Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:17582

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
AWB 12/37107
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag MVV, legesvereiste, verzoek om vrijstelling, scholier, excessief formalisme

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/37107

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 december 2013 in de zaak tussen

1. [naam 1],

2. [naam 2],

3. [naam 3]

gezamenlijk aan te duiden als eisers,

gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Berben.

Procesverloop

Eisers hebben op 26 november 2012 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 oktober 2012 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Eisers zijn bij gemachtigde ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig F. Fouad, tolk Koerdisch, en [naam 4], hierna referente. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aan referente, geboren op [geboortedag 1]1996, van Iraakse nationaliteit, is bij besluit van 29 november 2011 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), met ingang van 28 juli 2010 en geldig tot 28 juli 2015. Eisers zijn respectievelijk de vader, broer en zus van referente. Referente en haar broertje [naam 5], geboren [geboortedag 2]2002, wonen sinds juli 2010 bij hun grootouders in Uden (Nederland). De voogdij over de kinderen berust bij de Stichting Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen Utrecht.

2.

Op 26 juni 2012 heeft eiser sub 1, mede namens zijn minderjarige kinderen (eisers sub 2 en 3), bij de Nederlandse vertegenwoordiging een aanvraag gedaan tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als verblijfsdoel “verblijf ouder bij kind” respectievelijk “verruimde gezinshereniging” bij/met referente in Nederland. De aanvrager heeft daarbij verklaard dat referente de verschuldigde leges zal betalen.

3.

Bij brief van 9 juli 2012 heeft verweerder referente in de gelegenheid gesteld de leges voor de gevraagde mvv ten bedrage van €1750 binnen drie weken te voldoen. Bij brief van dezelfde datum is aan referente een vragenlijst toegestuurd, genaamd “Vragenlijst voor mvv gezinshereniging bij ouders”.

Bij brief van 31 juli 2012 is referente in de gelegenheid gesteld genoemd bedrag aan leges binnen twee weken alsnog te betalen, onder de mededeling dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld als het verschuldigde legesbedrag niet binnen deze termijn is betaald.

4.

Naar aanleiding van de brief van 9 juli 2012 en de daarbij gevoegde vragenlijst heeft Vluchtelingenwerk Nederland (VWN), afdeling Uden, zich bij brief van 2 augustus 2012 tot verweerder gewend. Hierin wordt de situatie van referente en haar broertje uitgelegd met als conclusie dat de toegestuurde vragenlijst betrekking heeft op een situatie die niet aan de orde is: het kind (referente Duniya) verzoekt haar vader en haar broer en zus naar Nederland te laten komen en doet daarbij een beroep op artikel 8 van het EVRM.

Voorts doet VWN namens referente een verzoek om vrijstelling van de betaling van de legeskosten te verlenen, met als toelichting dat referente als scholier geen inkomsten heeft, behoudens een bijdrage van de Stichting Nidos van ongeveer €15 per kind per dag (lees: week), en dat haar grootouders leven van een bijstandsuitkering. VWN vraagt vervolgens uitdrukkelijk om zo spoedig mogelijk bericht van verweerder over de gevraagde vrijstelling van de leges ad €1750.

Ten slotte stelt VWN in zijn brief van 2 augustus 2012 het volgende:

Inmiddels hebt u bij brief van 31 juli 2012 (…..) opnieuw verzocht tot betaling van de leges.

Voor het geval dat deze leges inderdaad verschuldigd zouden zijn (wij zijn dus van mening van niet!!) hebben wij een verzoek ingediend bij het legesfonds Vluchtelingenwerk (rechtbank: lees ‘Vluchtelingenfonds’) om deze leges voor hun rekening te nemen.

De behandeling van dit verzoek zal enige weken duren en wij verzoeken u derhalve gedurende de behandeling van het verzoek door het legesfonds de aanvraag van Dunya niet buiten behandeling te stellen.

Wij verwachten echter dat u op grond van het bovenstaande vrijstelling van legeskosten zult verlenen.”

5.

Bij besluit van 5 september 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen (lees: niet in behandeling genomen). Verweerder stelt zich op het standpunt dat referente niet kan worden vrijgesteld van het legesvereiste, omdat zij niet door middel van het overleggen van bewijsstukken omtrent haar financiële situatie en die van haar grootouders heeft aangetoond niet over voldoende middelen te beschikken om de verschuldigde leges te voldoen. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij op korte termijn noch zelf daarover zal kunnen beschikken, noch deze middelen zal kunnen verwerven bij personen in haar naast omgeving waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de leges voor de belanghebbende betalen, zoals de partner, familieleden of andere in aanmerking komende derden. Niet is gebleken dat geen gehoor zal worden gegeven aan het in de brief van VWN van 2 augustus 2012 genoemde verzoek aan het legesfonds van VWN waaruit de leges voldaan zouden kunnen worden. Nu referente de bij brief van 31 juli 2012 gestelde herstel verzuim termijn van twee weken, waarbinnen zij de leges had moeten voldoen, ongebruikt heeft laten verstrijken, zijn de aanvragen ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen.

6.

Bij het bestreden besluit is het tegen het primaire besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat referente in bezwaar weliswaar een uitkeringsstrookje en een bankafschrift van haar grootouders heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij een bijstandsuitkering en een maandelijks toelage van € 48,70 per kind ontvangen, maar dat referente tevens heeft aangegeven dat zij na ontvangst van het primaire besluit bij vrienden en familie navraag is gaan doen of zij geld zou kunnen lenen voor het betalen van de legeskosten. Verweerder stelt zich op grond daarvan op het standpunt dat de overgelegde stukken niet aantonen dat referente de afgelopen drie jaar inspanningen heeft verricht om financiële middelen te verwerven, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat referente niet op korte termijn in het bezit zal kunnen raken van financiële middelen, daar zij zelf heeft verklaard dat familie en vrienden geld kunnen lenen voor het betalen van de legeskosten. Er is daarom evenmin reden om, gelet op de bijstandsuitkering van de grootouders van referente, het bedrag van de verschuldigde leges te matigen als gevraagd. Ook de stelling dat het heffen van leges in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM slaagt niet, omdat er volgens verweerder in dit geval hoe dan ook geen sprake is van betalingsonmacht en ook overigens geen andere omstandigheden op dit punt zijn aangevoerd die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de legesheffing in dit geval in strijd is met artikel 8 voornoemd.

7.

In beroep hebben eisers hun beroep op artikel 8 van het EVRM in het kader van gezinshereniging/gezinsvorming gehandhaafd: referente en haar in Nederland verblijvende broertje leefden in gezinsverband met eisers in hun land van herkomst. Zij stellen dat voldoende is aangetoond dat referente en haar grootouders onvermogend zijn en niet in staat zijn het verschuldigde legesbedrag te betalen, zodat vrijstelling van het betalen van leges had moeten worden verleend. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat het betrokken legesbedrag excessief hoog is. Zij handhaven in dit verband het in bezwaar ingenomen subsidiaire standpunt dat, zo leges in dit geval verschuldigd zouden zijn, slechts een bedrag van € 250 per persoon (in totaal derhalve € 750) verschuldigd is.

8.

Ter zitting heeft verweerder, onder verwijzing naar het ter zake ingediende verweerschrift van 13 september 2013, gesteld dat het bestreden besluit rechtens juist is. Ter toelichting is gewezen op de in de destijds geldende Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 onder B1/9.6. neergelegde vereisten voor vrijstelling van het legesvereiste. Eisers hebben immers in de aanvraagfase geen documenten ter onderbouwing van hun beroep op vrijstelling overgelegd, behoudens de brief van VWN van 2 augustus 2012 waarin bovendien is aangegeven dat er een aanvraag bij het Vluchtelingenfonds is gedaan voor betaling van het legesbedrag. Volgens verweerder kan niet èn een verzoek om vrijstelling èn een aanbod worden gedaan om het benodigde geld via fondswerving te organiseren. De omstandigheid dat inmiddels een veel lager tarief geldt voor een dergelijke aanvraag als thans in geding doet daar niet aan af.

De rechtbank oordeelt als volgt.

9.

Tussen partijen staat vast dat het Vluchtelingenfonds van VWN de legeskosten niet voor zijn rekening heeft genomen en ook geen bijdrage in de legeskosten heeft geleverd, reeds omdat het fonds daarvoor niet bedoeld is.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee miskend dat VWN bij brief van 2 augustus 2012 primair uitdrukkelijk heeft verzocht om vrijstelling en de specifieke omstandigheden van referente, die ten tijde van de aanvraag 15 jaar oud was, heeft geschetst. Eerst naar aanleiding van het primaire besluit, waarin verweerder heeft opgenomen dat niet gebleken is dat derden de leges niet zouden kunnen betalen, heeft referente in bezwaar naar voren gebracht dat zij - slechts in het geval dat vrijstelling niet wordt verleend - navraag wil doen bij vrienden en bekenden of zij het legesbedrag kan lenen. Hieruit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet mogen afleiden dat een inmiddels net 16 geworden middelbare scholier het aanbod doet het legesbedrag van €1750 te willen betalen door middel van leningen bij derden. Evenmin kan in redelijkheid van een net 16 geworden middelbare scholier verlangd worden dat zij in de drie voorafgaande jaren fondsen had moeten werven voor de gezinshereniging met haar in het land van herkomst achtergebleven vader, broer en zus. Dit betekent dat de aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gelaten met voorbij gaan aan het verzoek om vrijstelling van het legesvereiste. Daarenboven is het in rekening gebrachte bedrag van €1750 naar het oordeel van de rechtbank buitensporig hoog, gegeven de niet betwiste omstandigheid dat referente schoolgaand is, geen eigen vermogen heeft en haar grootouders, bij wie zij in huis woont, van een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand leven. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het van excessief formalisme getuigt om van referente te eisen dat zij het volledige bedrag aan legeskosten, zoals geldend in 2012, zou moeten betalen. In dit verband volstaat de rechtbank met de verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 januari 2012 (nr. 22251-07) en de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 april 2012 (C-508/10; www.curia.europa.eu) alsmede op de Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging en het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

11.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, zodat het beroep gegrond wordt verklaard wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het bestreden besluit dient derhalve vernietigd te worden.

12.

De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van de finale geschilbeslechting als bedoeld in artikel 8:72 van de Awb zelf te voorzien in die zin dat het primaire besluit, houdende de buitenbehandelingstelling van de aanvraag wegens het niet betalen van de leges, wordt herroepen en te bepalen dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

13.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944 in beroep (1 punt voor het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 472 per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2012;

- herroept het primaire besluit van 5 september 2012;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eisers neemt;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156 (eenhonderdzesenvijftig euro) aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 944,- (negenhonderdenvierenveertig euro) te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op: 5 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.