Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17605

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
AWB 13/18064, 13/23690
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning asiel. Afwijzing verzoek om verlenging van deze verblijfsvergunning. Ongewenstverklaring.

Beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel van eiser en tegen een afzonderlijk besluit op bezwaar inhoudende een ongewenstverklaring. Eiser is afkomstig uit Burundi. Hij is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. Eiser is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in Peru vanwege poging tot cocaïnesmokkel. Inmiddels is hij in vrijheid gesteld maar hij bevindt zich nog immer in Peru. In Peru heeft verweerder aan eiser het voornemen bekend gemaakt om eisers verblijfsvergunning in te trekken, zijn verzoek om verlenging van deze verblijfsvergunning af te wijzen en om eiser ongewenst te verklaren, aangezien hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is op de Nederlandse ambassade te Peru in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar aanleiding van deze voornemens naar voren te brengen, maar hij werd daarbij niet bijgestaan door een rechtshulpverlener. Uiteindelijk heeft verweerder bij besluit de voornemens geëffectueerd. Daarbij heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, of c, Vw.

De rechtbank is van oordeel dat het besluit waarbij eiser ongewenst is verklaard op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Om te waarborgen dat eiser een deugdelijke zienswijze kon indienen naar aanleiding van met name het voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel, diende hij door verweerder in de gelegenheid te worden gesteld om te worden voorgelicht over de asielprocedure en zich hierbij te laten bijstaan door een met de Nederlandse asielprocedure bekende rechtshulpverlener. Eiser dient deze gelegenheid daarom alsnog te krijgen. Anders dan eiser stelt is het echter goed voorstelbaar om hem van deze waarborgen te verzekeren in Peru, zodat de rechtbank verweerder niet zal gelasten om eiser in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in persoon in Nederland naar voren te brengen. Het beroep is gegrond.

Met het oog op de nieuw te nemen besluiten overweegt de rechtbank voorts dat verweerder diens standpunt dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is niet deugdelijk heeft gemotiveerd en verder dat, anders dan eiser heeft aangevoerd, verweerder geen inreisverbod kon opleggen in plaats van eiser ongewenst te verklaren, nu eiser zich op het moment van de ongewenstverklaring niet in Nederland bevond. Aan eiser is dan ook ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd en voorts was het uitvaardigen van een inreisverbod op grond van artikel 66a Vw niet mogelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2013-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/18064 (intrekking verblijfsvergunning asiel)
AWB 13/23690 (ongewenstverklaring)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 december 2013 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Burundische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. D.S. Asarfi, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2013 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel van eiser met terugwerkende kracht tot 12 december 2006 ingetrokken en de aanvraag tot verlenging van deze verblijfsvergunning afgewezen. Tevens heeft verweerder eiser ongewenst verklaard.

Bij besluit van 13 augustus 2013 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 19 november 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2013. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 18 januari 2005 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel. Daarbij heeft hij het volgende aangevoerd. Eisers vader was chauffeur en reed op de route tussen [plaats 1] in Burundi en [plaats 2] in de Democratische Republiek Congo (DRC). Op een dag reed eiser met zijn vader mee. Op de weg terug van [plaats 2] naar [plaats 1] namen zij twee mannen en een vrouw mee. Later op dit traject dwongen vier mannen de vader van eiser om te stoppen, waarna zij de vrouw verkrachtten en vermoordden. Eiser werd ergens opgesloten waarna hij schoten hoorde en ervan uit ging dat zijn vader was vermoord. Na enkele dagen zonder eten en - buiten vies kraanwater - drinken vast te hebben gezeten, werd eiser bevrijd door militairen van vermoedelijk de Verenigde Naties. Zij gaven eiser 500 Amerikaanse dollar mee waarna eiser terugkeerde naar zijn huis. Daar hoorde hij van zijn buurman dat zijn moeder en zussen gevlucht waren en dat eiser dat beter zelf ook kon doen, omdat zowel militairen als mannen in burgerkleding langs zijn huis waren gekomen en naar eiser hadden gevraagd. De buurman vertelde eiser dat zijn overvallers rebellen waren van de “[groepering]” ([groepering]). Eiser vermoedt dat ze hem wilden vermoorden om te voorkomen dat hij tegen hen zou getuigen. De militairen waren naar eiser op zoek omdat zij vermoedden dat hij verbonden was aan de [groepering], denkt eiser. De werkgever van de buurman van eiser hielp eiser met zijn vlucht naar Nederland.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met toepassing van het destijds ten aanzien van asielzoekers uit Burundi gevoerde categoriaal beschermingsbeleid ingewilligd en hem op grond van artikel 29, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel met een geldigheidsduur van 18 januari 2005 tot 18 januari 2010. Op 6 september 2007 is eiser in Peru onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en 8 maanden wegens een poging tot uitvoer van 1008 gram cocaïne, welk strafbaar feit was begaan op 1 december 2006. Eiser is thans in vrijheid gesteld maar bevindt zich nog immer in Peru. De Peruaanse autoriteiten hebben eiser bij ministerieel besluit van 15 maart 2013 aangezegd terug te keren naar Nederland.

2.

Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op de volgende standpunten gesteld. Uit een strafmaatvergelijking van 31 januari 2013, uitgevoerd door de Officier van Justitie, is gebleken dat eiser een gevangenisstraf tot ongeveer 12 maanden onvoorwaardelijk opgelegd zou hebben gekregen als hij het misdrijf in Nederland zou hebben begaan. Eiser heeft tot het moment dat hij het delict beging meer dan één jaar doch minder dan twee jaar rechtmatig in Nederland verbleven. Op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, Vw in samenhang met artikel 3.86, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel van eiser ingetrokken en zijn aanvraag tot verlenging daarvan afgewezen omdat eiser wordt aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde. Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw. In dat verband heeft verweerder zich allereerst op het standpunt gesteld dat artikel 31, tweede lid, onder f, Vw van toepassing is nu eiser bij zijn inreis in 2005 toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd. Van eisers asielrelaas dient aldus een positieve overtuigingskracht uit te gaan en dat gaat er niet. Dat standpunt heeft verweerder als volgt gemotiveerd. Na raadpleging van Google Earth is gebleken dat de afstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] 31,4 kilometer bedraagt, wat neerkomt op een reisduur per auto van 34 minuten. Eiser heeft gesteld hier twee uur over te hebben gedaan. Daarnaast is het ongeloofwaardig dat eiser bij het passeren van de grens tussen Burundi en de DRC zijn identiteitspapieren thuis achterliet.
Voorts doet zich naar het oordeel van verweerder in het land van herkomst geen algemene situatie voor zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn).
Nu eisers verblijfsvergunning is ingetrokken en hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op een andere grond, heeft verweerder hem ongewenst verklaard, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.

3.

Het rechtsgevolg van de ongewenstverklaring is, gelet op toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 67, derde lid, Vw, dat eiser - zolang de ongewenstverklaring voortduurt - in geen geval rechtmatig verblijf kan hebben. De rechtbank zal, gelet daarop, de gronden die zijn aangevoerd tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en afwijzing van het verzoek tot verlenging van die vergunning beoordelen in het kader van het beroep tegen de ongewenstverklaring.

4.

Eiser voert aan dat zijn ongewenstverklaring leidt tot schending van de internationale verplichtingen om hem te beschermen, althans om refoulement te voorkomen. Nederland heeft die verplichting aanvaard door aan hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. Bij de verlening van die verblijfsvergunning kon eiser niet opkomen tegen de aard van de geboden bescherming. Hieruit volgt dat bij herbeoordeling, verlenging of intrekking van de bescherming die aan hem toekomt, tevens een zorgvuldige beoordeling van het refoulement verbod aan de orde moet komen. Er kan immers niet worden uitgesloten dat eiser een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, of dat hem bescherming toekomt op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Eiser is door de Nederlandse vertegenwoordiging te Peru op de hoogte gesteld van het voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning. Onduidelijk is of hij op de juiste wijze is geïnformeerd omtrent de inhoud van dat voornemen. Gezien de inhoud van de zienswijze die eiser persoonlijk, zonder advocaat, heeft ingediend, heeft hij enkel begrepen dat hij ongewenst zal worden verklaard. Ook in het gesprek dat naar aanleiding van het voornemen heeft plaatsgevonden op de Nederlandse ambassade te Peru, waarbij eiser evenmin werd bijgestaan door een advocaat, zijn enkel vragen gesteld die relevant zijn voor de beoordeling van de ongewenstverklaring. Over de asielmotieven en het actuele risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Burundi is niet gesproken. Thans is een zorgvuldige beoordeling van voornoemde normen aldus uitgebleven. Ter zitting heeft eiser voorts aangevuld dat voor een zorgvuldige herbeoordeling eiser in Nederland, in persoon en bijgestaan door een advocaat, zal moeten worden gehoord door een gehoormedewerker gespecialiseerd in het asielrecht. De ongewenstverklaring is dan ook ten onrechte opgelegd, omdat deze er aan in de weg staat dat eiser Nederland kan inreizen en hier te lande rechtmatig verblijf kan verkrijgen.

5.1

Bij verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich ter zake van het horen van eiser in Peru op het volgende standpunt gesteld. Er is geen sprake van onzorgvuldigheid nu het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel van eiser en tot ongewenstverklaring aan hem zijn voorgelegd en hij de mogelijkheid heeft gekregen om de in dit verband voorgelegde vragen op de ambassade in Peru te beantwoorden. Eiser heeft zijn motieven voldoende naar voren kunnen brengen. Bovendien waren de asielmotieven van eiser al bekend uit het aan de verlening van zijn verblijfsvergunning voorafgegane nader gehoor.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de totstandkoming van de bestreden besluiten in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht, neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers stelling dat de wijze waarop hij zijn zienswijze naar aanleiding van het voornemen tot intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel, tot afwijzing van zijn verzoek om verlenging en tot ongewenstverklaring, naar voren heeft kunnen brengen, met onvoldoende waarborgen was omkleed, treft doel. Om te waarborgen dat eiser een deugdelijke zienswijze kon indienen naar aanleiding van het genoemde voornemens diende hij door verweerder in de gelegenheid te worden gesteld om te worden voorgelicht over de asielprocedure en zich hierbij te laten bijstaan door een met de Nederlandse asielprocedure bekende rechtshulpverlener. De rechtbank wijst hierbij ook op het bepaalde in artikel 3.109, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 in welke bepaling waarborgen van die strekking zijn neergelegd. Weliswaar ziet die bepaling niet op de voorbereiding van een aanvraag tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel en niet op de fase van het indienen van een zienswijze. Echter, niet in te zien valt dat een zienswijzeprocedure waarbij, zoals in dit geval, de intrekking van een asielvergunning stoelt op de beoordeling van het oorspronkelijk asielrelaas, niet met dezelfde waarborgen zou moeten worden omkleed. Dat eiser over zijn asielmotieven al is gehoord na het indienen van zijn aanvraag van 18 januari 2005, is onvoldoende voor een ander oordeel. Het gaat erom dat eiser door verweerder op een deugdelijke wijze in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn zienswijze te geven op het voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel en de gronden waarop dat voornemen berustte. Bij dit laatste hoort ook dat eiser zich kan laten bijstaan door een ter zake kundige rechtshulpverlener. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder eiser die gelegenheid heeft geboden. Slechts indien aan die voorwaarde is voldaan kan verweerder ervan uitgaan dat eiser het voornemen in de volle omvang heeft begrepen en bij zienswijze naar voren heeft gebracht wat hij wilde aanvoeren. Eiser dient deze gelegenheid daarom alsnog te krijgen. Anders dan eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank evenwel geen reden om tot het oordeel te komen dat het onderzoek zo ver dient te strekken dat eiser in de gelegenheid zou moeten worden gesteld om zijn zienswijze in persoon hier te lande in te dienen. Het is goed voorstelbaar dat eiser op de Nederlandse ambassade te Peru eveneens op een deugdelijke wijze zijn zienswijze naar voren kan brengen, bijvoorbeeld door aldaar in rechtstreekse verbinding te staan met zijn gemachtigde. De praktische belemmeringen waar eisers gemachtigde ter zitting op heeft gewezen, zoals de verschillende tijdzones van Peru en Nederland en de slechte internetverbinding waar eiser in Peru thans beschikking over heeft, zijn niet als onoverkomelijk aan te merken.
De beroepsgrond slaagt. Reeds daarom heeft verweerder niet op juiste wijze beoordeeld of de ongewenstverklaring niet in strijd is met het Vluchtelingenverdrag dan wel artikel 3 EVRM en zijn de beroepen gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Met het oog op de nieuw te nemen besluiten zal de rechtbank echter de volgende beroepsgronden nog bespreken.

6.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat van zijn asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. De redenering dat de afstand tussen [plaats 1] naar [plaats 2] in 34 minuten is af te leggen is op onduidelijke wijze gemotiveerd. De wegen in Burundi hebben en hadden niet de juiste voorzieningen om met een gemiddelde snelheid van bijna 60 kilometer per uur ter rijden. Er zijn veel checkpoints en de weg is in slechte conditie. Ook internationale organisaties beschrijven hoe slecht de conditie van de wegen is. Ter onderbouwing wijst eiser op het OCHA Burundi Situation Report van 19 - 25 april 2004.
Verder heeft verweerder niet kunnen overwegen dat het ongeloofwaardig is dat eiser bij het passeren van de grens niet in het bezit was van identiteitsdocumenten. De grenspassage is veelal informeel. Personen die enkel de “markt” aan de andere kant van de grens willen bezoeken worden zonder formaliteiten toegelaten. Daarnaast heeft eiser in het nader gehoor gesteld dat zijn vader een bekende was van de douane ambtenaren waar hij goede contacten mee had. De grens werd op grote schaal illegaal gepasseerd, zoals ook blijkt uit het rapport van de VN Veiligheidsraad, S/2005/728.

6.1

Ten aanzien van de gestelde duur van de reis tussen [plaats 1] en [plaats 2] heeft verweerder ter zitting het standpunt zoals dat staat beschreven in het bestreden besluit gehandhaafd. Onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Burundi van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2007 (het ambtsbericht van 2007) heeft verweerder zich voorts bij verweerschrift op het standpunt gesteld dat in Burundi een identificatieplicht geldt voor iedereen vanaf 18 jaar oud. Gelet daarop, in aanvulling op hetgeen in het bestreden besluit 1 is overwogen, is het temeer bevreemdend dat eiser heeft gesteld zonder identiteitspapieren de grens tussen Burundi en de DRC te hebben overschreden.

6.2

De rechtbank stelt voorop dat eiser niet heeft bestreden dat artikel 31, tweede lid, onder f, Vw van toepassing is. Gelet daarop dient van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uit te gaan om door verweerder als geloofwaardig te worden aangemerkt. Dit houdt in, zoals uit bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF5566), dat in dat geval in het asielrelaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. De bestuursrechter kan vervolgens slechts met terughoudendheid toetsen of verweerder op goede gronden tot het oordeel is kunnen komen dat positieve overtuigingskracht ontbreekt. Met inachtneming van het voormelde kader overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit 1 onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de gestelde reistijd van twee uur tussen [plaats 1] en [plaats 2] niet juist kan zijn. Verweerder heeft slechts verwezen naar informatie van Google Earth, zonder de feitelijke situatie daarbij te betrekken, zoals de staat van de wegen en de verschillende checkpoints die zouden kunnen zorgen voor oponthoud, waar eiser in beroep op heeft gewezen. Gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd heeft verweerder voorts evenmin in redelijkheid mogen overwegen dat het niet gevolgd kan worden dat verzoeker zonder identiteitspapieren zou reizen tijdens de ritten met zijn vader. In het ambtsbericht van 2007 wordt slechts vermeld dat er in de verslagperiode een identificatieplicht gold voor personen vanaf 18 jaar oud en dat het niet kunnen tonen van identiteitspapieren het risico op arrestatie met zich meebracht. Eiser heeft er in beroep echter op gewezen dat hij reeds bij het nader gehoor heeft verklaard dat zijn vader een bekende was van de douane beambten en dat hij daarom gemakkelijk samen met zijn vader de grens kon passeren. Verweerder heeft dit bij diens overweging in dit verband niet kennelijk betrokken, waar dit wel had gemoeten. Het standpunt van verweerder dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is, is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.

7.

De door eiser aangevoerde beroepsgrond die de rechtbank tot slot zal behandelen, is dat hij geen gemeenschapsonderdaan is en dat daarom de bepalingen ter zake van het inreisverbod van hoofdstuk 6, Afdeling 3, van de Vw op hem van toepassing zijn. Verweerder heeft dit erkend door aan hem een terugkeerbesluit op te leggen. Gelet daarop kon eiser niet ongewenst worden verklaard.

7.1

Ter zitting heeft verweerder vermeld dat per abuis een terugkeerbesluit is opgenomen in het bestreden besluit 1. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat tegen eiser geen inreisverbod kon worden uitgevaardigd omdat hij zich op dat moment niet op het grondgebied van de Europese Unie bevond.

7.2

Nu eiser zich ten tijde van het bestreden besluit 1 niet in Nederland bevond, is het terugkeerbesluit ten onrechte genomen. Uit het bepaalde in artikel 62a, eerste lid van de Vw blijkt dat een terugkeerbesluit alleen kan worden genomen ten aanzien van een vreemdeling die in Nederland verblijft. Immers, met dat besluit wordt de vreemdeling in kennis gesteld van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en dat is niet aan de orde bij een vreemdeling die, zoals eiser, in het buitenland verblijft. Omdat ten aanzien van eiser geen terugkeerbesluit kon worden genomen, zijn ook de bepalingen uit de Vw over het opleggen van een inreisverbod niet van toepassing op eiser. Verweerder was dan ook niet bevoegd om tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen zoals bedoeld in artikel 66a Vw. Uit de tekst van artikel 67 Vw blijkt verder niet dat een vreemdeling die in het buitenland verblijft door verweerder niet ongewenst kan worden verklaard.

8.

De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren, de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser tot verlenging van zijn verblijfsvergunning asiel. De overige gronden van de beroepen behoeven geen bespreking meer. Mede gelet op hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 5.2 heeft overwogen met betrekking tot de mogelijkheid voor eiser om zijn zienswijze vanuit Peru te geven, zal de rechtbank niet voldoen aan het ter zitting door eisers gemachtigde gedane verzoek om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb ambtshalve als voorlopige voorziening te treffen de opschorting van de rechtsgevolgen van het (primaire) besluit tot ongewenstverklaring.

9.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht à € 160 moet vergoeden.

10.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1416,- (1 punt voor ieder beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser tot het verlengen van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde
griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1416,- te betalen aan
eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Thelosen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.