Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17837

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
2113028 CV EXPL 13-1302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

luchtvaartzaak. Noodweer te Taiwan. Beroep op buitengewone omstandigheden slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Leiden/Gouda, locatie Gouda

at

Rolnummer: 2113028 CV EXPL 13-1302

21 november 2013

[jw.sys.rolnummer]

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigden: mr. F. Niemöller en mr. I.G.B. Maertzdorff,

tegen

de buitenlandse vennootschap

Company Limited by shares (Taiwan) EVA AIRWAYS CORPORATION,

gevestigd te Taoyuan Hsien, Taiwan,
gedaagde partij,
gemachtigde: [gemachtigde].

Partijen worden hierna “[eiseres]” en “EVA Airways” genoemd.

Procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 mei 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van 2 oktober 2013 van de zijde van [eiseres], met producties.

Bij mondeling vonnis is een comparitie van partijen gelast voor het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking. De comparitie is gehouden op 9 oktober 2013. De gemachtigde van [eiseres] heeft ter comparitie gebruik gemaakt van schriftelijke aantekeningen. Deze zijn door de kantonrechter aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat overigens ter zitting is besproken.

Feiten

1.

[eiseres] heeft een vlucht geboekt van Amsterdam naar Bangkok (Thailand). De vlucht met nummer BR 76 zou op 12 juni 2012 om 21.40 uur lokale tijd vertrekken vanuit Amsterdam en op 13 juni 2012 om 13.40 uur lokale tijd landen te Bangkok. De vlucht, die werd uitgevoerd door EVA Airways, is met een vertraging van 3 uren en 45 minuten gearriveerd te Bangkok.

2.

Het toestel waarmee vlucht BR 76 werd uitgevoerd is op 12 juni 2012 onder vluchtnummer BR 75 vertrokken vanuit Taipei (Taiwan) naar Amsterdam en heeft een geplande tussenlanding gemaakt in Bangkok.

Vordering

3.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van EVA Airways tot betaling van een compensatie van € 300,=, een bedrag van € 90,75 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.

[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. De vlucht van Amsterdam naar Bangkok is uitgevoerd met een zodanig langdurige vertraging, dat aanspraak is ontstaan op compensatie op de voet van artikel 7 van de EG-verordening 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening) in samenhang met de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans geheten: Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna aan te duiden als: Hof van Justitie EU), van 19 november 2009 in de zaak met nummers C-432/07 en C 402/07, NJ 2010/137, LJN: BK4714 (het “Sturgeon-arrest”) en van 23 oktober 2012 in de zaak met nummers C-629/10 en C-581/10, NJ 2013,14, LJN: BY2173 (het “Nelson-arrest”).
De aanspraak op compensatie bedraagt in dit geval € 300,=. EVA Airways heeft de vergoeding, ondanks daartoe te zijn gesommeerd, niet voldaan.

Verweer

5.

EVA Airways betwist de rechtsgeldigheid van de dagvaarding “wegens het toezenden van compensatie-verzoeken door EUClaim uit naam [eiseres], terwijl [eiseres] EUClaim op moment van haar handelen niet had gemachtigd op te treden”. De volmacht van [eiseres] is volgens EVA Airways ingegaan op 29 augustus 2012.

6.

EVA Airways voert voorts aan dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen, nu blijkens de algemene voorwaarden de aan [eiseres] opgegeven vluchttijden onder voorbehoud waren en aldus geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming.

7.

EVA Airways voert tot slot aan dat vlucht BR 75 als gevolg van hevige regenval met vertraging uit Taipei is vertrokken. Deze vertraging heeft ook de vertraging bij vertrek uit Amsterdam veroorzaakt. Nu de vertraging die [eiseres] heeft ondervonden is veroorzaakt door weersomstandigheden die zich voordeden op de heenvlucht is volgens EVA Airways sprake van een buitengewone omstandigheid die haar ontslaat van de plicht tot betaling van enige compensatie.

Beoordeling

8.

Omdat het gaat om een zaak met internationale aspecten, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Het bepaalde in artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 (EEX-Verordening) brengt mee dat deze verordening formeel niet van toepassing is. EVA Airways heeft immers geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat zoals bedoeld in artikel 60 lid 1 van de EEX-Verordening.

9.

Dat betekent dat op grond van het commune bevoegdheidsrecht bepaald moet worden of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. Artikel 6 sub d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt in zaken die een overeenkomst betreffen gesloten tussen een consument en een partij die handelt in uitoefening van beroep of bedrijf wanneer de consument woonplaats heeft in Nederland, de andere partij commerciële activiteiten ontplooit in of richt op Nederland en de tussen partijen gesloten overeenkomst onder voornoemde activiteiten valt.

10.

In deze zaak is sprake van een vervoersovereenkomst gesloten tussen [eiseres] als consument en EVA Airways als partij handelend in de uitoefening van beroep of bedrijf. [eiseres] heeft woonplaats in Nederland. Dat EVA Airways haar commerciële activiteiten richt op Nederland is, gelet op de omstandigheid dat zij vluchten aanbiedt van en naar Nederland en dat Nederlandse consumenten in de gelegenheid zijn om tickets voor deze vluchten te boeken, afdoende gebleken. Uit de overgelegde boekingsbevestiging volgt voorts voldoende dat de noodzakelijke handelingen voor het sluiten van een de overeenkomst in Nederland zijn verricht. Dat de vervoersovereenkomst uit deze activiteiten voortvloeit is ten slotte voldoende gebleken. Op grond van artikel 6, sub d, Rv heeft de Nederlandse rechter dan ook rechtsmacht.

11.

De kantonrechter te Alphen aan den Rijn is relatief bevoegd om kennis te nemen van deze zaak, gelet op het bepaalde in artikel 101 en 109 Rv. Team kanton Alphen aan den Rijn is evenwel met ingang van 1 oktober 2013 ondergebracht bij Team kanton Leiden/Gouda, locatie Gouda, zodat deze naam in dit vonnis is vermeld.

12.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] EUClaim heeft gemachtigd om namens haar deze procedure in te stellen. Vaststaat dat de volmacht niet is ondertekend voorafgaand aan het zenden van een ingebrekestelling door EUClaim namens [eiseres]. Nog daargelaten dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de volmacht ook ziet op de aan dagvaarding voorafgaande handelingen, staat het ondertekenen van de volmacht na het zenden van de ingebrekestelling niet in de weg aan toewijzing van de vordering, nu het geen vereiste voor toewijzing is. Veronderstellenderwijs de juistheid aannemend van de stelling dat EUClaim onbevoegd heeft gehandeld geldt bovendien dat slechts [eiseres], en niet EVA Airways, aan EUClaim kan tegenwerpen dat zij onbevoegd was te handelen. De kantonrechter verwerpt dan ook het verweer van EVA Airways op dit punt.

13.

Het opgeven van vertrektijden “onder voorbehoud” betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat de vertrektijden (ruimschoots) voor het vertrek gewijzigd kunnen worden. Het betekent niet dat de vlucht met vertraging ten opzichte van de kort voor vertrek nog geldende geplande vertrektijd mag vertrekken. Het verweer van EVA Airways op dit punt treft geen doel.

14.

Nu EVA Airways de door [eiseres] gestelde vertraging van meer dan drie uren niet heeft weersproken is gegeven dat de vertraging in beginsel een compensatieplicht in het leven heeft geroepen en komt de kantonrechter toe aan bespreking van het buitengewone omstandighedenverweer van EVA Airways.

15.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Het beroep van EVA Airways op buitengewone omstandigheden kan slechts slagen indien vast komt te staan, ten eerste dat extreme weersomstandigheden de (tijdige) uitvoering van de vlucht in kwestie hebben verhinderd en, ten tweede, de luchtvaartmaatschappij alle redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat deze extreme weersomstandigheden zouden leiden tot (langdurige) vertraging van de vlucht in kwestie. Stelplicht en bewijslast van één en ander rust op de luchtvaartmaatschappij. Bovendien geldt dat alle weren, dus ook die ten aanzien van het treffen van alle redelijke maatregelen, op de voet van het bepaalde in artikel 128 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij conclusie van antwoord naar voren (hadden) moeten worden gebracht.

16.

Door [eiseres] is niet gemotiveerd weersproken dat sprake was van uitzonderlijk hevige regenval in Taiwan en dat het vertrek van vluchten, waaronder vlucht BR 75, daardoor is vertraagd. De kantonrechter zal dan ook uitgaan van de juistheid van de stellingen van EVA Airways dat zich in Taipei extreme weersomstandigheden hebben voorgedaan die het tijdige vertrek van vlucht BR 75 hebben verhinderd.

17.

Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de vraag of EVA Airways alle redelijke maatregelen heeft getroffen om (langdurige) vertraging van vlucht BR 76 te voorkomen.

18.

Bij de beoordeling van die vraag dient in ogenschouw te worden genomen dat het Hof van Justitie EU in het Wallentin-Hermann-arrest (22 december 2008, C549/07) heeft geoordeeld dat degene die een beroep doet op buitengewone omstandigheden moet aantonen dat deze omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen. Uit het arrest blijkt voorts dat het dan gaat om maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden met name voldoen aan voor de betrokken luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden. De luchtvervoerder dient aan te tonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële, financiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden − behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht − dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot vertraging van de vlucht leidden.

19.

Voorts dient acht te worden geslagen op het Air Baltic-arrest (C-294/10, 12 mei 2012), waarin het Hof van Justitie EU heeft geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappij in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging die het gevolg kan zijn van buitengewone omstandigheden. De luchtvaartmaatschappij dient in een bepaalde reservetijd te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden. Artikel 5, lid 3, van de Verordening kan daarentegen niet aldus worden uitgelegd dat zij uit hoofde van redelijke maatregelen de verplichting oplegt om op algemene en niet-gedifferentieerde wijze een minimale reservetijd te plannen die zonder onderscheid geldt voor alle luchtvaartmaatschappijen in alle situaties waarin sprake is van buitengewone omstandigheden. Bij de beoordeling van de vraag of de luchtvaartmaatschappij in staat is om de vlucht volledig uit te voeren onder de nieuwe, uit de buitengewone omstandigheden voortvloeiende voorwaarden, moet erop worden gelet dat geen dermate lange reservetijd wordt verlangd dat de luchtvaartmaatschappij daardoor op het relevante tijdstip uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming onaanvaardbare offers dient te brengen.

20.

Door [eiseres] is aangevoerd dat EVA Airways onvoldoende reservetijd heeft voorzien tussen het geplande tijdstip van landing in Amsterdam en het geplande tijdstip van vertrek uit Amsterdam. [eiseres] heeft daarbij aangevoerd dat bij vluchten van Malaysia sprake is van meer tijd tussen de vluchten.

21.

EVA Airways heeft verklaard dat tussen het geplande tijdstip van landing te Amsterdam en het geplande tijdstip van vertrek circa 2 uur en 15 minuten zit en dat met het schoonmaken, bevoorraden en tanken van het toestel circa 1,5 uur is gemoeid. De kantonrechter stelt vast dat dit betekent dat een reservetijd is voorzien van circa 45 minuten. Het had op de weg van EVA Airways gelegen om te stellen en zonodig te bewijzen dat deze reservetijd voldoende is om vertraging als gevolg van buitengewone omstandigheden op te vangen, althans dat voor het uitvoeren van de vlucht onder de nieuwe, uit de extreme weersomstandigheden te Taipei voortvloeiende voorwaarden, een dermate lange reservetijd werd verlangd dat EVA Airways daardoor op het relevante tijdstip uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming onaanvaardbare offers diende te brengen. EVA Airways heeft dit nagelaten. Dit betekent dat zij onvoldoende heeft gesteld dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om (langdurige) vertraging te voorkomen. Het buitengewone omstandighedenverweer van EVA Airways moet ook op grond hiervan worden verworpen. De kantonrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat door EVA Airways niet is weersproken dat Malaysia meer reservetijd tussen haar vluchten heeft.

22.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of EVA Airways een alternatief (huur)toestel had kunnen inzetten. Deze maatregel is immers pas relevant, indien vast komt te staan dat voldoende reservetijd tussen de vluchten is gepland, maar een vertraging niettemin niet voorkomen kon worden.

23.

De kantonrechter zal EVA Airways veroordelen tot betaling van de door [eiseres] gevorderde compensatie. De compensatie zal worden vermeerderd met de onweersproken gevorderde wettelijke rente vanaf 13 juni 2012.

24.

De kantonrechter wijst de door [eiseres] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af. Uit het door [eiseres] gestelde en de door haar overgelegde documenten blijkt niet (in voldoende mate) dat werkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder werkzaamheden waarvoor de artikelen 237 tot en met 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een vergoeding plegen in te sluiten. Het overleggen van de ingebrekestelling van 23 augustus 2012 en het enkel stellen dat is geprobeerd de zaak buiten rechte af te doen is daartoe onvoldoende.

25.

EVA Airways zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt EVA Airways tot betaling van een bedrag van € 300,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2012 tot de dag van algehele voldoening;

- verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.P. Ploeger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2013.