Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16937

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
C-09-399273 - HA ZA 11-2138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen tot vernietiging van arbitrale vonnissen. Arbiters hebben zich bij arbitraal tussenvonnis onbevoegd verklaard op grond van artikel 1067 Rv. De onbevoegdverklaring wordt aangevochten door eiseres. Gedaagde vordert in een gevoegde procedure vernietiging van de door arbiters in hun arbitraal eindvonnis ten laste van haar gegeven proceskostenveroordeling, omdat deze niet met redenen is omkleed. Beide vorderingen worden door de rechtbank afgewezen. Partijen moeten uitdrukkelijk overeenkomen dat zij wensen af te wijken van artikel 1067 Rv. Dat hebben partijen niet gedaan. Artikel 1067 Rv is niet in strijd met het Verdrag van New York. Geen anticipatie op het bij wetsvoorstel wijzigde artikel 1067 Rv. De proceskostenveroordeling is door arbiters van een motivering voorzien die voldoet aan de daarvoor krachtens het Nederlandse arbitragerecht geldende (minimum)eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis in gevoegde zaken van 18 december 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/399273 / HA ZA 11-2138 van

de vennootschap naar Turks recht

GÜRIS INŞAAT VE MÜHENDISLIK A.Ş.,

gevestigd te Ankara, Turkije,

voor zich en in haar hoedanigheid van procesvertegenwoordiger van

i. de rechtspersoon naar Duits recht

SIEMENS AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te Berlijn, Duitsland,

ii. de rechtspersoon naar Turks recht

SIEMENS SANAYI VE TICARET A.Ş. (voorheen SIMKO TICARET VE SANAVI A.Ş.),

gevestigd te Istanbul, Turkije,

iii. de rechtspersoon naar Turks recht, en

TÜVASAŞ TÜRKIYE VAGON SANAYI A.Ş.,

gevestigd te Sakarya, Turkije,

eiseres,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Den Haag,

tegen

de vennootschap naar Turks recht

BURSA BÜYÜKŞEHIR BELEDIYESI,

gevestigd te Bursa,

gedaagde,

advocaat mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/405624 / HA ZA 11-2584 van

de vennootschap naar Turks recht

BURSA BÜYÜKŞEHIR BELEDIYESI,

gevestigd te Bursa,

eiseres,

advocaat mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag,

tegen

de vennootschap naar Turks recht

GÜRIS INŞAAT VE MÜHENDISLIK A.Ş.,

gevestigd te Ankara, Turkije,

voor zich en in haar hoedanigheid van procesvertegenwoordiger van

i. het SIEMENS-GÜRIS-SIMKO-TÜVASAŞ CONSORTIUM,

welk consortium afgezien van GÜRIS INŞAAT VE MÜHENDISLIK A.Ş. bestaat uit:

ii. de rechtspersoon naar Duits recht

SIEMENS AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te Berlijn, Duitsland,

iii. de rechtspersoon naar Turks recht

SIEMENS SANAYI VE TICARET A.Ş. (voorheen SIMKO TICARET VE SANAVI A.Ş.),

gevestigd te Istanbul, Turkije, en

iv. de rechtspersoon naar Turks recht,

TÜVASAŞ TÜRKIYE VAGON SANAYI A.Ş.,

gevestigd te Sakarya, Turkije,

gedaagde,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Den Haag.

Partijen zullen hierna Güris en Bursa genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 11-2138

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het bevoegdheidsincident en in de hoofdzaak van 10 oktober 2012, en de daarin genoemde eerdere processtukken met alle producties,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie van de zijde van Güris, met productie,

  • -

    de conclusie van dupliek van de zijde van Bursa,

  • -

    de akte houdende overlegging aanvullende producties van de zijde van Güris,

- het proces-verbaal van de pleidooien van 5 september 2013, met de pleitnota’s van beide zaakadvocaten mrs. Drok en Tubbergen,

- de faxbrief van 5 september 2013 van mr. Tubbergen,

- de akte van 10 september 2013 van de zijde van Güris, met aanvullende productie,

- de faxbrief van 20 september 2013 van mr. Tubbergen, met bijlagen,

- de akte van 26 september 2013 van de zijde van Güris, met aanvullende productie,

- de faxbrief van 2 oktober 2013 van mr. Tubbergen.

1.2.

De vonnisdatum is nader bepaald op vandaag.

2 De procedure in de zaak 11-2584

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 10 oktober 2012, en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de zijde van Bursa,

  • -

    de akte van de zijde van Güris, met producties,

  • -

    de antwoordakte van de zijde van Bursa,

- het proces-verbaal van de pleidooien van 5 september 2013, met de pleitnota’s van beide zaakadvocaten mrs. Drok en Tubbergen,

- de faxbrief van 5 september 2013 van mr. Tubbergen,

- de akte van 10 september 2013 van de zijde van Güris, met aanvullende productie,

- de faxbrief van 20 september 2013 van mr. Tubbergen, met bijlagen,

- de akte van 26 september 2013 van de zijde van Güris, met aanvullende productie,

- de faxbrief van 2 oktober 2013 van mr. Tubbergen.

2.2.

De vonnisdatum is nader bepaald op vandaag.

3 De feiten

3.1.

Bursa is een grote stad, gelegen in het Noordwesten van Turkije. Op of omstreeks 31 januari 1997 heeft Bursa een opdracht gegeven aan het Siemens-Güris-Simko-Tüvasaş consortium (hierna: het consortium) voor de aanleg van de eerste fase van een stedelijk dubbelspoors metronetwerk. Güris, een grote Turkse aannemer, maakte deel uit van het consortium. Voor het aangenomen werk was een aanneemsom in Duitse marken overeengekomen.

3.2.

Het in de overeenkomst opgenomen arbitraal beding luidt, volgens de overgelegde beëdigde vertaling van de Akte van Arbitrageopdracht (Terms of Reference) vanuit het Turks naar het Nederlands (productie 6 bij verzoek om aanhouding tevens conclusie van antwoord van Güris in de zaak 11-2584) en voor zover relevant, als volgt:

“97.4.2. Scheidsgerecht

Alle geschillen die rijzen vanwege het bestaan, geldigheid en beëindiging van deze overeenkomst, worden definitief beslecht conform de versie van deze overeenkomst op de ondertekeningsdatum en middels arbitrale gedingvoering volgens het Schikkings- en Arbitragereglement van de ICC te Parijs door drie arbiters, zonder dat een beroep gedaan wordt op de normale rechtspleging.

97.4.4.

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is ’s-Gravenhage / Nederland. Tenzij in het voornoemde reglement daarover anders is bepaald, is het lokale procesrecht van toepassing.

3.3.

Güris heeft zich na voltooiing van het project op het standpunt gesteld dat zij schade heeft geleden ten gevolge van wisselkoersschommelingen. Güris heeft daarop, formeel op naam van het consortium, een internationale arbitrage bij de International Chamber of Commerce (hierna: ICC) tegen Bursa aangespannen en daarin een vergoeding gevorderd van het door haar gestelde valutanadeel van € 39,4 miljoen Duitse Marken. De arbitrage vond plaats in Den Haag onder toepassing van Nederlands procesrecht. Het geschil werd in de Turkse taal gevoerd onder toepassing van materieel Turks recht en het college bestond uit drie Turkse arbiters. De arbiters hebben bij eindvonnis van 23 februari 2002 de vordering van Güris afgewezen, waarbij slechts twee van de drie arbiters het eindvonnis hebben ondertekend.

3.4.

Güris heeft daarop de vernietiging van het arbitrale vonnis gevorderd bij de rechtbank Den Haag. Bij eindvonnis van 25 augustus 2004 heeft de rechtbank het arbitrale vonnis vernietigd op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef en sub d Rv, wegens strijd met artikel 1057 Rv. Bursa heeft vervolgens hoger beroep en cassatie ingesteld. Hof Den Haag, bij arrest van 28 november 2006 (ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3177), en de Hoge Raad, bij arrest van 5 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BF3799), hebben het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.5.

Güris heeft vervolgens opnieuw een arbitrageprocedure aangespannen. In die procedure heeft Bursa de onbevoegdheid van het scheidsgerecht ingeroepen op grond van artikel 1067 Rv.

3.6.

Het scheidsgerecht heeft bij gedeeltelijk eindvonnis van 25 oktober 2010 haar onbevoegdheid uitgesproken. De motivering is weergegeven in paragrafen 98 tot en met 138. Het eindoordeel ligt besloten in paragraaf 129 van het arbitrale deelvonnis:

“The majority of the Arbitral Tribunal, in accordance with ‘the description in paragraph immediately above, is in the opinion that in the event that the stipulated conditions of article 1067 of the CCP are be realized, the arbitration clause becomes void.”

3.7.

Bij arbitraal eindvonnis van 16 februari 2011 hebben arbiters een beslissing gegeven over de kosten van de procedure. De motivering is weergegeven in de paragrafen 36 tot en met 41. Het eindoordeel is neergelegd in paragraaf 42 van het arbitrale eindvonnis:

“Within the framework of the above explanations, the Claimant should undertake all of the costs in het amount of TL 701,520,37 on its own. The Defendant should bear all the costs incurred in the list of costs as TL 813,258,16 and EUR 84,943,87 on its own.

The total amount of fees and costs for the arbitrators’ and administrative costs determined by the Tribunal as USD 370,000 should be divided between the Parties. The Arbitral Tribunal, based on its power of discretion, has determined this share rate to be 4/5 of the Claimant and 1/5 for the Defendant.”

4 Het geschil

in de zaak 11-2138

4.1.

Bij vonnis in het bevoegdheidsincident en in de hoofdzaak van 10 oktober 2012 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de door Bursa ingestelde reconventionele vordering, zodat nog uitsluitend de (conventionele) vordering van Güris voorligt.

4.2.

Güris vordert – samengevat en uitvoerbaar bij voorraad – vernietiging van het tussen partijen op 25 oktober 2010 gewezen arbitrale deelvonnis, alsmede het tussen partijen op 16 februari 2011 gewezen arbitrale eindvonnis, welke vonnissen zijn gewezen onder auspiciën van de ICC en aldaar zijn geregistreerd als zaak 16261/GZ, met veroordeling van Bursa in de proceskosten.

4.3.

Güris voert daartoe aan dat de arbitrale vonnissen strijdig zijn, en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen strijdig is, met de openbare orde of goede zeden (artikel 1065 lid 1 onder e Rv). Tevens stelt Güris dat de arbitrale vonnissen onvoldoende met redenen zijn omkleed (artikel 1065 lid 1 onder d Rv) en dat arbiters hun opdracht hebben geschonden als bedoeld in artikel 1065 lid 1 onder c Rv door de zaak niet ten gronde te beoordelen. Tot slot voert Güris aan dat de herleving van de bevoegdheid van de gewone rechter in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

4.4.

Bursa voert gemotiveerd verweer.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 11-2584

4.6.

Bursa vordert – samengevat en uitvoerbaar bij voorraad – vernietiging van het tussen partijen gewezen arbitrale eindvonnis van 16 februari 2011 dat is gewezen onder auspiciën van de ICC en aldaar is geregistreerd als zaak 16261/GZ, met veroordeling van Güris in de proceskosten.

4.7.

Bursa legt aan haar vordering ten grondslag dat de ten laste van haar gegeven proceskostenveroordeling door het scheidsgerecht in strijd is met artikel 1065 lid 1 aanhef en sub d Rv niet met redenen is omkleed.

4.8.

Güris voert gemotiveerd verweer.

4.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in beide zaken

5.1.

In beide zaken vorderen eisers vernietiging van het op 16 februari 2011 gewezen arbitrale eindvonnis (hierna: het eindvonnis). In de zaak 11-2138 vordert Bursa tevens vernietiging van het arbitrale deelvonnis van 25 oktober 2010 (hierna: het deelvonnis).

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid geldt dat de burgerlijke rechter bij zijn onderzoek of er grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis bestaat terughoudendheid dient te betrachten. Een vernietigingsgrond mag niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Bovendien brengt het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen (HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395) en HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380). Tegen deze achtergrond zal de rechtbank de bezwaren van partijen tegen de arbitrale vonnissen beoordelen.

voorts in de zaak 11-2138

Niet-ontvankelijkheid

5.3.

Bursa heeft als meest verstrekkend verweer gevoerd dat Güris niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat zij heeft nagelaten (tijdig) procesvolmachten over te leggen waaruit blijkt dat zij bevoegd is om in deze procedure namens de in de kop van de dagvaarding genoemde leden van het consortium op te treden.

5.4.

De rechtbank heeft Güris op de zitting van 5 september 2013 de gelegenheid gegeven om binnen veertien dagen na de zitting per brief alsnog de procesvolmachten in het geding te brengen. Güris heeft daarop op 10 september 2013 en dus tijdig een akte houdende overlegging aanvullende producties in het geding gebracht. Bursa heeft daarop bij faxbrief van 20 september 2013 gereageerd, waarna Güris op 26 september 2013, mitsdien buiten de door de rechtbank gestelde termijn, een akte houdende overlegging aanvullende productie heeft ingediend. Bij faxbrief van 2 oktober 2013 heeft Bursa hiertegen bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht om deze akte te weigeren.

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat – gezien hetgeen zij hierna inhoudelijk zal overwegen – in het midden kan blijven of Güris (tijdig) de nodige procesvolmachten heeft ingediend. Zij zal er bij de verdere beoordeling veronderstellenderwijs van uitgaan dat Güris formeel gevolmachtigd is om namens (de leden van) het consortium in rechte op te treden.

Strekking van artikel 1067 Rv

5.6.

In de kern is tussen partijen in geschil of zij in de arbitrageovereenkomst in afwijking van artikel 1067 Rv zijn overeengekomen dat na vernietiging van een arbitraal vonnis de bevoegdheid van de gewone rechter niet herleeft.

5.7.

De kern van het geschil behelst aldus de uitleg van artikel 1067 Rv. Artikel 1067 Rv bepaalt dat zodra een gerechtelijk vonnis waarbij een arbitraal vonnis is vernietigd onherroepelijk is geworden, de bevoegdheid van de gewone rechter herleeft, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.

5.8.

In de dagvaarding en de conclusie van repliek heeft Güris gemotiveerd betoogd dat artikel 1067 Rv buiten toepassing gelaten diende te worden omdat dit, kort gezegd, in strijd is met internationale regelgeving. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Güris voorts als verweer gevoerd dat partijen in het onderhavige geval in de arbitrageovereenkomst in afwijking van artikel 1067 Rv zijn overeengekomen dat arbiters ook na de vernietiging van een arbitraal vonnis hun bevoegdheid behouden. Güris heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar twee arresten van de Hoge Raad van 18 november 1960, NJ 1961, 2, en 20 mei 1988, NJ 1988, 778 (uitsluitend verkort gepubliceerd en door Güris nadien in zijn geheel en met de conclusie AG overgelegd). Deze arresten zijn gewezen onder het (oude) recht dat gold vóór de invoering, per 1 december 1986, van het huidige artikel 1067 Rv. Het destijds geldende recht bevatte geen wettelijke bevoegdheidsbepaling voor de situatie na vernietiging van een arbitraal vonnis.

5.9.

Volgens Güris volgt uit de literatuur en jurisprudentie naar aanleiding van voornoemde arresten dat overeenstemming bestond over de door de Hoge Raad in de twee arresten geformuleerde regel. Deze regel houdt volgens Güris in dat na vernietiging van een arbitraal vonnis de rechtsmacht van de gewone rechter uitsluitend herleeft wanneer in het arbitraal beding met name genoemde arbiters zijn opgenomen en niet in het geval waarin in zijn algemeenheid voor arbitrage is gekozen. Volgens Güris is deze regel sinds de invoering van het huidige artikel 1067 Rv onverminderd van kracht en dient artikel 1067 Rv op deze wijze te worden uitgelegd. Nu in het onderhavige geval in de arbitrageovereenkomst geen arbiters met naam en toenaam worden genoemd, blijven arbiters ook na de vernietiging van het arbitrale vonnis op grond van artikel 1067 Rv bevoegd. Om die reden hebben arbiters zich in het deelvonnis ten onrechte onbevoegd verklaard, aldus nog steeds Güris. Bursa heeft een en ander gemotiveerd bestreden.

5.10.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit genoemde uitspraken van de Hoge Raad uitsluitend worden afgeleid dat de Hoge Raad uitgaat van de regel, zoals die in het huidige artikel 1067 Rv is neergelegd. De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 20 mei 1988 – met verwijzing naar zijn arrest uit 1960 – dat als uitgangspunt dient:

“dat na vernietiging van een arbitraal vonnis de bevoegdheid van de gewone rechter om het geschil te berechten herleeft, tenzij krachtens de overeenkomst van partijen het geschil ook dan aan arbitrage moet worden onderworpen.”

5.11.

Uit de bewoordingen “ook dan” volgt dat uitdrukkelijk moet worden overeengekomen dat het geschil ook na vernietiging van een arbitraal vonnis nog aan arbitrage moet worden onderworpen. De Hoge Raad komt in zijn arrest van 1988 vervolgens tot het oordeel dat het hof kennelijk tot de slotsom is gekomen dat in de aldaar aan de orde zijnde arbitrageovereenkomst een dergelijke uitzondering was opgenomen, maar heeft dat oordeel vanwege haar feitelijke aard niet kunnen toetsen. Uit de beide arresten volgt slechts dat de feitenrechter in elk individueel geval dient te beoordelen of partijen zijn overeengekomen dat de bevoegdheid van de gewone rechter na vernietiging van een arbitraal vonnis niet herleeft. Van een door de Hoge Raad geformuleerde regel die invulling geeft aan die beoordeling op de wijze zoals door Güris is betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.

5.12.

Belangrijker is dat bij de invoering van het huidige artikel 1067 Rv niet is verwezen naar de door Güris genoemde arresten en de daarin volgens Güris geformuleerde regel. De Parlementaire Geschiedenis bij artikel 1067 Rv zoekt daarentegen uitdrukkelijk aansluiting bij het – destijds niet ingevoerde – Ontwerp 1920 tot herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Parlementaire Geschiedenis bij het Ontwerp 1920, vermeldt in verband met de betreffende bepaling:

“Het wordt het meest practisch geacht na vernietiging van het vonnis de scheidsrechterlijke overeenkomst als vervallen te beschouwen. Mochten partijen niettemin nog aan een scheidsgerecht de voorkeur geven, dan staat het hun vrij dienaangaande een nieuwe overeenkomst aan te gaan.”

5.13.

Deze passage laat er geen twijfel over bestaan dat partijen na de invoering van het huidige artikel 1067 Rv volgens de wetgever uitdrukkelijk moeten afwijken van de hoofdregel dat de competentie van de gewone rechter na de vernietiging van het arbitrale vonnis herleeft.

5.14.

De rechtbank voegt hier nog aan toe dat de omstandigheid dat onder het komende recht de wetgever ervoor heeft gekozen in de toekomst als uitgangspunt te nemen dat bij vernietiging van een arbitraal vonnis arbiters bevoegd blijven, niet met zich brengt dat reeds nu anders moet worden geoordeeld. Allereerst kan niet zonder meer op komend recht worden geanticipeerd. Daarnaast biedt de Parlementaire Geschiedenis bij het huidige wetsvoorstel geen aanknopingspunten voor het standpunt van Güris. Voor zover Güris nog stelt dat in de overeenkomst van de huidige wettelijke regeling is afgeweken, dient die afwijking voldoende duidelijk te blijken uit de arbitrageovereenkomst en kan deze niet uit een arbitraal beding sec worden afgeleid (zie ook de annotatie van P. Sanders bij het arrest van de Hoge Raad uit 1988, TvA 1989, p. 29).

5.15.

Anders dan Güris stelt, volgt uit de bewoordingen van het arbitrale beding, zoals hiervoor geciteerd in rov. 3.2., niet voldoende expliciet dat partijen de bedoeling hebben gehad om van artikel 1067 Rv af te wijken. De bewoordingen “zonder dat een beroep gedaan wordt op de normale rechtspleging” zijn daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Overigens komt daar nog bij dat deze bewoordingen zijn opgenomen in artikel 97.4.2., terwijl de toepasselijkheid van het Nederlands procesrecht op de arbitrage in artikel 97.4.4. is opgenomen. Uit de tekst van artikel 97.4.4. volgt dat de toepasselijkheid van het Nederlands procesrecht uitsluitend wordt ingeperkt wanneer dit strijdig is met het Schikkings- en Arbitragereglement van de ICC. Gesteld noch gebleken is dat zulks het geval is voor wat betreft artikel 1067 Rv, meer in het bijzonder de regel dat partijen uitdrukkelijk moeten afwijken van de hoofdregel van artikel 1067 Rv. Ook uit de bewoordingen van artikel 97.4.4. blijkt niet dat partijen van de hoofdregel van artikel 1067 Rv zijn afgeweken.

5.16.

De door Güris gestelde – en door Bursa betwiste – enkele omstandigheid dat de overeenkomst tussen partijen grotendeels is gebaseerd op een modelcontract van de International Federation of Consulting Engineers, doet daar niet of onvoldoende aan af.

5.17.

Nu in de arbitrageovereenkomst niet uitdrukkelijk is opgenomen dat partijen afwijken van de regel van artikel 1067 Rv, is de rechtbank van oordeel dat de door Güris aangezochte arbiters zich terecht onbevoegd hebben verklaard. Dat leidt ertoe dat de vordering van Güris tot vernietiging van het deelvonnis en het eindvonnis op die grond niet kan worden toegewezen.

5.18.

Ook het beroep van Güris op het Verdrag van New York 1958 biedt geen grondslag voor toewijzing van de vordering van Güris. Dit verdrag heeft immers betrekking op de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale scheidsrechterlijke uitspraken. Het verdrag beoogt te voorkomen dat rechters die een buitenlandse arbitrale uitspraak moeten erkennen of ten uitvoer moeten leggen, op basis van de bepalingen van hun nationale recht – anders dan het op de arbitrageovereenkomst toepasselijke recht en de uitdrukkelijke bedoeling van partijen – de werking van de arbitrageovereenkomst inperken. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, nu aan de hand van het door partijen op de arbitrageovereenkomst van toepassing verklaarde Nederlandse procesrecht beoordeeld moet worden wat partijen zijn overeengekomen voor het geval een arbitraal vonnis door de Nederlandse rechter is vernietigd. Het verdrag van New York verzet zich dan ook niet tegen toepassing van artikel 1067 Rv, dat partijen zelf van toepassing hebben verklaard op de arbitrageprocedure.

5.19.

Sterker nog, artikel 2 lid 3 van het Verdrag van New York houdt uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid dat (de omvang van) de arbitrageovereenkomst wordt uitgelegd aan de hand van het op de arbitrageovereenkomst van toepassing verklaarde (proces)recht:

“De rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, verwijst partijen op verzoek van een hunner naar arbitrage, tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.”

5.20.

Het Verdrag van New York voorziet dan ook uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat het door partijen op de arbitrageovereenkomst toepasselijk verklaarde procesrecht kan meebrengen dat de overeenkomst vervalt, niet meer van kracht is of niet kan worden toegepast.

5.21.

Güris kan ook niet worden gevolgd in haar betoog dat het artikel kwalificeert als een “national idiosyncrasy”, een internationaal ongebruikelijke regel, die de lat voor een geldige arbitrageovereenkomst hoger legt dan de internationale standaard onder het Verdrag van New York. Vast staat immers dat de tussen partijen gesloten arbitrageovereenkomst naar Nederlands arbitragerecht rechtsgeldig is en wordt erkend en dat partijen – voorafgaand aan de vernietigingsprocedure – hebben gearbitreerd. De toegang tot arbitrage is daarmee voldoende gewaarborgd. Artikel 1067 Rv behelst slechts een regeling voor de situatie nadat een arbitraal vonnis is vernietigd, maar die regeling tast de rechtsgeldigheid van de tussen partijen gesloten arbitrageovereenkomst niet aan.

5.22.

Tot slot heeft Güris nog een beroep gedaan op rechtsdwaling: de regeling van artikel 1067 Rv is volgens Güris internationaal gezien zo uitzonderlijk dat partijen daar bij hun keuze voor Nederlands arbitragerecht niet op bedacht waren. Dit beroep op rechtsdwaling slaagt niet. Een beroep op rechtsdwaling kan in beginsel slechts in uitzonderlijke situaties slagen. De enkele omstandigheid dat artikel 1067 Rv afwijkt van de internationaal geldende hoofdregel is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft Bursa gemotiveerd aangegeven dat ook volgens het procesrecht van andere landen de bevoegdheid van arbiters na vernietiging van een arbitraal vonnis eindigt of wordt beperkt. Voorts is van belang dat partijen zelf gekozen hebben voor de toepasselijkheid van het Nederlandse procesrecht, hetgeen zich niet verhoudt met een beroep op rechtsdwaling. Nu Güris zelf aangeeft een grote professionele aannemer te zijn, mag van haar verwacht worden dat zij zich vooraf juridisch laat bijstaan en voorlichten over het (buitenlandse) recht dat in een door haar te sluiten arbitrageovereenkomst van toepassing wordt verklaard. Voor zover zij dat destijds heeft nagelaten, komen de rechtsgevolgen daarvan nu voor haar rekening en risico.

5.23.

Ook de stelling dat het boven elke twijfel verheven is dat partijen bij het sluiten van de arbitrageovereenkomst de bedoeling hebben gehad om hun geschil na vernietiging van een eerder arbitraal vonnis, nogmaals in arbitrage te laten beslechten, kan Güris niet baten nu Bursa uitdrukkelijk een beroep doet op artikel 1067 Rv en voorts gemotiveerd heeft bestreden dat partijen de bedoeling hebben gehad de regeling van artikel 1067 Rv buiten toepassing te laten. In dit verband is voorts van belang dat Güris zelf ten behoeve van de vernietiging van het eerdere arbitrale eindvonnis van 23 februari 2002 een beroep heeft gedaan op een in internationaal verband eveneens vrij uitzonderlijke vernietigingsgrond uit het Nederlandse arbitragerecht (zie rov. 3.4).

5.24.

Gezien al het voorgaande slaagt geen van de door Güris aangevoerde vernietigingsgronden. De herleving van de bevoegdheid van de gewone rechter is gezien al het voorgaande evenmin in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

5.25.

Güris zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bursa worden begroot op:

- griffierecht 568

- salaris advocaat 1.808 (4,0 punten × tarief € 452)

Totaal €  2.376

5.26.

De rechtbank zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, nu Bursa daartoe bij antwoord en dupliek in conventie heeft geconcludeerd.

in de zaak 11-2584

5.27.

Bursa is in het eindvonnis veroordeeld in 1/5e deel van de proceskosten. Bursa vordert op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef en sub d Rv vernietiging van het eindvonnis omdat de proceskostenveroordeling ten laste van haar niet met redenen is omkleed. Zij voert daartoe het volgende aan.

5.28.

Bursa stelt allereerst dat zij slechts een voorwaardelijke reconventionele vordering heeft ingediend, zodat arbiters – nu zij zich onbevoegd hebben verklaard – niet aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering hadden mogen toekomen. Daarnaast voert Bursa aan dat de proceskostenveroordeling onvoldoende is gemotiveerd. Volgens Bursa wordt niet duidelijk hoe de arbiters tot hun beslissing zijn gekomen en welke overwegingen zij daaraan ten grondslag leggen. Volgens Bursa hebben arbiters als grond voor de proceskostenveroordeling van Bursa uitsluitend aangevoerd dat de (voorwaardelijke) reconventionele vordering van Bursa onwettig is (“an illegal conditional case”; rov. 38 van het eindvonnis en “an illegal conditional action”; rov. 40 van het eindvonnis). Arbiters hebben echter nagelaten te motiveren waarom sprake is van een onwettige reconventionele vordering, aldus nog steeds Bursa. Güris heeft het standpunt van Bursa bestreden en heeft aangevoerd dat de proceskostenveroordeling voldoende is gemotiveerd.

5.29.

De rechtbank stelt voorop dat vernietiging van een arbitraal vonnis op de grond dat het niet met redenen is omkleed, slechts kan plaatsvinden indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld. De vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1 aanhef en sub d Rv dient door de rechter met terughoudendheid te worden toegepast (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1593).

5.30.

De rechtbank stelt voorop dat Bursa geen vernietiging van het deelvonnis vordert. In rov. 139 tot en met 144 van het deelvonnis geven arbiters hun oordeel over de door Bursa ingestelde reconventionele vordering en verklaren zij zich onbevoegd om de reconventionele vordering te beoordelen. In rov. 143 van het deelvonnis wordt in dit verband aangegeven dat arbiters van oordeel zijn dat de voorwaardelijke reconventionele vordering van Bursa onwettig is (“an illicit condition”). Voor zover Bursa heeft aangevoerd dat arbiters dit oordeel niet hebben gemotiveerd, gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu Bursa niet de vernietiging van het deelvonnis heeft gevorderd, terwijl bedoeld oordeel en de daarbij behorende motivering in het deelvonnis zijn opgenomen.

5.31.

De proceskostenveroordeling en de daarbij behorende motivering is verder neergelegd in rov. 31 tot en met 42 van het eindvonnis. Anders dan Bursa betoogt, hebben arbiters de gedeeltelijke veroordeling van Bursa niet enkel gegrond op hun – in het door Bursa niet bestreden deelvonnis – gegeven oordeel dat de vordering van Bursa “an illegal conditional case” is. In rov. 39 en 40 van het eindvonnis geven de arbiters immers nog een aantal aanvullende gronden voor de uiteindelijke proceskostenverdeling. In rov. 39 van het eindvonnis noemen arbiters hun grote discretionaire bevoegdheid om op grond van de Arbitration Rules of International Chamber of Commerce van 1988 en 1998 te beslissen over de proceskosten. In rov. 40 worden daar door arbiters nog een aantal andere omstandigheden aan toegevoegd, te weten 1.) dat Güris op goede gronden een vernietigingsactie heeft kunnen opstarten, 2.) dat het door Bursa gevorderde bedrag gering is in vergelijking tot het belang van de vordering van Güris, en 3.) dat partijen niet om een uitsplitsing van de proceskosten hebben verzocht.

5.32.

Onder de gegeven omstandigheden doet zich geen situatie voor dat een motivering ontbreekt of de gegeven motivering daarmee op één lijn moet worden gesteld. Of de overwegingen van arbiters feitelijk en/of rechtens juist zijn, ligt niet ter toetsing voor. Zou de rechtbank wel tot die toets overgaan, dan zou in feite sprake zijn van een hoger beroep en daarvoor is de vernietigingsprocedure nu juist niet bedoeld. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan het betoog van Bursa dat arbiters ten onrechte hebben geoordeeld dat Bursa een onvoorwaardelijke reconventionele vordering heeft ingediend en niet, zoals Bursa betoogt, een voorwaardelijke reconventionele vordering.

5.33.

Voor zover Bursa nog heeft aangevoerd dat Güris haar ten onrechte in een arbitrageprocedure heeft betrokken, omdat arbiters zich onbevoegd hebben verklaard, kan dit verweer haar niet baten, nu dit niet tot toewijzing van haar vordering tot vernietiging van het eindvonnis kan leiden.

5.34.

Bursa zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Güris worden begroot op:

- griffierecht 568

- salaris advocaat 1.808 (4,0 punten × tarief € 452)

Totaal €  2.368

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 11-2138

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt Güris in de proceskosten, aan de zijde van Bursa tot op heden begroot op € 2.376,

6.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 11-2584

6.4.

wijst de vorderingen af,

6.5.

veroordeelt Bursa in de proceskosten, aan de zijde van Güris tot op heden begroot op € 2.368.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien, mr. D. Nobel en mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.