Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17809

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
10-03-2014
Zaaknummer
C-09-455256 - JE RK 13-2975
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 13-2975

Zaaknummer: C/09/455256

Datum beschikking: 9 december 2013

Verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en vaststelling omgangsregeling

Beschikking op het op 22 november 2013 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

de vader,

gedetineerd verblijvende in [PI X]

[PI X],

advocaat: mr. S. van Donk te Zoetermeer.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

1.

De William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder: de WSJ),

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland.

2.

[A][A],

de moeder,

wonende te Leiden.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met als bijlage een kopie van de schriftelijke aanwijzing;

- de op 5 december 2013 ter griffie van de kinderrechter ontvangen aanvullende informatie

van de zijde van de WSJ, zijnde een rapport van de gedragswetenschapper van ’s-Heeren

Loo.

Op 9 december 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, vergezeld van haar dochter[B], die als tolk voor de moeder zal fungeren;

- mevrouw [X] en mevrouw [Y], namens de WSJ.

Feiten

- Het verzoek heeft betrekking op de minderjarige [naam],

geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats].

- De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 22 juli 2013 de minderjarige

onder toezicht gesteld van 22 juli 2013 tot 22 juli 2014, met benoeming van de Stichting

Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland als de stichting die de ondertoezichtstelling uitvoert.

- Voorts heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij voormelde beschikking aan Bureau

Jeugdzorg Zuid-Holland machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit

huis te plaatsen in een AWBZ-voorziening van 22 juli 2013 tot 22 juli 2014.

- De Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland heeft de uitvoering van de maatregel

gemandateerd aan de WSJ.

- De minderjarige verblijft feitelijk in een woonvoorziening[Z]

[Z]

- De WSJ heeft de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven op 8 november 2013, ertoe

strekkende dat er enkel omgang tussen vader en [naam] kan plaatsvinden indien de vader

binnen twee maanden een plan en een beschrijving opstelt waaruit blijkt dat onderstaande

voorwaarden zijn behaald, te weten:

  • -

    het belangrijk is dat een confrontatie tussen [naam] met zijn vader in een voor [naam] veilige, sfeervolle en overzichtelijke omgeving plaats vindt;

  • -

    het contact begeleid dient te worden door een persoon die [naam] goed kent en alert is op mogelijk oplopende spanning;

  • -

    [naam] goed voorbereid moet worden op het contact met zijn vader (waar, wie etc) en opgevangen moet worden als het contact achter de rug is.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt er toe de na te melden schriftelijke aanwijzing geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren en op grond van artikel 1:263a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, een omgangsregeling tussen [naam] en de vader vast te stellen van één maal per maand dan wel een omgangsregeling die de rechtbank juist en geraden acht.

De vader heeft hiertoe naar voren gebracht dat middels een beschikking van de rechtbank d.d. 11 juni 2012, door de rechtbank aan de WSJ is verzocht de mogelijkheden te onderzoeken op welke wijze er contact tussen de vader en[naam] kan plaatsvinden. Pas nadat de vader de WSJ heeft benaderd over de stand van zaken heeft de WSJ op 6 maart 2013 een reactie gegeven, inhoudende dat de WSJ van plan was [naam] de vader onder begeleiding te laten bezoeken, maar dat er eerst een pasje voor buitenregionaal rolstolvervoer en een identiteitskaart zou moeten worden aangevraagd. Tevens is om de adresgegevens van de vader verzocht zodat de WSJ met de vader zou kunnen bespreken om te bekijken hoe het bezoek het beste vorm gegeven zou kunnen worden gezien de mogelijkheden vanuit de inrichting waar vader verblijft en de te organiseren begeleiding. Op 14 mei 2013 kreeg de vader echter te horen dat de orthopedagoog van[Z] het niet in het belang van [naam] acht dat hij zijn vader zal bezoeken in de gevangenis, met als argument dat de voor [naam] vreemde omgeving onveilig en te belastend zou zijn. Daarna heeft de vader niets meer van de WSJ vernomen, doch nu, na vijf maanden, wordt van de vader verwacht dat hij een plan opstelt waaruit blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden die de WSJ aan de bezoekregeling stelt. De vader meent dat, gezien het verloop, de WSJ op onzorgvuldige wijze heeft gehandeld en met de bestreden aanwijzing de vader voor een onmogelijke opdracht heeft gesteld. De vader wil hoe dan ook met de WSJ afspraken maken over hoe de omgang gerealiseerd dient te worden en hoe[naam] hierin dient te worden begeleid, maar dit kan niet alleen door de vader worden gerealiseerd. Hij heeft hier zowel de bereidheid van de WSJ, de woning waar [naam] verblijft en de [PI X] voor nodig.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte. Zij vindt het belangrijk dat er contact is tussen [naam] en de vader.

Namens de WSJ heeft mevrouw [X] verweer gevoerd. Zij meent dat op grond van het feit dat de vader gedetineerd zit in [PI X], het aan de vader is om het mogelijk te maken dat het contact tussen hem en [naam] in [PI X] kan plaatsvinden. Zij heeft hierover met de maatschappelijk werker van [PI X] gesproken en zij heeft van hem vernomen dat er vanuit de kant van de vader veel weerstand is dit te regelen. Zij is de mening toegedaan dat, indien de vader wil meewerken om aan de gestelde voorwaarden te voldoen, hij zelf daarvoor de maatschappelijk werker dient te benaderen. Zij meent dat, gehoord hebbende dat één van de andere kinderen van de vader[naam] kan begeleiden in de reis van [Z] naar [PI X], in goed overleg met de vader, de maatschappelijke werker en één van de kinderen van de vader, gestalte kan worden gegeven aan een totstandkoming van het contact tussen de vader en [naam].

Beoordeling

Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoeker ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.

De kinderrechter heeft afgezien om de minderjarige in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op het verzoek, gelet op zijn complexe meervoudige handicap.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de betreffende aanwijzing vervallen verklaard dient te worden. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de door de WSJ gestelde voorwaarden om te bewerkstelligen dat er contact is tussen de vader en [naam] niet enkel en alleen door de vader gerealiseerd kunnen worden. De vader zit immers in detentie en om die reden zijn zijn mogelijkheden beperkt. De kinderrechter acht het meer voor de hand liggend dat in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de minderjarige en gelet op het veiligheidsaspect van de minderjarige, het aan de WSJ is om, naast te bepalen waar en onder begeleiding van wie invulling dient te worden geven aan het contact tussen [naam] en de vader, ook -zoals gebruikelijk- zorg te dragen voor een omgeving waar de veiligheid van de minderjarige gegarandeerd wordt. Ter zitting is de kinderrechter gebleken dat met de hulp van de maatschappelijk werker van de vader voorzieningen getroffen kunnen worden voor het creëren van een veilige, sfeervolle en overzichtelijke omgeving in [PI X]. Hiermee kan dus tegemoet worden gekomen aan de eerste voorwaarde voor het contactherstel. Tevens is naar voren gekomen dat één van de andere kinderen van de vader bereid is de vereiste begeleiding van [naam] op zich te nemen, waardoor ook aan de tweede voorwaarde voor contactherstel wordt voldaan. De kinderrechter acht het -in het kader van de ondertoezichtstelling- aan de WSJ om met alle partijen hierover in overleg te gaan en gestalte te geven aan het contact tussen[naam] en de vader. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat na te noemen uitgangspunten in een nieuwe schriftelijke aanwijzing zullen worden vastgelegd. De minderjarige zal één maal per maand omgang hebben met de vader, zulks in overleg met het netwerk van de vader en [PI X] af te spreken. Daarnaast zal in overleg tussen de WSJ en het netwerk van de vader, een persoon binnen de familie aangewezen te worden die de minderjarige kan begeleiden in de bezoeken aan de vader. Voorts zal het eerste contact tussen de minderjarige en de vader zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden na de datum van deze beschikking dienen plaats te vinden. Nu alle partijen het vorenoverwogene zijn overeengekomen en dit willen zien in een nieuwe schriftelijke aanwijzing, zal de kinderrechter de door de vader verzochte vaststelling van een omgangsregeling afwijzen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verklaart genoemde schriftelijke aanwijzing d.d. 8 november 2013 vervallen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Haan, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2013, in tegenwoordigheid van A.U. Hatuina als griffier.

Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staategen deze beslissing geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet.