Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17839

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
1262832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

luchtvaartzaak. beroep op buitengewone omstandigheden (vliegveiligheidsprobleem) slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/59

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

at

Rolnummer: 1262832 CV EXPL 13-11879

2 oktober 2013

[jw.sys.1.rolnummer]

Vonnis in de zaak van:

1. [eiser],

2. [eiseres 1]

beiden wonende te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

de commanditaire vennootschap

TRANSAVIA AIRLINES C.V.,

gevestigd te Schiphol,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M. Reevers.

Partijen worden aangeduid als “[eisers]” en “Transavia”.

Procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • -

    de dagvaarding van 9 april 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties.

Na de conclusie van antwoord is bij mondeling vonnis een comparitie na antwoord gelast voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Voorafgaand aan de comparitie heeft de kantonrechter de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief van 12 augustus 2013 van de zijde van [eisers], met producties;

  • -

    de brief van 13 augustus 2013 van de zijde van Transavia, met producties;

  • -

    de brief van 19 augustus 2013 van de zijde van Transavia, met producties;

- de brief van 20 augustus 2013 van de zijde van Transavia, met producties.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013. De gemachtigden van partijen hebben beiden gebruikt gemaakt van schriftelijke aantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoerd. Mr. Reevers heeft ter comparitie foto’s overgelegd, die eveneens aan het procesdossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

Feiten

1.

[eisers] hebben een vlucht geboekt van Rome naar Rotterdam. De vlucht is op 12 november 2011 uitgevoerd door Transavia onder vluchtnummer HV6032.

2.

De vlucht is met een vertraging van meer dat 4 uren gearriveerd te Rotterdam.

Vordering

3.

[eisers] vorderen − zakelijk weergegeven − bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Transavia tot betaling van een compensatie van € 500,=, een bedrag van € 50,= aan buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en de nakosten, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.

[eisers] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. De vlucht naar Rotterdam is uitgevoerd met een zodanig langdurige vertraging, dat aanspraak is ontstaan op compensatie op de voet van artikel 7 van de EG-verordening 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening) in samenhang met de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans geheten: Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna aan te duiden als: Hof van Justitie EU), van 19 november 2009 in de zaak met nummers C-432/07 en C 402/07, NJ 2010/137, LJN: BK4714 (het “Sturgeon-arrest”) en van 23 oktober 2012 in de zaak met nummers C-629/10 en C-581/10, NJ 2013,14, LJN: BY2173 (het “Nelson-arrest”).
De aanspraak op compensatie bedraagt in dit geval twee maal € 250,=. Transavia heeft de vergoeding, ondanks daartoe te zijn gesommeerd, niet voldaan.

Verweer

5.

Transavia heeft − zakelijk weergegeven − aangevoerd dat door een mobiele bagageband van een bagage-afhandelaar schade is veroorzaakt aan het toestel waarmee de vlucht zou worden uitgevoerd. De schade werd kort voor vertrek geconstateerd en de schade was buiten de limieten. Dit onverwachte vliegveiligheidsprobleem, dat de oorzaak was van de vertraging, is volgens Tranavia een buitengewone omstandigheid die zij met het nemen van alle redelijk maatregelen niet had kunnen voorkomen.

Beoordeling

6.

De kantonrechter stelt voorop dat hetgeen door Transavia is gesteld over de schade en de oorzaak daarvan door [eisers] niet is weersproken, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan.

7.

Kern van het geschil is daarom de vraag of het onverwachte vliegveiligheidsprobleem, de schade aan de vrachtdeur, een buitengewone omstandigheid is die Transavia zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet had kunnen voorkomen. De kantonrechter overweegt het volgende.

8.

De Verordening bevat geen definitie van het begrip buitengewone omstandigheden. Overweging 14 van de considerans van de Verordening bevat wel een niet limitatieve opsomming van gevallen waarin buitengewone omstandigheden zich kunnen voordoen. Volgens onderdeel 14 van de considerans kan sprake zijn van buitengewone omstandigheden indien zich onverwachte vliegveiligheidsproblemen voordoen.

9.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU moet de betekenis en draagwijdte van begrippen waarvoor het gemeenschapsrecht geen definitie geeft, worden bepaald in overeenstemming met hun in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaken. Komen deze begrippen voor in een bepaling die een afwijking vormt van een beginsel of, meer bepaald, van gemeenschapsregels ter bescherming van de consument, dan moeten zij bovendien aldus worden geïnterpreteerd dat deze bepaling strikt kan worden uitgelegd (onderdeel 17 Wallentin-Hermann-arrest, Hof van Justitie EU, 22 december 2008, C-549/07). Voorts worden ‘onverwachte vliegveiligheidsproblemen’ alleen dan als uitzonderlijk in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening aangemerkt, indien zij verband houden met een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en laatstgenoemde hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of oorsprong van de gebeurtenis (onderdeel 23 Wallentin-Hermann-arrest).

10.

In onderdeel 29 van het Mc Donagharrest (Hof van Justitie EU 31 januari 2013, C-12-11) is overwogen dat het begrip buitengewone omstandigheden in de omgangstaal letterlijk betrekking heeft op omstandigheden ‘buiten het gewone om’. In de context van het luchtvervoer betekent het begrip een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van de gebeurtenis (zie voor dit laatste ook onderdeel 23 van het Wallentin-Hermann-arrest).

11.

Onverwachte vliegveiligheidsproblemen zijn aldus slechts als buitengewone omstandigheden aan te merken indien de vliegveiligheidsproblemen omstandigheden betreffen:

  1. die niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvervoerder;

  2. waarop de betrokken luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.

12.

In de (nationale) jurisprudentie is als derde voorwaarde aanvaard dat 3) de vertraging, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen.

13.

Ook indien moet worden aangenomen dat het beschadigd raken van een toestel door een botsing met een mobiele bagageband op zichzelf genomen een zeldzame gebeurtenis is, neemt dat niet weg dat het naar het oordeel van de kantonrechter een (onverwacht) vliegveiligheidsprobleem is dat niettemin inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvervoerder, zodat (wegens het niet voldoen aan de eerste voorwaarde) geen sprake is van een buitengewone omstandigheid zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Het laden van bagage in een toestel is immers onlosmakelijk verbonden met het vervoer van passagiers. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat Transavia ter comparitie heeft erkend dat het bedrijf dat zorgdraagt voor het laden van bagage in het vliegtuig (de bagage-afhandelaar), in opdracht van Transavia de werkzaamheden uitvoert. In de contractuele relatie van Transavia met de passagier is de bagage-afhandelaar derhalve aan te merken als een hulppersoon van de luchtvaartmaatschappij in de zin van artikel 6:76 Burgerlijk Wetboek. Dat heeft tot gevolg dat Transavia in de relatie met de passagier aansprakelijk is voor de gedragingen van de bagage-afhandelaar op gelijke wijze als voor eigen gedragingen. Nu het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheid reeds strandt op grond van het voorgaande, kan in het midden blijven of Transavia daadwerkelijk invloed kon uitoefenen op de gebeurtenis en of de vertraging door het treffen van alle redelijk maatregelen voorkomen had kunnen worden.

14.

Transavia heeft zich in deze procedure beroepen op het door de Europese Commissie op 13 maart 2013 gepubliceerde voorstel voor herziening van de Verordening en op de “list of extraordinary circumstances resulting from the work of NEB for the application of the current Regulation (EC) 261/2004” (hierna de NEB-lijst).

15.

De kantonrechter overweegt dat de Europese Commissie bij het voorstel tot herziening van de Verordening een (niet-uitputtende) lijst van omstandigheden die wel of juist niet als buitengewoon dienen te worden beschouwd heeft gevoegd (hierna de EC-lijst) en dat het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) over deze EC-lijst een advies heeft uitgebracht. Het EESC kan zich vinden in de door de Europese Commissie uit het Wallentin-Hermann-arrest overgenomen definitie van buitengewone omstandigheden en het uitgangspunt dat omstandigheden alleen als buitengewoon beschouwd kunnen worden indien wordt voldaan aan de hiervoor in onderdelen 11 en 12 opgesomde voorwaarden. Het EESC voegt daaraan toe dat telkens wanneer er buitengewone omstandigheden worden ingeroepen, dient te worden gekeken of de ingeroepen omstandigheden werkelijk aan deze drie voorwaarden voldoen. Volgens het EESC zal dit niet altijd het geval zijn voor sommige in de EC-lijst genoemde omstandigheden. Als voorbeelden noemt het EESC gezondheids- en veiligheidsrisico’s, zoals weersomstandigheden of arbeidsconflicten.

16.

Het advies van het EESC is daarmee, anders dan de EC-lijst en de NEB-lijst, meer in lijn met de geldende (nationale) jurisprudentie, nu daarin als uitgangspunt wordt genomen dat de gestelde buitengewone omstandigheid getoetst moet worden aan de hand van de terughoudende norm uit het Wallentin-Hermann-arrest en dat bovendien beoordeeld moet worden of de vervoerder alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om te voorkomen dat de gestelde buitengewone omstandigheid leidt tot een langdurige vertraging. In de EC-lijst en de NEB-lijst komt deze laatste toets niet voor. Daarbij komt dat de NEB-lijst en de EC-lijst onderling verschillen vertonen en dat onzeker is of, en zo ja wanneer, een nieuwe verordening tot stand zal komen. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien hebben de kantonrechter ertoe gebracht geen (doorslaggevende) waarde toe te kennen aan de bedoelde documenten.

17.

Het voorgaande betekent dat Transavia zal worden veroordeeld tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 500,=. De kantonrechter verwerpt het verzoek van Transavia op matiging van de compensatie, nu de Verordening daarvoor geen grondslag biedt en de hoogte van de compensatie naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. De kantonrechter is van oordeel dat de forfaitaire compensatie een schadevergoeding is in de zin van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). De Verordening strekt er immers toe onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie voor schade te bieden (vgl. onderdeel 51 Sturgeon-arrest). Dit betekent dat Transavia op de voet van het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en onder b BW vanaf 12 november 2011 in verzuim verkeert. Het toe te wijzen bedrag zal daarom worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum.

18.

[eisers] vorderen een bedrag van € 50,= aan buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter overweegt dat uit het door [eisers] gestelde niet (in voldoende mate) blijkt dat werkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder werkzaamheden waarvoor de artikelen 237 tot en met 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een vergoeding plegen in te sluiten. Het enkel stellen dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht is daartoe onvoldoende. De kantonrechter zal de vordering van [eisers] op dit punt afwijzen.

19.

Transavia zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de onweersproken gevorderde wettelijke rente. Voor zover nakosten gemaakt worden levert deze kostenveroordeling ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010 (LJN BL1116) een executoriale titel op voor die kosten, doch kan de begroting daarvan in dit geval eerst in een later stadium geschieden, aangezien thans nog niet bekend is welke nakosten zullen ontstaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de kosten van de betekening niet vallen onder de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, maar vallen onder de ambtsverrichtingen van de gerechtsdeurwaarder, waarvoor deze op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders een bedrag aan de schuldenaar in rekening kan brengen.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Transavia tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 500,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november 2011 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt Transavia in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eisers] vastgesteld op € 434,29, waaronder een bedrag van € 120,= aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. H.S. Wiarda en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2013.