Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17928

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_669
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De rechtbank kan op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in dit geval niet vaststellen of verweerder al dan niet alle mogelijke maatregelen heeft getroffen om het risico op een ongeval door deelname aan het ME-rugbyspel te beperken.

Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, nu het onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende isg gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2013-12-18
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2013-12-18
Algemene wet bestuursrecht 8:51a, geldigheid: 2013-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/669

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Overdam),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E.P. van Zandbergen).

Procesverloop

Bij brief van 15 mei 2012 heeft eiser verweerder verzocht op grond van zijn zorgplicht aansprakelijkheid te aanvaarden voor de gezondheidsschade die eiser ten gevolge van een ongeval op 27 november 2008 heeft opgelopen.

Bij besluit van 30 juli 2012 heeft verweerder geweigerd aansprakelijkheid te aanvaarden.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 september 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 december 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 januari 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 7 november 2013 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2

Eiser heeft deelgenomen aan de door de Koninklijke Marechaussee en de Politieacademie gezamenlijk georganiseerde driedaagse oefening “Onrust in de Wijk”. Deze clusteroefening duurde van 25 tot en met 27 november 2008. Tijdens de oefening op 27 november 2008 werd een zeskamp gehouden. Tijdens het onderdeel ME-rugby dat werd gespeeld in een paardenbak met los zand, is eiser een ongeval overkomen. Eiser kreeg op enig moment de bal en werd besprongen door een speler van de tegenpartij terwijl hij zich wegdraaide om de bal verder te kunnen spelen. Zijn voet kwam vast te zitten in het losse zand toen deze speler hem – hangend op zijn rug – probeerde te tackelen. Toen eiser door nog meer spelers van de tegenpartij werd besprongen, viel hij en voelde hij zijn linkerbeen knakken. Hierdoor heeft hij ernstig beenletsel opgelopen, bestaande uit een afgescheurde knieband, een ingescheurde voorste kruisband en een gescheurde dan wel opgerekte zenuw. Als blijvend gevolg hiervan heeft hij een klapvoet en ondervindt hij beperkingen. Bij besluit van 20 augustus 2009 is het ongeval als een dienstongeval aangemerkt.

3.1

Eiser heeft in beroep – samengevat – aangevoerd dat het geen toelichting behoeft dat het er tijdens het bewuste onderdeel ME-rugby hard aan toegegaan is, dat er veelvuldig moest worden ingegrepen en dat verweerder de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. Volgens eiser had het ongeval kunnen worden voorkomen indien het spel gespeeld was op een gladde ondergrond en/of er betere instructies waren gegeven, dan wel andere voorzorgsmaatregelen waren getroffen. Eiser wijst erop dat er eerder op de dag al twee mensen geblesseerd waren geraakt en dat het er volgens ooggetuigen hard aan toeging. Volgens eiser bracht het spel een reëel en voorzienbaar ongevalsrisico met zich, nu het was toegestaan de tegenstander te tackelen en te belagen om te voorkomen dat die tegenstander zou scoren. Verweerder is in gebreke gebleven de aan het spel verbonden risico’s te inventariseren en de daarop afgestemde algemene en specifieke instructies en algemene en specifieke maatregelen te geven respectievelijk te treffen. Volgens eiser worden de nadelen van los zand niet opgeheven met de verstrekte uitrusting bestaande uit een blauw overall, een helm, een protector en schoeisel, bestaande uit kistjes. Daarbij benadrukt eiser dat de relatief zware schoenen en het profiel van de schoenen er juist aan hebben bijgedragen dat hij muurvast kwam te zitten in het zand.

3.2

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4

De rechtbank overweegt als volgt.

4.2

In geschil is de vraag of verweerder in zijn zorgplicht is tekortgeschoten en aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het ongeval dat eiser op 27 november 2008 is overkomen.

4.3

Voor de beantwoording van deze vraag is de zorgplichtnorm die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in inmiddels vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de CRvB van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRB:2000:AB0072) heeft geformuleerd, van belang. Volgens deze norm heeft de ambtenaar - voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. Bij het formuleren van deze norm heeft de Raad aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.4

In zijn uitspraak van 2 maart 2006 (ECLI:NL:CRB:2006:AV3977), heeft de CRvB overwogen dat de hiervoor bedoelde norm er niet toe strekt een absolute waarborg te scheppen. De enkele omstandigheid dat een ongeval zich heeft voorgedaan kan niet tot de conclusie leiden dat het betrokken bestuursorgaan zijn zorgplicht heeft veronachtzaamd.

4.5

De rechtbank kan op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in dit geval niet vaststellen of verweerder al dan niet alle mogelijke maatregelen heeft getroffen om het risico op een ongeval door deelname aan het ME-rugbyspel te beperken.

4.6

Om te kunnen beoordelen of verweerder al dan niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval van belang of verweerder voorafgaand aan het spelen van het ME-rugbyspel een risico-inventarisatie heeft gemaakt. Met name is hierbij van belang of de vraag onder ogen is gezien of het spelen van rugby in een paardenbak (los zand) in ME-uitrusting met kisten (grof profiel) acceptabel is dan wel al dan niet een verhoogd risico op letsel met zich brengt. De rechtbank acht het voorshands, mede gelet op de hiervoor onder 2 beschreven wijze waarop het ongeval feitelijk heeft plaatsgehad – hetgeen door verweerder niet is betwist – niet onaannemelijk dat het op deze wijze spelen van rugby de kans op letsel vergroot, zoals eiser heeft gesteld. Eiser heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat de behandelend orthopeed hem heeft gezegd dat zijn letsel minder ernstig zou zijn geweest als het ME-rugbyspel zou zijn gespeeld op gras en dat het dragen van de uitrusting heeft bijgedragen aan de zwaarte van het letsel. De gemachtigde van verweerder kon ter zitting geen antwoord geven op de vraag of van tevoren is onderzocht in welke mate het op deze wijze spelen van rugby mogelijk gevaarzettend is. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting niet anders dan kunnen verwijzen naar de schriftelijke verklaring van kapitein [A] (hierna: [A]). [A] heeft op de door verweerder geformuleerde vraag of een paardenbak een goede/veilige ondergrond is om ME-rugby op te spelen geantwoord: “Vanuit onze optiek en met de trainingsdoelen in het achterhoofd: JA, mits er van tevoren duidelijke afspraken worden gemaakt over wat wel en wat niet. Daarnaast altijd onder leiding van een van de trainers”. De rechtbank acht deze verklaring niet voldoende om de hiervoor opgeworpen vraag te beantwoorden. Niet alleen is deze verklaring achteraf opgesteld, maar uit de verklaring blijkt ook niet of en zo ja, op welke wijze, de risico’s van het spelen van ME-rugby van te voren zijn ingeschat. De verklaring maakt voorts evenmin duidelijk wat de inhoud zou moeten zijn van de genoemde afspraken en welke risico’s daarmee verkleind dan wel afgedekt kunnen worden.

4.7

Voorts heeft verweerder niet duidelijk kunnen maken of voor het spelen van ME-rugby bijzondere instructies nodig zijn en of deze ook daadwerkelijk zijn gegeven. De gemachtigde heeft ter zitting onder verwijzing naar de eerder weergegeven verklaring van [A] en de verklaringen van wachtmeester [B] en luitenant [C] gesteld dat er instructies zijn gegeven voorafgaande aan het spelen van het rugbyspel. Deze verklaringen verschaffen echter op geen enkele wijze inzicht in de aard en de inhoud van de instructies die gegeven moeten worden en geven evenmin antwoord op de vraag of deze instructies daadwerkelijk zijn gegeven voorafgaand aan het spel. Voorts is onduidelijk gebleven of het spel ME-rugby nieuw was en voor het eerst werd gespeeld tijdens de zeskamp van de driedaagse oefening “Onrust in de Wijk” en of het nadien nog deel heeft uitgemaakt van soortgelijke oefeningen in de jaren volgend op 2008.

4.8

Evenmin is duidelijk of er afstemming over het ME-rugbyspel heeft plaatsgevonden tussen de KMar en de politie. De driedaagse oefening “Onrust in de Wijk” was een gezamenlijke oefening van de KMar en de Politieacademie, zodat verondersteld mag worden dat over de oefeningen overleg is geweest. Het ME-rugbyspel stond onder leiding van een sportinstructeur van de politie. Deze sportinstructeur is de persoon die informatie zou kunnen verstrekken over de instructies die voor aanvang van het ME-rugbyspel zijn gegeven en zou voorts mogelijk ook (meer) informatie kunnen geven over (de toedracht van) het eiser overkomen ongeval. In het primaire besluit heeft verweerder evenwel gesteld dat het niet is gelukt om met deze instructeur in contact te treden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder in dit verband naar voren gebracht dat de politie heeft laten weten dat niet te achterhalen is welke instructeur het ME-rugbyspel heeft begeleid. De rechtbank acht deze stelling zonder nadere onderbouwing en bij gebrek aan inzicht in de inspanningen die verweerder al dan niet verricht heeft om de identiteit van deze sportinstructeur te achterhalen, niet alleen onwaarschijnlijk, maar ook onvoldoende in het kader van de zorgvuldigheid die bij het nemen van een besluit als het onderhavige in acht dient te worden genomen.

4.9

Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, nu het onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

5

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet thans geen mogelijkheid tot finale geschilbeslechting. Zij kan, gelet op het nader onderzoek dat verweerder nog zal moeten verrichten, niet zelf in de zaak voorzien dan wel op grond van artikel 8:51a van de Awb een bestuurlijke lus toepassen. Verweerder wordt daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6

Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser in beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 156,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, mr. B. Meijer, lid en B. Dedden, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.