Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16952

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
2224021-13-22283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding tot wedertewerkstelling. Geen arbeidsovereenkomst ondanks ander oordeel Belastingdienst. Beroep van EPO op immuniteit gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2014/70
AR-Updates.nl 2013-1011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team kanton Den Haag

ID

rolnummer: 2224021/13-22283

datum vonnis: 3 oktober 2013

Vonnis ex art. 254 Rv in de zaak van:

[eiser],

Wonende te [woonplaats],

Eiser,

gemachtigde: mr. N.E.P. Gustings

tegen

1. de volkenrechtelijke organisatie De EUROPEAN PATENT OFFICE,

gedaagde,

gevestigd te Rijswijk,

gemachtigde: mr. G.R. den Dekker,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MBA MICHAEL BAILEY ASSOCIATES LIMITED,

gedaagde,

gevestigd te Londen (Groot Brittannië),

gemachtigde: mr. I.R. Köhne

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACS NO. 1 B.V.,

gedaagde,

gevestigd te Delft,

gemachtigde: mr. I.R. Köhne.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]”, “EPO”, “MBA”, en “ACS”.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- de dagvaarding van 14 augustus 2013, met bijlagen;

- de brieven met bijlagen van mrs Den Dekker en Köhne van 16 en 17 september 2013 met bijlagen;

- de ter zitting van 19 september 2013 door de griffier gemaakte aantekeningen. Ter zitting hebben de gemachtigden van gedaagden een pleitnota voorgedragen en de gemachtigde van [eiser] een reactie op de producties.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

Rechtsoverwegingen

1 Feiten

1.1

[eiser] heeft op 28 november 2002 een contract of employment for a fixed period of time gesloten met Michael Bailey Associates Limited. Hij verrichtte de werkzaamheden van Technical Project Assistant bij EPO.

1.2

Halfjaarlijks tot jaarlijks tekende [eiser] nieuwe arbeidsovereenkomsten met MBA; feitelijk verrichtte [eiser] werkzaamheden bij EPO.

1.3

Per 14 april 2011 heeft de vennootschap van [eiser], [x] Holding BV, een overeenkomst gesloten met The ZZP Company No.1 BV, rechtsvoorgangster van ACS. [eiser] bleef zijn werkzaamheden verrichten bij EPO.

1.4

In 2011 en 2012 heeft [eiser] voor zijn werkzaamheden gefactureerd vanuit Jack van Vliet Productions Holding BV.

1.5

Op 14 december 2012 is de aanvraag voor een Verklaring arbeidsrelatie voor 2013 van [eiser] afgewezen omdat volgens de Belastingdienst “de conclusie (is) dat de arbeidsrelatie met de opdrachtgever ZZP No.1/MBA kwalificeert als Loon uit dienstbetrekking”. [eiser] heeft hiertegen bezwaar aangetekend, maar dit is eveneens afgewezen en wel op 4 april 2013.

1.6

Op 4 april 2013 heeft [Y] van Aame aan [eiser] bericht:

Zoals enige weken geleden besproken en bevestigd zullen wij u om gaan zetten naar de payroll van MBA Ltd met ingang van 1 januari 2013. (…).

De procedure gaat als volgt:

1. U krijgt binnenkort een arbeidsovereenkomst van MBA Ltd. Welke u dient te ondertekenen en te retourneren.

(…)

3. Zodra de uren van de maand maart binnenkomen, zullen wij met terugwerkende kracht vanaf januari alle loonberekeningen opstellen en de netto verschillen verrekenen met de reeds betaalde bedragen aan uw BV.(…)

4. Het netto inkomen over januari, februari en maart zal aan u overgemaakt worden onder inhouding van de reeds betaalde bedragen.

(…)

6. Zodra er een juiste VAR DGA voor het jaar 2013 toegekend wordt, dan zullen wij uiteraard alles corrigeren.(…)”.

1.7

Na de wisseling van enige mails heeft [Z] op 10 april 2013 aan [eiser] gemaild dat alle arbeidsovereenkomsten van MBA het Engelse recht aanhouden en dat daarop geen uitzondering kan worden gemaakt. Indien [eiser] desondanks toch een overeenkomst naar Nederlands recht wil ontvangen, dan biedt zij de optie om een contract aan te gaan met APS BV (AAme Payrolling Solutions).

1.8

[eiser] heeft vervolgens geantwoord dat hij een Nederlands contract verwacht in plaats van een Engels contract.

1.9

Daarop heeft mevrouw [Z] geschreven dat [eiser] mogelijk met APS BV een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht kan sluiten. [eiser] heeft geantwoord dat dit hem de enige optie lijkt, gezien de uitspraak van de Belastingdienst.

1.10

Op 4 juni 2013 heeft ACS de overeenkomst met [x] Productions Holding BV beëindigd.

1.11

Sinds 5 juni 2013 heeft [eiser] geen werkzaamheden bij EPO meer verricht.

2 Vordering, grondslag en verweer

2.1

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair veroordeling van EPO tot betaling aan hem van € 61.053,89 vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en rente. Voorts vordert hij betaling van het loon vanaf 1 augustus 2013 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd met de maximale wettelijke verhoging voorzover sprake is van achterstallig loon en wettelijke rente. In de derde plaats vordert hij veroordeling van EPO tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 1.385,54 met rente.

Subsidiair stelt [eiser] in de dagvaarding een gelijkluidende vordering in tegen (hoofdelijk) MBA en ACS.

[eiser] vordert tenslotte primair en subsidiair een hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

2.2

Aan zijn vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat sprake is van een arbeidsovereenkomst met hem.

2.3

Tegen de primaire vordering heeft EPO zich verweerd met een beroep op immuniteit van jurisdictie en onbevoegdheid van de rechter. Voor het geval de rechter zich toch bevoegd acht, heeft EPO aangevoerd dat zij geen arbeidsovereenkomst met [eiser] heeft gesloten en subsidiair dat het BBA en titel 7.10 BW niet van toepassing zijn. Tenslotte heeft EPO een beroep gedaan op het restitutierisico bij toewijzing van de vorderingen.

Tegen de subsidiaire vordering heeft MBA zich in de eerste plaats verweerd met een beroep op niet-ontvankelijkheid in verband met het niet bestaan van MBA Michael Bailey Associates Limited. MBA en ACS stellen voorts dat de juridische grondslag van de vorderingen tegen hen onduidelijk is en dat zij ten onrechte als één wederpartij worden gezien. Zij betwisten in ieder geval een arbeidsovereenkomst met [eiser] te hebben.

3 Beoordeling

3.1

Uitgangspunt in dit kort geding is of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan bij geen van de ingestelde vorderingen tegen de gedaagden sprake op de volgende gronden.

3.2

Spoedeisend belang

[eiser] heeft ter onderbouwing van de spoedeisendheid van zijn vorderingen gesteld dat het water hem aan de lippen staat, nu hij inmiddels gedurende ruim een half jaar geen loon meer heeft ontvangen. Het spoedeisend belang heeft [eiser] daarmee voldoende onderbouwd.

3.3

Ten aanzien van de primaire vorderingen:

Beroep op immuniteit door EPO en bevoegdheid van de kantonrechter

EPO is blijkens de dagvaarding gevestigd in Rijswijk, zodat de kantonrechter te Den Haag in beginsel bevoegd is om kennis te nemen van de primaire vorderingen. De vraag is evenwel of de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dit geval wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzondering van immuniteit van jurisdictie.

Ingevolge artikel 8 van het Europees Octrooiverdrag wordt in het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten de voorwaarden omschreven waaronder de organisatie in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteit genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken. Artikel 4 van hetzelfde Verdrag, lid 3 omschrijft de taak van het Europees Octrooibureau als het verlenen van Europese octrooien.

Tot de geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan de organisatie opgedragen taken behoren in elk geval arbeidsgeschillen welke kunnen rijzen tussen de organisatie en diegenen die in haar dienst bij het vervullen van die taken een essentiële rol vervullen. Partijen verschillen van mening of hiervan bij [eiser] sprake is. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit het geval. De werkzaamheden van [eiser] betroffen immers het mogelijk maken van de digitale indiening van patentaanvragen en als zodanig de aanvang van de verlening van de octrooien.

[eiser] stelt echter dat hij geen als ambtenaar aangewezen werknemer is binnen EPO, waardoor voor hem geen beroep open staat op het Administrative Tribunal of the International Labour Organisation; in geval van een geslaagd beroep op immuniteit van EPO staat derhalve geen rechtsgang voor hem open, hetgeen in strijd met artikel 6 EVRM is. Deze redenering gaat echter blijkens EHRM 11 juni 2013, application no. 65542/12 niet op. Het Hof heeft in overweging 139f overwogen dat net zoals het recht op toegang tot de rechter onlosmakelijk verbonden is met het recht op fair trial in artikel 6 EVRM, dit eveneens geldt voor sommige restricties, zoals als de immuniteit van “domestic jurisdiction”. In dezelfde uitspraak heeft het Hof overwogen dat bij het ontbreken van een alternatieve rechtsgang niet ipso facto sprake is van schending van artikel 6. Hierbij is de beschikbaarheid van een rechtsgang tegen een ander dan de volkenrechtelijke organisatie van belang, waarvan in deze zaak sprake is aangezien [eiser] MBA en ACS in rechte kan aanspreken. Het beroep op artikel 6 EVRM gaat derhalve niet op. De kantonrechter zal zich in dit kort geding onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen tegen EPO.

3.4

Ten aanzien van de subsidiaire vordering tegen MBA

Ontvankelijk?

De kantonrechter verwerpt het beroep van MBA op niet-ontvankelijkheid in verband met de onjuiste naamsaanduiding. Gelet op de onder 1.1 genoemde arbeidsovereenkomst is duidelijk dat [eiser] heeft bedoeld Michael Bailey Associates Limited te dagvaarden en mr. Köhne heeft aangegeven namens die vennootschap op te treden.

Aan de vorderingen tegen MBA heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij met MBA een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. MBA betwist dit.

Naar het oordeel van de kantonrechter in dit kort geding is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst met MBA. Nadat [eiser] op 13 april 2011 een einde had gemaakt aan zijn arbeidsovereenkomst met MBA, heeft [x] Productions Holding BV een overeenkomst gesloten met The ZZP Company no. 1. In 2011 en 2012 heeft [eiser] zijn werkzaamheden bij EPO verricht via [x] Productions Holding BV en heeft deze BV ook gefactureerd. Toen in 2013 de Belastingsdienst de VAR-verklaring weigerde, zijn [eiser] en MBA in gesprek gegaan over het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst. [eiser] heeft echter het aanbod van MBA tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst naar Engels recht verworpen en MBA heeft aangegeven niet bereid te zijn een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht te sluiten. Dat [eiser] toen interesse had in een overeenkomst met APS BV doet hier niet ter zake, aangezien APS BV geen partij is in dit geding en [eiser] overigens niet stelt dat hij een overeenkomst met APS BV heeft. In ieder geval is duidelijk dat er geen arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en MBA tot stand is gekomen. [eiser] stelt ook niet wanneer die overeenkomst dan tot stand is gekomen en evenmin wat de inhoud van die overeenkomst zou zijn.

Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de vorderingen tegen MBA zal afwijzen. De kantonrechter zal [eiser] veroordelen tot betaling van de proceskosten aan de zijde van MBA.

3.5

Ten aanzien van de subsidiaire vorderingen tegen ACS

De grondslag van de vorderingen tegen ACS zijn de kantonrechter niet duidelijk geworden. ACS is de rechtsopvolgster van The ZZP Company no. 1, die een overeenkomst had gesloten met [x] Productions Holding BV. Zij heeft deze overeenkomst op 4 juni 2013 opgezegd. Voor het geval [eiser] heeft bedoeld te stellen dat het oordeel van de Belastingdienst moet worden overgenomen, overweegt de kantonrechter dat de feiten geen aanknopingspunt bevatten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst met ACS. ACS heeft de overeenkomst met [x] Productions Holding BV opgezegd en niet is gesteld of gebleken dat daarvoor een andere overeenkomst tussen [eiser] en ACS in de plaats is gekomen. De kantonrechter zal de vorderingen jegens ACS eveneens afwijzen en [eiser] veroordelen in de proceskosten.

4 Beslissing

De kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening:

- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen ingesteld tegen EPO;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van EPO vastgesteld op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

wijst de subsidiaire vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van MBA en ACS vastgesteld op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Dam, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.