Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17778

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
448198-13-394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Deelgeschil. Verzoek leent zich voor behandeling in deelgeschilprocedure. Tot en met november 2011 causaal verband tussen nekklachten en ongeval, het overige afgewezen. Causaal verband tussen lage rugklachten en ongeval niet gebleken. Afwijzing verzoek ter hand nemen schadeafwikkeling. Toewijzing voorschot. Wel begroting van, maar geen veroordeling in de kosten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/34

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/448198/ HA RK 13-394

Beschikking van 3 december 2013

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

hierna te noemen [verzoeker],

advocaat mr. T.K. Dik te Leiden,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

hierna te noemen Allianz,

advocaat mr. K.M. Volker te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 2 augustus 2013, met 7 producties;

- de bij brief d.d. 11 september 2013 zijdens [verzoeker] in het geding gebrachte productie 8;

- het op 18 oktober 2013 ingekomen verweerschrift, met 8 producties;

- de bij brief d.d. 21 oktober 2013 zijdens [verzoeker] in het geding gebrachte producties 8 tot en met 13;

- de bij brief d.d. 23 oktober 2013 zijdens [verzoeker] in het geding gebrachte productie 14;

- de bij faxbrief d.d. 24 oktober 2013 zijdens Allianz in het geding gebrachte productie 8.

1.2.

Op 29 oktober 2013 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen [verzoeker] bijgestaan door mr. Dik, alsmede de heer [A] (letselschadebehandelaar) en mr. Volker namens Allianz.

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 16 mei 2011 rond 8:00 uur heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als bestuurder van een voertuig zich bevindend in een stilstaande file op de autoweg N207 richting Amsterdam van achteren is aangereden, waardoor [verzoeker] tegen zijn voorligger is gebotst (hierna: het ongeval).

2.2.

Diezelfde dag heeft [verzoeker] contact opgenomen met Allianz waarbij hij Allianz op de hoogte heeft gesteld van het ongeval en de schade aan het voertuig, en heeft [verzoeker] voorts melding gemaakt van nekklachten.

2.3.

Na het ongeval heeft [verzoeker] diverse malen zijn huisarts bezocht. Na doorverwijzing van de huisarts heeft [verzoeker] in de periode van 10 juni 2011 tot eind oktober 2011 fysiotherapie gehad. Vanwege het aanhouden van klachten is [verzoeker] in 2012 opnieuw fysiotherapeutisch behandeld.

2.4.

Allianz heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Zij heeft de schade aan het voertuig van [verzoeker] ad € 3.605,00 (ex btw) reeds vergoed. Voorts zijn diverse voorschotten uitgekeerd aan [verzoeker] van in totaal € 24.600,00 en is ter zake de buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 12.507,00 uitgekeerd.

2.5.

Op verzoek van Allianz heeft ITEB B.V. (hierna: ITEB) de schade van [verzoeker] geïnventariseerd hetgeen eind augustus 2011 in een expertiserapport resulteerde.

2.6.

Op verzoek van ITEB, en met medewerking van [verzoeker] en Allianz, is vervolgens in november 2011 door Heling & Partners een arbeidsdeskundig en bedrijfeconomisch rapport opgesteld ter verdere vaststelling van de schade van [verzoeker] ter zake zijn verlies van verdienvermogen.

2.7.

In december 2011 heeft op verzoek van [verzoeker], en met medewerking van Allianz, een neurologische expertise plaatsgevonden door neuroloog Bernsen. Het neurologisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 23 december 2011 waarna op 27 december 2011 het conceptrapport en enige tijd later het definitieve rapport volgde. Bernsen concludeert hierin (voor zover relevant):

“Betrokkene heeft ten gevolge van het ongevalsmechanisme een acceleratie/deceleratie trauma ondergaan van de cervicale wervelkolom met nu medisch gedocumenteerde nekklachten passend bij een whiplash associated disorder graad I-II.

Daarnaast ontstonden na het ongeval bij betrokkene lumbagoklachten waarvoor geen neurlogische verklaring is te geven. Met name zijn er nu klinisch geen aanwijzingen voor een actueel radiculair syndroom en in deze zin bestaat er, zoals reeds door de behandelend neuroloog is aangegeven ondanks het gegeven dat de MRI van de LWK weliswaar enkele HNP’s toont, dan ook geen indicatie voor een neurochirurgische ingreep. De lage rugklachten worden in de medische correspondentie overigens pas op 25-7-2011 gemeld, dus enkele maanden na het ongeval. (…) Betrokkene heeft in het verleden eveneens enkele malen lumbagoklachten gehad zoals eveneens uit het huisartsenjournaal blijkt, maar nooit ziekteverzuim in verband hiermee.”

2.8.

Bersen heeft als diagnose gesteld:

“Acceleratie/deceleratie trauma van de cervicale wervelkolom met nekklachten passend bij een whiplash associated disorder graad I-II.”

2.9.

Op verzoek van Allianz is advies gevraagd aan een deskundige van Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) teneinde duidelijkheid te krijgen over de impact van het ongeval. OAN heeft op 24 januari 2013 een rapportage van haar bevindingen uitgebracht, waarbij gebruik is gemaakt van fotomateriaal aangezien de wrakken niet meer ter beschikking waren. Voor zover relevant vermeldt de rapportage de volgende bevindingen:

“Hoewel de gereconstrueerde delta v relatief laag is, is het aannemelijk dat de rugleuning van de bestelbus onder invloed van deze delta v en het lichaamsgewicht van de bestuurder (154 kg) is getordeerd. Bij een eventuele medische beoordeling van deze kwestie dient niet alleen rekening te worden gehouden met de zithouding van de heer [verzoeker] maar ook met voornoemd torderen. De schade aan de bestuurdersstoel is niet gefotografeerd. Hierdoor is onbekend op welke wijze de rugleuning is getordeerd.”

2.10.

Allianz heeft de rapportage van OAN voorgelegd aan haar medisch adviseur die – kort en zakelijk weergegeven – tot de conclusie komt dat een ongeval met een krachtsinwerking van 3,9-7,8 km/u niet kan leiden tot de gestelde rugklachten, dat die klachten kunnen worden gerelateerd aan de pre-existente situatie van [verzoeker] en dat de klachten er zonder het ongeval ook zouden zijn geweest.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de hoofd-, nek- en cognitieve klachten (hierna tezamen aangeduid als de nekklachten) alsmede de rugklachten van [verzoeker] in causaal verband staan tot het ongeval. Voorts verzoekt [verzoeker] te bepalen dat Allianz de schadeafwikkeling weer ter hand neemt en hem een voorschot uitkeert van € 57.905,00. Tot slot verzoekt [verzoeker] de aan de procedure verbonden advocaatkosten te begroten op € 3.862,00 (inclusief btw en kantoorkosten) en Allianz te veroordelen tot betaling van dat bedrag en de overige kosten van de procedure.

3.2.

[verzoeker] heeft naast voormelde feiten het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek. Sinds het ongeval heeft hij pijn in zijn nek, hoofd en onderrug. Vooral van de rugpijn ondervindt hij thans beperkingen in het dagelijks en werkzame leven. Toen hij zich op 18 mei 2011 meldde bij zijn huisarts heeft hij naast nekpijn aangegeven dat hij pijn had in zijn onderrug. Daarnaast had hij last van spierpijn, blauwe plekken en pijn aan de borst. Dat de huisarts dat niet heeft vermeld in zijn journaal doet daaraan niet af en daar mogen geen juridische consequenties aan worden verbonden. De nekklachten en beperkingen bestonden niet voor het ongeval. Weliswaar zijn er pre-existente rugklachten maar deze klachten hadden een specifieke oorzaak en verdwenen na verloop van tijd weer. Voor het ongeval was al enige tijd geen sprake meer van rugklachten. Volgens [verzoeker] staat het causaal verband tussen zowel de nek- als de rugklachten vast. Om deze reden dient bij de schadeafwikkeling zowel met de nekklachten als met de rugklachten rekening te worden gehouden, aldus [verzoeker].

3.3.

Allianz heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Behandeling van het geschil in een deelgeschilprocedure

4.1.

Ter beoordeling staat in de eerste plaats of het verzoek van [verzoeker] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv, zoals [verzoeker] stelt en Allianz betwist.

4.2.

Allianz heeft ter zake haar betwisting aangevoerd dat ook al zou de rechtbank tot het oordeel komen dat er een causaal verband is tussen de door [verzoeker] gestelde klachten en het ongeval dit er niet toe zal leiden dat er binnen afzienbare tijd een vaststellingsovereenkomst tot stand zal kunnen komen omdat de vaststelling van het causaal verband niets zegt over de aanwezigheid van de beperkingen. Over de beperkingen is niets bekend en bovendien ontbreekt een deugdelijke onderbouwing van de schade zodat waarschijnlijk getuigen- en/of deskundigenbewijs nodig is, aldus Allianz.

4.3.

Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat indien een beslissing op het verzoek niet direct zal leiden tot een vaststellingovereenkomst, dit, anders dan Allianz kennelijk meent, niet maakt dat het verzoek niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Van belang is dat partijen door de verzochte beslissing weer aan de onderhandelingstafel kunnen plaatsnemen. In de onderhavige zaak verwacht de rechtbank, gezien het verhandelde ter zitting, dat partijen na een beslissing op het verzoek de buitengerechtelijke onderhandelingen kunnen voortzetten. Nu uit het onderstaande zal blijken dat er ook geen nadere bewijslevering of deskundigenonderzoek noodzakelijk is om een beslissing op het verzoek te kunnen nemen, is de rechtbank van oordeel dat de verzochte beslissing een voldoende bijdrage levert aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst om op te kunnen wegen tegen de kosten en het tijdsverloop van deze procedure.

4.4.

Ook de door Allianz aangevoerde omstandigheid dat tussen partijen, naast de vraag naar het causaal verband, nog diverse andere geschilpunten bestaan (waaronder discussie over de aanwezigheid en gevolgen van de beperkingen), maakt op zichzelf niet dat het verzoek niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Nu [verzoeker] zich nadrukkelijk op het standpunt stelt dat het ongeval bij hem letsel heeft veroorzaakt is dat vooralsnog voldoende om toegelaten te worden tot de deelgeschillenprocedure.

4.5.

Gelet op het voorgaande zal worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Nekklachten en causaal verband met het ongeval

4.6.

Om een beslissing te kunnen nemen op het verzochte ter zake de nekklachten, is in de eerste plaats van belang of de door [verzoeker] gestelde klachten bestaan en vervolgens of deze door het ongeval zijn veroorzaakt. (Juridisch) Causaal verband tussen de klachten en het ongeval kan worden vastgesteld indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval de klachten niet had, de klachten door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt. Het ligt op de weg van [verzoeker] om het bestaan van de klachten en het causaal verband tussen de klachten en het ongeval te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen.

4.7.

Niet in geschil is dat direct na het ongeval sprake is van nekklachten (in brede zin) en dat in ieder geval tot en met november 2011 sprake is van een causaal verband tussen deze klachten en het ongeval. Het verzoek kan dus in zoverre worden toegewezen.

4.8.

[verzoeker] heeft gesteld dat hij ook na november 2011 nog ongevalgerelateerde nekklachten heeft. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de nekklachten inderdaad na november 2011 nog doorliepen kan de rechtbank daarover niet oordelen aangezien over die periode geen medische informatie in het geding is gebracht die de stellingen van [verzoeker] te dien aanzien onderbouwt.

4.9.

Ter zitting is afgesproken dat [verzoeker] medische informatie over de periode van na november 2011 aan de medisch adviseur van Allianz zullen verschaffen en dat partijen Bernsen zullen vragen zich uit te laten over de in die periode nog bestaande nekklachten en het (medisch) causaal verband met het ongeval.

Klachten aan onderrug en causaal verband met ongeval

4.10.

Om een beslissing te kunnen nemen op het verzochte ter zake de klachten aan de onderrug, is ook hier van belang of de door [verzoeker] gestelde klachten bestaan en of deze door het ongeval zijn veroorzaakt waarbij het op de weg van [verzoeker] ligt om het bestaan van de klachten en het causaal verband tussen de klachten en het ongeval te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen.

4.11.

Allianz heeft het causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde rugklachten en het ongeval betwist stellende dat de rugklachten pre-existent zijn. Reeds sinds 2006 heeft [verzoeker] opspelende rugklachten die soms zijn opgewekt door een specifieke gebeurtenis (zoals door een stoel gezakt) en voor het overige verband houden met het overgewicht van [verzoeker], aldus Allianz. Eveneens heeft Allianz bestreden dat de bestaande kwetsbare rug van [verzoeker] door het ongeval beschadigd is geraakt en voorts dat het ongeval tot een verergering van de rugklachten heeft geleid. Allianz heeft daartoe aangevoerd dat na het ongeval geen traumatische hernia is vastgesteld en dat luxatie van de rug naar aanleiding van een dergelijk ongeval volgens het rapport van OAN zeer onwaarschijnlijk moet worden geacht. Daarnaast, zo heeft Allianz betoogd, heeft [verzoeker] ongeveer drie maanden na het ongeval voor het eerst melding gemaakt van rugklachten.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten of voldoende objectief kan worden vastgesteld dat de door [verzoeker] aangevoerde gezondheidsklachten aan zijn onderrug reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn, [verzoeker] het causaal verband tussen de klachten en het ongeval onvoldoende heeft onderbouwd.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat een kop-staartbotsing, waarvan in casu sprake is, in beginsel niet leidt tot letsel aan de onderrug, althans lage rugklachten zijn geen bekend gevolg van een dergelijke botsing. Medisch en juridisch causaal verband tussen een kop-staartbotsing en rugklachten is daarom – anders dan [verzoeker] kennelijk meent – niet zonder meer gegeven. Een belangrijke aanwijzing voor het bestaan van causaal verband tussen kop-staartbotsing en de lage rugklachten kan zijn dat de klachten zich direct of kort na het ongeval hebben geopenbaard.

4.14.

Uit de voorhanden medische stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter niet dat dit het geval is, althans uit de stukken kan niet afgeleid worden dat het ongeval in dit specifieke geval heeft geleid of kunnen leiden tot klachten aan de onderrug. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.15.

[verzoeker] heeft zich na het ongeval van 16 mei 2011 pas op 18 mei 2011 voor het eerst gemeld bij zijn huisarts. Naar zeggen van [verzoeker] heeft hij bij die gelegenheid reeds melding gemaakt van zijn lage rugklachten doch, uit het huisartsenjournaal blijkt dit niet. De huisarts heeft op 18 mei 2011, met als vermelding episode “Pijn nek”, genoteerd:

“Paar dagen gelden in file door iemand achterop gereden. Zelf uit auto gekomen (total loss). In loop dagen meer pijn mn. nek, hoofd. Voorruit niet geraakt. (…) Drukpijn trapezii bdzs, hyptonie. Nekbewegingen passief onbeperkt. Geen asdrukpijn of lokale drukpijn CWK.”

4.16.

Hieruit blijkt dat de huisarts [verzoeker] uitgebreid heeft onderzocht en dat aan de centrale wervelkolom (CWK), waar de onderrug deel van uitmaakt, geen pijn is geconstateerd. Als [verzoeker] toen al lage rugpijn had, dan zou dit tijdens het onderzoek aan de CWK naar voren moeten zijn gekomen hetgeen niet het geval is.

4.17.

Ook bij het volgende bezoek aan de huisarts op 9 juni 2011 maakt [verzoeker] nog geen melding van rugklachten. Het huisartsenjournaal vermeldt als episode “Pijn nek”:

“Nog veel last spieren nek. (…) Drukpijnlijke nekmusculatuur (…) Pijn nek (…) Naar FT”

4.18.

Hieruit blijkt dat [verzoeker] in verband met nekklachten naar de fysiotherapeut is doorverwezen. De fysiotherapeut vermeldt in zijn verslag d.d. 17 juni 2011 bij de hulpvraag: “sinds 3wk nekklachten oorzaak auto-ongeval”. Weliswaar maakt de fysiotherapeut in zijn verslag ook melding van een door [verzoeker] aangegeven ‘LWK klacht’, maar duidelijk is dat [verzoeker] door de huisarts is doorverwezen vanwege zijn nekklachten.

4.19.

Uiteindelijk pas op 25 juli 2011 vermeldt de huisarts, wederom onder episode “Pijn nek”, iets over de lage rug:

“Nog last van nek sinds auto-ongeluk. (…) Nu 5 keer FT. Nog weinig verbetering. Komt opzetten in loop dag. Verder weer pijn onderrug met uitstraling been”

4.20.

De vermelding “Verder weer” is ook een aanwijzing dat de rugklachten die op 25 juli 2011 zijn vermeld door de huisarts in het huisartsenjournaal zich sinds het ongeval voor het eerst, maar ook weer opnieuw hebben voorgedaan. Gelet op de documentatie van de lage rugklachten in het huisartsenjournaal, wordt daarmee terugverwezen naar de eerdere (pre-existente) rugklachten in mei-juni 2010 (“Bekend met lage rugklachten”).

4.21.

Het ligt, anders dan [verzoeker] heeft gesteld, niet voor de hand dat de huisarts een melding van rugklachten niet in het huisartsenjournaal zou hebben opgenomen. Het is immers een belangrijke klacht is. Dat geldt te meer in het licht van de eerdere rugklachten van [verzoeker], die de huisarts getuige het huisartsenjournaal bekend waren.

4.22.

[verzoeker] heeft nog aanvullende brieven van de huisarts in het geding gebracht, waarin deze verklaart dat [verzoeker] voor het eerst op 9 juni 2011 aan hem een melding van rugklachten heeft gemaakt (zie de brieven van 15 december 2011 en 24 oktober 2013 (respectievelijk de producties 10 en 14 behorend bij het verzoekschrift). Hoewel deze verklaring niet overeenstemt met het huisartsenjournaal, geldt in dat geval dat [verzoeker] pas drie weken na het ongeval voor het eerst melding heeft gemaakt van rugklachten.

4.23.

Nu uit het voorgaande blijkt dat [verzoeker] op zijn vroegst drie weken na het ongeval voor het eerst melding heeft gemaakt bij zijn huisarts van klachten aan zijn rug, in combinatie met het feit dat [verzoeker] ook vóór de aanrijding specifiek met rugklachten bij de huisarts is geweest en daarvoor ook fysiotherapie heeft gehad (bij de bezoeken van 12 april 2010 en 9 juni 2010 vermeldt de huisarts bij episode “Lumbago met” en op 9 juni 2010 volgt een verwijzing naar de fysiotherapeut), ontbreekt causaal verband tussen de na het ongeval genoemde rugklachten en het ongeval.

4.24.

Voor zover [verzoeker] met verwijzing naar het rapport van OAN heeft gesteld dat de rugklachten zijn veroorzaakt door het torderen van zijn stoel ten gevolge van de aanrijding, geldt dat Allianz dit heeft betwist terwijl niet meer is vast te stellen of de autostoel daadwerkelijk getordeerd was ten gevolge van het ongeval. Maar zelfs wanneer er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de autostoel van [verzoeker] door het ongeval getordeerd is, volgt uit het voorgaande dat de rugklachten gezien het tijdstip en de wijze waarop de rugklachten zich hebben geopenbaard hiermee niet in causaal verband staan.

4.25.

Dat de pre-existente rugklachten van [verzoeker] eerder niet hebben geleid tot verstrekkende beperkingen leidt evenmin tot een ander oordeel.

4.26.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek te bepalen dat de door [verzoeker] ervaren lage rugklachten in causaal verband staan tot het ongeval zal worden afgewezen.

Het verzoek tot ter hand nemen schadeafwikkeling

4.27.

Nu Allianz ter zitting bereidheid heeft getoond om voor wat betreft de nekklachten de schadeafwikkeling weer ter hand te nemen, zal de rechtbank het daarop gerichte verzoek afwijzen.

Betaling van een voorschot

4.28.

De rechtbank is, mede gezien hetgeen zij met betrekking tot de rugklachten heeft overwogen, en het feit dat niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] hoofdzakelijk het gevolg is van de rugklachten, van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat de schade die van Allianz kan worden gevorderd hoger is dan het bedrag dat inmiddels door Allianz is uitgekeerd. Daarbij is van belang dat Allianz ter zitting heeft toegezegd een aanvullend voorschot ad € 5.000,00 uit te keren aan [verzoeker]. De rechtbank zal in het licht van het voorgaande een aanvullend voorschot van € 5.000,00 toewijzen.

Kosten

4.29.

Ook als het verzoek (grotendeels) wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

4.30.

[verzoeker] heeft verzocht om de redelijke kosten van rechtsbijstand te begroten en Allianz te veroordelen dat bedrag aan hem te betalen. In het lichaam van het verzoekschrift is aangevoerd dat er € 3.862,00, inclusief 5% kantoorkosten en 21% omzetbelasting, aan kosten is gemaakt. Daarbij is uitgegaan van 16 uur en een uurtarief van € 190,00. Dit bedrag dient volgens [verzoeker] nog te worden vermeerderd met het betaalde griffierecht.

4.31.

Allianz heeft ter zitting aangegeven tegen de hoogte van de kosten niet meer afzonderlijk bezwaar te maken. Gezien de aard van de zaak komt de aan de zaak bestede tijd de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal aldus de kosten begroten op € 4.136,00 (voormeld bedrag van € 3.862,00 vermeerderd met het betaalde griffierecht van
€ 274,00).

4.32.

Aangezien [verzoeker] grotendeels in het ongelijk is gesteld, waarbij mede in overweging is genomen dat het verzochte grotendeels is gebaseerd op het door [verzoeker] gestelde causale verband tussen de rugklachten en het ongeval, komen de kosten van dit deelgeschil uitsluitend voor vergoeding in aanmerking wanneer alsnog in rechte komt vast te staan dat een causaal verband tussen zijn lage rugklachten en het ongeval bestaat of moet worden aangenomen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de nekklachten (in brede zin) van [verzoeker] tot en met november 2011 in causaal verband staan tot het ongeval;

5.2.

bepaalt dat Allianz aan [verzoeker] bij wijze van voorschot op de schade in verband met de voortdurende nekklachten binnen twee weken na heden een bedrag van € 5.000,00 uitkeert;

5.3.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.136,00;

5.4.

verklaart deze beschikking ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op
3 december 2013.

type: 1790

coll: