Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18347

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_2867
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering aansprakelijkheid ter zake van polsaandoening in verband met verjaring.

Geen rechtsmiddelen aangewend tegen eerder appellabel besluit uit 1985 ter zake van erkenning aansprakelijkheid en toekenning schadevergoeding met voorbehoud ter zake van uitbetaling.

Eerst in 2010 nieuw verzoek. Vordering is verjaard.

Zie ook uitspraak van heden in de zaak SGR 12/2866 MAW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 12/2867 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E.P. van Zandbergen).

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 2 april 2012 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 februari 2012, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 4 november 2011 ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 29 augustus 2013 ter zitting gevoegd behandeld met het beroep SGR 12/2866 MAW.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank doet in de beroepen van eiser afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

1

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2

De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Eiser heeft bij de Koninklijke Landmacht gediend als dienstplichtig soldaat.

Eiser is op [datum] 1984 een ongeval overkomen. Tijdens het lossen van een fouragewagen hebben militairen een ketting gevormd en heeft een dienstplichtige een doos naar eiser gegooid. Hierbij heeft eiser letsel aan de rechterpols opgelopen en heeft hij zich onder medische behandeling moeten stellen.

2.2

Bij brief van 13 december 1984 heeft eiser verzocht zijn schade als gevolg van het ongeval op [datum] 1984 te vergoeden. Als schadeposten zijn genoemd gemiste autorijlessen, reeds betaald examengeld voor het rijexamen en kosten van openbaar vervoer, in totaal fl 660,--.

2.3

Bij besluit van 5 maart 1985 is het ongeval van [datum] 1984 aangemerkt als een dienstongeval.

2.4

Bij besluit van 26 maart 1985 heeft verweerder de aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het eiser op [datum] 1984 overkomen ongeval. Hierbij is medegedeeld dat de intrinsieke waarde van een militair pensioen, indien toegekend, in ruime mate het door eiser genoemde schadebedrag zal overtreffen, zodat verweerder vooralsnog niet bereid is tot vergoeding van het geclaimde bedrag over te gaan. Indien het pensioen te zijner tijd niet wordt toegekend, zal verweerder alsnog tot vergoeding van de geleden schade overgaan.

2.5

Aan eiser is met ingang van 1 december 1985 ontslag verleend uit de militaire dienst. Bij besluit van 2 juli 1986 is eiser te rekenen van 1 december 1985 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 20% in verband met de polsaandoening.

2.6

Bij brief van 4 oktober 2010 heeft eiser verweerder 'aansprakelijk gesteld' voor hoofdletsel en letsel van de rechterpols als gevolg van gedragingen van andere militairen, alsmede voor PTSS waaraan hij sinds het voorval lijdt, althans verweerder aangesproken en gevraagd om hulp. Eiser heeft verzocht om (medische) hulp, onkostenvergoeding voor dingen die hij door zijn letsel niet meer kan doen, schadevergoeding en gemiste pensioenopbouw. Bij brief van 26 oktober 2011 heeft eiser verweerder verzocht afzonderlijke besluiten te nemen ter zake van de verschillende aandoeningen.

Bij besluit van 4 november 2011 heeft verweerder de aansprakelijkheid ter zake van de polsaandoening afgewezen op grond van verjaring.

Eiser heeft bij brief van 9 november 2011 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eiser is op 15 december 2011 gehoord in het kader van zijn bezwaar.

Eiser heeft bij brief van 2 april 2012 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 februari 2012, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 4 november 2011 ongegrond is verklaard.

3

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder gehouden is om de geleden en nog te lijden schade te vergoeden, onder aftrek van de inkomsten uit het militair invaliditeitspensioen. In het besluit van 26 maart 1985 wordt aan de toekenning een voorwaardelijk karakter gegeven, te weten dat alleen tot vergoeding zal worden overgegaan als de schade het bedrag aan toe te kennen pensioen overschrijdt. Op geen enkele wijze wordt aangegeven hoe te handelen indien het pensioen wel wordt toegekend. Het is in dat geval geen automatisme dat overige schade moet worden geacht te ontbreken. Eiser legt het zo uit dat de voorwaardelijkheid per jaar dient te worden beschouwd en dat, indien de schade meer is dan de inkomsten uit het pensioen, per jaar het verschil moet worden uitgekeerd. Dit volgt, volgens eiser, uit het begrip ‘te zijner tijd’. Dit is een gebruikelijke verrekenmethode binnen het letselschaderecht. Het voorwaardelijk karakter van de erkenning van de aansprakelijkheid is nimmer aan verjaring onderhevig. Bij het per jaar niet aanwenden daarvan, is hooguit de aanspraak voor dat jaar verloren. Die van toekomstige jaren blijft bestaan.

Subsidiair stelt eiser dat met het Changoe-arrest van de Hoge Raad (NJ 1992, 687) de bestuursrechtelijke weg gevolgd dient te worden en dat derhalve een besluit genomen had moeten worden. Dit besluit is eerst met het primaire besluit van 4 november 2011 genomen. Ten onrechte is gesproken over verjaring, er diende door verweerder te worden beslist over de (hoogte van de) schadevergoeding. Dat is nog altijd niet gebeurd. Verweerder stelt in het primaire besluit dat in 1986 een militair invaliditeitspensioen is toegekend en dus is beslist (en kennelijk het voorwaardelijke karakter aan het besluit van 26 maart 1985 is komen te vervallen). Verweerder had echter een expliciet en definitief besluit moeten nemen. Bovendien had verweerder moeten uitzoeken of de schade meer dan wel minder dan het pensioen bedroeg. Onder deze omstandigheden kan de verjaring niet worden ingeroepen. In het bijzonder is dit het geval indien op grond van artikel V4 van de Algemene militaire pensioenwet (Ampw, oud) het pensioen verrekend wordt met de uitkering.

Meer subsidiair beroept eiser zich op toepassing van artikel 6:2, tweede lid, van het BW in combinatie met (de werking van) artikel 6:248, tweede lid, van het BW inhoudende dat de genoemde omstandigheden, in dit geval het beslissen dan wel berichten omtrent de beslissing in relatie tot de overige aspecten, met zich brengen dat een beroep op verjaring op grond van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Uiterst subsidiair merkt eiser op dat de absolute verjaringstermijn niet onder alle omstandigheden kan worden ingeroepen. Eiser verwijst naar artikel 3:310, tweede lid, van het BW. In het arrest van 28 april 2000 (NJ 2000, 430) heeft de Hoge Raad een beroep op verjaring terzijde geschoven. Verweerder doet dit zelf ook met asbestzaken, PX-10-zaken en PTSS-zaken. Voorts wordt verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 augustus 2008, LJN: AY6556, waarin in r.o. 1.3 wordt aangegeven dat afgezien wordt van de absolute verjaringstermijn. Ook in de bij de Ombudsman in juni 2010 tussen verweerder en de militaire vakbonden overeengekomen uitgangspunten voor de Ereschuldregeling wordt expliciet van elke vorm van verjaring afgezien. De absolute verjaring die al niet tegen PTSS-geïnvalideerden kon worden ingeroepen, kon ook niet tegen anderszins geïnvalideerden worden ingeroepen. Ook in individuele gevallen werd de absolute verjaringstermijn uit coulance terzijde geschoven. Geconcludeerd kan worden dat verweerder te pas en te onpas afstand doet van een beroep op de (absolute) verjaring. Dit betekent dat gehandeld wordt in strijd met het verbod van willekeur.

4

Thans is in geschil of verweerder zich met betrekking tot het geldend maken door eiser van zijn aanspraak op schadevergoeding ter zake van (de gevolgen van) polsletsel heeft kunnen beroepen op verjaring.

4.1

Voor de beoordeling wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (CRvB 1 augustus 2000, JB 2000, 260).

4.2

Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW - voor zover hier van belang - verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (de verkorte verjaringstermijn), en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan (de absolute verjaringstermijn).

4.3

De rechtbank overweegt ter zake van de primaire en subsidiaire gronden van eiser dat verweerder, naar aanleiding van de brief van eiser van 13 december 1984, bij besluit van 26 maart 1985 aansprakelijkheid heeft erkend voor de gevolgen van het eiser op [datum] 1984 overkomen ongeval (letsel rechter arm). Daarbij is uitdrukkelijk verwezen naar het door eiser genoemde schadebedrag dat voor vergoeding in aanmerking kwam en is slechts de uitbetaling daarvan afhankelijk gesteld van een eventuele toekenning van een militair pensioen. Hieruit volgt, anders dan eiser meent, dat verweerder wel heeft beslist met betrekking tot de door eiser opgevoerde schadeposten. Verweerder behoefde niet nog uitdrukkelijker te beschrijven hoe eiser al dan niet zou kunnen handelen indien het pensioen te zijner tijd niet zou worden toegekend. Verweerder heeft in dit kader kunnen volstaan met het verzoek aan eiser om bij een weigering van een dergelijk pensioen hiervan mededeling te doen, waarna verweerder, zoals vermeld, alsnog tot vergoeding van de geleden schade over zal gaan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn uitleg van het door verweerder gehanteerde begrip ‘te zijner tijd’, nu dit alleen kan worden gelezen als zijnde verband houdende met de eventuele toekenning van een militair pensioen. Een voor verweerder geldende verplichting om eventuele schade per opvolgend jaar in beschouwing te nemen, kan hieruit niet worden afgeleid. De rechtbank overweegt in dit kader dat eiser met zijn verzoek van 13 december 1984 geen enkel voorbehoud heeft gemaakt ter zake van toekomstige (rest)schade als gevolg van het hem overkomen ongeval. Niet gebleken is dat eiser, zo hij meende dat hem met het besluit van 26 maart 1985 geen recht is gedaan, daartegen rechtsmiddelen heeft aangewend. Zo had eiser destijds beroep kunnen instellen bij het (militair) ambtenarengerecht te ’s-Gravenhage. De rechtbank verwijst in dit kader nog naar de uitspraak van het Ambtenarengerecht ’s-Gravenhage van 10 april 1986, LJN: AK2760 en TAR 1986, 145, en de uitspraak van de CRvB, LJN: AM6071 en AB 1981, 579. Dat eiser niet heeft onderkend dat het besluit van 26 maart 1985 voor beroep vatbaar was, maakt dit niet anders. In het Changoe-arrest is uitgesproken dat het stelsel van aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter, anders dan tot dan toe was aanvaard, ook moet gelden voor de verhouding tussen burgerlijke rechter en ambtenarenrechter. De rechtbank vermag daarom niet in te zien welke betekenis dit arrest kan hebben voor het antwoord op de vraag of verweerder zich kan beroepen op verjaring van de vordering van eiser. Met de toekenning op 2 juli 1986 van een militair invaliditeitspensioen aan eiser, is voor eiser duidelijkheid ontstaan ter zake van het door verweerder in het besluit van 26 maart 1985 gemaakte voorbehoud en is inzichtelijk geworden dat het toegekende militair invaliditeitspensioen hoger was dan het destijds door eiser geclaimde schadebedrag van in totaal fl 660,--.

Uit het vorenstaande volgt niet dat voor verweerder een verplichting bestond om, naar aanleiding van eisers verzoek van 4 oktober 2010, nog nader onderzoek te doen naar de hoogte van schade, al dan niet in verhouding tot de hoogte van het militair invaliditeitspensioen.

4.4

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat vanaf het besluit van 26 maart 1985 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren is aangevangen. Eerst bij brief van 4 oktober 2010 heeft eiser verweerder weer aangeschreven. Hieruit volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vordering van eiser van 4 oktober 2010, gelet op de verkorte verjaringstermijn, is verjaard.

4.5

Gelet op het vorenstaande behoeven de gronden van eiser ter zake van de absolute verjaringstermijn geen nadere beschouwing.

5

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

6

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, mr. G.P. Kleijn, lid, en mr. S. van Groningen, generaal-majoor b.d. (militair lid), in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.