Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17923

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_3119
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen causaal verband tussen neklachten en uitoefening militaire dienst

Geen dienstongeval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/3119

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. de Haas),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.W. van der Stoel).

Procesverloop

Bij brief van 30 januari 2007 is namens eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor het letsel aan eisers rug en nek, verband houdende met zijn werkzaamheden voor het ministerie van Defensie, en verzocht om schadevergoeding.

Bij besluit van 28 mei 2010 heeft verweerder geconcludeerd dat hij zijn zorgplicht niet heeft geschonden en heeft hij eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brieven van 8 juli 2010 en 9 september 2010 bezwaar gemaakt. Eiser is op 1 maart 2012 omtrent zijn bezwaar door verweerder gehoord.

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 april 2013, en van gronden voorzien bij brief van 15 mei 2013, beroep ingesteld. Bij brief van 10 oktober 2013 heeft eiser aanvullende beroepsgronden en bijlagen (‘medisch dossier’) ingezonden.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 5 november 2013 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1

Sedert 1990 kampt eiser, geboren op [datum] 1963 en voormalig militair rij-instructeur zware wielvoertuigen, met chronische nekklachten waarvoor hij destijds de bedrijfsarts heeft geconsulteerd. Aan eiser is met ingang van 1 december 2005 ontslag verleend.

Bij brief van 30 januari 2007 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van een beroepsziekte die hij in militaire dienst heeft opgelopen.

Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft verweerder ten aanzien van eisers aandoening aan de halswervelkolom verband met de uitoefening van de militaire dienst aanvaard en aan eiser een invaliditeitspensioen toegekend alsmede een bijzondere invaliditeitsverhoging.

2

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat causaal verband tussen eisers klachten en zijn werkzaamheden als rij-instructeur ontbreekt.

Niet gezegd kan worden dat eisers klachten specifiek veroorzaakt zijn door zijn werkzaamheden. Betwist wordt er dat bij eiser sprake is van een nekhernia. Voorts betwist de medisch adviseur het standpunt van de medisch adviseur van eiser dat de in 1998 gevonden aanwijzingen voor een nekhernia reeds aanleiding hadden moeten zijn tot onderzoek naar eisers leefwijze inclusief zijn werk. Eisers klachten dienen niet gezien te worden als specifiek voor het beroep van chauffeur of militair rij-instructeur in het bijzonder. Een medisch wetenschappelijk verband ontbreekt. Voorts is het niet redelijk van de bedrijfsarts te verwachten dat hij in 1998 al op de hoogte was van nekklachten als een erkende beroepsziekte, behorende bij het beroep van eiser. Ten slotte stelt verweerder aan zijn zorgplicht te hebben voldaan door aan eiser medische zorg te verlenen vanaf het moment dat hij bekend was met de nekklachten van eiser.

3.1

Eiser stelt in beroep - samengevat - dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat causaal verband tussen de nekklachten van eiser en zijn werkzaamheden tijdens de militaire dienst ontbreekt. Het vermoeden van causaal verband wordt bevestigd door het besluit van 20 augustus 2007. Dit besluit is genomen op basis van een medisch onderzoek dat mede gegrond is op verklaringen van deskundigen en vakliteratuur. Nu dit besluit in rechte vaststaat is daarmee de causaliteit in juridische zin gegeven.

Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder eerder dan 2003, het jaar waarin een structurele aanpassing van eisers werkzaamheden heeft plaatsgevonden, had moeten anticiperen op zijn klachten en maatregelen had moeten nemen om te voorkomen dat zijn nekklachten ontstonden dan wel werden verergerd. Zeker na eisers behandeling in 1998 in het MRC Doorn had verweerder ervoor moeten zorgen dat zijn werkzaamheden permanent zodanig waren ingericht dat zijn nek zoveel mogelijk zou zijn ontlast. In dat kader verwijst eiser naar de brief van de plaatsvervangend commandant arbodienst KL. Als verweerder had gezorgd voor een aangepaste stoel was er een gerede kans geweest dat het nekletsel en de daarmee gepaard gaande klachten structureel minder zouden zijn geweest. Er was geen sprake van op afstemming van eisers klachten en werkgerichte verzuimbegeleiding. Voorts stelt eiser dat zijn medisch dossier op essentiële punten hiaten vertoont, waardoor verweerder niet aan de hand van documentatie kan aantonen dat hij zijn zorgplicht jegens eiser adequaat is nagekomen, zodat verweerder in gebreke is gebleven.

3.2

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4

De rechtbank dient te beoordelen of de afwijzing van het verzoek van eiser om erkenning van de aansprakelijkheid voor eisers lichamelijke klachten, en om toekenning van schadevergoeding voor de daaruit voortvloeiende schade, in rechte stand kan houden.

Daartoe wordt overwogen als volgt.

4.1

Voor de beoordeling van schade door een ongeval tijdens werkzaamheden van bedrijfsmatige aard heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 20 juni 2000 (LJN: AB0072) de volgende norm, die ook tot uitdrukking is gebracht in art. 7:658 van het Burgerlijk Wetboek, geformuleerd:

“Voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.”

De beoordeling van aansprakelijkheid dient dan ook te geschieden aan de hand van deze norm. Dit brengt in dit geval met zich mee dat onderzocht dient te worden of eiser schade heeft geleden in de uitoefening van zijn functie als militair rij-instructeur. Daartoe dient eiser het vermoeden van een causaal verband tussen zijn fysieke schade en de uitoefening van zijn functie als rij-instructeur aannemelijk te maken. Indien hij daarin slaagt is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat verweerder op grond van de op hem rustende zorgplicht die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat eiser in de uitoefening van zijn werkzaamheden (fysieke) schade zou lijden.

4.2

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de werkgever in voldoende mate dient te voldoen aan zijn zorgplicht indien specifieke maatregelen zijn genomen die direct beogen fysieke en psychische schade te voorkomen (preventiemaatregelen). Het gevaar moet dan wel bekend zijn zodat er in redelijkheid mogelijkheden zijn die door verweerder benut kunnen worden om dit gevaar tegen te gaan.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat eiser – anders dan in de aansprakelijkheidstelling van 30 januari 2007 waarin gesproken wordt over nek- en rugklachten - in beroep niet heeft gerept over rugletsel, en alleen letsel aan zijn nek, verband houdende met zijn werkzaamheden voor het ministerie van Defensie, heeft gesteld.

4.4

De vraag of eiser het vermoeden van een causaal verband tussen zijn fysieke klachten en de uitoefening van zijn functie als rij-instructeur aannemelijk heeft weten te maken beantwoordt de rechtbank ontkennend. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser er niet in geslaagd is met valide wetenschappelijke bewijzen te onderbouwen, en daardoor aannemelijk te maken, dat een causaal verband bestaat tussen een cervicale hernia of de cervicale klachten en het werk als rij-instructeur, zodat niet van een beroepsziekte kan worden gesproken. Daarbij laat de rechtbank in het midden of bij eiser sprake is van een nekhernia of van chronische nekpijn. Vooral uit de medische adviezen van de zijde van verweerder (zoals die van 22 oktober 2008, 18 augustus 2009 en 2 oktober 2012) in het dossier komt naar voren dat het vermoeden van een causaal verband te onzeker en onbepaald is. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op het besluit 20 augustus 2007, nu dit een rechtspositioneel besluit is (toekenning militair pensioen) waarbij de enkele mogelijkheid dat de aandoening van eiser eventueel een beroepsziekte kan zijn, voldoende is om dienstbelang aan te nemen.

4.5

Nu de aanwezigheid van causaal verband niet kan worden aangenomen - zoals hiervoor is overwogen - komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of verweerder er in is geslaagd om aan te tonen dat hij op grond van de op hem rustende zorgplicht die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat eiser in de uitoefening van zijn werkzaamheden (fysieke) schade zou lijden.

Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat, nu wetenschappelijk bewijs voor causaal verband ontbreekt, voor verweerder dan ook geen beleid was te voeren op de lichamelijke klachten van eiser.

5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, mr. K. Schaffels, lid, en B. Dedden, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van mr. N. Woldring, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.