Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17602

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
1247908 RL EXPL 13-5864 en 1256292 RL EXPL 13-8066
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen substantiele overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures in eerste aanleg en appel. geen onrechtmatig handelen van de staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

at

Rolnummers: 1247908 RL EXPL 13-5864 en 1256292 RL EXPL 13-8066

9 december 2013

[jw.sys.rolnummer]

Vonnis in de gevoegde zaken van:

[eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde],
(inkomensverklaring nummer:[nummer])


tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN),

zetelend te Den Haag,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G.J.H. Houtzagers,

en

[eiser 2],

wonende te[woonplaats 2],
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde],
(inkomensverklaring nummer: [nummer])

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN),

zetelend te Den Haag,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G.J.H. Houtzagers,

Eisende partijen worden hierna aangeduid als [eiser 1], [eiser 2] of, gezamenlijk, als [eisers] Gedaagde partij zal worden aangeduid als de Staat.

Procedure

Het verloop van de procedure [eiser 1] tegen de Staat blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 februari 2013, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging ex art. 220 lid 1 Rv dan wel 222 Rv;

  • -

    de conclusie van antwoord inzake incidentele conclusie tot voeging ex art. 220 lid 1 Rv dan wel 222 Rv;

  • -

    het vonnis in het incident van 22 juli 2013, waarin de kantonrechter heeft beslist tot voeging van de zaak van [eiser 1] met de zaak met nummer 1256292/13-8066 tussen [eiser 2] en de Staat.

Het verloop van de procedure [eiser 2] tegen de Staat blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 maart 2013, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging ex art. 220 lid 1 Rv dan wel 222 Rv;

  • -

    de conclusie van antwoord inzake incidentele conclusie tot voeging ex art. 220 lid 1 Rv dan wel 222 Rv;

  • -

    het vonnis in het incident van 22 juli 2013, waarin de kantonrechter heeft beslist tot voeging van de zaak van [eiser 2] met de zaak met nummer 1247908/13-5864 tussen [eiser 1] en de Staat.

Na de voeging van beide zaken is door de Staat een conclusie van antwoord met producties genomen. Hierna is bij mondeling vonnis een comparitie van partijen gelast voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Voorafgaande aan de comparitie zijn van de zijde van [eisers] aanvullende producties voorzien van een korte toelichting in het geding gebracht. [eisers] producties in het geding gebracht. De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. De gemachtigde van [eisers] heeft ter comparitie gebruik gemaakt van een pleitnotitie. De gemachtigde van de Staat heeft ook gebruik gemaakt van schriftelijke zittingsaantekeningen. Bedoelde documenten zijn door de kantonrechter aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat overigens ter zitting is besproken.

Vervolgens heeft de kantonrechter vonnis bepaald op heden.

Feiten

Eerste aanleg

1.

Op 23 december 2003 heeft V.N.I. Enschede B.V. (VNI) [vof 1], [eiser 1], [eiser 2] en [BV 1] gedagvaard om te verschijnen voor de kantonrechter te Almelo. Het betrof een huurgeschil, waarbij VNI − zakelijk weergegeven − betaling van (achterstallige) huurpenningen en meerwerknota’s, ontruiming van het gehuurde en ontbinding van de huurovereenkomst vorderde.

2.

VNI heeft een kort geding aangespannen tegen [eisers], [vof 1] en [BV 1] met betrekking tot hetzelfde geschil. Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter is spoedappel ingesteld.

3.

In de bodemzaak is op de eerst dienende dag (20 januari 2004) en vervolgens bij brieven van 13 februari 2004 en 11 maart 2004 door de gemachtigde van [eisers] uitstel gevraagd. De uitstelverzoeken hielden verband met de onder 2 genoemde procedures. Op 13 april 2004 is door [eisers], [vof 1] en [BV 1] een conclusie van antwoord genomen in de procedure tegen VNI.

4.

De zaak is vervolgens op de rol geplaatst voor conclusie van repliek aan de zijde van VNI. De gemachtigde van VNI heeft bij brieven van 28 april 2004, 26 mei 2004 en 30 juni 2004 verzocht om uitstel voor het nemen van conclusie van repliek. De uitstelverzoeken hielden verband met het onder 2 genoemde spoedappel. De gemachtigde van [eisers] heeft ingestemd met de uitstelverzoeken van 26 mei 2004 en 30 juni 2004.

5.

Op 19 augustus 2004 − de zaak stond toen voor repliek aan de zijde van VNI op 31 augustus 2004 − heeft de gemachtigde van VNI een brief gezonden aan de kantonrechter, waarin hij meedeelt dat het gerechtshof Arnhem arrest heeft gewezen in de spoedappelprocedure en dat partijen in onderhandeling zijn om de zaak in der minne te regelen. De gemachtigde van VNI heeft verzocht om een nader uitstel tot 12 oktober 2004 en meegedeeld dat de gemachtigde van[eisers] met het uitstelverzoek heeft ingestemd.

6.

Op 15 september 2004 is [BV 1] gefailleerd, waarna de procedure in relatie tot deze partij van rechtswege is geschorst.

7.

Bij brief van 3 november 2004 heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter meegedeeld dat het faillissement van [eiser 1] en [eiser 2] is aangevraagd. De gemachtigde heeft op grond van een dringende reden en in afwachting van de beslissing op de faillissementsverzoeken nader uitstel verzocht voor het nemen van een conclusie van repliek. [eisers] hebben op 8 november 2004 een reactie op deze brief gezonden naar de kantonrechter, waarin zij zich verzetten tegen het uitstelverzoek. Bij brief van 17 november 2004 heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter meegedeeld dat zijn mededelingen in de brief van 3 november 2004 een vergissing zijn en dat de faillissementsverzoeken eerst op 15 november 2004 zijn ingediend. [eisers] hebben bij brief van 22 november 2004 gereageerd en bezwaar gemaakt tegen het uitstelverzoek van VNI.

8.

De kantonrechter heeft VNI bij brief van 25 november 2004 op voorhand uitstel verleend voor het nemen van een conclusie van repliek “totdat de faillissementaanvraag is afgewikkeld”. De kantonrechter heeft in de brief geschreven dat hij “het belang dat VNI heeft bij aanhouding van de procedure, te weten het voorkomen van verdere proceskosten, zal laten prevaleren boven het belang dat [BV 1] heeft bij de voortgang van de procedure”.

9.

Bij brief van 19 januari 2005 heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter − zakelijk weergegeven – meegedeeld dat [eiser 2] een verzoek tot toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) heeft ingediend en dat de behandeling van dit verzoek circa zes maanden in beslag kan nemen. Hij heeft voorts meegedeeld dat het faillissementsverzoek jegens [eiser 1] is afgewezen, maar dat daartegen beroep is ingesteld. In verband met één en ander heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter verzocht de zaak drie maanden aan te houden. De kantonrechter heeft het uitstel verleend en de zaak aangehouden tot de rolzitting van 3 mei 2005.

10.

Op 12 januari 2005 heeft de rechtbank Almelo het verzoek tot faillietverklaring van [eiser 1] afgewezen. Op 21 februari 2005 heeft het hof het verzoek in hoger beroep ook afgewezen.

11.

[eiser 2] is met ingang van 1 maart 2005 toegelaten tot de WSNP. De procedure VNI-[eiser 2] is met ingang van die datum van rechtswege geschorst op grond van het bepaalde in de artikelen 29 en 313 Faillissementswet (Fw).

En verder in eerste aanleg tussen VNI en [eiser 1]

12.

Bij brief van 21 april 2005 heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter verzocht in te stemmen met een nader uitstel van vier weken. De opgegeven reden is dat de bewindvoerder van [eiser 2], mr. J.A.D.M. Daniëls (de bewindvoerder) nog niet in de gelegenheid is geweest om inhoudelijk op de zaak te reageren. Het uitstelverzoek is meeondertekend door de bewindvoerder. De kantonrechter heeft uitstel verleend tot de rolzitting van 31 mei 2005.

13.

Bij brief van 4 juli 2005 heeft VNI [eiser 1] een schikkingsvoorstel gedaan. VNI heeft [eiser 1] aangezegd te zullen voortprocederen indien het schikkingsvoorstel niet door hem wordt aanvaard.

14.

In de faxbrief (van de griffier) van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede van 7 juli 2005 aan [eiser 1] wordt, onder meer, het volgende meegedeeld:

“(…) Volledigheidshalve deel ik U mede dat door de griffier is verzuimd Uw zoon[eiser 1] op de hoogte te stellen van het feit dat de procedure, op grond van het feit dat Uw man[eiser 2] is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, is geschorst tot 31 december 2005. (…)”

15.

Bij brief van 13 juli 2005 aan de kantonrechter, heeft [eiser 1] – zakelijk weergegeven − meegedeeld dat hij sinds februari 2005 geen bericht meer heeft ontvangen van de kantonrechter over de zaak VNI-[eiser 1] en dat hij in verwarring is over de stand van zaken. In deze brief heeft [eiser 1] vermeld dat het hof het verzoek tot faillietverklaring van [eiser 1] in hoger beroep heeft afgewezen op 21 februari 2005.

16.

Op 8 augustus 2005 schrijft de griffier van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede het volgende aan [eisers]:

“(…) Hierbij deel ik u mede dat ik uw schrijven in goede orde heb ontvangen en toevoeg aan het dossier.

Voor de goede orde deel ik u mede dat de procedure onder zaaknummer [zaaknummer] vooralsnog geschorst blijft. (…)”

17.

Bij brief van 13 augustus 2005 heeft [eiser 1] dezelfde onderwerpen als genoemd in zijn brief van 13 juli 2005 onder de aandacht van de kantonrechter gebracht. De kantonrechter heeft op 17 augustus 2005 schriftelijk meegedeeld dat de brief zal worden doorgeleid aan VNI en dat VNI de gelegenheid krijgt zich uit te laten.

18.

Bij brief van 18 augustus 2005 heeft de gemachtigde van VNI aan de kantonrechter meegedeeld dat de procedure tegen [eiser 2] van rechtswege is geschorst in verband met de jegens hem uitgesproken schuldsanering en dat de bewindvoerder zich nog over de vordering heeft uit te laten. De gemachtigde van VNI heeft voorts het volgende meegedeeld: “Indien met de bewindvoerder over de hoogte van de vordering overeenstemming kan worden bereikt, zal de procedure niet verder worden voortgezet. Zodra deze informatie bekend is, zal ik u hieromtrent inlichten.”

19.

Bij brief van 21 november 2005 heeft de kantonrechter de gemachtigde van VNI meegedeeld dat de procedure op de rol zal worden geplaatst van 31 december 2005 en verzocht om een uitlating over de vraag of in de zaak moet worden doorgeprocedeerd of dat de zaak kan worden geroyeerd.

20.

Bij brief van 22 december 2005 heeft de gemachtigde van VNI − zakelijk weergegeven − verzocht om de zaak tegen [eiser 1] en [vof 1] op de continuatierol te plaatsen voor het nemen van een conclusie van repliek. De kantonrechter heeft op 23 december 2005 een kopie van deze brief naar [eiser 1] gezonden, met daarbij de mededeling dat VNI op 31 januari 2006 een conclusie van repliek mag nemen.

21.

Bij brief van 6 januari 2006 heeft de president van de rechtbank Almelo gereageerd op een klacht van [eisers] ingediend bij brief van 2 januari 2006 met betrekking tot het handelen van de griffie van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede. In deze brief schrijft de president, voor zover in deze procedure relevant, het volgende:

“(…) Wel wil ik u nog wijzen op artikel 29 jo 313 Fw waarin is bepaald dat procedures die strekken tot betaling van een geldsom te betalen uit de faillissements- of schuldsaneringsboedel van rechtswege worden geschorst. Dit geldt natuurlijk niet voor[eiser 1] op wie de wsnp niet van toepassing is verklaard. (…)”

22.

Op 31 januari 2006 heeft VNI een conclusie van repliek genomen. Op 28 maart 2006 is van de zijde van [eiser 1] een conclusie van dupliek genomen.

23.

Op 9 mei 2006 is van de zijde van VNI een akte uitlating producties genomen.

24.

Op 5 september 2006 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. In dit vonnis heeft de kantonrechter VNI niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering jegens [vof 1] De kantonrechter heeft aan [eiser 1] een bewijsopdracht gegeven.

25.

Op 3 oktober 2006 heeft [eiser 1] een akte genomen met het verzoek om getuigen te mogen horen. Het getuigenverhoor heeft op 13 november 2006 plaatsgevonden, de contra enquête op 15 december 2006. De kantonrechter heeft op 24 april 2007 eindvonnis gewezen. De kantonrechter heeft – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat de huurovereenkomst tussen VNI en [vof 1] is overgegaan op [BV 2] en heeft de vordering jegens [eiser 1] afgewezen.

Hoger beroep VNI-[eiser 1]

26.

Op 14 mei 2007 heeft VNI hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 april 2007 bij het gerechtshof Arnhem (hierna: het hof). Op 23 of 24 juli 2007 (de processtukken in deze zaak zijn niet eenduidig op dit punt) heeft VNI een memorie grieven ingediend. Op 4 september 2007 heeft [eiser 1] een memorie van antwoord genomen. Op 16 oktober 2007 is door VNI gefourneerd. Op 10 juni 2008 heeft het hof een tussenarrest gewezen. In dit tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat [eiser 1] niet is geslaagd in het hem door de kantonrechter opgedragen bewijs dat de huurovereenkomst tussen [vof 1] en VNI is overgegaan op [BV 2] , en kondigt het hof een comparitie van partijen aan. Bedoelde comparitie van partijen heeft 10 november 2008 plaatsgevonden. Op 16 december 2008 heeft [eiser 1] een memorie na comparitie genomen. Op 10 februari 2009 heeft VNI een antwoordmemorie genomen. Op 24 februari 2009 is door VNI gefourneerd. Uit het dossier blijkt niet of ook door [eiser 1] is gefourneerd.

27.

Op 8 december 2009 heeft het hof opnieuw een tussenarrest gewezen in de procedure tussen VNI en [eiser 1] [eiser 1] heeft op 9 maart 2010 een antwoordakte genomen die door het hof geweigerd is. Op 10 augustus 2010 heeft het hof opnieuw een tussenarrest gewezen. Op 7 september 2010 heeft VNI een akte genomen. [eiser 1] heeft op 5 oktober 2010 een akte genomen, die door het hof is geweigerd. [eiser 1] heeft op 2 november 2010 opnieuw een akte genomen, die eveneens door het hof geweigerd is. Op 14 december 2010 heeft VNI gefourneerd.

28.

Op 19 april 2011 heeft het hof eindarrest gewezen. Het oordeel van het hof komt er − zakelijk weergegeven − op neer dat tussen [vof 1] en VNI een huurovereenkomst heeft bestaan die op 14 maart 2007 is geëindigd en dat [eiser 1] als vennoot van [vof 1] aansprakelijk is voor betaling van meerwerk en huurpenningen, vermeerderd met een contractuele boete, rente en kosten.

Cassatie [eiser 1]-VNI

29.

Tegen dit eindarrest van het hof heeft [eiser 1] op 19 juli 2011 cassatie ingesteld. Op 14 juni 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie.

Voortzetting eerste aanleg VNI-[eiser 2]

30.

Op 24 september 2008 heeft VNI bij exploit uitgebracht aan [eiser 2] verklaard dat de procedure wordt hervat. Op 2 december 2008 heeft VNI een conclusie van repliek genomen, waarbij zij haar eis heeft gewijzigd. Op 3 februari 2009 heeft [eiser 2] een conclusie van dupliek genomen. Op 3 maart 2009 heeft VNI een akte genomen.

31.

Bij brief van 3 maart 2009 heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat in beginsel vonnis zal worden gewezen op 31 maart 2009. Bij brief van 31 maart 2009 heeft de kantonrechter meegedeeld dat de zaak is aangehouden tot 28 april 2009 voor het wijzen van vonnis. Bij brief van 28 april 2009 heeft de kantonrechter meegedeeld dat de zaak is aangehouden tot 19 mei 2009 voor het wijzen van vonnis. Op 19 mei 2009 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. In dit tussenvonnis heeft de kantonrechter – zakelijk weergegeven − geoordeeld dat de huurovereenkomst tussen VNI en [vof 1] niet is overgegaan op [BV 2] en dat de bewindvoerder de huurovereenkomst bij brief van 16 juni 2005 heeft opgezegd.

32.

[eiser 2] heeft de kantonrechter in de procedure tegen VNI gewraakt. De kantonrechter heeft op 26 juni 2009 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.

33.

VNI is in de gelegenheid gesteld om zich uiterlijk op de rolzitting van 23 juni 2009 uit te laten naar aanleiding van het tussenvonnis, hetgeen VNI ook heeft gedaan. [eiser 2] heeft op 18 augustus 2009 een akte genomen. De kantonrechter heeft [eiser 2] vervolgens op diezelfde datum bericht dat in beginsel op 15 september 2009 vonnis zal worden gewezen.

34.

In de brief van 15 september 2009 van de griffier aan [eiser 2] is het volgende vermeld:

“(…) Hierbij deel ik u mede, dat uw wederpartij op bovenvermelde zittingsdatum een aanhouding heeft verkregen voor het indienen van een schriftelijke reactie, zijnde de beslissing van het Hof, tot de zitting van 5 januari 2010. (…)”

35.

Bij brief van 18 september 2009 is, onder meer, aan [eiser 2] meegedeeld dat de zaak is aangehouden tot 17 november 2009 voor het wijzen van vonnis. In de brief is voorts het volgende vermeld:

“Het op 15 september 2009 aan u verzonden schrijven dient u als niet verzonden te beschouwen”

36.

Op 28 september 2009 heeft [eiser 2] een klacht ingediend bij de rechtbank Almelo. De behandelend kantonrechter heeft op 12 oktober 2009, op verzoek van de president van de rechtbank Almelo een reactie gegeven op de klacht.

37.

Op 17 november 2009 heeft de kantonrechter een tweede tussenvonnis gewezen. In dit vonnis heeft de kantonrechter (onder meer) geoordeeld dat de opzegging van de huurovereenkomst door de bewindvoerder heeft geleid tot beëindiging van de huurovereenkomst in relatie tot [eiser 2] vanaf 16 september 2005. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis voorts een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft, na een verzoek van de [eiser 2] tot uitstel van enkele weken, plaatsgevonden op 1 april 2010.

38.

De kantonrechter heeft op 13 april 2010 eindvonnis gewezen. [eiser 2] is in dit vonnis – zakelijk weergegeven − veroordeeld tot betaling van achterstallige huurpenningen vermeerderd met rente, een boete en kosten.

Hoger beroep [eiser 2]- VNI

39.

Op 21 juni 2010 heeft [eiser 2] VNI in hoger beroep gedagvaard. Op 3 november 2010 heeft [eiser 2] een memorie van grieven ingediend, waarbij hij een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de kantonrechter heeft ingesteld. Op 16 november 2010 heeft VNI geantwoord in het incident, waarna op 30 november 2010 is gefourneerd. Op 1 maart 2011 heeft het hof arrest gewezen, waarbij de incidentele vordering is afgewezen.

40.

Op 14 juni 2011 heeft het hof de zaak verwezen naar een roldatum gelegen op een termijn van 53 weken.

41.

Op 19 juli 2011 heeft VNI geantwoord in het principale appel en van grieven gediend in door haar ingesteld incidenteel appel.

42.

Op 7 december 2011 heeft [eiser 2] een klacht ingediend tegen de rolraadsheer van het hof. Bij brief van 27 december 2011 heeft de president van het hof geoordeeld dat niet klachtwaardig is gehandeld.

43.

[eiser 2] heeft uitvoerig gecorrespondeerd met het bestuur en de president van het hof en met de procureur-generaal van de hoge raad over de volgens hem onjuiste toepassing van het rolreglement door het hof. Dit blijkt uit de brieven van Hof sr. aan het bestuur van het hof van 17 oktober 2011, 20 oktober 2011 en de reactie daarop van de president van het hof van 25 oktober 2011, de brief van 28 oktober 2011 van [eiser 2] aan de president van het hof en zijn schriftelijke reactie daarop van 14 november 2011, de brieven van [eiser 2] van 17 november 2011 en 2 februari 2012 en 17 februari 2012 (kennelijk abusievelijk is 2011 in de brief vermeld) aan de president van het hof en zijn schriftelijke reactie daarop van 13 maart 2012 en de brief van [eiser 2] aan de president van het hof van 21 mei 2012 en zijn schriftelijke reactie daarop van 1 juni 2012. Het blijkt voorts uit de brief van [eiser 2] aan de Hoge Raad van 8 juni 2012 en de reactie op die brief van de procureur-generaal van de Hoge Raad van 22 juni 2012.

44.

[eiser 2] heeft niet geantwoord in het incidentele appel en heeft geen instructies gegeven in de procedure.

45.

Vanaf 10 januari 2012 heeft de zaak voor het wijzen van arrest gestaan. Het arrest is op 2 oktober 2012 gewezen. Het hof heeft in dit arrest – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat tussen [vof 1] en [BV 2] een geldige overneming van de huurovereenkomst met VNI heeft plaatsgevonden en heeft de vordering van VNI (in relatie tot [eiser 2]) alsnog afgewezen.

Geschil [eiser 1] tegen de Staat

46.

[eiser 1] vordert − zakelijk weergegeven − bij vonnis, uitvoerbaar en op de minuut, veroordeling van de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 15.000,=, dan wel een in redelijkheid te bepalen bedrag, een bonus van € 2.000,= en de proceskosten.

47.

[eiser 1] legt − eveneens zakelijk weergegeven − aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en daarom jegens hem schadeplichtig is, nu de civielrechtelijke procedure tussen [eiser 1] en VNI door toedoen van de Staat niet binnen een redelijke termijn definitief en onherroepelijk is afgedaan. Volgens [eiser 1] is de procedure tussen hem en VNI door een fout van de griffie van de rechtbank Almelo ten onrechte geschorst. De procedure heeft daardoor onnodig (lang) stilgelegen. In het door VNI ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter zijn verschillende juridische misslagen gemaakt door het hof. Waren deze misslagen niet gemaakt, zo begrijpt de kantonrechter de stellingen van [eiser 1], dan was eerder een eindarrest gewezen in hoger beroep. Dat misslagen zijn gemaakt door het hof in de procedure VNI-[eiser 1] blijkt volgens [eiser 1] voorts uit het oordeel dat het hof heeft gegeven in het hoger beroep in de zaak tussen VNI en [eiser 2]

48.

De Staat heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Geschil [eiser 2] tegen de Staat

49.

[eiser 2] vordert − zakelijk weergegeven − bij vonnis, uitvoerbaar en op de minuut, veroordeling van de Staat tot betaling van een bedrag van € 13.500,=, dan wel een in redelijkheid te bepalen bedrag, een bonus van € 2.000,= en de proceskosten.

50.

[eiser 2] legt − zakelijk weergegeven − aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en daarom jegens hem schadeplichtig is, nu de civielrechtelijke procedure tussen [eiser 2] en VNI niet binnen een redelijke termijn heeft geleid tot een definitieve en onherroepelijk afdoening. [eiser 2] stelt dat door onnodige vertraging in de procedure VNI-[eiser 1] de schuldsanering van [eiser 2] (onnodige) vertraging heeft opgelopen en het vervolgens (onnodig) lang heeft geduurd voordat de zaak VNI-[eiser 2] kon worden hervat. Hij stelt daarnaast dat de kantonrechter het Landelijk procesreglement voor de civiele rol van de kantongerechten (LPR-kanton) meerdere malen heeft geschonden. Tot slot beschikte de kantonrechter al op 19 mei 2009 over voldoende gegevens om een eindvonnis te kunnen wijzen en is het wijzen van eindvonnis op grond van oneigenlijke argumenten keer op keer aangehouden. Volgens [eiser 2] heeft ook het hof gezorgd voor een forse vertraging bij de afhandeling van het hoger beroep in de zaak [eiser 2]-VNI, door het schenden van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR-hof). Door het onjuist toepassen van het LPR-hof heeft het hof volgens [eiser 2] ten onrechte de zaak op de rol doen brengen en de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de zijde van VNI geaccepteerd. Onjuiste toepassing van het LPR-hof heeft er voorts toe geleid dat het hof het roljournaal op onjuiste wijze heeft ingevuld en gebruikmaking van onjuiste H-formulieren heeft gefaciliteerd en aanvaard. Op klachten ten aanzien van één en ander ingediend bij de president van het hof en de procureur-generaal van de Hoge Raad is volgens [eiser 2] niet adequaat en ondeugdelijk gereageerd.

51.

De Staat heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

Toetsingskader

52.

De kantonrechter overweegt dat uit constante jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), onder meer in de zaak Scordino v. Italy (36813/97 van 29 maart 2006), blijkt dat het EHRM uitgaat van een sterk doch weerlegbaar vermoeden dat excessief lange procedures immateriële schade veroorzaken. Dit betekent dat toewijzing van immateriële schadevergoeding bij een substantiële overschrijding van de redelijke termijn in beginsel mogelijk is. Daarbij moet artikel 6:106 BW worden toegepast met inachtneming van de rechtstreekse werking hebbende artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het voorgaande betekent dat immateriële schade wegens spanningen en frustratie over het uitblijven van een definitieve beslissing in een geschil over burgerlijk recht in beginsel toewijsbaar is. Artikelen 6 en 13 EVRM brengen mee dat aangenomen moet worden dat een substantiële overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 EVRM in beginsel een onrechtmatige daad van de Staat oplevert, die aanleiding geeft tot toekenning van schadevergoeding (vgl. gerechtshof ’s-Gravenhage, 24 februari 2009, LJN: BH4210).

53.

In het algemeen wordt in civiele zaken als in aanmerking te nemen periode het moment van instellen van de procedure tot het moment van definitieve (onherroepelijke) afdoening aangenomen. Als onherroepelijke beslissing is te beschouwen de uitspraak die niet (meer) door een gewoon rechtsmiddel valt aan te tasten. De kantonrechter stelt vast dat in de zaken van [eisers] het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg door VNI als startpunt geldt. De zaak van [eiser 1] is definitief afgedaan door het wijzen van arrest door de Hoge Raad. De zaak van [eiser 2] is definitief afgedaan door het wijzen van eindarrest door het hof. Niet alleen de totale periode dient te worden bekeken, maar ook de duur van alle deelfasen moet worden geanalyseerd. Dus afgezien van de eis van behandeling binnen redelijke termijn van de complete procedure (al dan niet in meer dan één instantie gevoerd) geldt ook nog de eis dat de afzonderlijke procesfasen binnen redelijke termijn afgewikkeld moeten worden.1 Daarbij moet worden opgemerkt dat, anders dan in bestuursrechtelijke procedures, de voortgang van de civielrechtelijke zaak in grote mate afhankelijk is van het initiatief van de procespartijen.

54.

De kantonrechter overweegt voorts dat uitgangspunt is dat een uitspraak van een rechter rechtskracht heeft, zolang die uitspraak niet op grondslag van een wettelijke rechtsmiddel door een andere (hogere) rechter is vernietigd. Dit gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat inhoudelijke bezwaren tegen vonnissen van rechtbanken en arresten van hoven niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan een vordering op grond van onrechtmatige daad jegens de Staat, behoudens het geval dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak. Deze situatie behoeft naar het oordeel van de kantonrechter echter geen nadere bespreking, nu [eisers] ter comparitie uitdrukkelijk hebben gesteld dat zij dat niet aan hun vorderingen ten grondslag leggen (zie p. 17 van de pleitnota).

55.

Inhoudelijke bezwaren tegen vonnissen of arresten kunnen in hoger beroep of cassatie worden getoetst. Het kan (onder meer) gaan om de feiten die als uitgangspunt zijn genomen, de wijze waarop rechtbank of hof de stellingen en weren van partijen hebben opgevat, de juridische kwalificatie die aan feiten, documenten, stellingen en weren is gegeven, de rechtsoverwegingen in vonnissen en arresten, de bewijswaardering en de dicta. De kantonrechter merkt op dat niet alleen een einduitspraak een rechterlijke beslissing is, maar dat het gaat om alle beslissingen die een rechter neemt aangaande de behandeling (ter zitting) van de zaak en de loop van de procedure.

56.

Voor procedurele rechterlijke beslissingen (vaak rolbeslissing genoemd) geldt dat daartegen in beginsel geen hogere voorziening openstaat. Gaat het evenwel om een rolbeslissing die ingrijpt in de rechten en belangen van partijen, dan kan sprake zijn van een vonnis of arrest, waartegen wel een hogere voorziening openstaat. Ten aanzien van rolbeslissingen geldt dus ook dat deze uitsluitend getoetst kunnen worden via het tijdig instellen van een rechtsmiddel. Voor zover een rolbeslissing niet appellabel is geldt dat evenmin in een afzonderlijke procedure tegen de Staat over dergelijke beslissingen kan worden geklaagd. Rechtsmiddelen kunnen doorgaans pas na het wijzen van een eindvonnis of eindarrest worden ingesteld. Binnen de kaders van het rechtsmiddel kunnen dan zowel tussen- als eindbeslissingen ter toetsing aan de hogere rechter worden voorgelegd.

57.

Indien in een procedure geen rechtsmiddel (meer) openstaat, geldt dat de in die procedure genomen (procedurele) beslissingen niet via een vordering op grond van artikel 6:162 BW alsnog kunnen worden beoordeeld.

Overschrijding redelijke termijn in de procedures tussen [eiser 1] en VNI?

58.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser 1] in de inleidende dagvaarding heeft gesteld dat de procedure in eerste aanleg vertraging heeft opgelopen doordat de kantonrechter Enschede de procedure ten onrechte heeft geschorst (deze stelling wordt in het navolgende nader besproken). Ter comparitie is de grondslag van de vordering uitgebreid, nu [eiser 1] daar heeft bepleit dat de procedure ook vertraging heeft opgelopen door – zakelijk weergegeven – de omstandigheid dat de kantonrechter Enschede VNI ten onrechte heeft toegestaan een conclusie van repliek te nemen. De kantonrechter wijst erop dat een dergelijke grondslagwijziging schriftelijk bij conclusie of akte ter rolle dient te geschieden. Uitbreiding van de grondslag van een vordering kan niet geschieden bij pleitnota (vgl. Hoge Raad 16 november 2001, NJ 2002/469). Dit betekent dat de eerst in de pleitnota genoemde grondslagen voor de vorderingen van [eiser 1] buiten beschouwing zullen blijven.

59.

De bezwaren die [eiser 1] in deze procedure heeft geuit tegen procedurele en inhoudelijke beslissingen van de kantonrechter Enschede laat de kantonrechter onbesproken, gelet op het hiervoor onder 54 tot en met 57 geschetste gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

60.

De kantonrechter overweegt dat de wet een aantal situaties beschrijft waarbij schorsing kan worden ingeroepen (artikel 225 e.v. Rv) of van rechtswege plaatsvindt (artikelen 29 en 313 Fw). In de procedure VNI-[eiser 1] heeft zich bedoelde schorsingsgrond van rechtswege niet voorgedaan. Schorsing is door partijen in die procedure ook niet ingeroepen. Dit leidt tot de conclusie dat de procedure VNI-[eiser 1], in weerwil van de berichten van de griffier, formeel niet geschorst is geweest. Voor zover door de griffier in de correspondentie met [eiser 1] heeft geschreven dat de procedure geschorst was (zie onder 14 en 16) is dat ten onrechte geweest. Van groter belang is evenwel of overigens is gehandeld alsof de procedure geschorst was. Hiervan is de kantonrechter niet gebleken. De kantonrechter licht dit als volgt toe.

61.

De kantonrechter stelt vast dat in de onder 9 genoemde brief van 19 januari 2005 van VNI uitstel is gevraagd in de procedure in relatie tot [eiser 1], in verband met het hoger beroep ingesteld tegen het afgewezen verzoek tot faillietverklaring van [eiser 1] De kantonrechter heeft hierop uitstel verleend tot de rolzitting van 3 mei 2005. Het hof heeft op 21 februari 2005 het verzoek tot faillietverklaring van [eiser 1] afgewezen. Op 21 april 2005 (zie onder 12) heeft VNI opnieuw een uitstelverzoek gedaan voor de rolzitting van 3 mei 2005. Dit uitstel is verleend tot de rolzitting van 31 mei 2005. De inhoud van de brief van 21 april 2005 doet gelet op de verwijzing naar de bewindvoerder van [eiser 2] en zijn echtgenote vermoeden dat uitstel wordt gevraagd in de zaak VNI-[eiser 2] Het gehanteerde kenmerk, [zaaknummer], ziet echter op zowel op de procedure van [eiser 1] als die van [eiser 2] Nu laatstgenoemde procedure door toelating van [eiser 2] tot de WSNP was geschorst en het verzochte uitstel is verleend, kan de kantonrechter niet anders dan ervan uitgaan dat door de kantonrechter Enschede uitstel is verleend in de zaak VNI-[eiser 1] De kantonrechter kan gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen de juistheid van deze beslissing van de kantonrechter Enschede niet toetsen.

62.

De kantonrechter stelt voorts vast dat [eiser 1] in zijn brief van 13 juli 2005 (zie onder 15) heeft meegedeeld dat het hof het verzoek van VNI tot zijn faillietverklaring op 21 februari 2005 heeft afgewezen. Wat zich tussen 31 mei 2005 en 13 juli 2005 in de procedure VNI-[eiser 1] heeft voorgedaan is door [eiser 1] niet gesteld en ook anderszins niet gebleken. In het bijzonder is gesteld noch gebleken dat de kantonrechter Enschede in die periode op de hoogte was van de uitspraak van het hof van 21 februari 2005. De kantonrechter merkt daarbij op dat het niet aan de kantonrechter Enschede was om één en ander ambtshalve te onderzoeken, maar aan partijen om de kantonrechter Enschede daarover te informeren. Voor zover [eiser 1] stelt dat zich in de periode tussen 31 mei 2005 en 13 juli 2005 een onnodige vertraging in de procedure heeft voorgedaan die bovendien te wijten is aan het handelen van de kantonrechter Enschede, heeft hij deze stelling gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd.

63.

Gelet op de inhoud van de brief van 13 juli 2005 moet de kantonrechter Enschede vanaf de ontvangst van die brief bekend worden geacht met de beslissing van het hof van 21 februari 2005. Naar het oordeel van de kantonrechter had de kantonrechter Enschede VNI moeten vragen om een reactie op deze brief. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. De kantonrechter heeft VNI wel verzocht te reageren op de brief van [eiser 1] van 13 augustus 2005, welke brief dezelfde boodschap heeft als de brief van 13 juli 2005. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat de zaak tussen 13 juli 2005 en 13 augustus 2005 een vertraging van circa één maand heeft opgelopen. Bij brief van 18 augustus 2005 heeft de gemachtigde van VNI gereageerd op de brief van 13 augustus 2005. De kantonrechter begrijpt deze reactie aldus dat de gemachtigde van VNI de zaak VNI-[eiser 1] wenste aan te houden in afwachting van eventuele overeenstemming met de bewindvoerder in de schuldsanering van [eiser 2] over de hoogte van de vordering van VNI. Gesteld noch gebleken is dat de kantonrechter Enschede vervolgens heeft beslist tot aanhouding van de zaak VNI-[eiser 1] naar aanleiding van de brief van VNI van 18 augustus 2005. Eerst bij brief van 21 november 2005 heeft de kantonrechter Enschede VNI gevraagd om zich uit te laten over de vraag of in de procedure VNI-[eiser 1] kon worden voortgeprocedeerd, of dat de zaak kon worden geroyeerd. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat [eiser 1] zijn (impliciete) stelling dat de zaak VNI-[eiser 1] tussen 18 augustus 2005 en 21 november 2005 (onnodig) stil heeft gelegen ook voldoende heeft onderbouwd. Uit de stellingen van [eiser 1] blijkt kortom van een vertraging van de procedure VNI-[eiser 1] van circa 4 maanden. De kantonrechter stelt bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door de Staat vast dat deze vertraging onnodig was.

64.

De vraag die vervolgens voorligt is of met deze onnodige vertraging de redelijke termijn van de gehele procedure in eerste aanleg substantieel is overschreden. De kantonrechter overweegt in dat verband dat de procedure VNI-[eiser 1] in eerste aanleg 3 jaren en 4 maanden heeft geduurd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat in deze periode gedurende 3 jaren actief werd geprocedeerd, althans dat sprake was van aanhoudingen en door de kantonrechter Enschede op verzoek van (één van de) partijen verleende uitstellen. Zoals in het voorgaande overwogen is de kantonrechter niet gebleken dat in de periode tussen 23 december 2003 en 13 juli 2005 sprake was van onnodige vertraging. Evenmin is de kantonrechter gebleken dat vanaf de hervatting van de procedure na 21 november 2005 sprake is geweest van onnodige vertraging. Gelet op het voorgaande brengen de 4 maanden dat de procedure VNI-[eiser 1] stil heeft gelegen, zonder dat daarvoor in deze procedure een duidelijk aanwijsbare reden is gebleken naar het oordeel van de kantonrechter niet met zich dat de redelijke termijn in de procedure VNI-[eiser 1] in eerste aanleg substantieel is overschreden.

65.

Vervolgens behoeft de stelling van [eiser 1] dat de procedure in hoger beroep onnodige vertraging heeft opgelopen, omdat het hof juridische misslagen heeft begaan bespreking.

66.

De kantonrechter overweegt dat het cassatieberoep van [eiser 1] door de Hoge Raad is verworpen en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen ook hier meebrengt dat de kantonrechter heeft uit te gaan van de juistheid van de (rol)beslissingen die het hof in het hoger beroep [eiser 1]-VNI heeft genomen. Het betekent voorts dat de stelling van [eiser 1] dat het hoger beroep door onjuiste beslissingen van het hof onnodig lang heeft geduurd niet kan worden gevolgd. Door [eiser 1] is niet gesteld dat het hoger beroep door andere omstandigheden onnodig lang heeft geduurd. Dit betekent dat [eiser 1] onvoldoende heeft gesteld om zijn stelling dat het hoger beroep onnodig lang heeft geduurd te onderbouwen.

67.

De slotsom is dat niet is komen vast te staan dat de redelijke termijn in de procedure VNI-[eiser 1], in eerste aanleg, in hoger beroep en in beide instanties in samenhang bezien substantieel is overschreden. Dit betekent dat ook niet is komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] Bij deze stand van zaken wordt aan bewijslevering niet toegekomen, nog daargelaten dat [eiser 1] geen bewijs heeft aangeboden (zoals bedoeld in artikel 166 lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De vordering van [eiser 1] zal dan ook worden afgewezen.

Overschrijding redelijke termijn in de procedures tussen [eiser 2] en VNI?

68.

[eiser 2] heeft gesteld dat de afhandeling van zijn schuldsanering en (vervolgens) de hervatting van de procedure VNI-[eiser 2] vertraging hebben opgelopen als gevolg van de vertraagde behandeling van de procedure in eerste aanleg tussen VNI en [eiser 1] [eiser 2] heeft ter comparitie onweersproken gesteld dat de schuldsanering is beëindigd op 23 juli 2007.

69.

De kantonrechter stelt vast dat de rechter-commissaris, na een verzoek daartoe van de bewindvoerder, op 19 januari 2007 heeft besloten tot aanhouding van de verificatievergadering in afwachting van de uitkomst van de procedure VNI-[eiser 1] De kantonrechter kan dit besluit gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet beoordelen en heeft er in deze procedure van uit te gaan dat het belang bij het verdagen van de verificatievergadering redelijk was. De (impliciete) stelling dat deze aanhouding heeft gezorgd voor een substantiële overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de schuldsanering wordt dan ook verworpen.

70.

[eisers] hebben ter comparitie betoogd dat – zakelijk weergegeven – door de bewindvoerder en de rechter-commissaris procedurele en inhoudelijke fouten zijn gemaakt. Voor zover [eiser 2] dit betoog ten grondslag wenst te leggen aan zijn stelling dat de afhandeling van de schuldsanering en (vervolgens) het hervatten van de zaak VNI-[eiser 2] vertraging hebben opgelopen, geldt dat deze grondslag eerst ter comparitie en daarom te laat naar voren is gebracht (vgl. overweging 58 van dit vonnis), nog daargelaten dat de kantonrechter gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in deze procedure niet kan oordelen over het handelen van bewindvoerder en rechter-commissaris. De kantonrechter zal de door [eiser 2] bepleitte aanvulling van de grondslag op dit punt buiten beschouwing laten.

71.

Ten aanzien van de stelling van [eiser 2] dat de kantonrechter Enschede het LPR-kanton meermaals heeft geschonden en onjuiste procedurele beslissingen (zoals het toelaten van bepaalde processtukken of producties) heeft genomen overweegt de kantonrechter het volgende. Daargelaten dat [eiser 2] heeft nagelaten expliciet te stellen op welke punten het LPR-kanton volgens hem is geschonden, geldt dat de kantonrechter in deze procedure de rolbeslissingen en procedurele beslissingen van de kantonrechter Enschede niet kan toetsen. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zoals hiervoor onder 54-57 beschreven, is het toetsen van deze beslissingen (mits appellabel) voorbehouden aan het hof. De kantonrechter stelt vast dat het hof zich in de arresten van 1 maart 2011 en 2 oktober 2012 over dit onderwerp niet heeft uitgelaten. Dit brengt mee dat de kantonrechter in deze procedure ervan heeft uit te gaan dat de kantonrechter Enschede de juiste procedurele beslissingen heeft genomen en het LPR-kanton op juiste wijze heeft toegepast.

72.

Volgens [eiser 2] beschikte de kantonrechter Enschede reeds op 19 mei 2009 over voldoende informatie om een eindvonnis te kunnen wijzen en heeft alles wat nadien in de procedure heeft plaatsgevonden gezorgd voor onnodige vertraging. De kantonrechter verwerpt deze stelling. De vraag of een (kanton)rechter voldoende is geïnformeerd is ter beoordeling van die rechter. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan de kantonrechter in deze procedure niet treden in de beoordeling van de kantonrechter Enschede op dit punt.

73.

[eiser 2] stelt voorts dat de kantonrechter Enschede ten onrechte heeft gewacht met het wijzen van een eindvonnis in de zaak VNI-[eiser 2], totdat het hof in het hoger beroep in de zaak VNI-[eiser 1] arrest had gewezen. De kantonrechter stelt vast de kantonrechter Enschede vonnis heeft gewezen op 13 april 2010 in de zaak VNI-[eiser 2], derhalve ruim één jaar voordat het hof eindarrest heeft gewezen in het hoger beroep VNI-[eiser 1] Uit de processtukken blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de kantonrechter Enschede de procedurele gang van zaken in de zaak VNI-[eiser 2] heeft laten afhangen van het hoger beroep in de zaak VNI-[eiser 1] De omstandigheid dat de kantonrechter Enschede partijen in het tussenvonnis van 19 mei 2009 in overweging heeft gegeven de zaak aan te houden tot het hof tussen- of eindarrest heeft gewezen rechtvaardigt deze conclusie niet. De kantonrechter Enschede heeft het immers aan partijen overgelaten om hierover standpunt in te nemen. Ook de omstandigheid dat de kantonrechter Enschede in het vonnis van 17 november 2009 bepaalt dat het arrest van het hof in het geding gebracht kan worden en dat met partijen besproken zal worden wat de invloed van dat arrest is op de zaak VNI-[eiser 2] kan niet de conclusie dragen dat de kantonrechter Enschede (uitsluitend) heeft gewacht met het wijzen van eindvonnis totdat het hof arrest had gewezen. Gelet op het voorgaande verwerpt de kantonrechter de stelling van [eiser 2] op dit punt.

74.

[eiser 2] stelt dat het hof het LPR-hof onjuist heeft toegepast door VNI toe te laten de zaak op de rol van 19 juli 2011 te plaatsen en de op die datum door VNI ingediende memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel te accepteren. De door [eiser 2] geformuleerde bezwaren tegen de gang van zaken in de appelprocedure [eiser 2]-VNI, in het bijzonder zijn stelling dat het roljournaal onjuist is ingevuld en dat gebruikmaking van onjuiste H-formulieren in gefaciliteerd en aanvaard, borduren in feite alle op deze stelling voort.

75.

De kantonrechter overweegt dat het eindarrest van het hof in de zaak [eiser 2]-VNI kracht van gewijsde heeft, nu daartegen geen cassatie is ingesteld en de termijn daarvoor verstreken is. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat de kantonrechter in deze procedure de beslissingen van het hof, waaronder de beslissingen van de rolraadsheer, niet kan toetsen, maar dat moet worden uitgegaan van de juistheid van die beslissingen.

76.

De door [eiser 2] gestelde niet adequate en inhoudelijk ondeugdelijke reacties van de president van het hof en de procureur-generaal van de Hoge Raad op klachten van Hof sr. behoeven geen nadere bespreking, nu is gesteld noch gebleken dat de afhandeling van bedoelde klachten als zodanig hebben geleid tot vertraging van het hoger beroep in de zaak [eiser 2]-VNI.

77.

De slotsom is dat ook in de door [eiser 2] ingestelde procedure niet is komen vast te staan dat de redelijke termijn in de procedure VNI-[eiser 2], in eerste aanleg, in hoger beroep en in beide instanties in samenhang bezien substantieel is overschreden. Dit betekent dat ook niet is komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] Bij deze stand van zaken wordt aan bewijslevering niet toegekomen, nog daargelaten dat ook [eiser 2] geen bewijs heeft aangeboden (zoals bedoeld in artikel 166 lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De vordering van [eiser 2] zal dan ook worden afgewezen.

En voorts in beide zaken

78.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij, beiden afzonderlijk, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De proceskosten zullen worden vermeerderd met de onweersproken gevorderde wettelijke rente vanaf 15 dagen na de uitspraak van dit vonnis. Voor zover nakosten gemaakt worden levert deze kostenveroordeling ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010 (LJN BL1116) een executoriale titel op voor die kosten. De begroting van de nakosten kan in een later stadium geschieden, nu nog niet bekend is welke nakosten zullen ontstaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de kosten van de betekening niet vallen onder de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, maar vallen onder de ambtsverrichtingen van de gerechtsdeurwaarder, waarvoor deze op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders een bedrag aan de schuldenaar in rekening kan brengen.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst het door [eiser 1] gevorderde af;

- veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op nihil aan verschotten en € 300,= aan salaris gemachtigde;

- wijst het door [eiser 2] gevorderde af;

- veroordeelt [eiser 2] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op nihil aan verschotten en € 300,= aan salaris gemachtigde;

- verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. T.J. Sleeswijk Visser – De Boer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2013.

1 (vgl Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Snijders, Klaassen, Meijer, vijfde druk, nr 41