Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:18257

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
09/711963-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in de zaak tegen die politieagent die op 24 november 2012 op het station Holland Spoor een 17 jarige jongen neerschoot.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte niet strafbaar is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 42
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 303
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Politiewet 1993
Politiewet 1993 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/38 met annotatie van mr. dr. D.L.F. de Vocht en dr. M.R. Vanderhallen
NJFS 2014/45

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/711963-12

Datum uitspraak: 23 december 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

,

geboren op te ,

adres ,

hierna aan te duiden als RR001.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 december 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W. Bos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De slachtofferverklaring van de nabestaanden is ter terechtzitting voorgelezen door hun raadsman mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Baarn.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

hij op 24 november 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel afgevuurd, op en/of in de richting van die [slachtoffer], welke kogel hem trof in de hals/nek, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 24 november 2012 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten: een doorschot door de hals/nek met beschadiging van halswervels en onderbreking van de binnenste halsslagader, door opzettelijk met een vuurwapen een kogel af te vuren, op en/of in de richting van die [slachtoffer], terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 24 november 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door op en/of in de richting van die [slachtoffer] met een vuurwapen een kogel af te vuren, welke kogel die [slachtoffer] in de hals/nek heeft getroffen, tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 24 november 2012 te ’s-Gravenhage roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig

- na een onvoldoende feitelijke en/of niet voldoende geverifieerde melding van de meldkamer politie eenheid Den Haag, inhoudende: "Mag u gaan naar station Hollands Spoor. In de centrale hal staat NS met een man en die man is bedreigd door een andere man en die zou ook een vuurwapen hebben...die andere man dus...die zit dan in wachtruimte van spoor 3-4...en die man heeft dan een witte jas, meer niet bekend." en/of

- zonder voldoende vooroverleg met de aanwezige collega politieambtenaren en/of

- zonder een waarschuwingsschot te lossen en/of zonder met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze te waarschuwen voor het gebruik van vuurwapengeweld en/of

- al rennend (voortbeweging met (een) zweefmoment(en)), althans met een versnelde (loop)pas, althans niet vanuit een stabiele (schiet)houding en/of

- op een afstand van (ongeveer) zestien meter tot [slachtoffer] en/of

- op een (weg)rennende [slachtoffer], (al dan niet ter aanhouding) met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd, op en/of in de richting van die [slachtoffer], waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zodanig letsel, te weten: een doorschot door de hals/nek met beschadiging van halswervels en onderbreking van de binnenste halsslagader, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

Naar de kern wordt verdachte met de tenlastelegging in verschillende (aan elkaar subsidiaire) gradaties een verwijt gemaakt van het overlijden van [slachtoffer] (hierna: Rishi), namelijk moord, doodslag, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met dodelijk gevolg, mishandeling met dodelijk gevolg en ten slotte dood door schuld.

De gradatie “moord” is aan de tenlastelegging toegevoegd na een toegelaten vordering wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting. Aanleiding hiervoor was de klacht van de (raadsman van de) nabestaanden bij het gerechtshof Den Haag tegen het niet vervolgen van verdachte terzake van moord. De rechtbank hecht eraan hierover het volgende op te merken.

( i) Het Openbaar Ministerie heeft na sluiting van het onderzoek door de Rijksrecherche op 8 mei 2013 weloverwogen besloten verdachte te vervolgen terzake van doodslag en niet terzake van moord, hoewel de aangifte van de nabestaanden ook daarom had gevraagd.

(ii) Het Openbaar Ministerie heeft de (toenmalige) raadsman van de nabestaanden hierover ingelicht. De (huidige) raadsman van de nabestaanden heeft op 2 december 2013 alsnog een klacht ingediend bij het gerechtshof op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

(iii) De rechtbank acht het tijdstip waarop het klaagschrift is ingediend – enkele dagen voor de zitting – ongelukkig.

(iv) Het Openbaar Ministerie heeft vanwege dit tijdstip moeten kiezen tussen, zoals het het zelf heeft genoemd, twee kwaden: ofwel een met name voor de verdachte onwenselijke aanhouding van de zaak in afwachting van de behandeling van de artikel 12-procedure bij het gerechtshof ofwel het contre coeur wijzigen van de tenlastelegging door daaraan de zware kwalificatie moord toe te voegen.

( v) De rechtbank heeft begrip voor de door het Openbaar Ministerie gemaakte keuze, maar voegt daaraan wel toe dat hierdoor afbreuk is gedaan aan de centrale rol van het Openbaar Ministerie in het Nederlandse strafprocesrecht en dat de beschuldiging van moord buitengewoon grievend is voor verdachte. Nodeloos grievend bovendien omdat uitgesloten moet worden geacht dat het beklag zou leiden tot een bevel aan het Openbaar Ministerie om verdachte ook voor moord te vervolgen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

De feiten1

De rechtbank heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten vastgesteld.2

Op 24 november 2012 rond 05.45 uur was Rishi [slachtoffer] (hierna: Rishi), aanwezig in de wachtruimte van spoor 3/4 van het station Hollands Spoor in Den Haag.3 Daar heeft hij een Engelsman aangesproken die op een bankje lag te slapen. Hij heeft naar de Engelsman geroepen: “Are you Dutch? You must be Dutch. Every one must be Dutch here. Fuck off. This place is only for Dutch people.” Rishi heeft vervolgens met zijn rechterhand in zijn jaszak gereikt. Hij zei toen: “I have a gun”. Hij greep in zijn linkerbinnenzak en zei: “Now I am going to show you the right way to get out”. De Engelsman heeft geen vuurwapen gezien. Rishi stond ongeveer een meter bij de Engelsman vandaan.4

De Engelsman heeft daarop de wachtruimte verlaten en is op zoek gegaan naar beveiligingspersoneel. Omstreeks 06.03 uur heeft hij van zijn ontmoeting met Rishi verslag gedaan aan beveiligingspersoneel van de NS.5

Het beveiligingspersoneel van de NS heeft vervolgens de veiligheidscentrale van de NS ingelicht, waarop de veiligheidscentrale contact heeft opgenomen met de meldkamer spoorwegpolitie.6 Omdat er geen spoorwegpolitie aanwezig was in Den Haag, is vervolgens de meldkamer van de Politie Haaglanden geïnformeerd.7 De meldkamer gaf om ongeveer 6.10 uur de volgende melding uit: “Mag u gaan naar station Hollands Spoor. In de centrale hal staat NS met een man en de man is bedreigd door een andere man en die zou ook een vuurwapen hebben… die andere man dus….die zit dan in de wachtruimte van spoor 3/4…en die man heeft dan een witte jas, meer is niet bekend.”8

Naar aanleiding van deze melding is verdachte tezamen met twee collega politieambtenaren (hierna: RR002 en RR003) ter plaatse gegaan. RR002 was in burger gekleed. Zij arriveren als eerste politieambtenaren op het station Hollands Spoor.9 Als zij bovenaan de trap van spoor 3/4 aankomen spreken zij nog kort met de beveiliger van de NS die de melding van de Engelsman had doorgekregen. Hij wijst de plek aan waar de man in de witte jas staat die het vuurwapen zou hebben, op de rand van het perron bij spoor 4.10 De drie politieambtenaren bespreken kort dat zij een vuurlijn zullen opzetten, zodra zij deze hen onbekende man – naar later bleek: Rishi – in beeld krijgen.11 Vervolgens lopen zij alle drie met het pistool gericht op hem af in een zogenaamde V-opstelling. Verdachte heeft geroepen: “politie, “je bent aangehouden, blijf staan, laat je handen zien, bij elke verdachte beweging wordt geschoten”.12 Rishi en twee andere op het perron aanwezige personen draaien op hetzelfde moment hun hoofd om in de richting van de politieambtenaren.13 Rishi staat op het eerste moment van aanroepen met zijn linkerschouder in de richting van de politieambtenaren. Vervolgens draait hij zich linksom en staat dan kort met zijn lichaam in de richting van de politie. Dan draait hij zich rechtsom en rent weg in de richting van de fietstunnel. Verdachte, RR002 en RR003 achtervolgen hem in versnelde pas/looppas. Tijdens het wegrennen kijkt Rishi op enig moment rechtsom naar de politieambtenaren en maakt een handbeweging naar zijn jas- of broekzak, waarna een zwart voorwerp in zijn hand zichtbaar wordt. Direct daarop lost verdachte een schot. Op het moment van schieten bedraagt de afstand tussen verdachte en Rishi ongeveer 16 meter. 14 Rishi valt voorover op het perron.15 Rishi [slachtoffer] is kort daarna naar het ziekenhuis overgebracht en daar is hij om 8.35 uur overleden als gevolg van het schot dat hem in zijn hals had geraakt.16 Er is bij Rishi geen vuurwapen aangetroffen. Ook een ingezette speurhond heeft op het station geen wapen gevonden. Wel is naast het lichaam van Rishi diens Black Berry aangetroffen. Bij onderzoek aan het dienstwapen van verdachte zijn geen gebreken aan het licht gekomen.17 Uitgebreid onderzoek heeft uitgewezen dat het dodelijke schot naar alle waarschijnlijkheid een rechtstreeks schot is geweest, geen zogeheten ricochetschot.18

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - op gronden zoals in zijn schriftelijk requisitoir verwoord - gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde moord en dat wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd. Volgens de officier van justitie heeft verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van Rishi gehad nu hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij Rishi van het leven zou beroven.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - op de gronden zoals in de pleitnota verwoord - vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde in alle varianten. Kort samengevat: er is geen sprake van voorbedachten rade; er was geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel; verdachte heeft niet roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Moord?

De rechtbank stelt vast dat verdachte, RR002 en RR003 hun dienstwapens hebben getrokken om Rishi aan te houden. Op de beelden is te zien dat Rishi om 6.13.25 uur van de agenten wegrent. Verdachte lost om 6.13.26 uur een schot.19 Hij heeft daartoe dus in één seconde besloten. Van kalm beraad en rustig overleg is dus geen sprake geweest. Dit leidt tot vrijspraak van de aan verdachte ten laste gelegde moord.

3.4.2.

Doodslag?

3.4.2.1. Doelopzet?

De rechtbank stelt vast dat geen enkel bewijs voorhanden is dat verdachte de bedoeling had om Rishi te doden. Van doelopzet is dan ook geen sprake.

3.4.2.2. Voorwaardelijke opzet?

3.4.2.2.1 Inleiding

Van strafrechtelijk verwijtbaar opzet kan ook sprake zijn als verdachte weliswaar niet de bedoeling heeft gehad Rishi te doden, maar wel willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. In dat geval is er sprake van kansopzet, meestal voorwaardelijk opzet genoemd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is zulk voorwaardelijk opzet op een gevolg – in dit geval de dood van Rishi - aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijk te achten kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling daarvan is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank zal nu onderzoeken of de kans dat Rishi door het door verdachte geloste schot zou overlijden in de gegeven omstandigheden aanmerkelijk was (het objectieve element) en, zo ja, of verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard (het subjectieve element). Voor het antwoord hierop zijn van belang (i) de feiten zoals die hierboven (paragraaf 3.1) zijn vastgesteld, (ii) de verklaringen van verdachte en (iii) de verklaringen van de gehoorde getuigen-deskundigen.

3.4.2.2.2. De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft tegenover de Rijksrecherche verklaringen afgelegd op 25 november 2012 en 6 maart 2013. Op 20 november 2013 is hij gehoord door de rechter-commissaris. Deze verklaringen verschillen op enkele onderdelen van elkaar, met name waar het betreft de beleving van verdachte over de dreiging die van Rishi uitging. De verdachte heeft in het verhoor door de rechter-commissaris gezegd dat kort voor het schieten de situatie was ontstaan van ‘hij of ik’. De officier van justitie heeft zijn conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood op Rishi had in belangrijke mate gestoeld op deze verklaring.

De rechtbank neemt de eerste verklaring van verdachte tot uitgangspunt bij haar beoordeling. Aangenomen mag immers worden dat deze verklaring zijn meest zuivere herinnering is aan wat er is gebeurd. Deze is kort na het incident, te weten op 25 november 2012 afgelegd op een moment dat verdachte nog geen kennis droeg van de verklaringen van anderen en de camerabeelden nog niet had gezien. Aannemelijk is dat zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris in meerdere of mindere mate is ingekleurd door wat hij in het tussenliggende jaar had gehoord, gelezen en gezien op de camerabeelden. Vanzelfsprekend sluit dit niet uit dat verdachte in zijn eerste verklaring van belang zijnde elementen onderbelicht heeft gelaten die hij, wellicht onbewust, wel degelijk tijdens het incident heeft ervaren.

De eerste verklaring van verdachte is bovendien opvallend accuraat; veel details die hij dan al noemt blijken overeen te komen met de later beschikbaar gekomen (hem op dat moment uiteraard onbekende) camerabeelden. Van belang is voorts dat verdachte zowel voor als tijdens het verhoor werd bijgestaan door zijn raadsman.

Verdachte heeft op 25 november 2012 verklaard dat het doel van hem en zijn collega’s was om een – verder onbekende – vuurwapengevaarlijke verdachte aan te houden. Om die reden benaderden zij deze persoon volgens de procedure benaderingstechniek gevaarlijke verdachte. Verdachte heeft op het perron na kort overleg met zijn collega’s zijn vuurwapen getrokken en de aan te houden persoon aangeroepen en gewaarschuwd terwijl hij in diens richting liep. Verdachte heeft ook verklaard dat hij de rechterhand van deze persoon niet kon zien, maar wel dat diens rechterarm gebogen was ter hoogte van zijn heup. Ook heeft hij verklaard dat Rishi in plaats van te gehoorzamen aan de bevelen van verdachte en zijn collega’s wegrende, dat hij toen nog steeds geen zicht had op de rechterhand van Rishi, dat Rishi tijdens het wegrennen een rare draai maakte waardoor verdachte de rechterzijde van zijn lichaam zag, dat Rishi nog steeds bleef wegrennen van hen, dat hij weet dat hij richtte op de bovenbenen van Rishi en dat hij vervolgens heeft gevuurd, en dat hij dacht dat dat de afstand tussen hem en Rishi 10 a 15 meter bedroeg. Ook zag verdachte de rechterhand van Rishi loskomen tijdens diens val en een zwart voorwerp door de lucht vliegen.20

Anders dan in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris typeert verdachte de situatie in zijn eerste verklaring nog niet als zo dreigend dat het ging om “hij of ik”. Maar uit zijn eerste verklaring blijkt al wel hoe urgent verdachte de situatie inschatte, mede vanwege de dreiging voor de maatschappij die van een vuurwapengevaarlijk persoon uitgaat.

3.4.2.2.3. De verklaringen van de getuigen-deskundigen

Door de Rijksrecherche, de rechter-commissaris en ter terechtzitting zijn getuigen-deskundigen gehoord op het gebied van de Integrale Beroeps Vaardigheidstraining (hierna: “IBT”), zoals die aan politie-ambtenaren wordt gegeven. Onderdeel van de IBT vormt het schietvaardigheidsonderwijs.

In het schietvaardigheidsonderwijs wordt onder meer getraind op zogeheten aanhoudingsvuur en noodweervuur. Het toepassen van aanhoudingsvuur, waarbij gericht dient te worden op de benen van de aan te houden persoon, wordt getraind en getoetst op een afstand van maximaal 15 meter, waarbij zowel de schutter als het doel statisch zijn. Er geldt geen voorschrift dat er op een afstand van meer dan vijftien meter geen aanhoudingsschot mag worden afgevuurd.21 Wel wordt er tijdens de trainingen op gewezen dat hoe verder het doel van de schutter is verwijderd, hoe moeilijker het is dit te raken.22 Ook geldt geen voorschrift dat nooit geschoten mag worden op bewegende verdachten.23 In de schietopleiding wordt echter niet of minimaal getraind op – uiteraard moeilijker te raken – bewegende doelen. Evenmin is er een voorschrift dat een schutter nooit in beweging mag zijn als hij schiet. Op dergelijke situaties wordt wel getraind. Daarbij worden vaardigheden onderwezen, zoals een “hakken-tenen”-lopen, de noodweerscanhouding en afrollend lopen. Dit alles om aan te leren dat er tijdens het bewegend schieten zo weinig mogelijk schokken zijn, waardoor het bovenlichaam/de armen zo stabiel mogelijk blijft/blijven.24

De deskundigen hebben voorts aangegeven dat de nadruk in de IBT-training ligt op het behalen van de toetsen en dat er minder, in feite te weinig, aandacht is voor inzichtgevende training.25

Zowel tegenover de rechter-commissaris danwel bij de Rijksrecherche als ter terechtzitting zijn aan de getuigen-deskundigen de beelden van de beveiligingscamera’s van station Hollands Spoor getoond.

De getuigen-deskundigen hebben allen verklaard dat de benadering van de vuurwapengevaarlijke verdachte is gedaan, zoals wordt aangeleerd, namelijk volgens de Benaderingstechniek Gevaarlijke Verdachte. Zij zien dat de vuurwapengevaarlijke verdachte in V-formatie wordt benaderd, dat verdachte de aangeleerde noodweerscanhouding aanneemt en zoveel mogelijk hakken-tenen loopt. Alle getuigen-deskundigen verklaren dat verdachte geprobeerd heeft zo gecontroleerd mogelijk te schieten, en dat er wel sprake is van enige stabiliteit, maar ook dat er (te) weinig rust was bij het schieten.26

3.4.2.2.4. Aanmerkelijke kans op de dood?

Bij regulier aanhoudingsvuur zoals dat wordt onderwezen en getraind is de kans op een fataal schot niet aanmerkelijk te noemen. De agent richt dan immers op de benen van de aan te houden persoon en schiet vanuit een stabiele positie op een stilstaand doel op een afstand van maximaal 15 meter. Toen verdachte op 24 november 2012 op het perron bij spoor 4 van Hollands Spoor op Rishi schoot richtte hij, zoals hem dat geleerd was, op diens (boven)benen. De omstandigheden waaronder hij schoot weken echter in een aantal belangrijke opzichten af van de situatie tijdens de trainingen. Ten eerste de tijdens trainingen niet getrouw na te bootsen stress, waarvan bekend is dat deze het waarnemingsvermogen, de beslissingsvaardigheid en de fijne motoriek nadelig beïnvloeden. Ten tweede het voor verdachte volkomen onverwachte gedrag van Rishi – hoe onverwacht dit was blijkt ook uit de verklaring van RR002, die het in de veertien jaren van zijn politieloopbaan nog nooit had meegemaakt dat een persoon die met getrokken dienstwapen wordt benaderd zich aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken –, waardoor verdachte zich genoodzaakt voelde meteen te schieten. En ten derde de omstandigheid dat zowel verdachte als Rishi in beweging waren (Rishi rende,verdachte liep met versnelde pas) en dat de afstand tussen hen inmiddels, naar later bleek, ongeveer 16 meter bedroeg. Gevolg van dit één en ander is geweest dat het voor verdachte veel moeilijker was dan in een trainingssituatie om Rishi in de bovenbenen te raken en dat het risico dat de afgevuurde kogel Rishi in een vitaal deel van diens lichaam zou raken (en dus dodelijk zou zijn) navenant toenam. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de kans op een fataal schot in deze omstandigheden aanmerkelijk is te achten.

3.4.2.2.5 Willens en wetens aanvaarden van deze aanmerkelijke kans?

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte zich vanwege zijn opleiding, de IBT-trainingen en zijn ervaring als politieagent op straat bewust was van de aan het gebruik van vuurwapens verbonden risico's waarvan de grootte varieert afhankelijk van de omstandigheden waarin geschoten wordt. Hieruit volgt echter niet zonder meer dat verdachte op het moment dat hij in de richting van Rishi schoot willens en wetens de aanmerkelijke kans op een fataal schot heeft aanvaard. Vast staat immers dat zijn handelen tot doel had de vluchtende Rishi aan te houden en dat hij daartoe bewust op diens bovenbenen richtte. Ook kan op grond van zijn eigen verklaring, de camerabeelden en de verklaringen van de deskundigen daarover als vaststaand worden aangenomen dat hij geprobeerd heeft dit zo gecontroleerd mogelijk te doen. Dit één en ander wijst niet op het op de koop toenemen van de kans op een fataal schot. Bovendien komt ook hier betekenis toe aan de ongetwijfeld nadelige invloed van stress op het waarnemingsvermogen en de oordeelsvorming van verdachte. Aannemelijk is dat hij zich mede hierdoor niet voldoende bewust is geweest van de risico's van aanhoudingsvuur in de situatie van dat moment. Een aanwijzing hiervoor kan gevonden worden in zijn geschokte ongeloof toen hij bemerkte dat Rishi in de hals was geraakt – hij had immers op de bovenbenen gericht – en zijn vaste overtuiging op dat moment dat de door hem afgevuurde kogel dan wel moest zijn gericocheerd.27 Wellicht valt verdachte dus het verwijt te maken dat hij een inschattingsfout heeft gemaakt, dat hij zich onvoldoende bewust is geweest van de kans op een fatale afloop, maar dat is niet het criterium voor voorwaardelijk opzet. Daarvoor is juist vereist bewustheid van zo'n kwade kans en het aanvaarden daarvan. Daarvan is niet gebleken.

Conclusie

De conclusie moet dan ook zijn dat verdachte wordt vrijgesproken van de hem ten last gelegde doodslag

3.4.3.

Het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met dodelijk gevolg?

Verdachte heeft wel voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan Rishi. Hij heeft immers ter aanhouding bewust en gericht op diens bovenbenen geschoten. De kans dat Rishi daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Dat verdachte deze kwade kans wel willens en wetens heeft aanvaard is evident. Vast staat ook dat Rishi aan de gevolgen van zijn verwondingen is overleden.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 24 november 2012 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten: een doorschot door de hals/nek met beschadiging van halswervels en onderbreking van de binnenste halsslagader, door opzettelijk met een vuurwapen een kogel af te vuren, in de richting van die [slachtoffer], terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

4 De strafbaarheid van het feit

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd - op gronden zoals verwoord in zijn schriftelijk requisitoir - dat verdachte zich op een rechtvaardigingsgrond kan beroepen op grond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), namelijk uitvoering van een wettelijk voorschrift in de vorm van gerechtvaardigd aanhoudingsvuur.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman heeft aangevoerd - op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota - dat verdachte een gerechtvaardigd beroep op artikel 42 Sr toekomt, nu hij ter uitvoering van een wettelijk voorschrift passend en proportioneel geweld heeft gebruikt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 8 van de Politiewet is een politieambtenaar bevoegd geweld te gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden risico’s, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat, zo mogelijk, een waarschuwing vooraf. De uitoefening van die bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn. Deze elementen zijn nader uitgewerkt in de Ambtsinstructie voor de politie. Artikel 7 Ambtsinstructie bepaalt wanneer gebruik mag worden gemaakt van vuurwapengeweld. De bevoegdheid daartoe bestaat onder meer28 in geval van aanhouding van een persoon ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken.

4.3.2.

De melding

De melding die uiteindelijk – vanaf de melding door de Engelsman via de veiligheidscentrale van de NS via de meldkamer van de spoorwegpolitie naar de meldkamer van de politie Haaglanden – bij verdachte en zijn collega’s terecht is gekomen was zodanig dat zij op grond daarvan mochten aannemen dat zich op het station Hollands Spoor een persoon bevond, die een voor onmiddellijk gebruik gereed vuurwapen bij zich had, daarmee iemand had bedreigd en dit mogelijk ook tegen andere personen zou gebruiken. De meldkamer heeft behalve een bevestiging van het signalement geen verdere informatie verstrekt op grond waarvan deze melding anders geïnterpreteerd moest worden. Bij aankomst op Hollands Spoor hebben verdachte en RR002 gesproken met een NS-medewerker, die de vuurwapengevaarlijke persoon heeft aangewezen. Ter terechtzitting hebben de getuigen-deskundigen bevestigd dat verdachte en zijn collega’s er op basis van deze melding, zonder onderzoek naar de betrouwbaarheid daarvan, vanuit mochten en moesten gaan dat de aangewezen persoon vuurwapengevaarlijk was en dat zij deze persoon op grond van hun bevoegdheden als zodanig moesten benaderen.

Tussenconclusie 1

Verdachte en zijn collega’s mochten Rishi aanmerken als een vuurwapengevaarlijk persoon en waren bevoegd bij diens aanhouding indien nodig vuurwapengeweld te gebruiken.

4.3.3.

Overleg en wijze van benadering

Vervolgens hebben verdachte en zijn collega’s met elkaar overlegd en daarbij afgesproken dat zij een vuurlijn zouden opzetten om Rishi te benaderen. Zij zijn vervolgens in een zogenaamde V-opstelling met getrokken vuurwapens op Rishi afgelopen, welke benaderingswijze past bij de aanhouding van vuurwapengevaarlijke personen. Ook was direct handelen geboden, omdat zij Rishi vrijwel onmiddellijk in zicht kregen toen zij boven op perron 4 aankwamen. Volgens de getuigen-deskundigen was de wijze waarop verdachte hieraan invulling heeft gegeven correct, namelijk conform de Benaderingstechniek Gevaarlijke Verdachten (BTGV-procedure). De rechtbank overweegt hierbij nog dat afwachten onaanvaardbare risico’s met zich had kunnen brengen en dat van een politieambtenaar verwacht mag worden dat hij op risicovolle situaties afgaat en niet terugtreedt.

4.3.4

Waarschuwing

Zoals hierboven is vastgesteld is Rishi luid en duidelijk gewaarschuwd, dat hij moest blijven staan, zijn handen moest laten zien en dat er anders geschoten zou worden. Rishi moet niet alleen gehoord maar ook gezien hebben dat het menens was. Drie mannen kwamen met vuurwapens in hun gestrekte armen op hem af, waarvan er twee een politie-uniform droegen.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat het verstandig van de politie-agenten is geweest dat zij niet ook nog een waarschuwingsschot hebben gelost, gelet op het risico van een ricochetschot in de hal van het station.

Tussenconclusie 2

Verdachte en zijn collega’s hebben, na voldoende overleg, Rishi op een juiste wijze benaderd, en hem onmiskenbaar en op passende wijze gewaarschuwd dat het niet opvolgen van hun bevelen kon leiden tot het gebruik van het vuurwapen.

4.3.5

Het schieten

Verdachte heeft geschoten onder omstandigheden die met zich meebrachten dat het risico op een fataal schot groter was dan in de situatie waarin politieagenten op aanhoudingsvuur trainen. Zowel verdachte als Rishi waren in beweging toen verdachte schoot. Bovendien is achteraf gebleken dat de afstand tussen hen ongeveer 16 meter bedroeg. Wat dit laatste betreft overweegt de rechtbank nog dat de overschrijding van de getrainde afstand met een enkele meter verwaarloosbaar is en dat van een politieagent niet kan worden verwacht dat hij eerst vaststelt wat de precieze afstand is tot de verdachte, alvorens hij besluit of hij overgaat tot schieten.

De rechtbank herhaalt hier – kort samengevat – wat de deskundigen hebben verklaard over de bij aanhoudingsvuur geldende voorschriften en de training van politieagenten: (i) bij aanhoudingsvuur dient op de benen te worden gericht van de aan te houden persoon; (ii) er bestaat geen voorschrift dat nooit geschoten mag worden indien de afstand tussen de schutter en de aan te houden persoon meer dan 15 meter bedraagt; (iii) er bestaat geen voorschrift dat niet geschoten mag worden op een bewegende persoon (iv) er bestaat geen voorschrift dat een schutter niet in beweging mag zijn als hij schiet; (v) er wordt niet of minimaal getraind op het schieten op bewegende personen; (vi) er wordt wel getraind op situaties waarin de schutter in beweging is, waarbij de nadruk ligt op vaardigheden die erop gericht zijn dat de schutter zo stabiel mogelijk blijft.

De rechtbank herhaalt hier ook dat alle getuigen-deskundigen op de beelden hebben gezien dat verdachte geprobeerd heeft zo gecontroleerd mogelijk te schieten, en dat er wel sprake is van enige stabiliteit, maar ook dat er (te) weinig rust was bij het schieten.

Tussenconclusie 3

Verdachte heeft geschoten ter aanhouding van een vuurwapengevaarlijk persoon die onverwacht van hem vandaan rende. De omstandigheden waaronder hij dit deed brachten grotere risico's met zich mee dan in de situatie waarin politieagenten op aanhoudingsvuur trainen. Verdachte heeft gepoogd die risico's te beperken. Niettemin was er onvoldoende rust in zijn houding toen hij schoot.

4.3.6.

Proportionaliteit en subsidiariteit

Artikel 8 van de Politiewet bepaalt dat politiegeweld alleen is toegestaan wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden risico’s, rechtvaardigt, het vereiste van proportionaliteit. Bovendien moet het beoogde doel niet op andere wijze kunnen worden bereikt, het vereiste van subsidiariteit. De vraag is dus of de gedraging van verdachte aan deze vereisten voldoet.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Rishi, die verdachte terecht had aangemerkt als vuurwapengevaarlijk, is weggerend, ondanks uitdrukkelijke waarschuwingen om stil te staan, zijn handen te laten zien en zich te laten aanhouden. Dit was voor verdachte en zijn collega’s volstrekt onverwacht en creëerde een urgente en dreigende situatie. Verdachte heeft binnen een zeer kort tijdsbestek een inschatting moeten maken of het mogelijk was de vuurwapengevaarlijke persoon anders dan door een schot aan te houden en de afweging moeten maken tussen de risico’s van het nemen van een schot en de risico’s van het niet aanhouden van deze persoon.

Omdat Rishi wegrende was er geen reële mogelijkheid voor verdachte en zijn collega’s om hem aan te houden met een ander middel, zoals een wapenstok of pepperspray. Aan het vereiste van subsidiariteit is dus voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is ook aan het vereiste van proportionaliteit voldaan. Voorkomen moest worden dat de vuurwapengevaarlijke persoon zijn vuurwapen tegen anderen zou gebruiken. Dit vroeg om doortastend optreden. Ongetwijfeld waren daaraan in de geschetste omstandigheden meer risico’s verbonden dan in veel andere situaties waarin tot aanhoudingsvuur moet worden overgegaan. Nu vast staat dat verdachte geprobeerd heeft deze risico’s te beperken door zo gecontroleerd mogelijk te schieten, acht de rechtbank zijn gedraging redelijk en verantwoord. De risico’s die hij nam waren niet onaanvaardbaar groot.

Conclusie

Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zijn bevoegdheid om geweld te gebruiken, welke bevoegdheid hem uit hoofde van zijn functie toekwam op grond van artikel 8 van de Politiewet 1993, niet heeft overschreden. Dit betekent dat het bewezen verklaarde feit niet strafbaar is omdat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Verdachte zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 De meer subsidiaire varianten van de tenlastelegging

De rechtbank spreekt, zoals hierboven is overwogen, verdachte vrij van het ten laste gelegde moord, subsidiair doodslag en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ten aanzien van het (meer) subsidiair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met dodelijk gevolg. Nu deze varianten van de tenlastelegging niet tot een veroordeling leiden, is de rechtbank genoodzaakt te onderzoeken of de nog meer subsidiaire varianten tot een veroordeling kunnen leiden.

Op gronden zoals hierboven overwogen, acht de rechtbank ook de nog meer subsidiaire variant mishandeling met dood als gevolg bewezen en zal zij verdachte ook ten aanzien hiervan ontslaan van alle rechtsvervolging.

Voor wat betreft de meest subsidiaire vorm (dood door schuld) geldt dat in de rechtvaardigingsgrond die hierboven ten aanzien van de opzetdelicten is aangenomen besloten ligt dat geen sprake is van (aanmerkelijke) schuld, zodat vrijspraak moet volgen.

6 Tenslotte

Rishi [slachtoffer], een 17-jarige jongen, is op 24 november 2012 om het leven gekomen als gevolg van een door verdachte in de uitoefening van zijn functie als politieagent afgevuurd schot. In het bovenstaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat aan verdachte hiervan geen strafrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Dat maakt de dood van Rishi niet minder tragisch en het leed van zijn nabestaanden en vrienden niet minder schrijnend. De rechtbank is zich er bovendien van bewust – het klaagschrift van (de raadsman van) de nabestaanden op de voet van artikel 12 Sv en de ter terechtzitting voorgelezen verklaring van de nabestaanden getuigen daarvan – dat haar oordeel voor de nabestaanden teleurstellend is. Het spreekt echter vanzelf dat dit geen rol heeft gespeeld – en ook niet mag spelen - in haar oordeel over wat in deze strafzaak aan verdachte is verweten.

7 De beslissing

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding primair ten laste gelegde feit (moord, subsidiair doodslag) heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar;

ontslaat verdachte terzake van dit feit van alle rechtsvervolging;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar;

ontslaat verdachte terzake van dit feit van alle rechtsvervolging;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding meest subsidiaire ten laste gelegde feit (dood door schuld) heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Elkerbout, voorzitter,

mrs. O.F. Bouwman en D.E. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.D. Broers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL20120098, van de Rijksrecherche, Regio West 1, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 595).

2 Ter terechtzitting hebben deze feiten ook niet ter discussie gestaan.

3 De eigen waarneming van de rechtbank van de tijdens de terechtzitting getoonde compilatie van beelden van camera’s op Hollands Spoor, gemaakt door N. de Ruiter, operationeel analist bij de Rijksrecherche (hierna: “de beelden”).

4 Proces-verbaal van aangifte [aangever], blz. 471 -472.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige], blz. 500-505.

6 Proces-verbaal uitwerking audiobestanden meldkamer VCNS, blz. 67

7 Proces-verbaal uitwerking audiobestanden meldkamer regiopolitie Haaglanden, blz. 71

8 Proces-verbaal uitgewerkte audiobestanden meldkamer regiopolitie Haaglanden, blz. 71-73.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 366.

10 Zowel verdachte als RR002 hebben verklaard dat de NS medewerker de man heeft aangeduid als de man die het vuurwapen zou hebben, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 november 2012, blz. 368; proces-verbaal van verhoor getuige RR002 d.d. 25 november 2012, blz. 386; de betreffende NS medewerker heeft desgevraagd verklaard niet meer te weten of hij in dit gesprek de man als zodanig heeft aangeduid: proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], blz. 502-503.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 november 2012, blz. 363-375; proces-verbaal van verhoor getuige RR002 d.d. 25 november 2013, blz. 382-392.

12 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige], blz. 504; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], blz. 508; proces-verbaal verhoor getuige[getuige 4], blz. 514; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], blz. 530; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5], blz. 535; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6], blz. 539; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6], blz. 545; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 7], blz. 558; proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 25 november 2012.

13 De beelden.

14 Rapport NFI d.d. 23 januari 2013, Vooronderzoek: afstandsbepaling naar aanleiding van een schietincident in Den Haag op 24 november 2012, blz. 244.

15 Proces-verbaal van bevindingen, camerabeelden Prorail, blz. 80-81.

16 Verklaring schouwarts d.d. 24 november 2012, blz. 331; pathologisch onderzoek d.d. 28 november 2012, blz. 335-339

17 Proces-verbaal politie Hollands Midden, Regionaal Bureau Wapens en Munitie, blz. 204-210.

18 Rapport NFI d.d. 14 februari 2013, Schotresten-, ballistisch-, wapen-, en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in ’s-Gravenhage op 24 november 2012, blz. 245-298.

19 Proces-verbaal camerabeelden Prorail, blz. 80.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 368-370.

21 Proces-verbaal verhoor deskundige J.M. Bitter bij de rechter-commissaris d.d. 16 oktober 2013, nr. 46.

22 Proces-verbaal verhoor deskundige J.M. Bitter bij de rechter-commissaris d.d. 16 oktober 2013, nr. 46.

23 proces-verbaal verhoor deskundige J.M. Bitter bij de rechter-commissaris d.d. 16 oktober 2013, nr. 48.

24 proces-verbaal verhoor deskundige J.M. Bitter bij de rechter-commissaris d.d. 16 oktober 2013, nr. 50 en 65; proces-verbaal verhoor deskundige J.L. Heijnen bij de rechter-commissaris d.d. 18 oktober 2013, nr. 16.

25 Verklaringen deskundigen Bitter, Heijnen en [getuige 8] ter terechtzitting d.d. 9 december 2013.

26 Proces-verbaal verhoor getuige[getuige 8], blz. 407-411; proces-verbaal verhoor deskundige J.M. Bitter bij de rechter-commissaris d.d. 16 oktober 2013; proces-verbaal verhoor deskundige J.L. Heijnen bij de rechter-commissaris d.d. 18 oktober 2013; verklaringen getuigen-deskundigen Bitter, Heijnen, [getuige 8] ter terechtzitting van 9 december 2013.

27 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 25 november 2012, blz. 371; proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 maart 2013, blz. 378.

28 Vuurwapengebruik is ook gerechtvaardigd om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken en die wordt verdachte van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer of dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.