Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16633

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
AWB 13/14318
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft de Griekse nationaliteit. Hij is van 31 juli 2006 tot 15 februari 2007 werkzaam geweest via een uitzendorganisatie. Op 1 december 2006 heeft hij zich in de GBA ingeschreven. In het voorjaar van 2007 heeft eiser bij een val van de trap in zijn woning letsel opgelopen, waaronder een wervelfractuur en schedelletsel. Eiser heeft in verband hiermee van februari 2007 tot en met maart 2008 een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet. In de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 heeft eiser niet ingeschreven gestaan in de GBA. Op 6 december 2011 is eiser weer ingeschreven in de GBA, in de gemeente Deventer. Sinds maart 2012 ontvangt eiser een (volledige) uitkering op grond van de WWB.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder onderzoek kunnen doen naar het verblijf van eiser en van hem kunnen verlangen dat hij onderbouwt dat hij in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 wel in Nederland heeft verbleven. Eiser is daarin niet geslaagd. Evenmin is gebleken dat hij blijvend arbeidsongeschikt is, zodat reeds daarom niet kan worden aangenomen dat hij op enig moment nadat hij twee jaar in Nederland had verbleven, rechten kon ontlenen aan artikel 8.17,

derde lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Hij heeft dan ook geen duurzaam verblijfsrecht.

Met betrekking tot een niet duurzaam verblijfsrecht overweegt de rechtbank dat uit artikel 7, derde lid, van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12, tweede lid, van het Vb 2000 volgt dat het rechtmatig verblijf van een werknemer niet eindigt in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Dat laat echter onverlet dat door het vertrek van eiser uit Nederland tussen mei 2009 en december 2011, diens verblijf is beëindigd en daarmee ook het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, van het Vb 2000. Voor het oordeel dat eiser bij terugkeer na meer dan twee jaar op dezelfde grondslag weer rechtmatig verblijf dient te krijgen bestaat geen grond. Eiser is dan ook een economisch niet-actieve en heeft dus slechts rechtmatig verblijf indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt. In aanmerking genomen dat eiser een WWB uitkering ontvangt voldoet hij niet aan dat vereiste, zodat hij niet op grond van die bepalingen rechtmatig verblijf heeft.

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder niet slechts op grond van het beroep op de openbare middelen is overgegaan tot beëindiging van het verblijfsrecht, maar daarbij de totale duur van het verblijf in Nederland, de totale duur van de arbeid van eiser in Nederland, de onderbreking van het verblijf en de duur van de bijstandsuitkering heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee voldoende gemotiveerd waarom in dit geval het beroep op de sociale middelen maakt dat het verblijfsrecht kan worden beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 13/14318

Datum uitspraak: 3 december 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Griekse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. I. Petkovski,

tegen

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder (onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Op 4 juli 2012 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om zijn verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38 EG in te trekken.

Op 16 juli 2012 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen ingediend.

Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser op grond van Richtlijn 2004/38 EG beëindigd.

Daartegen heeft eiser op 24 september 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 3 juni 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.L.W. van Dort.

De beoordeling

1.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft de Griekse nationaliteit. Hij is van 31 juli 2006 tot 15 februari 2007 werkzaam geweest via uitzendorganisatie Werkgroep.nl. Op 1 december 2006 heeft hij zich in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (hierna: GBA) ingeschreven. In het voorjaar van 2007 heeft eiser bij een val van de trap in zijn woning letsel opgelopen, waaronder een wervelfractuur en schedelletsel. Eiser heeft in verband hiermee van februari 2007 tot en met maart 2008 een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet.
In de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 heeft eiser niet ingeschreven gestaan in de GBA. Op 6 december 2011 is eiser weer ingeschreven in de GBA, in de gemeente Deventer. Sinds maart 2012 ontvangt eiser een (volledige) uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

3.

Aan het besluit dat het verblijfsrecht van eiser is beëindigd heeft verweerder, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het is niet aannemelijk dat eiser in de periode van 25 mei 2009 tot 6 december 2011 in Nederland heeft verbleven. Hij verblijft dan ook niet langer dan vijf jaar in Nederland zodat hem geen duurzaam verblijfsrecht toekomt. Verweerder overweegt verder dat uit de voorhanden medische rapporten niet blijkt dat eiser volledig arbeidsongeschikt is. Daarnaast is eiser thans niet werkzaam en heeft hij gedurende zijn verblijf in totaal nog geen volledig jaar gewerkt. Eiser doet sinds maart 2012 een meer dan aanvullend beroep op de openbare kas, omdat hij een bijstandsuitkering ontvangt. Gezien de korte verblijfsduur in Nederland na 6 december 2011 betekent de bijstandsuitkering die eiser ten tijde van het besluit van 31 augustus 2012 gedurende zes maanden had ontvangen, een onevenredige belasting van het sociale bijstandsstelsel.

Ten slotte overweegt verweerder nog dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aangezien de echtgenote en het minderjarige kind van eiser niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijven, nu zij niet de Nederlandse nationaliteit hebben en hun verblijfsaanvraag is afgewezen bij beschikking van 12 maart 2013. Ook acht verweerder de band van eiser met Nederland niet groter dan zijn band met zijn land van herkomst.

4.

Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen door hem is aangevoerd wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

6.

In de preambule van de Richtlijn 2004/38 EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38) is onder 10 bepaald dat personen die hun recht van verblijf uitoefenen tijdens het begin van hun verblijfsperiode geen onredelijke belasting mogen vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Daarom dient het recht van verblijf van een burger van de Unie en zijn familieleden voor perioden van meer dan drie maanden aan bepaalde voorwaarden te zijn verbonden.

Overweging 16 van de preambule voegt hieraan toe dat begunstigden van het verblijfsrecht niet van het grondgebied mogen worden verwijderd zolang zij geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Een beroep op dat socialebijstandsstelsel mag bijgevolg niet automatisch aanleiding geven tot een verwijderingsmaatregel. Het gastland dient te onderzoeken of het gaat om tijdelijke problemen, en dient rekening te houden met de duur van het verblijf, de persoonlijke omstandigheden en het bedrag van de al uitgekeerde steun, om te kunnen uitmaken of de begunstigde een onredelijke belasting is geworden voor zijn socialebijstandsstelsel en of tot verwijdering wordt overgegaan. Er kunnen in geen geval verwijderingsmaatregelen worden genomen tegen personen die onder de door het Hof van Justitie vastgestelde definitie van werknemer, zelfstandige of werkzoekende vallen, behalve om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2004/38 heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat

te verblijven:

a. a) indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,

b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt,

(…)

Ingevolge het derde lid behoudt voor de toepassing van het eerste lid, onder a), een

burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:

a. a) hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;

(…)

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 behouden burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen

aan de aldaar genoemde voorwaarden. In specifieke gevallen van redelijke twijfel over de vraag, of een burger van de Unie of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 7, 12 en 13, kunnen de lidstaten zulks verifiëren. De verificatie geschiedt evenwel niet stelselmatig.

Ingevolge het derde lid leidt een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden

op het socialebijstandsstelsel van het gastland niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel.

Ingevolge het vierde lid kan in afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien:

a. a) de burgers van de Unie werknemer of zelfstandige zijn, of

b) de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2004/38 heeft iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

Ingevolge het derde lid wordt het ononderbroken karakter van het verblijf niet

beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of een derde

land.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b van Richtlijn 2004/38 geniet de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheid staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid en meer dan twee jaar ononderbroken in het gastland heeft verbleven duurzaam verblijfsrecht in het gastland nog voordat een ononderbroken periode van vijf jaar verblijf verstreken is. Indien deze arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht ontstaat op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een instelling van deze lidstaat, is de voorwaarde inzake de duur van het verblijf niet van toepassing.

7.

Richtlijn 2004/38 is geïmplementeerd in de Vw 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000).

8.

Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel, voor zover hier van belang, eindigt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is:

a. in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval;

(…)

c. gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat hij onvrijwillig werkloos is geworden door de afloop van een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven.

Artikel 8.16, tweede lid, van het Vb 2000 bepaalt dat, onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23, het rechtmatig verblijf niet eindigt zolang de vreemdeling aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23, het rechtmatig verblijf niet eindigt zolang de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid:

a. werknemer of zelfstandige is; of

b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

Op grond van artikel 8.17, eerste lid, van het Vb 2000 heeft duurzaam verblijfsrecht in Nederland:

a. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;

(…)

Ingevolge het tweede lid vormt voor de berekening van het ononderbroken verblijf, bedoeld in het eerste lid, geen onderbreking een afwezigheid uit Nederland:

a. van ten hoogste zes maanden per jaar;

b. om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden;

c. voor de vervulling van militaire verplichtingen; of

d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.

Op grond van het derde lid geldt de periode van vijf jaar, bedoeld in eerste lid, niet voor:

(…)

c. de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheden na meer dan twee jaar ononderbroken verblijf in Nederland staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid;

d. de werknemer of zelfstandige die in Nederland zijn werkzaamheden staakt wegens blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht is ontstaan op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een Nederlandse instelling;

Op grond van artikel 8.18, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan het duurzaam verblijfsrecht worden beëindigd bij onder meer afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit Nederland

Duurzaam verblijfsrecht

9.

Eiser voert allereerst aan dat hij inmiddels vijf jaar in Nederland heeft verbleven en om die reden een duurzaam verblijfsrecht heeft. Verweerder heeft ten onrechte niet aannemelijk geacht dat hij in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 in Nederland heeft verbleven. Eiser heeft een woonverklaring en een aantal getuigenverklaringen ingebracht, waaruit blijkt dat hij in de desbetreffende periode in Nederland is geweest. Verweerder heeft hieraan niet de juiste waarde toegekend. De overgelegde getuigenverklaringen zijn betrouwbaar, omdat zij zorgvuldig zijn opgesteld, gedetailleerde informatie bevatten, zijn ondertekend en zijn voorzien van een kopie van het identiteitsbewijs van de getuige die ze heeft opgesteld. Het feit dat deze getuigen vrienden van eiser zijn, doet volgens hem niet af aan de waarde van hun verklaringen. Overigens heeft eiser ook nog een derde een getuigenverklaring laten opstellen, ten aanzien waarvan verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat daarvoor hetzelfde geldt als voor de verklaringen van eisers vrienden. Eiser verkeert in bewijsnood. Hij heeft wel meermalen contact gezocht met het UWV, de enige professionele partij die zou kunnen bevestigen dat eiser in de periode in geding in Nederland is geweest, maar hierop is niet gereageerd. Hierover is een klacht ingediend bij het UWV.
Ten slotte merkt eiser op dat verweerder hem ten onrechte verwijt dat hij uit die periode geen bonnen heeft bewaard van de apotheek. Dit is zeer ongebruikelijk. Daarom valt niet in te zien waarom eiser destijds had moeten begrijpen dat hij die bonnen in een procedure als deze zou moeten inbrengen.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan het feit dat eiser in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 niet in de GBA stond ingeschreven, in combinatie met het feit dat eisers uitkering op grond van de Ziektewet is beëindigd in maart 2008 en eiser eerst in maart 2012 bijstand heeft aangevraagd, terwijl niet blijkt van enige andere inkomsten in de tussenliggende periode, het vermoeden kunnen ontlenen dat eiser in die periode niet in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft dan ook onderzoek kunnen doen naar het verblijf van eiser en van hem kunnen verlangen dat hij onderbouwt dat hij in die periode wel in Nederland heeft verbleven.

Daartoe heeft eiser in de eerste plaats een ‘woonverklaring’ overgelegd. Dit is het proces-verbaal van een verklaring die eiser heeft afgelegd ten overstaan van een sociaal rechercheur van de gemeente Deventer, op 5 maart 2012. Daarnaast heeft eiser schriftelijke verklaringen ingebracht van twee vrienden en een kennis: [naam], [naam] en [naam]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht opgemerkt dat deze verklaringen afkomstig zijn uit niet-objectieve bronnen, zodat daaraan niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Daarbij heeft verweerder onaannemelijk kunnen achten dat eiser in bewijsnood verkeert, aangezien hij weliswaar heeft verklaard dat zijn bankrekening in die periode was afgesloten, zodat hij daarvan geen stukken kan overleggen, maar op grond daarvan niet valt in te zien waarom hij niet tenminste zijn laatste bankafschrift en/of correspondentie met de bank heeft kunnen overleggen. Indien eiser in de desbetreffende periode daadwerkelijk in Nederland is geweest, moet daarvan ook enig objectief bewijs kunnen worden geleverd. In dat verband wijst de rechtbank erop dat eiser zowel ten aanzien van zijn verblijf vóór mei 2009, als zijn verblijf ná december 2011 in staat is gebleken een groot aantal bewijsstukken over te leggen. Als voorbeeld van over te leggen stukken heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser, gezien zijn medische toestand, in staat zou moeten zijn te bewijzen dat hij in die gehele periode een arts heeft geraadpleegd of medicijnen heeft gekregen. Nu eiser in het geheel geen objectief bewijs heeft ingebracht, heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiser in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 in Nederland heeft verbleven. Dit betekent dat verweerder terecht is uitgegaan van een verblijfsperiode in Nederland van minder dan vijf jaren en eiser dus niet op grond van artikel 8.17, eerste lid, van het Vb 2000 een duurzaam verblijfsrecht heeft.

11.

In het beroepschrift wordt verder gesteld dat niet van belang is of eiser in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 in Nederland is geweest, aangezien hij een uitkering heeft ontvangen op grond van arbeidsongeschiktheid. Naar de rechtbank begrijpt betoogt eiser daarmee dat hij reeds vóór 25 mei 2009 een duurzaam verblijfsrecht had. Eiser verwijst in dat verband naar artikel 17, eerste lid onder b van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.17, derde lid, van het Vb 2000. Namens eiser is ter zitting erkend dat van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een bedrijfsongeval geen sprake is, zodat het beroep op artikel 8.17, derde lid aanhef en onder d reeds daarom niet van toepassing is. Voor zover eiser mede een beroep heeft gedaan op 8.17, derde lid aanhef en onder c van het Vb 2000 overweegt de rechtbank dat uit het medisch en arbeidsdeskundig belastbaarheidonderzoek van A-REA van 10 april 2013 volgt dat sprake is van medische beperkingen. Eiser is volgens de arts belastbaar voor arbeid of deelname aan op re-integratie gerichte activiteiten. De arbeidsdeskundige concludeert dat eiser medisch gezien (beperkte) mogelijkheden heeft maar als gevolg van de combinatie van forse lichamelijke beperkingen en beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en de wisselende belastbaarheid is hij momenteel niet geschikt voor het verrichten van regulier betaald werk. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit deze conclusies niet volgt dat eiser blijvend arbeidsongeschikt is, zodat reeds daarom niet kan worden aangenomen dat hij op enig moment nadat hij twee jaar in Nederland had verbleven, rechten kon ontlenen aan artikel 8.17, derde lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000.

12.

Uit het voorgaande volgt dat eiser geen duurzaam verblijfsrecht heeft. Overigens merkt de rechtbank op dat als eiser duurzaam verblijfsrecht zou hebben als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid, dit duurzaam verblijfsrecht door het vertrek uit Nederland van mei 2009 tot december 2011 op grond van artikel 8.18 van het Vb 2000 kan worden beëindigd.

Niet duurzaam verblijfsrecht

13.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of eiser een niet duurzaam verblijfsrecht heeft.

14.

Eiser voert in dat verband aan dat als hij niet blijvend arbeidsongeschikt is, hij tijdelijk arbeidsongeschikt moet zijn zodat hij op grond van artikel 7, derde lid, van richtlijn 2004/38 als werknemer moet worden aangemerkt en dus rechtmatig verblijf heeft.

15.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser in eerste instantie weliswaar als economisch actieve naar Nederland is gekomen en hier ook heeft gewerkt, maar na zijn afwezigheid in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 was daar geen sprake meer van, zodat hij bij terugkeer in niet langer de status van werknemer had.

16.

De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Zoals hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk dat eiser in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 in Nederland is geweest. Vooropgesteld moet worden dat uit artikel 7, derde lid, van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12, tweede lid, van het Vb 2000 volgt dat het rechtmatig verblijf van een werknemer niet eindigt in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Dat laat echter onverlet dat door het vertrek van eiser uit Nederland tussen mei 2009 en december 2011, diens verblijf is beëindigd en daarmee ook het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, van het Vb 2000. Voor het oordeel dat eiser bij terugkeer na meer dan twee jaar op dezelfde grondslag weer rechtmatig verblijf dient te krijgen bestaat geen grond. In dat verband wijst de rechtbank er nog op dat een dergelijk lang vertrek zelfs ingeval van een duurzaam verblijf aanleiding vormt om het verblijfsrecht te beëindigen.

17.

Nu eiser sinds zijn terugkeer naar Nederland in december 2011 geen arbeid heeft verricht, is hij geen werknemer, maar een economisch niet-actieve als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder b, van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12, eerste lid aanhef en onder b, van het Vb 2000. Hij heeft op die grond slechts rechtmatig verblijf indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt. In aanmerking genomen dat eiser een WWB uitkering ontvangt voldoet hij niet aan dat vereiste, zodat hij niet op grond van die bepalingen rechtmatig verblijf heeft.

Beëindiging van het rechtmatig verblijf

18.

Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder verwijderingsmaatregelen tegen hem kon nemen. Op grond van artikel 14 van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.16 van het Vb 2000 leidt een beroep op de algemene middelen niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf, terwijl het rechtmatig verblijf evenmin eindigt zolang de vreemdeling naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

19.

In verband met het laatste heeft eiser aangevoerd dat verweerder had moeten vaststellen of hij een reële kans maakt op werk, zodat geen verwijderingsmaatregel tegen hem kan worden genomen. Hij stelt in dat verband dat hij belastbaar is voor arbeid met een wisselende urenbeperking.

20.

Met verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij naar Nederland is gekomen om werk te zoeken, terwijl uit de rapportage van A-REA blijkt dat eiser medisch gezien (beperkte) mogelijkheden heeft maar als gevolg van de combinatie van forse lichamelijke beperkingen en beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en de wisselende belastbaarheid momenteel niet geschikt is voor het verrichten van regulier betaald werk. Dat eiser thans op zoek is naar werk en op dit moment een reële kans op werk heeft is dan ook niet gebleken. Deze grond slaagt daarom niet.

21.

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder niet slechts op grond van het beroep op de openbare middelen is overgegaan tot beëindiging van het verblijfsrecht, maar daarbij de totale duur van het verblijf in Nederland, de totale duur van de arbeid van eiser in Nederland, de onderbreking van het verblijf en de duur van de bijstandsuitkering heeft betrokken.

22.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee voldoende gemotiveerd waarom in dit geval het beroep op de sociale middelen maakt dat het verblijfsrecht kan worden beëindigd. Dat, zoals eiser heeft aangevoerd, hij zichzelf niet opzettelijk in de situatie heeft gebracht dat hij niet kon werken en hij niet de intentie heeft gehad om niet hier te lande aan het werk te zijn, doet hieraan niet af. Daarnaast blijkt zowel uit het primaire besluit als uit het bestreden besluit dat de door eiser gestelde belangen in de belangenafweging zijn betrokken, zodat ook deze beroepsgrond faalt.

23.

Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder van de intrekking had moeten afzien op grond van artikel 8 van het EVRM, aangezien zijn vrouw en dochter in Nederland wonen en hijzelf inmiddels een band met Nederland heeft opgebouwd.

24.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit verband terecht opgemerkt dat de echtgenote van eiser de Russische nationaliteit heeft en dat haar verblijfsaanvraag in Nederland, mede gedaan namens haar dochter, inmiddels is afgewezen. Daarbij heeft eiser ter zitting medegedeeld dat zijn dochter de Griekse nationaliteit heeft. Aangezien voorts niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven met zijn echtgenote en dochter elders uit te oefenen, bijvoorbeeld in Griekenland, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat artikel 8 van het EVRM niet wordt geschonden door het bestreden besluit. Deze grond slaagt daarom niet.

25.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Brugman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).