Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18263

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
09-777322-13
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen vier personen, woonachtig in de straat van de verdachte. De verdachte maakte deel uit van een groep van ongeveer tien personen. Verschillende leden van de groep zijn op de aangevers afgelopen, om vervolgens om hen heen te gaan staan, hen uit te schelden en fysiek geweld tegen hen te gebruiken. De aangevers hebben zich hierdoor erg bedreigd gevoeld en hebben als gevolg van het tegen hen gepleegde geweld pijn ondervonden. Hoewel de rechtbank heeft vastgesteld dat de rol van de verdachte bij het openlijk geweld beperkt is gebleven in die zin dat hij deel uitmaakte van de groep en deze heeft opgejut, neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij zich aan dit nare strafbare feit schuldig heeft gemaakt. Het gepleegde geweld is niet enkel voor de slachtoffers uiterst vervelend geweest, maar is – gelet op het feit dat het op straat plaatsvond – ook beangstigend geweest voor omstanders, die zomaar met het geweld werden geconfronteerd. Door zich schuldig te maken aan openlijke geweldpleging heeft de verdachte bovendien een bijdrage geleverd aan de gevoelens van angst en onveiligheid die dergelijke delicten in de samenleving teweegbrengen.

In de periode waarin het openlijk geweld heeft plaatsgevonden, heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van één van de slachtoffers van het eerder vermelde openlijke geweld. Ook bedreiging is een naar strafbaar feit. Aangeefster was, zeker gelet op het feit dat al lange tijd sprake is van problemen en confrontaties tussen het gezin van de verdachte en het gezin van de aangeefster, bang dat de verdachte haar daadwerkelijk iets aan zou doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777322-13; 09/777441-13 (t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak: 19 december 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank [plaats A], rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 24 oktober 2013 en

5 december 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. Sanders, en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. G.R. van der Plas, advocaat te Katwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting d.d. 24 oktober 2013 - ten laste gelegd dat:

(parketnummer 09/777322-13)

1.

hij op of omstreeks [datum] 2013 te [plaats A] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [A], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever A] en/of [aangever B] en/of [aangever C] en/of [aangever D], welk geweld bestond(en) uit:

- het roepen van de woorden "kankerkoelies" en/of ik ga jullie vermoorden" en/of "jullie gaan binnenkort allemaal dood", althans woorden van dergelijke aard en strekking;

- het (met een groep van ongeveer tien personen) afrennen / aflopen op die [aangever A], [aangever B], [aangever C] en [aangever D] en hen insluiten / om hen heen gaan staan;

- het omdraaien van de arm, het spugen in het gezicht en het (meermalen) schoppen tegen het lichaam van [aangever A];

- het (meermalen) duwen en schoppen tegen het lichaam van [aangever B] en [aangever C];

- het (meermalen) schoppen en slaan tegen de been en de linkerhand en/of het lichaam van [aangever D];

4. ( na wijziging tenlastelegging)

hij in of omstreeks de periode van [datum] 2013 tot en met [datum] 2013 te [plaats A] [aangever A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk (terwijl hij die [aangever A] aankeek) met zijn hand(en) en/of met een touwtje een snijdende beweging langs zijn keel gemaakt;

(parketnummer 09/777441-13)

1.

hij op of omstreeks [datum] 2013 te [plaats A] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, de [B], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (gouden) ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever E], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever E], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het onverhoeds vastgrijpen en losrukken van die ketting;

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode [datum] 2013 tot en met [datum] 2013 te

[plaats A] (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (kenteken [X ]) en/of een scooter (kenteken [X ]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan respectievelijk [aangever F] en/of [aangever H], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en/of

hij op [datum] 2013 te [plaats A], in elk geval in Nederland, een scooter (kenteken [X ]) en/of een kentekenplaat (kenteken [X ]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die scooter en/of die kentekenplaat (telkens) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks [datum] 2013 te [plaats A] als bestuurder van een motorrijtuig (scooter) heeft gereden op de weg, [C], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op [datum] 2013 wordt de verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij openlijke geweldpleging. De verdachte zou het openlijk geweld op [datum] 2013 met een aantal anderen tegen vier buurtbewoners hebben gepleegd. Voorts zou hij één van de aangevers diezelfde maand hebben bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte wordt in verzekering gesteld en een paar dagen later wordt hij in voorlopige hechtenis gesteld. Eind [datum] 2013 wordt de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst.

Op [datum] 2013 wordt gezien dat de verdachte op een snorfiets rijdt, die hij na een achtervolging door een verbalisant achterlaat. Even later blijkt dat de snorfiets valse, want gestolen kentekenplaten heeft en dat ook de snorfiets zelf gestolen is. Een paar dagen later, op [datum] 2013, worden de verdachte en een medeverdachte aangehouden op verdenking van het plegen van een straatroof. De nieuwe verdenkingen zijn de aanleiding om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen en de verdachte weer in voorlopige hechtenis te nemen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort weergegeven, op neer dat de verdachte zich zou hebben schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, diefstal met geweld in vereniging, opzetheling en rijden op een scooter zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte vrij zal spreken van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/777441-13, onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/777322-13, onder 1 en 4 en bij dagvaarding met parketnummer 09/777441-13, onder 1, 2 tweede cumulatief/alternatief en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de raadsman komt erop neer dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de hem bij parketnummer 09/777322-13, onder 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat, indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van dit feit, in ieder geval sterk rekening moet worden gehouden met de zeer beperkte rol van de verdachte in het geheel. Ten aanzien van de aan de verdachte bij diezelfde dagvaarding onder 2 ten laste gelegde bedreiging, heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Ditzelfde geldt voor de straatroof, aan de verdachte ten laste gelegd bij dagvaarding met parketnummer 09/777441-13, onder 1. Ook de bij diezelfde dagvaarding onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde diefstal zou volgens de raadsman tot een vrijspraak moeten leiden. Ten aanzien van de onder 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde opzetheling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de raadsman zich ook ten aanzien van het bij diezelfde dagvaarding onder 3 ten laste gelegde besturen van een scooter zonder rijbewijs, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

parketnummer 09/777322-13, feit 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/777322-13, feit 1, het volgende af.1

Op [datum] 2013 staat aangeefster [aangever A] op straat, voor haar huis aan de [A] in [plaats A].2 Ook haar zonen [aangever C] en [aangever B] en diens vriendin aangeefster [aangever D] zijn aanwezig.3 Zij zien dat de verdachte en zijn broertje [Z] voor hun deur, een aantal huizen verderop, staan en dat zij zich in een groep van ongeveer tien personen bevinden.4 Gehoord wordt dat de verdachte begint te schelden. Ook anderen uit de groep schelden. Er wordt gezegd: "kankerkoelies" en "ik ga jullie vermoorden" en "jullie gaan binnenkort allemaal dood”5 Vervolgens komt de groep van de verdachte op de vier bovengenoemde personen af lopen en gaat om hen heen staan. Aangeefster [aangever A] wordt in het gezicht gespuugd en tegen het lichaam geschopt. Ook wordt haar arm omgedraaid. Dit geweld wordt gepleegd door personen uit de groep van de verdachte.6 Ook tegen [aangever B] en [aangever C] worden geweldshandelingen gepleegd. Zij worden vanuit de groep geduwd en geschopt.7 [aangever D] wordt eveneens geschopt en geslagen tegen haar benen, linkerhand en lichaam.8

Aangeefster [aangever A] verklaart tijdens haar aangifte dat de verdachte niet meedeed aan het tegen hen gepleegde geweld, maar dat hij tegen de muur stond te genieten en te schelden.9 Ook [aangever C] verklaart dat de verdachte bij de vechtpartij stond, iedereen opstookte en schold, maar verder niets deed.10 Medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat hij, vlak voor het afleggen van zijn verklaring, op de cellengang van de verdachte te horen heeft gekregen dat hij eerlijk moest zijn en dat hij daarom nu eerlijk verklaart. [medeverdachte] verklaart dat de verdachte aanwezig was bij de ruzie. Ook verklaart [medeverdachte] dat hij en de verdachte mee zijn gelopen met de groep richting de aangevers, dat het op een gegeven moment vechten werd en dat de verdachte op enig moment tijdens de ruzie “kankerkoelie” heeft geroepen. Tot slot verklaart [medeverdachte] dat hij samen met de verdachte in de Marokkaanse groep stond en dat hij zag dat mensen over en weer gingen duwen, trekken, slaan en schoppen.11

De raadsman heeft betoogd dat op basis van de verschillende afgelegde verklaringen duidelijk is dat de verdachte buiten het tumult en de groepsvorming is gebleven en dat hij op ruime afstand stond van de groep. De verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft gescholden richting aangeefster [aangever A] en haar gezin. Hij heeft verklaard dat hij heeft gelachen en gekeken en dat er wel wat tumult was maar dat er, op een mislukte trap na, in het geheel geen geweld is gepleegd tegen [aangever A] en haar gezin. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij op ruime afstand stond van het tumult.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de verschillende door de aangevers, getuigen en [medeverdachte] afgelegde verklaringen kan worden vastgesteld dat er geweld is gepleegd tegen de aangevers. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of de verdachte een dusdanig wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dit tegen de aangevers gepleegde geweld dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat zich in het dossier verschillende verklaringen bevinden waaruit blijkt dat de verdachte de aangevers heeft uitgescholden. Uit de verklaring van [medeverdachte] kan voorts worden opgemaakt dat de verdachte deel uitmaakte van de groep die het openlijk geweld heeft gepleegd tegen de aangevers. Hoewel uit de verklaringen van [aangever A] en [aangever C] kan worden afgeleid dat de verdachte zelf geen geweldshandelingen heeft verricht en zijn rol dus beperkt is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat ook het bij de groep aanwezig zijn, het schelden en het -mede door het schelden- aansporen van die groep voldoende is om te kunnen spreken van een significante en wezenlijke bijdrage aan het gepleegde geweld. Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

parketnummer 09/777322-13, feit 4

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/777322-13, feit 4 (na wijziging tenlastelegging), het volgende af.12

Op [datum] 2013 kijkt aangeefster [aangever A] uit het raam van haar woning in [plaats A] omdat zij erop wil toezien dat haar zoon, die zijn krantenwijk gaat lopen, veilig de straat uitkomt. Zij ziet buiten de verdachte staan. De verdachte scheldt haar uit en maakt met een soort touwtje voor zijn keel een snijdende beweging. De situatie komt op de aangeefster, zeker gelet op de problematische voorgeschiedenis tussen haar familie en die van de verdachte, zeer beangstigend over.13 De ex-partner van aangeefster bevestigt dat hij heeft gezien dat de verdachte met zijn hand een snijdende beweging over zijn keel maakte, waarbij de verdachte richting balkon en raam van aangeefster keek. Hoewel de ex-partner van aangeefster niet meer weet op welke datum het voorval plaatsvond, weet hij nog dat het op het moment was dat zijn zoon net naar zijn krantenwijk was gegaan.14

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend de aangeefster te hebben bedreigd. De raadsman heeft betoogd dat het maar zeer de vraag is of de aangeefster en de getuige van een afstand van ongeveer 15 meter goed hebben kunnen zien dat de verdachte een bedreigende beweging heeft gemaakt en, indien er een beweging is gemaakt, of die dan een effectieve bedreiging kan hebben opgeleverd. Voorts heeft de raadsman gesteld dat het er op lijkt dat de aangeefster en de getuige hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

De rechtbank oordeelt dat er geen aanleiding is om de verklaringen van de aangeefster en de getuige als onbetrouwbaar te zien. De rechtbank overweegt daartoe dat een afstand van vijftien meter niet zo groot is dat het aannemelijk is dat de aangeefster en de getuige niet goed hebben gezien wat de verdachte deed. De rechtbank heeft ook geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat de aangeefster en de getuige hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Immers, er zitten kleine verschillen in de verklaringen, die juist duiden op het ontbreken van overleg tussen de aangeefster en de getuige en die de verklaring van de getuige juist betrouwbaar maken. Gelet op de aangifte en deze getuigenverklaring is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde bedreiging.

parketnummer 09/777441-13, feit 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/777441-13, feit 1, het volgende af.

Op [datum] 2013 tussen 14.15 en 14.20 uur wordt aangever [aangever E] slachtoffer van een diefstal met geweld. Terwijl hij met een vrouw staat te praten, komen twee mannen naar hem toe gelopen, die vervolgens zijn gouden halsketting van zijn hals rukken. Aangever geeft bij zijn aangifte een signalement van de twee daders. Korte tijd nadat de melding van de straatroof is gedaan, ziet een verbalisant twee jongens naast elkaar lopen die voldoen aan het door de aangever opgegeven signalement en die beiden wegrennen als ze de verbalisant zien. Op basis van het door de aangever gegeven signalement worden even later kort na elkaar twee jongens aangehouden, onder wie de verdachte. De verdachte wordt om 14.40 uur aangehouden. De gestolen ketting wordt even later aangetroffen in de buurt van de verblijfplaats van de andere aangehouden jongen.

De verdachte ontkent iedere vorm van betrokkenheid bij de straatroof. Hij ontkent ook de andere aangehouden jongen te kennen en ontkent dan ook samen met hem over straat te hebben gelopen. De verdachte verklaart te zijn weggerend voor de politie omdat hij gesignaleerd stond en verklaart dat het druk was op straat, zodat het misschien leek of de andere aangehouden jongen en hij bij elkaar hoorden. De andere aangehouden jongen ontkent ook dat hij met een ander over straat liep. Hoewel de politie het onwaarschijnlijk acht dat de verdachte en de medeverdachte elkaar in het geheel niet kennen, kan op basis van onderzoek in de systemen niet worden geconcludeerd dat dit wel het geval is. De vrouw met wie de aangever ten tijde van de straatroof in gesprek was, herkent de verdachte als één van de daders tijdens een op [datum] 2013 georganiseerde enkelvoudige fotoconfrontatie. De aangever werkt op [datum] 2013 mee aan een meervoudige fotoconfrontatie en herkent de verdachte niet als één van de daders van de straatroof. Dit terwijl hij bij zijn aangifte heeft verklaard dat hij de verdachte wel zou herkennen als hij een foto van hem zou zien.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het door de aangever opgegeven signalement, op basis waarvan de verdachte is aangehouden, is vaag en vrij algemeen. Voorts is er een relatief groot tijdsverloop tussen het moment van de beroving en het moment van aanhouding van de verdachte. In een dergelijk geval geldt dat het bewijs voor betrokkenheid bij de straatroof sterk moet zijn. Weliswaar is de verdachte tijdens een enkelvoudige fotoconfrontatie door de getuige herkend, maar dit was bijna drie weken na het incident en na een enkelvoudige fotoconfrontatie. Een positieve herkenning bij een enkelvoudige fotoconfrontatie kan wel als steunbewijs dienen, maar de rechtbank is van oordeel dat dit met de nodige behoedzaamheid dient te geschieden. De rechtbank neemt hierbij in overweging het feit dat de aangever de verdachte tijdens een meervoudige fotoconfrontatie niet heeft herkend. Voorts levert de verklaring van de verbalisant, dat hij de verdachte enige tijd na de straatroof naast de medeverdachte zag lopen, geen bewijs op voor betrokkenheid van de verdachte bij de straatroof. De lezing van de verdachte, dat hij de medeverdachte niet kent en dat hij wegrende omdat hij gesignaleerd stond, kan niet worden weerlegd door middel van de bewijsmiddelen en is niet onaannemelijk. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde straatroof, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

parketnummer 09/777322-13, feiten 2 en 3

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/777441-13, feit 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief en feit 3 het volgende af.

Op [datum] 2013 wordt een snorfiets van het merk Piaggio, met het kenteken [X ], gestolen.15 In de nacht van [datum] op [datum] 2013 wordt een scooter van het merk Piaggio, met het kenteken [X ], gestolen.16

Op [datum] 2013 ziet een met surveillance belaste verbalisant in [plaats A], op de kruising [C]/[D] de hem ambtshalve bekende verdachte op een scooter zitten. De verbalisant weet dat de verdachte niet in het bezit is van een geldig snor-/bromfietsrijbewijs en wil de verdachte staande houden. De verbalisant vordert de verdachte te blijven staan, maar deze geeft hier geen gehoor aan en rijdt weg. De verbalisant ziet vervolgens dat de verdachte de scooter even later op de grond laat vallen en er rennend vandoor gaat. De verbalisant verliest de verdachte uit het oog. Bij de scooter aangekomen, ziet de verbalisant dat het slot niet voorzien is van een sleutel en dat de kentekenplaat, nummer [X ], is vastgezet met een elastiek. De verbalisant krijgt dan het vermoeden dat het om een gestolen scooter gaat. Onderzoek wijst vervolgens uit dat zowel de scooter als de kentekenplaat als gestolen geregistreerd staan.17 Op [datum] 2013 wordt de verdachte aangehouden in verband met de bovenvermelde verdenking van betrokkenheid bij een straatroof (parketnummer 09/777322-13, feit 1). De verdachte legt dan een verklaring af over de scooter waarop hij door de verbalisant was gezien. De verdachte erkent geen rijbewijs te hebben om een scooter te mogen besturen.18 De verdachte verklaart op de eerder genoemde datum te [plaats A] op een Piaggio te hebben gereden, welke hij van een jongen had geleend. De verdachte ontkent de scooter te hebben gestolen. Hij verklaart dat hij, toen hij op de scooter ging rijden wel wist dat deze gestolen was, aangezien er geen sleutel in het contact zat en er elastiek zat om de kentekenplaten.19

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier geen aanwijzingen bevinden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 2, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde diefstal van de scooter met kenteken [X ] en bromfiets met kenteken [X ], zodat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde opzetheling van de scooter met kenteken [X ] en de kentekenplaat met het kenteken [X ]. Voorts is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 3 ten laste gelegde besturen van een motorrijtuig zonder rijbewijs.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

(parketnummer 09/777322-13)

1.

hij op [datum] 2013 te [plaats A] met anderen, op de openbare weg, de Bloemfonteinstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever A] en [aangever B] en [aangever C] en [aangever D], welk geweld bestond uit:

- het roepen van de woorden "kankerkoelies" en "ik ga jullie vermoorden" en "jullie gaan binnenkort allemaal dood";

- het met een groep van ongeveer tien personen aflopen op die [aangever A], [aangever B], [aangever C] en [aangever D] en om hen heen gaan staan;

- het omdraaien van de arm, het spugen in het gezicht en het schoppen tegen het lichaam van [aangever A];

- het duwen en schoppen tegen het lichaam van [aangever B] en [aangever C];

- het schoppen en slaan tegen het been en de linkerhand en het lichaam van [aangever D];

4. ( na wijziging tenlastelegging)

hij op[datum] 2013 te [plaats A] [aangever A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk (terwijl hij die [aangever A] aankeek) met zijn handen en met een touwtje een snijdende beweging langs zijn keel gemaakt;

(parketnummer 09/777441-13)

2. tweede cumulatief/alternatief

hij op [datum] 2013 te [plaats A] een scooter (kenteken [X ]) en een kentekenplaat (kenteken [X ]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die scooter en die kentekenplaat wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

3.

hij op [datum] 2013 te [plaats A] als bestuurder van een motorrijtuig (scooter) heeft gereden op de weg, [C], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/777322-13, onder 1 en 4 en bij dagvaarding met parketnummer 09/777441-13, onder 1, 2 tweede cumulatief/alternatief en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en dat aan de verdachte voorts wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat, indien de rechtbank met hem van oordeel is dat de verdachte van diverse hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, dit invloed moet hebben op de strafmaat en dat oplegging van de PIJ-maatregel dan niet aan de orde behoort te zijn. De raadsman heeft gewezen op de omstandigheid dat de rapporteurs in de pro justitia rapportages ook niet aan de verdachte ten laste gelegde feiten bij hun advies hebben betrokken. De raadsman heeft betoogd dat er weliswaar zorgen zijn over de verdachte, maar dat er ook positieve omstandigheden zijn en dat de verdachte thans medicatie gebruikt voor zijn ADHD, hetgeen er wellicht ook voor zal zorgen dat het beter zal gaan met hem. Een voortzetting van het reeds ingezette hulpverleningstraject acht de raadsman dan ook het meest aangewezen indien de rechtbank tot strafoplegging komt. De raadsman heeft tot slot betoogd dat, indien de rechtbank toch de oplegging van de PIJ‑maatregel overweegt, de verdachte eerst in het Forensisch Consortium Adolescenten geplaatst zou moeten worden, teneinde een goed beeld van hem te krijgen alvorens tot de oplegging van de maatregel te beslissen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen vier personen, woonachtig in de straat van de verdachte. De verdachte maakte deel uit van een groep van ongeveer tien personen. Verschillende leden van de groep zijn op de aangevers afgelopen, om vervolgens om hen heen te gaan staan, hen uit te schelden en fysiek geweld tegen hen te gebruiken. De aangevers hebben zich hierdoor erg bedreigd gevoeld en hebben als gevolg van het tegen hen gepleegde geweld pijn ondervonden. Hoewel de rechtbank heeft vastgesteld dat de rol van de verdachte bij het openlijk geweld beperkt is gebleven in die zin dat hij deel uitmaakte van de groep en deze heeft opgejut, neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij zich aan dit nare strafbare feit schuldig heeft gemaakt. Het gepleegde geweld is niet enkel voor de slachtoffers uiterst vervelend geweest, maar is – gelet op het feit dat het op straat plaatsvond – ook beangstigend geweest voor omstanders, die zomaar met het geweld werden geconfronteerd. Door zich schuldig te maken aan openlijke geweldpleging heeft de verdachte bovendien een bijdrage geleverd aan de gevoelens van angst en onveiligheid die dergelijke delicten in de samenleving teweegbrengen.

In de periode waarin het openlijk geweld heeft plaatsgevonden, heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van één van de slachtoffers van het eerder vermelde openlijke geweld. Ook bedreiging is een naar strafbaar feit. Aangeefster was, zeker gelet op het feit dat al lange tijd sprake is van problemen en confrontaties tussen het gezin van de verdachte en het gezin van de aangeefster, bang dat de verdachte haar daadwerkelijk iets aan zou doen.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden op een scooter, terwijl hij niet beschikte over het daarvoor verplicht gestelde rijbewijs. Hiermee heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Gebleken is dat de betreffende scooter gestolen was en dat ook de provisorisch aan de scooter bevestigde kentekenplaat was gestolen. Hoewel niet is vast komen te staan dat de verdachte de scooter en de kentekenplaat heeft gestolen, wist hij wel dat deze van diefstal afkomstig waren en heeft hij zich dus schuldig gemaakt aan de opzetheling van deze goederen. Evenals diefstal is opzetheling een vervelend strafbaar feit, omdat de heler ervoor zorgt dat de markt voor gestolen goederen in stand blijft.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke en andersoortige strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de omtrent de verdachte opgestelde rapportages. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op:

  1. de rapportage naar aanleiding van het psychiatrisch onderzoek pro justitia, d.d. 23 november 2013, opgesteld en ondertekend door drs. [X ], kinder- en jeugdpsychiater;

  2. de rapportage naar aanleiding van het psychologisch onderzoek pro justitia, d.d. 25 november 2013, opgesteld en ondertekend door drs.[Y], GZ‑psycholoog;

  3. het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 15 november 2013, opgesteld en ondertekend door [Z], Raadsonderzoeker.

De onder 1. vermelde rapportage houdt onder meer in, verkort en zakelijk weergegeven:

De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis (ADHD) en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (zwakbegaafdheid, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en een gedragsstoornis). Verder is sprake van cannabismisbruik in remissie en een ouder-kind relatieprobleem. Van deze problematiek was ook sprake tijdens het ten laste gelegde. Vanwege de ontkennende houding van de verdachte kan geen advies worden gegeven over zijn toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van het ten laste gelegde. Dit geldt ook voor de schatting van het recidiverisico. Wel worden veel interne en externe – elkaar onderling beïnvloedende – risicofactoren gezien die de kans op grensoverschrijdend gedrag groot maken. Gelet op de ontkennende houding van de verdachte kan geen advies worden gegeven ter preventie van recidive en kan ook geen strafadvies worden gegeven. Wel wordt gesteld dat vanuit gedragsdeskundig oogpunt een (gedwongen) residentiële, langdurige en gesloten behandeling geïndiceerd is teneinde zijn problematiek aan te pakken.

De rapporteur van de onder 2. vermelde rapportage heeft zich onthouden van het geven van een diagnose en het trekken van conclusies omdat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het psychiatrisch onderzoek. Een strafadvies wordt dan ook niet gegeven. Wel wordt opgemerkt dat de verdachte baat lijkt te hebben bij de structuur, regels en afspraken die gelden binnen de voorlopige hechtenis en dat de medicatie die hij sinds kort krijgt voor de ADHD lijkt aan te slaan. Om meer zicht te krijgen op het functioneren van de verdachte wordt een ForCA-plaatsing geïndiceerd geacht.

In de onder 3. vermelde rapportage wordt geconcludeerd dat er zeer veel zorgen zijn over de psychosociale situatie van de minderjarige. Met betrekking tot zijn problematiek worden vergelijkbare conclusies getrokken als in het onder 1. genoemde rapport. Het recidiverisico wordt hoog geschat. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ‑maatregel op te leggen.

Ter terechtzitting zijn mevrouw [A], werkzaam bij de Stichting Bureau Jeugdzorg, team dubbele maatregel, en de heer [B], raadsonderzoeker, gehoord.

Mevrouw [A] heeft verklaard dat het erop lijkt dat het wat beter gaat nu de verdachte medicatie heeft voor zijn ADHD. Er is de laatste tijd enige verbetering te zien in het gedrag van de verdachte. Er wordt momenteel nagedacht over het indienen van een verzoek tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, maar er is twijfel over de haalbaarheid van een dergelijke plaatsing omdat de problematiek van de verdachte omvangrijk is en ook onduidelijk is of de verdachte zal profiteren van een dergelijk verblijf.

De heer [B] heeft benadrukt dat de verdachte een lange geschiedenis heeft van justitiecontacten en mislukte hulpverlening. Hoewel de medicatie voor de ADHD een positieve uitwerking lijkt te hebben, is het de vraag of het buiten de geslotenheid van de huidige verblijfsplek en in de eigen problematische woonomgeving goed zal gaan met de verdachte. De heer [B] heeft voorts verklaard geen meerwaarde te zien in een ForCA‑plaatsing, nu de verdachte heeft aangegeven niet aan die plaatsing te zullen meewerken. Tot slot heeft de heer [B] verklaard dat het PIJ-advies van de Raad voor de Kinderbescherming niet enkel op de ten laste gelegde feiten is gebaseerd, maar ook op de in het verleden gepleegde strafbare feiten en de grote zorgen die over de verdachte bestaan.

De rechtbank onderschrijft de conclusies zoals deze in de onder 1. en 3. vermelde rapportages zijn getrokken voor zover deze zien op de bij de verdachte vastgestelde problematiek, de kans op grensoverschrijdend (strafbaar) gedrag en de wenselijkheid van een gedegen behandeling. Met de rapporteurs en de ter zitting gehoorde deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wellicht baat zou hebben bij een verblijf in een gesloten setting. Nu de rechtbank de verdachte echter zal vrijspreken van de hem ten laste gelegde straatroof en de rechtbank van oordeel is dat de rol van de verdachte bij de bewezen verklaarde openlijke geweldpleging beperkt is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten – ondanks het feit dat sprake is van recidive en van persoonlijke problematiek – de oplegging van een PIJ-maatregel niet rechtvaardigen. De verdachte heeft gedurende lange tijd in voorlopige hechtenis gezeten. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het aantal dagen onder het aantal in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen zal liggen, een passende en geboden reactie vormt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de onlangs ingestelde medicatie de verdachte zal helpen om zijn ADHD beter te hanteren en zijn leven op orde te brengen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77gg, 141, 285, 416 van het Wetboek van Strafrecht;

107, 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/777441-13 onder 1 en 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/777322-13 onder 1 en 4 en bij parketnummer 09/777441-13 onder 2 tweede cumulatief/alternatief en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

(parketnummer 09/777322-13, feit 1)

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN

(parketnummer 09/777322-13, feit 4)

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT

(parketnummer 09/777441-13, feit 2 tweede cumulatief/alternatief)

OPZETHELING, MEERMALEN GEPLEEGD

(parketnummer 09/777441-13, feit 3)

OVERTREDING VAN ARTIKEL 107, EERSTE LID, VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.



Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, kinderrechter,

en mr. C.L. Strop, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1513 2013077194.

2 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [aangever A], p. 61.

3 Proces-verbaal van aangifte [aangever B], p. 68.

4 Proces-verbaal van aangifte [aangever A], p. 62; proces-verbaal van aangifte [aangever B], p. 68.

5 Proces-verbaal van aangifte [aangever A], p. 62; proces-verbaal van aangifte [aangever B], p. 69; proces-verbaal van aangifte M. Moranska, p. 74.

6 Proces-verbaal van aangifte [aangever A], p. 62; proces-verbaal van aangifte [aangever B], p. 69.

7 Proces-verbaal van aangifte [aangever B]p. 69; proces-verbaal van verhoor aangever [aangever C], p. 88.

8 Proces-verbaal van aangifte [aangever D], p. 74; proces-verbaal van aangifte [aangever B], p. 69

9 Proces-verbaal van aangifte [aangever A], p. 62.

10 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever C], p. 87.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 132, 133.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1513 2013077194.

13 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 64 en proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 152, 153.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige[Z], p. 154.

15 Proces-verbaalnummer PL1513 201313301-1, proces-verbaal van aangifte, p. 40 en bijlage weggenomen goederen, p. 42.

16 Proces-verbaalnummer PL1524-2013137319-1, proces-verbaal van aangifte, p. 43, 44 en bijlage weggenomen goederen, p. 46, 47.

17 Proces-verbaalnummer PL1513-2013145497-2, proces-verbaal van bevindingen, p. 50, 51.

18 Proces-verbaalnummer PL1513-2013145497-11, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 53.

19 Proces-verbaalnummer PL1513-2013145497-11, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 54.