Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16837

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
AWB 13-10668
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gezin met minderjarige kinderen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd en dat asiel heeft aangevraagd, heeft twaalf dagen verbleven in het Justitieel Centrum Schiphol (JCS). De rechtbank oordeelt, na onderzoek ter plaatse, dat de detentieomstandigheden niet zodanig zijn dat hun verblijf van minder dan veertien dagen in het JCS onrechtmatig is. Er is geen strijd met het Unierecht of het EVRM.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:50
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/52

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/10668



uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 december 2013 in de zaak tussen

1. [eiser1], geboren op [geboortedag eiser1] 1975, V-nr. [V-nummer eiser1], eiser 1,

2. [eiseres2], geboren op [geboortedag eiseres2] 1985, V-nr. [V-nummer eiseres2],

eiseres 2,

3. [eiser3], geboren op [geboortedag eiser3] 2002, V-nr. [V-nummer eiser3], eiser 3,

4. [eiser4], geboren op [geboortedag eiser4] 2003, V-nr. [V-nummer eiser4], eiser 4

5. [eiseres5], geboren op[geboortedag eiseres5] 2005, V-nr. [V-nummer eiseres5], eiseres 5,

allen van Afghaanse nationaliteit, eisers,

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. P. Bosch).

Procesverloop

Op 13 april 2013 zijn eisers op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 en artikel 5 in samenhang met artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van 15 maart 2006 (Schengengrenscode) op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eisers is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Bij beroepschrift van 18 april 2013 hebben eisers beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is tevens verzocht om toekenning van schadevergoeding.

Op 21 april 2013 hebben eisers aanvragen ingediend tot het verlenen van verblijfsvergunningen asiel. Op 25 april 2013 heeft verweerder besloten de aanvragen in de verlengde asielprocedure af te doen en de aan eisers opgelegde vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 28 mei 2013. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. P.P. Zweedijk. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Bij tussenbeslissing van 3 juni 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Hierbij is bepaald dat de zaak zal worden verwezen naar een meervoudige kamer en dat een onderzoek ter plaatse zal worden gehouden op grond van artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het Justitieel Centrum Schiphol (JCS) te Badhoevedorp.

Op 22 augustus 2013 heeft in aanwezigheid van de gemachtigde van eisers en

mr. P. Bosch, gemachtigde van verweerder, een onderzoek ter plaatse ex artikel 8:50 van de Awb plaatsgevonden in het JCS. Bij de schouw waren tevens aanwezig [naam medewerker JCS], [functie JCS] JCS, [naam unitmanager AC Schiphol], [functie AC Schiphol 1] (AC) Schiphol,[naam medewerker AC Schiphol], [functie AC Schiphol 2] AC Schiphol en [naam medewerker Vluchtelingenwerk], [functie Vluchtelingenwerk] Vluchtelingenwerk Nederland AC Schiphol. Bij de aansluitend aldaar gehouden zitting was tevens aanwezig:[persoon1], werkzaam bij Defence for Children. Toen en aldaar is het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken.

Bij e-mailbericht van 2 september 2013 heeft de gemachtigde van verweerder nadere informatie verstrekt. Vervolgens hebben partijen nog tweemaal per faxbericht hun standpunten nader toegelicht. Nadat beide partijen daarvoor toestemming hebben gegeven heeft de rechtbank bepaald dat nadere behandeling van het beroep ter zitting achterwege kan blijven. Vervolgens heeft de rechtbank op 20 november 2013 het onderzoek gesloten.


Overwegingen

1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de maatregel na de indiening van het beroep heeft opgeheven. De rechtbank moet daarom slechts beoordelen of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.

2.

Eisers vormen een gezin bestaande uit man, vrouw, twee zonen van elf en tien jaar en een dochter van acht jaar. Bij aankomst op Schiphol hebben zij kenbaar gemaakt asiel te willen aanvragen. Aan allen is, nadat hen de (verdere) toegang tot Nederland was geweigerd, conform het beleid van verweerder de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 van de Vw 2000 opgelegd met aanwijzing van het AC Schiphol, gevestigd in het JCS, als plaats waar zij verplicht zijn zich op te houden. Eisers hebben daar in totaal twaalf dagen verbleven.

3.

Eisers hebben – onder meer onder verwijzing naar een rapport van Defence for Children – aangevoerd dat het niet noodzakelijk was het gezin met minderjarigen en een zieke moeder in detentie te stellen, mede gelet op het feit dat zij asiel hebben aangevraagd en goed gedocumenteerd waren. Daarnaast is het JCS volgens eisers ongeschikt om kinderen onder te brengen. De vrijheidsontnemende maatregel was dan ook, in strijd met artikel 37 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), niet tot het uiterste beperkt en in strijd met richtlijnen van de UNHCR. De belangen van eisers hadden van meet af aan moeten prevaleren, aldus eisers. Uit het arrest Suso Musa tegen Malta, 42337/12 (te vinden op hudoc.echr.coe.int) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de op de weigering van de verdere toegang gebaseerde grensbewaring van asielzoekende derdelanders op gespannen voet staat met artikel 5, eerste lid, onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten slotte hebben eisers onder verwijzing naar een het van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 30 mei 2013 (Arslan tegen Tsjechië, ECLI:NL:XX: 2013:CA2495) nog aangevoerd – zo begrijpt de rechtbank het betoog van eisers – dat de praktijk van verweerder bij het toepassen van de vrijheidsontnemende maatregel bij asielzoekende derdelanders in strijd is met het Unierecht, meer bepaald de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (procedurerichtlijn).

4.

Ten aanzien van de stelling dat sprake is van strijd met het Unierecht overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), laatstelijk bij uitspraak van 12 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2050), volgt uit het Arslan-arrest weliswaar dat een vrijheidsontnemende maatregel niet enkel het gevolg mag zijn van het indienen van het asielverzoek, maar dat het standpunt van verweerder dat in het geval de toegang rechtmatig is geweigerd het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vergt, niet onjuist is. Verder heeft de Afdeling daarbij opnieuw geoordeeld dat met artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 en het voor de toepassing daarvan in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 opgenomen beleid voldoende is gewaarborgd dat geen vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, dan wel een reeds opgelegde maatregel wordt opgeheven indien, in het licht van de bijzondere individuele omstandigheden van een vreemdeling, het opleggen of voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel niet of niet langer gerechtvaardigd is.

5.

Ten aanzien van het het betoog van eisers dat de detentie strikt noodzakelijk dient te zijn, dat de detentie te lang heeft geduurd, dat de verblijfsomstandigheden in het JCS ongeschikt zijn voor minderjarige kinderen, en dat derhalve en gelet op de jurisprudentie van het EHRM geen sprake is van rechtmatige detentie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM, overweegt de rechtbank het volgende.

6.1.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

(…)

f. in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

6.2.

Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden. Uit de uitspraak van 4 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7118) van de Afdeling volgt dat deze bepalingen ook zien op de vreemdelingen aan wie de verdere toegang, dat is de feitelijke verdere binnenkomst in het grondgebied, is ontzegd.

6.3.

Vanaf 1 april 2013 is het beleid inzake grensdetentie van gezinnen met minderjarige kinderen neergelegd in paragraaf A5/3.2 van de Vc 2000. Daarin is, evenals voorheen in paragraaf C12/2.7 van de Vc 2000, het volgende vermeld:


“Als een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw aan een gezin met minderjarige kinderen is opgelegd geldt een maximale duur van twee weken. De termijn van de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot twee weken gerekend vanaf het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.”

6.4.

Volgens jurisprudentie van het EHRM, onder meer in het arrest van 29 januari 2008 inzake Saadi (LJN: BC6246), is detentie voorafgaande aan het verkrijgen van toestemming van een staat tot binnenkomst toegestaan, indien en voor zover dit in overeenstemming is met het algemene doel van artikel 5 van het EVRM. Daarbij is het volgens het EHRM niet vereist dat de bewaring noodzakelijk moet zijn om hetzij ongeoorloofde binnenkomst te bestrijden of gedwongen uitzetting mogelijk te maken, maar er moet wel een voldoende nauwe band bestaan met dat doel van de bewaring.

6.5.

Uit voormeld arrest volgt voorts dat de enkele omstandigheid dat de detentie in overeenstemming is met nationale wet- en regelgeving op zich zelf onvoldoende is om te oordelen dat deze in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM. Detentie mag daarnaast niet willekeurig geschieden. In rechtsoverweging 74 van het arrest Saadi noemt het EHRM vier criteria om te beoordelen of detentie van asielzoekers aan wie de toegang tot het grondgebied is geweigerd willekeurig is, te weten:

a. de detentie dient ‘te goeder trouw’ (‘in good faith’) te worden toegepast;

b. de detentie moet in nauw verband staan met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen;

c. de plaats en de verblijfsomstandigheden moeten passend zijn, in acht genomen dat de maatregel niet wordt toegepast op personen die strafbare feiten hebben begaan, maar op vreemdelingen die, vaak in vrees voor hun leven, vanuit hun land van herkomst zijn gevlucht; en

d. de duur van de detentie moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel.

6.6.

Uit het arrest van het EHRM van 19 januari 2010 (Muskhadzhiyeva e.a., r.o. 73 en 74, ECLI:NL:XX:2010:BL9430) volgt voorts dat indien sprake is van detentie van een minderjarige vreemdeling, de plaats en verblijfsomstandigheden dienen te zijn aangepast aan het verblijf van minderjarigen.

6.7.

Ten slotte heeft het EHRM in het arrest van 19 januari 2012 (Popov en Yakovenko, ECLI:NL:XX:2012:BW0609) overwogen dat ten aanzien van de minderjarige kinderen had moeten worden nagegaan of vreemdelingenbewaring de laatste mogelijkheid was. Het EHRM heeft in dit arrest verder overwogen dat een periode van vijftien dagen voor kinderen (in de desbetreffende zaak van de leeftijden van minder dan zes maanden en drie jaar) onder de gegeven omstandigheden (verblijf in een milieu van volwassenen, geconfronteerd met een sterke aanwezigheid van politie, zonder op kinderen gerichte recreatiefaciliteiten, versterkt door de op de ouders liggende psychische druk en door de betrokkenen zelf omschreven als een plaats gekenmerkt door overbevolking, sleetsheid, promiscuïteit en hoge spanning) niet passend is te achten. Ook volgt uit dit arrest dat de plaats waar de detentie wordt toegepast en de daar bestaande verblijfsomstandigheden van belang is bij de vraag of detentie geoorloofd is.

6.8.

Voor zover eisers onder verwijzing naar het arrest Popov betogen dat uit dit arrest volgt dat de noodzaak tot het toepassen van de vrijheidsontnemende maatregel bij gezinnen met minderjarige kinderen niet kan zijn gelegen in de weigering van de verdere toegang vanwege het daaraan verbonden grensbewakingsbelang, volgt de rechtbank dit betoog niet. Daarbij is van belang dat uit het arrest Popov niet kan worden afgeleid dat detentie onder artikel 5 eerste lid, onder f, van het EVRM nimmer is toegestaan indien er minderjarigen bij betrokken zijn. Het EHRM koppelt de vraag of en hoelang minderjarigen in detentie mogen verblijven uitdrukkelijk aan de detentieomstandigheden. Hierop zal de rechtbank hieronder ingaan. Voor zover eisers hebben bedoeld te betogen dat verweerder in het onderhavige geval geen belangenafweging heeft gemaakt alvorens eisers, met hun kinderen, te detineren, terwijl in overweging 91 van het arrest Popov wordt overwogen dat de autoriteiten zich moeten afvragen of detentie het laatst mogelijke middel is, waarvoor geen alternatief voorhanden was, overweegt de rechtbank als volgt. In onder meer de uitspraak van de Afdeling van

23 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ6483) is overwogen dat uit (de toen geldende) paragraaf A6/2.7 van de Vc 2000 blijkt dat door het stellen van een maximum aan de duur van vrijheidsontneming van minderjarige kinderen, het belang van deze kinderen is betrokken in het door de minister gevoerde beleid. Een aanvullende speciale belangenafweging is dan niet vereist, aldus de Afdeling. In de aangehaalde overweging uit Popov ziet de rechtbank geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen.

6.9.

Het arrest van het EHRM inzake Suso Musa tegen Malta, 42337/12 (te vinden op hudoc.echr.coe.int), waar eisers ook een beroep op hebben gedaan, mist naar het oordeel van de rechtbank relevantie voor het voorliggende geschil, nu het in die zaak een vreemdeling betrof aan wie de toegang tot het nationale grondgebied was verleend, terwijl in de onderhavige zaken de feitelijke verdere binnenkomst op het nationale grondgebied is geweigerd.

7.1.

Voor wat betreft het genoemde aspect van een passende plaats en passende verblijfomstandigheden geeft de rechtbank in het navolgende eerst een beschrijving van haar bevindingen tijdens de schouw in het JCS.

7.2.

De afdeling waar eisers hebben verbleven, heeft een centrale gang van ongeveer

50

meter met aan weerszijden in totaal 28 celdeuren, waarachter de cellen zich bevinden, en voorts een aantal gemeenschappelijke ruimtes, te weten een recreatieruimte, een keuken, een speelruimte voor kinderen en een verblijfsruimte voor volwassenen. In de gang staan een leestafel, een tafeltennistafel en een tafelvoetbaltafel. Aan het einde van de gang staat een kolom met een “touchscreen” waarop men met een door de inrichting verstrekte pas boodschappen kan bestellen. Tijdens de schouw zat er één man aan de leestafel.

7.3.

De cellen zijn alle identiek qua oppervlakte en indeling. Een cel meet 13,4 m² en heeft een raam dat niet geopend kan worden. Aan de bovenkant van het raam kan wel een ventilatierooster worden geopend. Er hangen gordijnen bij het raam. De door eisers gebruikte cellen bevinden zich, vanaf de ingang van de afdeling gezien, aan de linkerzijde. Het raam van deze cel biedt zoals de ramen van alle aan de linkerzijde gelegen ruimtes, uitzicht op bomen met daarachter weilanden. In de cel bevinden zich verder een stapelbed, een tafel welke aan de muur bevestigd is, een stoel, een tv, een koelkast, een waterkoker, een telefoon, een magnetron, bestek en afsluitbare kastjes. Ook bevat de cel een aparte ruimte met een douche, wastafel en een toilet. Deze ruimte kan worden afgesloten door middel van een half hoge deur. Door middel van een tussendeur kunnen twee cellen gekoppeld worden, waarna er een ruimte ontstaat van 26,8 m², voor een gezin met kinderen. Dit was ook het geval bij de het gezin van eisers. Omdat beide cellen samen vier slaapplaatsen hebben is voor het derde kind een matras bijgeplaatst. In de cel is geen cameratoezicht, wel hebben de toegangsdeuren controleruitjes. Vanuit de centrale gang zijn de cellen te openen door de gebruikers daarvan en de bewaking. Men kan zich desgewenst terugtrekken in zijn cel.

7.4.

Aan de rechterzijde van de gang is een recreatieruimte van 27,3 m², waarin een aantal computers staan opgesteld. Aan de linkerzijde van de gang bevindt zich een keuken van 15,9 m², waar men een eigen maaltijd kan bereiden indien men geen gebruik wil maken van de door het JCS aangeboden maaltijden. Iedere gedetineerde vreemdeling krijgt € 10,= zakgeld per week om etenswaar en andere artikelen te kunnen kopen. Ook aangrenzend aan de centrale gang aan de linkerzijde is een recreatieruimte voor kinderen. Deze ruimte bedraagt 53,2 m². In die ruimte bevinden zich twee lage tafels en een hoge tafel met stoelen, een zitzak, verschillende soorten speelgoed, zoals kleur- en verfspullen, een sjoelbak en een “playstation 2”-spelcomputer. Ook is er een selectie aan boeken in verschillende talen en een aantal plaatjesboeken voor jongere kinderen. Op verzoek kan ook gebruik worden gemaakt van een “wii”-spelcomputer. Ook staat er een kast met een tv, een dvd-speler en dvd’s. De ruimte is afgescheiden door een glazen wand met openslaande deuren. Aan de rechterzijde iets verderop bevindt zich nog een dagverblijfruimte voor volwassenen. Deze ruimte bedraagt 82,3 m² en bevat vier zitjes met ieder vier stoelen en vijf bankjes. Aan het einde van de gang is een berging, waarin ook baby- en peuterartikelen, zoals zuigflessen, luiers en melkpoeder, zijn opgeslagen. Deze artikelen kan men op aanvraag krijgen.

7.5.

De recreatieruimte en verblijfsruimte hebben ramen met uitzicht op een buitenruimte die bestaat uit meerdere luchtplaatsen, elk omgeven door circa 4 meter hoge muren. Aan het begin van de gang bevindt zich een deur die via een binnentrap leidt naar een steile smalle trap aan de buitenzijde, waarlangs de luchtplaats op de begane grond bereikbaar is. Deze ruimte beslaat ongeveer 650 m² en is omgeven door 4 meter hoge witte muren, gedeeltelijk begroeid met klimop. Centraal bevindt zich een kunstgrasveldje met twee kleine doeltjes, dat het grootste deel van het oppervlak van de luchtplaats beslaat. Verder is er een “wipkip”, een basketbalpaal en een aantal betonnen bankjes. In het midden aan de zijkant is nog een overdekt deel van ongeveer 1,5 bij 5 meter.

7.6.

Alle voornoemde algemene ruimtes, met uitzondering van de berging, zijn vrij toegankelijk behoudens de uren dat men ingesloten is in de cel. Dit is ‘s avonds van

21.30

uur tot de volgende ochtend 8.00 uur. Wel zij opgemerkt dat op de luchtplaats altijd iemand van het bewakingspersoneel aanwezig moet zijn op het moment dat daar een minderjarige vreemdeling verblijft. Ook dient één van de ouders aanwezig te zijn. Kinderen kunnen aldus niet geheel naar eigen wens van de luchtplaats gebruik maken. De luchtplaats is toegankelijk door middel van twee zware deuren die door de centrale meldkamer na een druk op de knop geopend worden. Deze deuren zijn niet gemakkelijk door kleine kinderen te openen vanwege hun gewicht en ook de trap naar buiten is zodanig steil, dat kleine kinderen zonder begeleiding bezwaarlijk zelfstandig naar binnen en naar buiten kunnen.

7.7.

De afdeling heeft geen vast dagprogramma, omdat met name de volwassenen het merendeel van de tijd beschikbaar moeten zijn voor de asielprocedure. Op aanvraag kan wel gebruik worden gemaakt van de buiten de afdeling gelegen gemeenschappelijke voorzieningen van het detentiecentrum, waaronder de bibliotheek en de sportzaal. Men kan zich niet vrijelijk bewegen van en naar deze buiten de afdeling gelegen ruimtes. Een bewaker dient de vreemdeling naar deze ruimtes te begeleiden. In het JCS zijn geen activiteitenbegeleiders beschikbaar speciaal gericht op minderjarigen.

7.8.

De gehoorkamers zijn buiten de boven beschreven afdeling gevestigd. Bij deze gehoorkamers is een ruim van speelgoed voorziene speelruimte ingericht waar kinderen kunnen verblijven indien het niet wenselijk wordt geacht dat zij bij de gehoren aanwezig zijn. Kinderen kunnen hier slechts onder toezicht van ofwel één van hun ouders, ofwel een bewaker gebruik van maken. Indien kinderen wel bij de gehoren aanwezig zijn, is daar (klein) speelgoed voor hen beschikbaar.

7.9.

Het gehele gebouw, waaronder de verblijfsafdeling oogt licht en modern en schoon. Het aanwezige personeel maakte een correcte indruk.

8.1.

Uit voornoemde bevindingen volgt dat bij de inrichting van het gebouw rekening is gehouden met het verblijf van gezinnen met minderjarige kinderen en dat er diverse (re)creatieve mogelijkheden voor hen aanwezig zijn. Voorts is er in voorzien dat men zich overdag over de afdeling kan bewegen, maar zich desgewenst ook kan terugtrekken in zijn cel. Uit de bevindingen volgt echter ook dat de gebouwelijke situatie van het JCS ondanks de aandacht die bij de bouw en inrichting is besteed aan een leefbare omgeving, onmiskenbaar een penitentiair karakter heeft. In het bijzonder valt op dat de luchtplaats is omgeven door hoge muren en slechts zicht heeft op het omliggende detentiecomplex. Vanaf de trap naar de luchtplaats zijn de luchtplaatsen van de andere afdelingen zichtbaar.

8.2.

Ook in de verblijfsomstandigheden zijn onmiskenbaar penitentiaire elementen aanwezig. Zo is geüniformeerd bewakingspersoneel voortdurend zichtbaar aanwezig en is er buiten de cellen overal cameratoezicht. Voorts worden volwassenen bij komen van of gaan naar de verblijfsafdeling met een zogenaamde bodyscanner op gevaarlijke voorwerpen gecontroleerd. Weliswaar kan men zich overdag vrij over de afdeling bewegen maar van 21.00 uur tot 8.00 uur is men op zijn cel ingesloten. Voorts geldt zoals boven beschreven dat kinderen slechts onder toezicht van de buitenruimte gebruik kunnen maken. Hetzelfde geldt voor de speelruimte bij de gehoorkamers. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat de minderjarige kinderen zich tijdens hun verblijf bewust zijn geweest van het penitentiair karakter van het gebouw en de penitentiaire elementen in de verblijfsomstandigheden.

9.1.

Uit de ter gelegenheid van de schouw verkregen informatie volgt verder dat gezinnen met kinderen maximaal veertien dagen in het JCS verblijven. Eisers hebben minder dan veertien dagen, te weten twaalf dagen, in het JCS verbleven.

9.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, al het bovenstaande in ogenschouw nemende, niet gezegd worden dat het penitentiair karakter van het gebouw en de penitentiaire elementen in de verblijfsomstandigheden dusdanig zwaar wegen dat reeds daardoor het JCS als verblijfplaats voor gezinnen met minderjarige kinderen voor een verblijf van veertien dagen op voorhand ongeschikt is te achten. Daarbij acht de rechtbank naast de voor kinderen aanwezige speel- en recreatiemogelijkheden, in het bijzonder van belang dat de mogelijkheid bestaat zich overdag desgewenst te onttrekken aan de aanwezigheid van niet tot het gezin behorende volwassenen door zich in de eigen cel terug te trekken. De niet betwiste stelling dat er geen huisregels zijn die specifiek op het verblijf van kinderen in het JCS zien, doet niet af aan voornoemde bevindingen ten aanzien van de detentieomstandigheden van kinderen en kan dan ook niet leiden tot een ander oordeel.

De verwijzing naar het arrest Popov leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Het JCS is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het bovenstaande zowel naar het karakter van het gebouw als de leefomstandigheden niet te vergelijken met de detentieomstandigheden die in dat arrest aan de orde waren.

10.1

Uit de overige eisen die het EHRM aan de rechtmatigheid van de detentie stelt, te weten dat de detentie ‘te goeder trouw’ dient te worden toegepast, dat zij in nauw verband moet staan met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen en dat de duur van de detentie in redelijke verhouding moet staan tot het beoogde doel, volgt dat de nodige voortvarendheid dient te worden betracht bij het behandelen van asielaanvragen van gezinnen met minderjarige kinderen, zodat hun detentie zo kort mogelijk duurt. Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat verweerder in hun geval niet de nodige voortvarendheid heeft betracht, gelet op hetgeen reeds voor het opleggen van de maatregel bekend was en gelet op hetgeen hun gemachtigde bij brieven van 16 april 2013 en 22 april 2013 naar voren heeft gebracht.

10.2.

In de brief van 16 april 2013 is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld.

“Ik meen dat het gezin sowieso na het eerste gehoor VA gezonden dient te worden. Daaraan ligt allereerst ten grondslag dat het verblijf van de kinderen hier in het detentiecentrum uiteraard zo kort mogelijk dient te zijn. Ook al verblijven zij hier met hun ouders, de omstandigheden zijn geenszins toegerust op verblijf van kinderen alhier. Er is niet eens kinderopvang! Nu ook de rust- en voorbereidingstijd hier in gevangenschap plaatsvindt, verblijven de kinderen hier ten tijde van het eerste gehoor (op 21 april 2013) reeds acht dagen! Zij arriveerden hier immers op 13 april 2013. Daarbij is de maximale termijn al bijna volgelopen.

Bovendien benadruk ik hierbij nu reeds dat het hier gaat om een goed gedocumenteerd gezin: (…)

Mede gelet op het feit dat er (zelfs in het geval dat u de aanvragen zou afwijzen) zich te zijner tijd evenmin het risico voordoet op belemmering en ontwijking, zie ik geen reden waarom de toegangsweigering niet reeds nu kan worden opgeheven (de vraag is of grensdetentie hier überhaupt is aangewezen…) en daarmee tevens de ‘artikel 6-maatregel.”

Bij brief van 22 april 2013 heeft gemachtigde van eisers in reactie op het verslag van de eerste gehoren nogmaals aangedrongen op onmiddellijke verwijzing naar de verlengde asielprocedure (VA).

10.3.

De stelling van eisers dat de kansrijkheid van hun asielaanvraag een rol dient te spelen bij het besluit tot oplegging of voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel treft geen doel. Zelfs indien sprake is van een vorm van categoriale bescherming, hetgeen ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Afghanistan ten tijde van het bestreden besluit niet het geval was, dient verweerder de gelegenheid te krijgen om te onderzoeken of sprake is van contra-indicaties. Verweerder heeft er in het onderhavige geval terecht op gewezen dat de documenten die eisers bij aankomst in hun bezit hadden nog niet waren onderzocht en dat deze worden beoordeeld in samenhang met de verklaringen tijdens de eerste en eventueel de nadere gehoren.

10.4.

Voor zover eisers hebben gesteld dat verweerder de hierboven geciteerde brief van 16 april 2013 hadden moeten opvatten als verzoek tot het verkorten van de rust- en voorbereidingstijd, volgt de rechtbank hen daarin evenmin. Gemachtigde van eisers heeft blijkens de bewoordingen van de brief nadrukkelijk verzocht om verwijzing naar de verlengde asielprocedure. Met een dergelijk verzoek wordt niet afgezien van of ingestemd met een verkorting van de rust- en voorbereidingstijd, die ertoe strekt een zorgvuldige asielprocedure mogelijk te maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat eisers, indien zij van de rust- en voorbereidingstijd af wensten te zien, dit uitdrukkelijk kenbaar hadden dienen te maken.

10.5.

Ten aanzien van het betoog dat verweerder in zijn beleid, noch anderszins kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid bestaat om van de rust- en voorbereidingstijd af te zien of deze in te korten, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel aan eisers kan worden toegegeven dat op geen enkel moment in hun procedure aan hen is medegedeeld dat zij kunnen verzoeken om verkorting van de rust- en voorbereidingstijd, maakt dit niet dat de bewaring onrechtmatig was. Verweerder heeft binnen de geldende kaders, die zoals hiervoor weergegeven zijn bedoeld om de asielprocedure zorgvuldig te laten verlopen, de nodige voortvarendheid betracht bij het behandelen van de asielaanvraag.

11.

Ten slotte is aan de orde de vraag of sprake was van bijzondere individuele omstandigheden die noopten tot het afzien van de oplegging of van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Zoals in deze uitspraak reeds eerder is overwogen, vormen het feit dat sprake is van een gezin met minderjarige kinderen van asielzoekende derdelanders en de kansrijkheid van hun asielaanvragen als zodanig geen bijzondere omstandigheden. Eisers hebben in dit verband nog aangevoerd dat eiseres 2 op 24 april 2013 tijdens een bespreking van het gehele gezin met hun gemachtigde onwel werd. Uit de tijdens de schouw verkregen informatie is gebleken dat eiseres 2 na dit voorval onmiddellijk is overgebracht naar de medische dienst, alwaar zij de benodigde zorg heeft gekregen. Niet is gebleken dat de kinderen in de tussentijd niet door eiser 1 en het aanwezige personeel adequaat zijn opgevangen. Naar het oordeel van de rechtbank noopte dit incident niet tot opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.

12.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel en ex artikel 6 van de Vw 2000 niet in strijd is geweest met de Vw 2000, artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM of het gemeenschapsrecht en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd was te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

13.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter, en mrs. J.C. Boeree en A.J. Dondorp, leden, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer en H.C. Hagen, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JV

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.