Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16610

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
09-777508-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van , 36 maanden , waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij worden veroordeeld voor de gewelddadige overval op een juwelier in Gouda. Een minderjarige mededader (17) krijgt voor hetzelfde vergrijp een jaar onvoorwaardelijke jeugddetentie. Ook krijgt deze minderjarige een zogenaamde Gedrags Beinvloedende Maatregel opgelegd door de rechtbank.

Een 27 jarige verdachte die de anderen heeft getipt over deze juwelier krijgt van de rechtbank voor medeplichtigheid en voor wapenbezit een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren.

De vier overvallers hebben op 21 mei 2013 in Gouda gezamenlijk een juwelier overvallen. Ze dreigden met geweld, hebben met een hamer ingeslagen op een vitrinekast met horloges en hebben de in de juwelierszaak aanwezige eigenaresse geslagen met het vuurwapen. Tijdens de overval heeft een van de mannen geschoten met hetzelfde vuurwapen. Een andere winkelier die aangeefster wilde helpen is door een van de overvallers geslagen met een ploertendoder.

De rechtbank kent 10,000 euro smartengeld toe aan de aangeefster voor het ontstane leed. Haar claim terzake van andere kostenposten werd door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen voor dat deel kan zij nog wel naar de civiele rechter stappen om geld te eisen van hen.

Twee minderjarige medeplichtigen, die hielpen met voorbereiden dan wel het vuurwapen en de ploertendoder hebben geleverd, krijgen werkstraffen en voorwaardelijke jeugddetentie van de rechtbank. De derde minderjarige medeplichtige, de vriendin van een van de overvallers, is vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777508-13

Tul 02/667030-10; 02/800346-12

Datum uitspraak: 5 december 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 november 2013 en gesloten op 21 november 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N. Coenen en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 21 mei 2013 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een juwelierszaak, gelegen op of aan de

[adres] heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid horloges/sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Juwelier [X] en/of [aangever 1] en/of

[aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of zijn/hun mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] en [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit

- het met bedekte gezichten en/of (een) vuurwapen(s) betreden van die juwelierszaak en/of

- door hun overwicht in aantal doen ontstaan van een dreigende situatie voor die [aangever 2] en/of

- het inslaan van een of meer vitrinekasten en/of

- het (met een vuurwapen/vuurwerp) slaan op het hoofd en/of tegen de nek en/of op een hand, althans

op het lichaam, van die [aangever 2] en/of

- het (krachtig) duwen tegen het lichaam van die [aangever 2], tengevolge waarvan die [aangever 2] ten val is

gekomen en/of

- het schieten met dat vuurwapen en/of

- het met een ploertendoder/gummiknuppel, althans een hard voorwerp, slaan

op het lichaam van die [aangever 3],

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 21 mei 2013 te Gouda en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een ploertendoder te leveren;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 21 mei 2013 vindt er in het winkelcentrum Bloemendaal te Gouda een gewelddadige overval plaats op juwelierszaak [X]. Deze zaak, gevestigd aan [adres], is eigendom van de heer [aangever 1] en zijn echtgenote mevrouw [aangever 2] (verder: de aangeefster). Die ochtend verlaat de heer [aangever 1] rond 10.15 uur de zaak en blijft de aangeefster alleen achter. Zij bevindt zich in het atelier achterin de zaak.

Na ongeveer een kwartier komen twee in het zwart geklede personen met een bivakmuts over hun hoofd rennend de zaak binnen. Eén van hen slaat direct met een hamer een vitrine kapot, waarin de dure horloges liggen. De aangeefster loopt van het atelier naar de zaak en gilt om hulp. Zij wil de alarmknop - die zich achter de toonbank aan de rechterzijde van de zaak bevindt - indrukken, maar wordt meerdere malen door de tweede persoon, die opeens naast haar staat, op de rechterachterzijde van haar hoofd geslagen.

De aangeefster zit even later op de grond achter de toonbank, maar kan zich niet herinneren hoe zij op de grond terecht is gekomen.2

De heer [aangever 3], de eigenaar van de viswinkel, die zich recht tegenover de juwelierszaak bevindt, ziet twee personen de entree van het winkelcentrum binnenkomen, ondertussen een donkerkleurige bivakmuts over hun hoofd trekkend. Vervolgens ziet hij dat deze personen doelbewust in de richting van de ingang van de juwelierszaak lopen en naar binnen gaan.

Hij roept naar zijn medewerkster dat zij 112 moet bellen en loopt snel in de richting van de juwelierszaak. Onderweg naar de juwelierszaak wordt hij door een derde persoon tegengehouden en met een ploertendoder tweemaal in zijn buik geslagen. Deze persoon belet [aangever 3] om de juwelierszaak te betreden. [aangever 3] loopt achteruit en begint te roepen dat er een overval gaande is. De derde persoon roept iets naar binnen en de twee personen met de bivakmutsen komen naar buiten gerend en verlaten het winkelcentrum. [aangever 3] rent de juwelierszaak in en vindt de aangeefster gewond op de grond achter de balie. Het bloed gutst uit haar hoofd.3

Getuige [getuige 1], die op het moment van de overval in het winkelcentrum aanwezig is, loopt samen met [aangever 3] en haar dochter de juwelierszaak in. Zij ziet dat het glas van de vitrine en de toonbank kapot is en zij ziet dat aan de voorkant van de toonbank een zilverkleurige huls ligt.4 De aangeefster zit op de grond achter de toonbank en bloedt hevig. [getuige 1] helpt de aangeefster met doeken om het bloeden te stelpen. [getuige 1] ziet dat de middelvinger van de rechterhand van de aangeefster scheef staat en blauw is en dat er een straaltje bloed uit loopt.5

Op het moment dat de aangeefster doeken tegen haar bloedende hoofd houdt, voelt zij dat haar arm pijn doet en ziet zij dat haar hand kapot is.6 De aangeefster is op dat moment ook niet aanspreekbaar.7

De aangeefster wordt naar het ziekenhuis vervoerd. Zij heeft een scheurwond aan haar hoofdhuid, die gehecht is, een tweetal scheurwonden aan haar rechterhand en een botbreuk van de derde vinger aan haar rechterhand. Haar vinger is kort na de overval operatief gefixeerd en in het gips gezet. De geschatte genezingsduur van de fractuur is geschat op 8 weken, maar de rest- en herstelfunctie van de rechterhand laat zich niet inschatten.8

Getuige [getuige 2] ziet op 21 mei 2013 omstreeks 11.00 uur drie personen met bivakmutsen bij het winkelcentrum vandaan rennen. Hij fietst achter ze aan en schrijft het kenteken op van de grijze personenauto waarin zij wegrijden, te weten ZD-GS-89.9 [getuige 2] loopt vervolgens naar de juwelierszaak en geeft het kenteken van de auto door aan de dochter van [getuige 1], die op dat moment met 112 belt.10

Getuige [getuige 3] vindt op de openbare weg, op een plek waar hij vlak daarvoor mannen heeft zien rennen, een horloge. Hij raapt het op en geeft het in de juwelierszaak af.11

De politie slaat groot alarm en de auto, een grijze Peugeot 206, wordt vrij snel gespot en omsingeld door surveillanceauto’s. Om 11.14 uur wordt de bestuurder van de auto, de verdachte [medeverdachte 1], aangehouden.12 Eén voor één worden de andere drie inzittenden van de auto, te weten de verdachten [medeverdachte 3]13, [medeverdachte 2]14 en [medeverdachte 4]15, aangehouden.16

De auto wordt veilig gesteld17 en onderzocht.

In de auto wordt op het dashboard een ploertendoder aangetroffen18 alsook onder de bestuurdersstoel een bivakmuts en een zwart vuurwapen19 en in het opbergvak onder de bijrijdersstoel een koppel met tiewraps en een bivakmuts.20 Onder de bijrijdersstoel wordt voorts een slagwapen aangetroffen, achter de bijrijdersstoel in een grijze sporttas een hamer, een paar zwarte handschoenen, een bivakmuts, glasscherven en twee horloges, met daaraan nog de prijskaartjes. In een tas in de kofferbak van de auto worden tenslotte een bivakmuts en handschoenen aangetroffen.21

De aangeefster herkent de twee aangetroffen horloges van het merk Carucci Tourbilon en Jaques Lemans als zijnde eigendom van de zaak.22

Het wapen is een pistool van het merk Walther PPK, zijnde een vuurwapen vallend onder categorie III van de Wet wapens en munitie. Het wapen bevat voorts 6 scherpe patronen, eveneens vallend onder categorie III van de Wet wapens en munitie.23

Bij de uitgang van het winkelcentrum Bloemendaal wordt een busje CS gas aangetroffen.24

Dit busje CS gas is een wapen vallend onder categorie II van de Wet wapens en munitie.25

De overval is zorgvuldig gepland en voorbereid. De verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] kiezen er na een tip voor om de juwelier in Gouda te overvallen, omdat deze volgens de tip dicht bij de uitgang van het winkelcentrum ligt. Er worden twee voorverkenningen gedaan. Bij de eerste voorverkenning, een aantal weken voor de overval, is de tipgever aanwezig en wordt besproken hoe de overval het beste kan worden aangepakt en waar de auto het beste kan worden geparkeerd, namelijk in ieder geval uit het zicht van de camera’s. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn erbij.262728 Bij de tweede voorverkenning, op de zaterdag voor de overval, zijnde 18 mei 2013, is ook medeverdachte [medeverdachte 5] aanwezig.

Zij en [medeverdachte 2] doen zich voor als een stelletje en bekijken de winkel. [medeverdachte 2] kijkt waar de dure horloges liggen. Ook wordt die dag de vluchtroute bekeken.29

Diezelfde avond wordt de rolverdeling nader besproken. [medeverdachte 1] zal de auto besturen, [medeverdachte 2] zal de vitrine inslaan en de dure horloges meenemen, [medeverdachte 4] zal het personeel onder controle houden met een vuurwapen en [medeverdachte 3] moet voorkomen dat anderen de juwelierszaak betreden.30

Eerder zijn er in Bergen op Zoom met het oog op de overval bivakmutsen gekocht.3132

Ook de verdeling van de buit is van tevoren besproken.

Op de dag van de overval heeft [medeverdachte 2] een hamer bij zich om de vitrine in te slaan en heeft hij voor de zekerheid pepperspray bij zich33, [medeverdachte 4] heeft een vuurwapen bij zich34 en [medeverdachte 3] heeft een ploertendoder in zijn hand.35

De verdachten [medeverdachte 1]36, [medeverdachte 3]37, [medeverdachte 2]38 en [medeverdachte 4]39 bekennen dat zij hebben meegedaan aan de overval op de juwelier. [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] handhaven ter terechtzitting, ieder voor zich, hun bekennende verklaring.40

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de rol van de verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van medeplichtigheid aan voornoemde overval.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt erop neer dat de verdachte heeft bekend dat hij de ploertendoder heeft geleverd. Ten aanzien van de vraag of de verdachte de ploertendoder met het oog op de overval heeft geleverd refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Medeplichtigheid houdt in dat een verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen verschaft tot en/of behulpzaam is bij het plegen van een misdrijf. Volgens vaste jurisprudentie is voor de bewezenverklaring daarvan vereist dat het opzet van de verdachte niet alleen is gericht op het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of de behulpzaamheid, maar tevens dat opzet van de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke zin) is gericht op het misdrijf dat hij ondersteunt.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de ploertendoder aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft geleverd.41 De verdachte heeft echter tevens verklaard dat hij dit heeft gedaan opdat [medeverdachte 1] hem zou kunnen gebruiken om iemand te grazen te nemen die zijn gehandicapte zusje had betast. De verdachte heeft voorts meegedeeld niets van de overval te hebben geweten. De rechtbank acht dit deel van de verklaring van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig, nu dit niet wordt ondersteund door enige andere verklaring.

Blijkens de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]42 was de ploertendoder van de verdachte en was de verdachte erbij toen er bivakmutsen voor gebruik bij de overval werden gekocht. Medeverdachte [medeverdachte 4] verklaart dat [medeverdachte 1] de ploertendoder een paar dagen voor de overval bij de verdachte heeft opgehaald43 en dat de verdachte vanaf het begin af aan op de hoogte was van de plannen voor de overval44. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat de ploertendoder in het weekend voor de overval aan hen is gegeven en dat de verdachte wist dat ze de ploertendoder nodig hadden voor de overval.45

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat de verdachte wist van de

overval op de juwelier en dat hij de opzet had om de ploertendoder te leveren ten behoeve van de overval. De medeplichtigheid aan de overval door het leveren van een ploertendoder kan dan ook bewezen worden verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 21 mei 2013 te Gouda, tezamen en in vereniging, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een juwelierszaak, gelegen op of aan de[adres] hebben weggenomen een hoeveelheid horloges, toebehorende aan Juwelier [X] en/of [aangever 1] en/of [X],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] en [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit

- het met bedekte gezichten en een vuurwapen betreden van die juwelierszaak en

- door hun overwicht in aantal doen ontstaan van een dreigende situatie voor die [aangever 2] en

- het inslaan van vitrinekasten en

- het met een vuurwapen slaan op het hoofd en op een hand van die [aangever 2] en

- het schieten met dat vuurwapen en

- het met een ploertendoder slaan op het lichaam van die [aangever 3],

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte

in de periode van 1 mei 2013 tot en met 21 mei 2013 elders in Nederland opzettelijk middelen heeft verschaft door

- een ploertendoder te leveren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie alsook tot een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde werkstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zich niet expliciet uitgelaten over de voorwaardelijke jeugddetentie.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewelddadige overval op een juwelierszaak in Gouda door het verschaffen van een ploertendoder.

De verdachte is op het moment van de overval niet in de juwelierszaak aanwezig geweest, maar heeft de ploertendoder geleverd, die door medeverdachte [medeverdachte 3] - die moest voorkomen dat anderen de juwelierszaak zouden betreden - is gebruikt.

[medeverdachte 3] heeft met de ploertendoder de heer [aangever 3] tweemaal in de buikstreek geslagen en hem op deze wijze belemmerd om het slachtoffer te hulp te schieten.

Het door de mededaders gepleegde feit behoort tot een categorie strafbare feiten waardoor een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de rechtsorde en die in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het feit is gepleegd op klaarlichte dag in een drukbezocht winkelcentrum, zodat veel omstanders hier onwillekeurig getuige van zijn geweest. Bovendien leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden. De impact van de overval is zelfs zo groot is geweest dat het slachtoffer sinds de overval niet meer in de winkel durft te staan. Zij voelt zich te kwetsbaar en heeft aldus op een abrupte wijze een einde zien komen aan haar werkzame leven.

De rechtbank vindt het schokkend dat de mededaders kennelijk bereid waren om voor ‘een paar honderd euro’ een dergelijk gewelddadig feit te plegen en een van de mededaders zonder ook maar één moment na te denken over wat hij achter de voordeur van de juwelierszaak zou aantreffen, met een doorgeladen vuurwapen de juwelierszaak is binnengegaan. Kennelijk is het niet meer mogelijk of veilig genoeg dat de toegangsdeur van een juwelierszaak open staat voor klanten, aangezien potentiële overvallers dan zó naar binnen kunnen stormen.

De rechtbank weegt ten overvloede mee dat uit de verklaringen in het dossier blijkt dat de verdachte zich in de voorbereidingsfase niet heeft gedistantieerd van de overval en ten volle bereid was om mee te doen aan de overval. Zijn rol bij de overval is echter beperkt gebleven, nu hij van de anderen niet mee mocht doen aan de overval omdat hij in de proeftijd van eerdere veroordelingen liep en omdat men hem ongeschikt achtte om de toegang tot de juwelier op het moment van de overval afdoende te bewaken.

De medeverdachten merken over die proeftijd op dat verdachte niet mee mocht “omdat hij zes jaar voorwaardelijk” had staan, daarbij klaarblijkelijk doelend op de 3 voorwaardelijke veroordelingen met telkens een proeftijd van 2 jaar. Uit het dossier blijkt overigens ook dat verdachte teleurgesteld was dat zijn vrienden zonder hem op pad gingen. De verdachte is vervolgens vervangen door medeverdachte [medeverdachte 3], die wel zijn postuur meehad.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 15 november 2013. Blijkens dit rapport is er bij de verdachte sprake van een verstandelijke beperking, maar is het gelukt om hem in een goed ritme van school en een bijbaantje te krijgen. Dit verdachte moet meer moeite doen om in de pas te blijven lopen dan een gemiddelde leeftijdsgenoot. Begeleiding door de jeugdreclassering is van belang omdat de positieve veranderingen ten aanzien van de criminogene factoren nog erg pril zijn.

Zeker bij jongeren met een verstandelijke beperking, is herhaling en het voor langere periode bieden van ondersteuning en terugvalpreventie belangrijk.

De Raad acht uit pedagogisch oogpunt een voorwaardelijke jeugddetentie niet wenselijk. Passende hulp is van belang en dient te worden voortgezet.

Geadviseerd wordt aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering, uit te voeren door de William Schrikker Groep.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting is van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming benadrukt dat begeleiding door de jeugdreclassering belangrijk is, nu de ondertoezichtstelling volgend jaar zal eindigen. Ook is meegedeeld dat een voorwaardelijk jeugddetentie voor minderjarige verdachte met een verstandelijke beperking averechts zal werken.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

De rechtbank onderschrijft voorts het advies van de Raad dat aan de verdachte geen voorwaardelijke jeugddetentie zou moeten worden opgelegd niet.

De verdachte is al meerdere keren veroordeeld en de hem eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraffen hebben hem niet weerhouden van het plegen van een nieuw strafbaar feit.

Gelet op deze omstandigheid alsook gelet op de ernst van het strafbare feit waaraan de verdachte medeplichtig is geweest en waarover hij geen openheid van zaken heeft gegeven, zal de rechtbank de verdachte thans een voorwaardelijke jeugddetentiestraf opleggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering, uit te voeren door de William Schrikker Groep. De voorwaardelijke jeugddetentie is, naar het oordeel van de rechtbank, geïndiceerd om bij de verdachte een afschrikwekkend effect te bereiken.

De rechtbank dient bij de strafoplegging bovendien niet alleen de persoon van de verdachte mee te laten wegen, maar ook de belangen van de maatschappij ter voorkoming van recidive. De rechtbank ziet wel aanleiding de gevorderde voorwaardelijke straf enigszins te matigen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 3] heeft een voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces ingediend, doch geen concreet bedrag aan geleden schade gevorderd.

Nu de benadeelde partij ook niet ter terechtzitting aanwezig was om zijn vordering aan te vullen, zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren wegens onbepaaldheid van de vordering.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1.

De vorderingen van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijke deel van de bij vonnis van de kinderrechter te Breda d.d. 24 maart 2011 opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie alsook van de bij vonnis van de rechtbank te Breda d.d. 18 september 2012 voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide vorderingen tot tenuitvoerlegging verlenging van de proeftijd bepleit, nu de verdachte volgens de Raad niet te zwaar mag worden belast.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van beide vorderingen van de officier van justitie, te weten van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Breda d.d. 24 maart 2011 alsook van de voorwaardelijke werkstraf waartoe de verdachte bij onherroepelijk vonnis van de Meervoudige Kamer van de rechtbank te Breda d.d. 18 september 2012 werd veroordeeld, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormelde vonnissen was opgelegd, wederom schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk feit. Bovendien was de proeftijd van het eerstgenoemde vonnis al een keer verlengd.

De rechtbank gaat ervan uit dat de Raad voor de Kinderbescherming de uit te voeren werkstraffen goed zal verdelen, opdat de verdachte niet te zwaar zal worden belast.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

48, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77ee, 77gg, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MEDEPLICHTIGHEID AAN DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de tijd van 80 uren

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 40 dagen;

en veroordeelt de verdachte voorts tot;

jeugddetentie voor de duur van 1 maand

bepaalt, dat dit gedeelte van de straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg (uit te voeren door de William Schrikker Groep), zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf, opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Breda d.d. 24 maart 2011, gewezen onder parketnummer 02/667030-10, te weten een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van Meervoudige Kamer van de rechtbank te Breda d.d. 18 september 2011, gewezen onder parketnummer 02/800346-12, te weten een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter,

en mr. M. Dam, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1620 2013068902, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 1043.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], pagina 158/159.

3 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 3], pagina 240/241.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 182.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina 219 en 220.

6 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], pagina 160.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 182.

8 Een geschrift, te weten medische informatie van [Y], als Forensisch arts KNMG verbonden aan de GGD Hollands Midden, pagina 604.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 233.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 234.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], pagina 230.

12 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 1], pagina 25/26.

13 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 3], pagina 55/56.

14 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 2], pagina 85/86.

15 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 4], pagina 115/116.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 172/173.

17 Proces-verbaal van bevindingen. pagina 191, onderaan.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 175, onderaan.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 191, onderaan.

20 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 586, onderaan.

21 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 752 e.v.

22 Proces-verbaal verhoor getuige, met bijlage, pagina 168/169.

23 Proces-verbaal van de Forensische Technische Opsporing, met bijlagen, pagina 800/806.

24 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 190, onderaan.

25 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 592/593.

26 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 349/350.

27 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 388.

28 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 308.

29 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 394.

30 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 353, onderaan.

31 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 359.

32 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 396, bovenaan.

33 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 396, bovenaan.

34 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 304, onderaan.

35 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 318 onderaan.

36 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 39 e.v. en 295 e.v.

37 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 67 e.v., 313 e.v. en 338 e.v.

38 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 98 e.v., 384 e.v. en 393 e.v.

39 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 129 e.v., 344 e.v., 358 e.v. en 379 e.v.

40 Proces-verbaal ter terechtzitting van 21 november 2013, eigen verklaringen van de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2].

41 Proces-verbaal van de terechtzitting van 20 november 2013, eigen verklaring van de verdachte.

42 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 395, onderaan en 396, bovenaan.

43 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 362, onderaan.

44 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 359, onderaan.

45 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 305, onderaan en 306, bovenaan.