hiertoe nader onderzoek geboden.

10.

Eiser heeft tot slot gesteld dat hij als zwarte man met het moslimgeloof niet tot de asielprocedure en de opvang zal worden toegelaten en in “de goot” zal belanden. De rechtbank merkt op dat de informatie uit het rapport van het US State Department, waar eiser ter onderbouwing van zijn standpunt naar heeft verwezen, ziet op de periode 2009 en daarmee gedateerd is. Daarnaast heeft verweerder in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 juli 2011, waarop eiser eveneens in dit kader een beroep heeft gedaan, opnieuw een afwijzend besluit genomen op 12 augustus 2011. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van 28 oktober 2011 van deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard (AWB 11/26351 en 11/26350). Ook is van belang dat eiser niet heeft gesteld, en evenmin is gebleken, dat hij vanwege discriminatie zou worden uitgesloten van het voeren van een asielprocedure. Ook is niet gebleken dat in zijn algemeenheid, of voor eiser in het bijzonder, niet de mogelijkheid bestaat om zich te wenden de (hogere) autoriteiten in Cyprus ingeval van discriminatie. Niet is gebleken dat zij eiser niet zouden kunnen of willen helpen. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

11.

Het beroep is gezien al het vorenstaande ongegrond.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, voorzitter, en mrs. A.J. Dondorp en S. Kleij, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.