Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16634

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
AWB 13/11335
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is in 2007 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend, met de aantekening ‘EG langdurig ingezetene’. Zij heeft destijds bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de gevraagde leges, € 201. Dit bezwaar is afgewezen. In beroep en hoger beroep heeft eiseres, onder verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel, onder meer aangevoerd dat de door haar betaalde leges onredelijk waren. Bij uitspraak van 23 juni 2010 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat niet is gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit door het heffen van hogere leges van eiseres dan burgers van de Unie zouden moeten hebben betalen. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 26 april 2012 (Commissie tegen Nederland) heeft eiseres verzocht om restitutie van de teveel betaalde leges.

De rechtbank overweegt dat het ne-bis beoordelingskader in beginsel op dit verzoek van toepassing is , maar dat bij bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest Kühne & Heitz voor een bestuursorgaan de verplichting bestaat om vanwege aan het gemeenschapsrecht ontleende materiële aanspraken terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit. In een dergelijk geval is het ne-bis beoordelingskader niet van toepassing.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest Kühne & Heitz, zodat de rechtbank toekomt aan een toetsing van het bestreden besluit en verweerder vervolgens gehouden is terug te komen van het besluit van 31 januari 2008 zodat het restitutieverzoek ten onrechte is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 13/11335

Datum uitspraak: 6 december 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Zwitserse nationaliteit,

eiseres,

tegen

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder (onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Op 30 mei 2012 heeft eiseres verweerder (onder meer) verzocht om haar klacht over de onevenredigheid van de door haar in 2007 betaalde leges nogmaals te onderzoeken en over te gaan tot terugbetaling van dit bedrag. Bij besluit van 21 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 30 augustus 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 26 april 2013 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 juli 2013. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.A.W. Oude-Lenferink.

Feiten

Eiseres heeft de Zwitserse nationaliteit en is sinds 1995 in Nederland woonachtig en werkzaam. Op 22 januari 2007 heeft eiseres verzocht om toekenning van de status als langdurig ingezetene als bedoeld in richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: Richtlijn 2003/109). Bij besluit van 27 september 2007 heeft verweerder aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend, met de aantekening ‘EG langdurig ingezetene’. Het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres had onder meer betrekking op de hoogte van de gevraagde leges, € 201. Het bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 31 januari 2008, waarbij ook het verzoek van eiseres om restitutie of reductie van de leges is afgewezen.

Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 augustus 2008 is het tegen dit besluit gerichte beroep van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres is daarvan in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). In deze procedure heeft eiseres, onder verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel, onder meer aangevoerd dat de door haar betaalde leges onredelijk waren.

Bij uitspraak van 23 juni 2010 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 31 januari 2008 echter geheel in stand zijn gelaten. Ten aanzien van de hoogte van de leges heeft de Afdeling in die uitspraak onder meer overwogen dat niet is gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit door het heffen van hogere leges van eiseres dan burgers van de Unie zouden moeten hebben betalen.

Op 26 april 2012 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) arrest gewezen in de zaak Commissie tegen Nederland (zaaknummer C-508/10, RvdW 2012/757). Daarbij heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens richtlijn 2003/109 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door (onder andere) van onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetene in Nederland aanvragen overdreven en onevenredig hoge leges te vragen, die een belemmering kunnen vormen voor de uitoefening van de bij die richtlijn toegekende rechten. Dit arrest ziet onder meer op het van eiseres geheven bedrag van
€ 201 voor het verlenen van de status van langdurig ingezetene.

De beoordeling

1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 2 september 2011, JV 2011/415) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit beoordelingskader is ook van toepassing op beroepen tegen de handhaving van de afwijzing van een verzoek om restitutie van leges, welke is gedaan buiten het kader van een tegen het op aanvraag genomen besluit aangewend rechtsmiddel.

2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2011 (LJN: BQ7861), waarin wordt verwezen naar de arresten van het Hof van Justitie 16 maart 2006, nr. C-234/04 (Kapferer) en 19 september 2006, nrs. C-392/04 en C-422/04 (i-21 Germany GmbH), volgt dat ook in gedingen betreffende aanspraken ontleend aan Unierecht de toepassing van nationale procedureregels in beginsel slechts onderworpen is aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en dat aan het rechtszekerheidsbeginsel zwaarwegende betekenis toekomt; slechts bij bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2004, nr. C 453/00 (Kühne & Heitz) bestaat voor een bestuursorgaan de verplichting om vanwege aan het gemeenschapsrecht ontleende materiële aanspraken terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit. In een dergelijk geval is het in rechtsoverweging 1 vermelde beoordelingskader niet van toepassing.

3. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Kühne & Heitz is sprake indien:

- het bestuursorgaan naar nationaal recht bevoegd is om op het besluit terug te komen;

- het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationaalrechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;

- de uitspraak van die instantie, gezien latere rechtspraak van het Hof van Justitie, op een onjuiste uitleg van gemeenschapsrecht berust, die is gegeven zonder dat het Hof van 

Justitie is verzocht om een prejudiciële beslissing;

- betrokkene zich onmiddellijk na kennisneming van die latere rechtspraak van het Hof van Justitie tot het bestuursorgaan heeft gewend.

4. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest Kühne & Heitz. Vast staat immers dat verweerder naar nationaal recht bevoegd is om op het besluit van 31 januari 2008 terug te komen en over te gaan tot restitutie van de leges. Verder staat vast dat dit besluit definitief is geworden door de uitspraak van 23 juni 2010 van de Afdeling, een nationaalrechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Voor zover in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 12 februari 2008, zaaknummer C-2/06 (Kempter) nog van belang, heeft eiseres in die eerdere procedure ook expliciet naar voren gebracht dat en waarom de geheven leges in haar optiek onevenredig hoog waren. Gezien het (nadien gewezen) arrest van het Hof van Justitie van 26 april 2012 in de zaak Commissie tegen Nederland staat voorts vast dat de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2010, die was gegeven zonder dat is verzocht om een prejudiciële beslissing, berust op een onjuiste uitlegging van het Unierecht, nu gezien die uitspraak van het Hof van Justitie moet worden geoordeeld dat (onder meer) de legesheffing van € 201,- voor de verstrekking van de status van langdurig ingezetene aan Richtlijn 2003/109 het nuttig effect ontneemt, omdat dit bedrag onevenredig en onredelijk hoog is en het daarmee een belemmering kan vormen voor de uitoefening van de bij die richtlijn toegekende rechten. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat, gezien de datum van het onderhavige verzoek, is voldaan aan de voorwaarde dat eiseres zich onmiddellijk na kennisneming van dat arrest tot verweerder heeft gewend.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Kühne & Heitz zodat het in rechtsoverweging 1 weergegeven beoordelingskader niet van toepassing is en de rechtbank toekomt aan een toetsing van het bestreden besluit.

6.Aangezien, zoals hiervoor overwogen, in geval van bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest Kühne & Heitz, voor een bestuursorgaan de verplichting bestaat om vanwege aan het gemeenschapsrecht ontleende materiële aanspraken terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit, volgt uit voorgaande tevens dat verweerder gehouden is terug te komen van het besluit van 31 januari 2008 zodat het restitutieverzoek ten onrechte is afgewezen. Het beroep is daarom gegrond en het besluit dient te worden vernietigd.

7. De rechtbank heeft onderzocht of mogelijkheden bestaan om het geschil finaal te beslechten. Onder verwijzing naar de uitspraak van heden van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (AWB 11/13253, ter informatie van partijen bijgevoegd) overweegt de rechtbank dat daartoe geen mogelijkheden bestaan. Verweerder dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen.

8. Gelet op het bovenstaande bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 33,40 (kosten van een retourticket per trein tussen Leiden Centraal en Arnhem, tweede klasse).

De beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 5 april 2013;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van
€ 160 aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 33,40, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Brugman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).